27.3.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 78/206


(2004/C 78 E/0210)

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2983/03

van Mihail Papayannakis (GUE/NGL) aan de Commissie

(9 oktober 2003)

Betreft:   Gevallen van schending van het communautair milieurecht

Kan de Commissie mededelen in welke concrete gevallen zij geconstateerd heeft dat de Griekse wetgeving niet is aangepast aan de communautaire wetgeving inzake het milieu? Voor welk van deze gevallen heeft de Commissie een inbreukprocedure tegen Griekenland ingeleid?

Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie

(12 november 2003)

Op 21 oktober 2003 waren er 92 dossiers geopend naar aanleiding van vermeende of vastgestelde schendingen van het communautair milieurecht door Griekenland. Van die 92 geopende dossiers, gaan er 24 over de communautaire wetgeving inzake afvalbeheer, 19 ervan hebben betrekking op Richtlijn 85/337/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG (1), 19 andere op de natuurbescherming, 13 dossiers betreffen luchtverontreiniging, 11 hebben betrekking op de bescherming van water en zes op andere sectoren van het communautair milieurecht. Aangezien de Commissie van oordeel is dat Griekenland zijn verplichtingen op grond van het communautair milieurecht niet is nagekomen, dient erop gewezen te worden dat zij reeds voor 42 dossiers een inbreukprocedure heeft ingeleid overeenkomstig artikel 226 of artikel 228 van het EG-Verdrag.

Zo heeft de Commissie krachtens artikel 226 van het EG-Verdrag voor 11 inbreuken een met redenen omkleed advies aan Griekenland gezonden. Deze inbreuken hebben betrekking op het aanwijzen van speciale beschermingszones uit hoofde van Richtlijn 79/409/EEG (2), de bouw van een zuiveringsinstallatie voor afvalwater in Gerani, de verwerking van afgewerkte olie, de bescherming van het strandmeer van Mesolongi, de exploitatie van een illegale stortplaats in Paiania, slibbehandeling in de zuiveringsinstallatie van Psittalia, de exploitatie van de stortplaats in Maroulas op Kreta en niet-mededeling van de maatregelen tot omzetting van de Richtlijnen 2000/69/EG (3), 2000/76/EG (4), 2001/80/EG (5) en 2001/81/EG (6).

Bovendien heeft de Commissie reeds negen zaken voor het Hof van Justitie gebracht, namelijk zaak C-301/01 (non-comformiteit van de nationale maatregelen ter omzetting van Richtlijn 85/337/EEG in Grieks recht), zaak C-119/02 (afwezigheid van een opvangsysteem en een passende behandeling van stedelijk afvalwater in de regio Thriassio), zaak C-420/02 (exploitatie van een stortplaats in Pera Galinoi op Kreta), zaak C-163/03 (verontreiniging in de regio Thriassio Pedio), zaak C-167/03 (onverenigbaarheid van de Griekse wetgeving inzake het seizoen voor de jacht op vogels), zaak C-246/03 (niet-mededeling van de maatregelen tot omzetting van Richtlijn 2000/53/EG (7)), zaak C-247/2003 (niet-mededeling van de maatregelen tot omzetting van Richtlijn 1999/22/EG (8)), zaak C-364/03 (de werkingsvoorwaarden van een thermische centrale in Linoperamata op Kreta) en zaak C-416/03 (niet-mededeling van de maatregelen tot omzetting van Richtlijn 2001/18/EG (9)).

Omdat de Commissie van oordeel is dat Griekenland geen maatregelen heeft genomen ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie, heeft zij daarenboven de in artikel 228 van het EG-Verdrag vastgestelde inbreukprocedure ingeleid. In dit geval gaat het om de zaken die betrekking hebben op het niet opstellen van programma's ter vermindering van de verontreiniging die kwaliteitsdoelstellingen bevatten ten aanzien van de gevaarlijke stoffen van lijst II, eerste streepje, van de bijlage bij de Richtlijn 76/464/EEG (10) (arrest van 25 mei 2000, C-384/97), het niet treffen van maatregelen voor de invoering en de toepassing van een doeltreffend systeem van strikte bescherming van de zeeschildpad Caretta caretta op Zakynthos (arrest van 30 januari 2002, C-103/00) en het niet verstrekken van informatie zoals bedoeld in artikel 8, lid 3, van Richtlijn 91/689/EEG (11).

De Commissie heeft overigens besloten nog twee andere inbreuken voor het Hof van Justitie te brengen. Op 21 oktober 2003 was voor deze gevallen de desbetreffende procedure ingeleid. Deze inbreuken hebben betrekking op de exploitatie in Griekenland van een groot aantal illegale of ongecontroleerde stortplaatsen en onvoldoende behandeling van stedelijk afvalwater in Athene.

Er dient op te worden gewezen dat het Hof van Justitie in zijn arresten van 5 juni 2003 heeft aangegeven dat Griekenland zijn verplichtingen niet is nagekomen door de maatregelen tot omzetting van Richtlijn 2000/14/EG (12) niet mee te delen (C-352/02) en de in artikel 11 van Richtlijn 96/59/EG (13) bedoelde informatie niet te verstrekken (C-83/02).


(1)  Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, PB L 73 van 14.3.1997.

(2)  Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, PB L 103 van 25.4.1979.

(3)  Richtlijn 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht, PB L 313 van 13.12.2000.

(4)  Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval, PB L 332 van 28.12.2000.

(5)  Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties, PB L 309 van 27.11.2001.

(6)  Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen, PB L 309 van 27.11.2001.

(7)  Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken — Verklaringen van de Commissie, PB L 269 van 21.10.2000.

(8)  Richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen, PB L 94 van 9.4.1999.

(9)  Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad — Verklaring van de Commissie, PB L 106 van 17.4.2001.

(10)  Richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, PB L 129 van 18.5.1976.

(11)  Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen, PB L 377 van 31.12.1991.

(12)  Richtlijn 2000/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2000 inzake de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis, PB L 162 van 3.7.2000.

(13)  Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's), PB L 243 van 24.9.1996.