SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0181/03 van Miet Smet (PPE-DE) aan de Raad. De vrouwenrechten in Iran.
Publicatieblad Nr. 222 E van 18/09/2003 blz. 0159 - 0160
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0181/03 van Miet Smet (PPE-DE) aan de Raad (30 januari 2003) Betreft: De vrouwenrechten in Iran Ondanks de grove schendingen van de vrouwenrechten discriminatie, steniging, marteling, startte de Europese Unie op 12 december 2002 onderhandelingen met Iran over de sluiting van een handels- en samenwerkingsakkoord. Aangezien de bevordering en de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden belangrijk is voor Europa, wil de EU in dit handels- en samenwerkingsakkoord een clausule met betrekking tot de mensenrechten opnemen. Een Europese troïka bracht op 16 en 17 december 2002 een bezoek aan Iran naar aanleiding van de op gang gebrachte mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran. Volgens een communiqué van het Deens voorzitterschap verliep de dialoog in een open en constructieve sfeer. Is er een verband tussen het bezoek van de troïka en de beslissing van de Iraanse regering om een speciale VN-rapporteur over geweld tegen vrouwen uit te nodigen? Het Europees Parlement heeft altijd gevraagd om bij het sluiten van akkoorden tussen de EU en derde landen druk uit te oefenen opdat de rechten van de vrouw in die landen gerespecteerd zouden worden. In het akkoord met Iran zou er een clausule met betrekking tot de mensenrechten worden opgenomen. In hoever zal deze clausule ook strikte voorwaarden opleggen inzake vrouwenrechten? Hoe zal de EU de naleving van deze clausule kunnen controleren en afdwingen? Wordt er ook in de mogelijkheid voorzien om het akkoord te schorsen indien Iran de vrouwenrechten, en meer in het algemeen de mensenrechten, niet respecteert? Antwoord (13 mei 2003) Net als het geachte parlementslid zet ook de Raad zich in voor de bevordering van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van de vrouw, in Iran. In de Raadsconclusies van 17 juni 2002, datum waarop een politiek akkoord werd bereikt over de opening van onderhandelingen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst met Iran, stelde de Raad te verwachten dat de versterking van de handels- en economische betrekkingen in Iran gepaard zou gaan met duidelijke positieve ontwikkelingen op een aantal gebieden, in het bijzonder de mensenrechten. De andere gebieden waren non-proliferatie, terrorismebestrijding en het vredesproces in het Midden-Oosten. De Raad kondigde bovendien aan de vooruitgang op deze gebieden in het oog te zullen houden. Net als in alle overeenkomsten met derde landen zal de EU ook in de handels- en samenwerkingsovereenkomst met Iran een mensenrechtenclausule opnemen. De door de Raad aangenomen onderhandelingsrichtsnoeren vormen een voortzetting van het gevestigde beleid waarbij de mensenrechtenclausule tot de zogenaamde essentiële elementen van de overeenkomst wordt gerekend, zodat schending van de clausule de onmiddellijke opzegging van de gehele overeenkomst met zich mee kan brengen.