SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1466/03 van Herman Schmid (GUE/NGL) aan de Commissie. Downsizing.
Publicatieblad Nr. 011 E van 15/01/2004 blz. 0185 - 0186
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1466/03 van Herman Schmid (GUE/NGL) aan de Commissie (29 april 2003) Betreft: Downsizing In de periode 1993-1995 verdwenen in de VS ongeveer 2 miljoen banen als gevolg van downsizing. Goedlopende ondernemingen werden door de besnoeiingen getroffen. Downsizing is gebaseerd op de vermindering van de personeelssterkte en het nastreven van efficiency. Uit verscheidene studies blijkt echter dat de effectiviteit van een onderneming niet wordt verhoogd, maar dat de maatregelen eerder tot economische ineffectiviteit leiden. Daarbij komt dat de gezondheidssituatie voor de werknemers die zijn achtergebleven na de beperking van het personeel verslechtert. Downsizing bevordert gewoonlijk stress omdat de mogelijkheden voor bevordering naar kan worden aangenomen verminderen wanneer de organisatie platter wordt gemaakt, en ook kan men ervan uitgaan dat het werk zwaarder wordt wanneer minder personen dezelfde hoeveelheid werk moeten verzetten als vroeger. Ziet de Commissie downsizing als een duurzame strategie voor groei en nieuwe banen? Is downsizing verenigbaar met het doel van de Europese werkgelegenheidsstrategie een volledige werkgelegenheid, opneming in het sociale leven en kwaliteit in het arbeidsleven te bereiken? Welke alternatieven zijn voor de Commissie denkbaar als het erom gaat het doel van een volledige werkgelegenheid te bereiken? Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie (23 juni 2003) De Europese werkgelegenheidsstrategie levert een bijdrage aan de agenda die de Europese Raad in Lissabon opgesteld heeft om van Europa de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. In het EG-verdrag is vastgelegd dat de lidstaten verantwoordelijk blijven voor het werkgelegenheidsbeleid. Verwacht wordt dan ook dat ze een dusdanige beleidsmix op werkgelegenheidsgebied uitwerken dat de richtsnoeren voor de werkgelegenheid ten uitvoer gebracht worden en de voor de Europese Unie vastgelegde doelstellingen al naar gelang de nationale situatie en in overeenstemming met de algemene aanbevelingen uit de globale richtsnoeren voor het economisch beleid verwezenlijkt worden. De globale richtsnoeren voor het economisch beleid zijn op economische stabiliteit en duurzame groei gericht en haken in op recente ontwikkelingen in het economisch klimaat en de implicaties daarvan voor elke afzonderlijke lidstaat. In deze tijd van economische globalisering is het ontstaan van nieuwe banen afhankelijk van een met een goed concurrentievermogen uitgerust en dynamisch bedrijfsleven, dat inspeelt op nieuwe economische structuren, en van een hoge productiviteit en een groot aanpassingsvermogen van de gehele economie als zodanig. Tegen deze achtergrond beogen de richtsnoeren voor de werkgelegenheid de lidstaten de helpende hand te bieden bij de schepping van gunstige randvoorwaarden voor nieuwe werkgelegenheid, die compatibel is met duurzame economische groei. Het is aan de afzonderlijke ondernemingen om te bepalen hoe er in de veranderende economische omstandigheden te werk moet worden gegaan en welke aanpassingen doorgevoerd zullen worden. De Commissie is niet van mening dat downsizing op zich en in het algemeen haaks staat op de Europese werkgelegenheidsstrategie. Downsizing en kostenverlagingen zijn vaak nodig voor ondernemingen om te kunnen overleven en de resterende banen te kunnen behouden. De richtsnoeren voor de werkgelegenheid staan evenwel maatregelen en flexibele oplossingen voor, die als alternatief voor downsizing kunnen fungeren of de negatieve effecten van de herstructureringen voor de afzonderlijke werknemer verzachten. Hiertoe behoort ook de ontwikkeling van het human capital, waardoor het aanpassingsvermogen van zowel het afzonderlijke bedrijf als de afzonderlijke werknemer gestimuleerd wordt. Dat wat door de geachte afgevaardigde naar voren gebracht wordt, bevestigt nog eens dat het van groot belang is dat in de Europese werkgelegenheidsstrategie nog meer aandacht besteed wordt aan vraagstukken als de kwaliteit van de werkgelegenheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen. De Commissie heeft tijdens het vragenuur van de plenaire vergadering van het Parlement in mei 2003(1) naar aanleiding van de mondelinge vraag H-0281/03 van de heer Schmid reeds uiteengezet welke impulsen de verschillende richtsnoeren voor de werkgelegenheid aan ondernemingen geven om banen te scheppen of te behouden en op een positieve en voor de werkgelegenheid bevorderlijke wijze invulling te geven aan de noodzakelijke herstructureringen. Daarnaast moet worden opgemerkt dat de sociale partners in de richtsnoeren op het gebied van de werkgelegenheid verzocht worden om een bijdrage te leveren aan de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren, vooral waar het om change management en aanpassingsvermogen gaat. De Commissie verwijst de geachte afgevaardigde naar haar antwoord op schriftelijke vraag E-1459/03(2), waarin ze gedetailleerde informatie verstrekt heeft over een aantal instrumenten van de Gemeenschap en lopende beleidsmaatregelen, die op een aanpak voor de sociale effecten van herstructureringen in het bedrijfsleven gericht zijn. De Commissie wil er daarnaast met nadruk op wijzen dat een van de belangrijkste doelstellingen van deze instrumenten en initiatieven en met name van het voortdurende overleg met de sociale partners over herstructureringen in het bedrijfsleven juist het bevorderen van een anticiperende lange-termijnaanpak voor de werkgelegenheid in het bedrijfsleven is. Een dergelijke aanpak verdient de voorkeur boven beslissingen op werkgelegenheidsgebied die op korte-termijnanalyses van de behoeften van het bedrijfsleven berusten. (1) Schriftelijk antwoord van 13.6.2003. (2) PB C 280 E van 21.11.2003, blz. 148.