SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1976/03 van Anna Karamanou (PSE) aan de Raad. Betrokkenheid van hoge politiefunctionarissen bij een pederastiezaak in Portugal.
Publicatieblad Nr. 051 E van 26/02/2004 blz. 0173 - 0173
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1976/03 van Anna Karamanou (PSE) aan de Raad (13 juni 2003) Betreft: Betrokkenheid van hoge politiefunctionarissen bij een pederastiezaak in Portugal In Portugal zijn recentelijk onthullingen gedaan over de betrokkenheid van hoge politiefunctionarissen bij pederastiezaken, en er worden momenteel voorbereidingen getroffen voor een proces tegen een bekend televisiepresentator, een voormalig diplomaat en een deskundige op het gebied van de kindergezondheid vanwege soortgelijke zaken. Hiermee wordt opnieuw de aandacht gevestigd op het trieste verschijnsel van de seksuele uitbuiting van kinderen, ten aanzien waarvan de Raad van de EU, na meer dan twee jaar ononderbroken discussies en onderhandelingen tussen de lidstaten, binnenkort een officieel en definitief standpunt zal innemen via een besluit over het voorstel inzake de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Is de Raad tevreden over het tot nu toe gevoerde beleid met betrekking tot het vraagstuk van de seksuele uitbuiting van kinderen, of is hij van mening dat extra maatregelen noodzakelijk zijn om op Europees vlak de strijd te kunnen aanbinden met dit ernstige verschijnsel, dat een flagrante schending inhoudt van de mensenrechten en de menselijke waardigheid? Antwoord (7 oktober 2003) Algemeen kan worden gesteld dat het kaderbesluit van de Raad ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, waarover in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 14 en 15 oktober 2002 een politiek akkoord is bereikt, nog niet is geƫvalueerd. Voor de formele aanneming ervan moet de in een lidstaat nog lopende parlementaire procedure eerst worden afgerond. Toch is de Raad van mening dat dit instrument, samen met andere recentelijk aangenomen instrumenten voor wederzijdse rechtshulp, zoals het Europees aanhoudingsbevel(1) of het Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 29 mei 2000(2), alsmede de uitbreiding van de bevoegdheden van Europol tot kinderpornografie(3), efficiƫnte middelen zijn bij de bestrijding van dit soort misdrijven. Ondanks de preventieve rol van het nu bestaande rechtskader, waarmee erop wordt toegezien dat in de Europese Unie geen van deze misdrijven ongestraft blijft, kunnen betreurenswaardige gevallen van seksuele uitbuiting van kinderen echter niet helemaal worden voorkomen. De Raad spreekt zich trouwens nooit uit over gevallen die nog in behandeling zijn bij de rechter in de lidstaten, noch over de inhoud van persberichten. (1) PB L 190 van 18.7.2002. (2) PB C 197 van 12.7.2000. PB C 379 van 29.12.2000. PB C 110 van 7.5.2002. (3) Besluit van de Raad van 3 december 1998 inzake de aanvulling van de definitie van mensenhandel als vorm van criminaliteit in de bijlage van de Europol-overeenkomst (PB C 26 van 30.1.1999, blz. 21).