27.3.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 78/436


(2004/C 78 E/0458)

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2832/03

van Camilo Nogueira Román (Verts/ALE) aan de Commissie

(23 september 2003)

Betreft:   Stabiliteits- en groeipact

In hoeverre voldoen de lidstaten die het Stabiliteitspact hebben onderschreven globaal aan de voorwaarden van het Stabiliteits- en groeipact, gezien de problemen die grotere landen als Frankrijk en Duitsland hebben om het begrotingstekort van 3 % niet te overschrijden? Wat is het standpunt van de Commissie tegenover het feit dat bepaalde landen erin slagen onder deze limiet te blijven door een aanzienlijk deel van de overheidsinvesteringen te externaliseren via openbare bedrijven of door drastisch te snoeien in de sociale uitgaven?

Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie

(12 januari 2004)

De verslechtering van de begrotingssituatie in enkele lidstaten weerspiegelt tot op zekere hoogte het momenteel sombere economische klimaat. De groei van het bruto binnenlands product (BBP) is zwakker uitgevallen dan in het voorjaar voorspeld was en een aantal landen in de eurozone bevindt zich technisch gezien in recessie. Een belangrijk deel van de problemen komt echter ook voort uit beleidsmatige passiviteit in het verleden of uit maatregelen die het begrotingstekort deden oplopen.

De situatie in de drie lidstaten waartegen een procedure bij buitensporige tekorten is ingeleid, is bijzonder zorgwekkend. De Raad heeft uit hoofde van artikel 104, lid 7, van het EG-Verdrag aanbevelingen gedaan aan Duitsland, Frankrijk en Portugal, waarin de termijnen worden gesteld waarbinnen corrigerende maatregelen moeten worden genomen en de buitensporige tekorten van 2003 van Portugal en van 2004 van Duitsland en Frankrijk dienen te worden teruggedrongen. Op grond van de recentste gegevens over het begrotingssaldo voor 2003 en de begrotingen voor 2004 zal de Commissie de situatie in Portugal moeten evalueren. In de tweede helft van 2003 is het duidelijk geworden dat de maatregelen die Duitsland en Frankrijk getroffen hebben niet toereikend waren om het buitensporige tekort tegen 2004 te corrigeren (zoals verlangd werd in de respectieve aanbevelingen van de Raad van januari 2003 en juni 2003) alhoewel Duitsland de aanbeveling voor 2003 heeft opgevolgd. Dit was voor een groot deel te wijten aan het feit dat de economische terugval langer aanhield dan verwacht, maar ook aan aanvullende overheidsmaatregelen die de situatie verder verslechterden. Dit was voor de Commissie aanleiding om de procedures waar het Verdrag in voorziet (artikel 104, leden 8 en 9) in gang te zetten waardoor zij Frankrijk en Duitsland kan verzoeken de nodige maatregelen te nemen. De Commissie heeft de laatste ontwikkelingen nauwgezet in ogenschouw genomen en op basis van een evenwichtige visie op de huidige omstandigheden nieuwe aanbevelingen opgesteld. Daarom heeft zij de Raad aanbevolen om Duitsland en Frankrijk nog een jaar de tijd te geven om het tekort terug te dringen en stelt zij deze landen voor 2004 voor een geloofwaardige consolidatie-inspanning te leveren om het tekort in 2005 onder 3 % van het BBP te laten uitkomen. In de Raad Ecofin van 25 november 2003 werd echter niet de voor goedkeuring van deze aanbevelingen van de Commissie benodigde meerderheid behaald. Hierna besloot de Raad een nooit eerder voorgekomen stap te nemen door een overeenkomst buiten het Verdrag om te sluiten. De Commissie heeft duidelijk aangegeven dat zij het niet eens is met de Raad, in het bijzonder met de door de Raad gevolgde procedure.

De Commissie zal het Verdrag en de regels van het stabiliteits- en groeipact blijven toepassen. Dit is de beste garantie dat alle lidstaten gelijk behandeld worden en dat alle landen zorgen voor gezonde overheidsfinanciën. De Commissie zal erop toezien dat de procedures voor ieder land op dezelfde wijze worden toegepast en juist worden nageleefd.

De wisselwerking tussen de begrotingsregelgeving van de Unie en openbare investeringen zijn in detail onderzocht in het verslag „Openbare financiën in de EMU — 2003” en de conclusies zijn weergegeven in de bijgevoegde Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Parlement (1). Hieruit blijkt dat daling van de investeringsquote van de overheid geen recente tendens vormt maar al in de jaren 70 is ingezet in niet alleen de lidstaten maar alle industrielanden. Diverse factoren hebben bijgedragen aan deze lagere overheidsinvesteringen als percentage van het BBP. Eén daarvan is de verschuivende grens tussen openbare en private investeringen, wat gedeeltelijk te maken heeft met privatisering. Een andere factor lijken de inspanningen om de overheidsfinanciën te cosolideren te zijn, wat ook zonder de EMU nodig zou zijn geweest vanwege hoge en oplopende staatsschulden. Uit een zorgvuldige analyse van de gegevens blijkt echter geen duidelijk verband tussen lagere investeringsratio's en de bepalingen van het communautaire kader voor de begrotingscontrole. Na de aanvang van de monetaire unie is immers in veel lidstaten een einde gekomen aan de daling van de overheidsinvesteringen.

Alternatieve vormen van financiering van traditionele investeringen zouden aangewezen kunnen zijn, van volledig privaat tot gemengd met deelname van de overheid. Het meest bekende voorbeeld vormen de publiek-private partnerschappen (PPP's). Hier zijn micro-economische voordelen aan verbonden, in die zin dat PPP's een positieve prikkel kunnen vormen om de efficiëntie te verhogen zonder de publieke doelstellingen op het gebied van de kwaliteit en de kenmerken van de uit de investering voortvloeiende diensten in gevaar te brengen. Het is evenwel van belang dat de lidstaten projecten selecteren op basis van deze micro-economische voordelen en niet louter omdat zij de overheidsuitgaven kunnen terugdringen.

Elke lidstaat mag zelf bepalen hoe de overheidsfinanciën (zowel investeringen als sociale-zekerheids-uitgaven) samengesteld worden.

De Unie zet echter de grote lijnen uit door middel van instrumenten voor beleidscoördinatie, in het bijzonder door middel van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid.

De meest recente waren de richtsnoeren die de Raad op 26 juni 2003 aangenomen heeft en die ingaan op de noodzaak om:

a)

de overheidsuitgaven te richten op groeibevorderende en renderende investeringen in materieel en menselijk kapitaal en kennis,

b)

houdbaarheid van overheidsfinanciën op lange termijn te garanderen en

c)

te zorgen voor sociale duurzaamheid.


(1)  COM(2003) 283 def.