|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/177 |
(2004/C 65 E/194)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2564/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: Schending door Poolse autoriteiten van de algemene beginselen van het communautair recht
In augustus 1999 heeft de Italiaans-Poolse Paetz Karoline, die getrouwd was met de Italiaanse burger Paolo Pozza, besloten niet terug te keren naar Italië en de twee dochters Federica en Annamaria Pozza bij zich te houden. De meisjes zijn resp. 2 en 7 jaar oud en hebben het Italiaanse staatsburgerschap.
De kinderrechter in Venetië heeft bij twee vonnissen de dochters toegewezen aan hun vader Paolo Pozza. De rechtbank van Poznan heeft vervolgens 19 vonnissen gewezen ten gunste van de vader, daarbij vaststellend dat de meisjes naar Italië moesten terugkeren en steeds weer hamerend op het bezoekrecht van de vader dat Karolina Paetz nooit heeft toegestaan.
De terugkeer van de meisjes naar Italië is elke keer verijdeld door het achterhouden van kennisgevingen, verwijtbaar aan de Poolse autoriteiten, waardoor mevrouw Karolina Paetz tevoren wordt op de hoogte gesteld van de door de rechter vastgestelde data. Daarmee kon zij zich onttrekken aan de oproep.
Vindt de Commissie ook niet dat in dit geval Polen — dat de Conventie van Den Haag heeft ondertekend over repatriëring van minderjarigen en dat de Conventie van Luxemburg heeft ondertekend over wederzijdse erkenning van in andere landen gewezen vonnissen — ernstig in overtreding is van de algemeen aanvaarde rechtsregels en zich daarmee schuldig maakt aan een ernstige inbreuk op de algemene beginselen van het communautair recht en de rechten van de mens?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(17 september 2003)
De door het geachte parlementslid aan de orde gestelde moeilijkheden in verband met de tenuitvoerlegging van beslissingen waardoor de terugkeer van ongeoorloofd overgebrachte of vastgehouden kinderen wordt gelast, zijn de Commissie bekend. De Commissie wijst het geachte parlementslid er echter op dat het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen geen deel uitmaakt van het Gemeenschapsrecht en het Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen evenmin. Bijgevolg is de Commissie niet bevoegd voor de controle en tenuitvoerlegging van genoemde verdragen.
De rechten van het kind om regelmatig contacten te onderhouden met zijn ouders zijn vastgelegd in artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Unie, dat gebaseerd is op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989. Het Handvest van de grondrechten is echter in dit geval niet van toepassing, aangezien het beperkt is tot de toepassing van het Gemeenschapsrecht.
Momenteel bestaat er geen communautaire wetgeving over ontvoering van kinderen. De Commissie wijst het geachte parlementslid wel op het voorstel voor een verordening betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (1), die in de komende maanden zal worden goedgekeurd. Een van de belangrijkste doelstellingen van de toekomstige verordening is ontvoering van kinderen door hun ouders binnen de Europese Unie te ontmoedigen door ervoor te zorgen dat de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het kind vóór zijn ontvoering zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven voor het nemen van een definitieve beslissing betreffende het gezag. Tevens zal de verordening een aanvulling vormen op het Verdrag van 's-Gravenhage inzake internationale ontvoering van kinderen en de toepassing ervan in de Gemeenschap verbeteren door strikte procedureregels op te leggen die de terugkeer van het kind versnellen.