13.3.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 65/205


(2004/C 65 E/220)

SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2730/03

van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie

(10 september 2003)

Betreft:   Naleving van de Europese bepalingen bij de privatisering van het VOEST-concern in Oostenrijk

Volgens berichten in de media zouden er bij de aanstaande privatisering van het VOEST-concern via de beurs afspraken zijn gemaakt met afzonderlijke belanghebbenden. In het Oostenrijkse dagblad „Der Standard” van 1 september 2003 wordt gemeld dat er een „geheime bijeenkomst” zal plaatsvinden van de huidige Oostenrijkse VOEST-aandeelhouders om ervoor te zorgen dat zij bij de verkoop van de aandelen maximale aandelenpakketten krijgen toegewezen. Voor deze bijeenkomst zou o.a. het bestuur van de Weense aandelenbeurs, bankiers, de VOEST-directie, de VOEST-ondernemingsraad, alsmede politici uit Oberösterreich zijn uitgenodigd.

Zijn dergelijke interne afspraken voorafgaand aan een privatisering van een publiekrechtelijke onderneming via de beurs in overeenstemming met het Europees recht?

Zo neen, welke maatregelen overweegt de Europese Commissie dan te treffen?

Voorziet het EU-recht in regelingen die beletten dat een publiekrechtelijke onderneming beneden de waarde van de onderneming -en dus ten nadele van de gemeenschap- wordt verkocht?

Bestaat er op EU-niveau een juridisch kader dat bindend is voor Oostenrijk wanneer het het VOEST-concern of andere publiekrechtelijke ondernemingen wenst te privatiseren?

Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie

(23 oktober 2003)

De Commissie beschikt niet over voldoende gegevens om de vraag van het geachte parlementslid naar behoren te beantwoorden. Bij gebrek aan precieze aanduidingen en erkende feiten die de Commissie in staat stellen het nodige onderzoek in te stellen naar een eventuele niet-naleving van het Gemeenschapsrecht inzake beurstransacties en het Gemeenschapsrecht inzake mededinging, betreurt de Commissie voor het ogenblik niet op de eerste en de derde vraag te kunnen antwoorden. Daarom verzoekt zij het geachte parlementslid haar de informatie toe te zenden waarover het in dit verband beschikt.

De Commissie kan de tweede vraag niet beantwoorden omdat een antwoord op de eerste vraag niet mogelijk is.

Wat de vierde vraag betreft, laat artikel 295 van het EG-Verdrag aan de lidstaten de mogelijkheid om te bepalen of een gegeven onderneming onder de openbare sector dan wel de particuliere sector valt.