|
3.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 84/214 |
(2004/C 84 E/0259)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2454/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(23 juli 2003)
Betreft: Eurostat: Wijziging van standpunt Commissie met betrekking tot erkenning en aanpak van fraude en gevolgen voor onafhankelijk onderzoek door OLAF
|
1. |
Op grond waarvan heeft de Commissie inzake de contacten van Eurostat met dubieuze bedrijven en zwarte kassen tot nu toe het standpunt ingenomen dat zij niets kon ondernemen en geen inhoudelijk standpunt kon innemen voordat binnenkort het onderzoek van OLAF wordt gepubliceerd en heeft zij mij er op 3 juni 2003 in antwoord op mijn vraag H-0343/03 (1) nadrukkelijk aan herinnerd dat in principe iedereen geacht wordt onschuldig te zijn tot het tegendeel bewezen is? |
|
2. |
Wat is voor de Commissie de reden om vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek van OLAF deze zaak met ingang van 7 juli 2003 nu toch in handen te leggen van de Internal Audit Service? Wat is voor de Commissie de reden om juist op dat door niemand vooraf verwachte tijdstip alsnog te erkennen dat er bij Eurostat sprake is van grootschalige fraude? Wat waren de redenen om nu, in afwijking van haar rol in vergelijkbare gevallen van verdenking van fraude, administraties in beslag te laten nemen? |
|
3. |
Zou de Commissie verrast zijn als het Europees Parlement in haar optreden tot nu toe en de recente sterke veranderingen daarin aanleiding zou zien om ter afronding van deze kwestie te besluiten tot een parlementaire enquête met betrekking tot de wijze waarop in de loop der jaren is omgegaan met de opeenvolgend beschikbaar gekomen gegevens over mogelijke onregelmatigheden, de tijdigheid en toereikendheid van maatregelen om herhaling te voorkomen en de wijze waarop de informatie daarover in de verschillende stadia heeft plaatsgevonden? |
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(10 oktober 2003)
De Commissie heeft er bij herhaling op gewezen dat zij de volledige onafhankelijkheid van het Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in acht wenst te nemen en niet wil vooruitlopen op de resultaten van lopend onderzoek. Dit betekent evenwel niet dat alle maatregelen verboden zouden zijn.
Op 11 juni 2003 heeft de Commissie, in het kader van de follow-up van de kwijting 2001 en op verzoek van het Parlement, de Interne auditdienst (IAS) opgedragen de Eurostat-contracten te onderzoeken. Op 7 juli 2003 ontving de Commissie een eerste tussentijds verslag van de IAS, alsmede een analyse die het Directoraat-generaal Begroting had gemaakt van de auditverslagen van de interne controlefunctie van Eurostat. Uit die analyse blijkt dat er, in ieder geval in de jaren negentig, sprake is geweest van een aantal ernstige inbreuken op het financieel reglement en dat het gevolg dat aan verscheidene belangrijke aspecten van de interne auditverslagen werd gegeven, wellicht ten achter bleef bij wat er qua omvang en rigorositeit nodig was geweest. Het werk van de IAS is nog niet afgesloten.
Verder is een speciale task force (TFES) in het leven geroepen om de Commissie de nodige informatie te geven om in voorkomend geval in kleine stappen, maar wel op korte termijn, de, vooral preventieve, maatregelen op organisatorisch en beheersvlak te kunnen nemen die geboden zijn met het oog op de inachtneming van het financieel reglement en de beginselen van behoorlijk bestuur.
De verwijzing naar het beginsel dat iedereen geacht wordt onschuldig te zijn tot het tegendeel bewezen is, spreekt voor zich in een Unie die gebaseerd is op de beginselen van de rechtsstaat. De verslagen en de inlichtingen waarover de Commissie beschikt lopen niet vooruit op de analyse van en het oordeel over de betrokken individuele verantwoordelijkheden, die volgens de daarvoor bestemde procedures plaatsvinden. De Commissie verwijst in dit verband ook naar haar antwoord op vraag E-2515/03 van de heer Bösch (2).
Wat het laatste deel van de vraag van het geachte parlementslid betreft, is het niet aan de Commissie te speculeren over het gebruik dat het Parlement van zijn prerogatieven inzake de oprichting van tijdelijke enquêtecommissies zou kunnen maken.
(1) Schriftelijk antwoord van 3.6.2003.
(2) Zie blz. 30.