8.4.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 88/639


(2004/C 88 E/0656)

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3257/03

van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie

(3 november 2003)

Betreft:   BTW kringloopbedrijven

Kringloopbedrijven beschouwen het onderkennen en benutten van hergebruiksmogelijkheden als een van hun hoofdtaken. Zij geven daaraan invulling door het ophalen, selecteren, repareren en opnieuw aanbieden van afgedankte producten. In België mag de kringloopbranche het 6 % BTW-tarief hanteren op basis van sociale argumenten. In Nederland zijn herhaalde pogingen gedaan om ook daar de kringloopbranche op basis van sociale en milieutechnische argumenten onder het 6 % BTW-tarief te laten vallen. Tot nu toe zonder succes. Inmiddels heeft de Commissie een mededeling over een geïntegreerd productbeleid (1) voorgelegd aan Parlement en Raad. Hierin wordt op een aantal punten gesproken over belastingvoordelen voor milieugerichte concepten. Echter, de kringloopbranche wordt niet specifiek genoemd.

1.

Is de Commissie in gesprek met de Europese belangenorganisatie van kringloopbedrijven (RREUSE) over dit onderwerp?

2.

Zo ja, wat zijn de concrete resultaten van die dialoog? Zo nee, waarom vindt een dergelijke dialoog niet plaats?

3.

Is de Commissie ook niet van mening dat de kringloopbranche een waardevolle bijdrage levert aan een duurzame samenleving?

4.

Wat is de Commissie voornemens te doen om de kringloopbranche te betrekken bij het geïntegreerde productbeleid?

5.

Is de Commissie ook niet van mening dat de kringloopbranche op basis van sociale en milieutechnische argumenten aanspraak moet kunnen maken op belastingvoordelen, dat wil zeggen een verlaagd BTW-tarief van 6 %?

Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie

(19 december 2003)

De Commissie is thans bezig haar overleg met belanghebbenden af te ronden over de Thematische Strategie inzake Afvalpreventie en Afvalrecycling. In dit verband heeft zij contacten gelegd met Rreuse, onder andere belanghebbenden, vooral over aangelegenheden als herstelling en hergebruik van artikelen en uitrusting sstukken.

Op 30 november 2003 is de periode van overleg over de Thematische Strategie inzake Afvalpreventie en Afvalrecycling (2) juist beëindigd. Onder de onderwerpen in de medeling waren ook economische instrumenten. Over de bijdragen van individuele betrokkenen zijn er evenwel nog geen concrete conclusies binnengekomen.

Zoals in haar mededeling is vermeld, stelt de Commissie de waardevolle bijdrage van de recyclage-bedrijfstak aan een duurzame ontwikkeling zeer op prijs. De mededeling bespreekt een groot aantal recyclage-kwesties die in het algemene concept voor een duurzaam beheer van hulpbronnen potentieel wel sleutelrollen vervullen.

Het Geïntegreerd Productiebeleid (IPP) richt zich op de milieukwaliteiten van artikelen gedurende de gehele levenscyclus daarvan. Recyclage en hergebruik zijn daarom voor IPP erg belangrijk. Technologieën en procedures die bij recyclage worden gebruikt kunnen helpen negatieve milieugevolgen aan het einde van het leven van een artikel te vermijden, energie en hulpbronnen besparen en wellicht bijdragen aan een ecologisch vriendelijker productontwerp.

Zoals zij dit had aangekondigd in haar mededeling over de BTW-strategie die in 2000 was goedgekeurd (3), heeft de Commissie op 23 juli 2003 het voorstel goedgekeurd voor de richtlijn betreffende de herziening en de rationalisering van de regels en afwijkingen op het gebied van de verlaagde BTW-tarieven (4). Haar voornaamste doel daarbij was het verbeteren van de interne markt en dit vooral door een vereenvoudiging en een meer eenvormige toepassing van de BTW na te streven.

Genoemd voorstel bevat geen bijzondere bepaling voor de beroepsgroep van de uitdragers: daarvoor zijn namelijk reeds in de Zesde BTW-Richtlijn (5) gunstige maatregelen vastgesteld.

Allereerst valt dit beroep in de meeste gevallen onder de bijzondere regeling die van toepassing is op het gebied van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten van artikel 26 bis van genoemde richtlijn. Dit betekent dat de verkopen van gebruikte goederen door de personen van deze beroepsgroep — aangemerkt als belastingplichtige wederverkopers — slechts over de behaalde winstmarge worden belast. Deze winstmarge is gelijk aan het verschil tussen de verkoopprijs die voor het goed door de belastingplichtige wederverkoper wordt gevraagd en de prijs bij aanschaf.

Bovendien is in bijlage H, categorie 14, van deze richtlijn bepaald dat de lidstaten een verlaagd BTW-tarief (van ten minste 5 % ) kunnen toepassen op „de levering van goederen en diensten die door organisaties die door de lidstaten als liefdadige instellingen zijn erkend en die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid, voorzover deze handelingen niet zijn vrijgesteld uit hoofde van artikel 13”. Dit betekent bijvoorbeeld dat een lidstaat een verlaagd BTW-tarief zou kunnen toepassen op de wederverkoop van goederen die zijn ingezameld door organisaties die door de lidstaten als liefdadige instellingen zijn erkend.

Er zij desondanks op gewezen dat op het gebied van de BTW-tarieven het leidend beginsel de toepassing van de gewone tarieven is. De toepassing van een verlaagd recht is een mogelijkheid die aan de lidstaten wordt opengelaten, hetgeen ertoe kan leiden dat bepaalde lidstaten op dit gebied een verlaagd recht vaststellen en andere lidstaten niet.

Het lijkt kortom niet nodig in deze sector andere bijzondere maatregelen van verlaging van de BTW-tarieven door te voeren.


(1)  COM(2003) 302.

(2)  COM(2003) 301 def.

(3)  COM(2000) 348 def.

(4)  COM(2003)397 def.

(5)  Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, PB L 145 van 13.6.1977.