|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/301 |
(2004/C 88 E/0308)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3676/02
van Toine Manders (ELDR) aan de Commissie
(18 december 2002)
Betreft: Arbeidsongeschiktheid
In het geval een grensarbeider voorheen in een risicostelsel (Nederland) heeft gewerkt en daarna laatstelijk in een opbouwstelsel (Duitsland) werkt en arbeidsongeschikt wordt, heeft deze grensarbeider in principe aanspraak op een Nederlandse én een Duitse pro-rata arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ten gevolge van het ontbreken van harmonisatie komt het voor dat een grensarbeider op grond van Nederlands recht volledig arbeidsongeschikt verklaard wordt en naar Duits recht volledig arbeidsgeschikt verklaard wordt. Vaak leidt dit er toe dat een dergelijke grensarbeider — omdat hij slechts enige jaren in het risicostelsel verzekerd (Nederland) is geweest — een kleine pro-rata Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt (en géén Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering).
In het geval er géén sprake meer is van een Duitse arbeidscontract is het de vraag welke lidstaat een werkloosheidsuitkering moet uitbetalen. Het woonland Nederland weigert een werkloosheidsuitkering uit te betalen omdat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. De vraag is of er aanspraak bestaat op een Duitse werkloosheidsuitkering?
|
1. |
Heeft een in Nederland wonende en naar Nederlands recht volledig arbeidsongeschikt verklaarde grensarbeider aanspraak op een Duitse werkloosheidsuitkering indien deze laatstelijk gewerkt heeft in Duitsland en géén recht heeft op een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij naar Duits recht arbeidsgeschikt is? |
|
2. |
Op welke artikelen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (1) respectievelijk jurisprudentie (Miethe C-l/85) is dit gebaseerd? |
|
3. |
Kan het Duitse bevoegde orgaan (Arbeitsamt) als voorwaarde stellen dat een in Nederland wonende grensarbeider, die vanuit zijn Duitse arbeidssituatie werkloos wordt, meer dan 50 % van zijn arbeidsverleden in Duitsland sociaal verzekerd moet zijn geweest om in aanmerking te komen voor een Duitse werkloosheidsuitkering? |
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(27 januari 2003)
De Commissie deelt het geachte parlementslid mee dat Verordening (EEG) nr. 1408/71 (2) bepaalt in welke lidstaat een werkloze werknemer een werkloosheidsuitkering mag aanvragen: een werkloze werknemer die niet in de lidstaat woonde waar hij zijn laatste baan had, ontvangt krachtens artikel 71, lid 1, onder a), een werkloosheidsuitkering overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats, mits hij een grensarbeider was (d.w.z. een werknemer die niet in de lidstaat werkt waar hij woont, en die op gezette tijden — maar minstens één keer per week — naar de lidstaat van de woonplaats terugkeert). Een „persoon die geen grensarbeider is”, kan krachtens artikel 71, lid 1, onder b), kiezen voor een werkloosheidsuitkering overeenkomstig de wetgeving van het land van de woonplaats of overeenkomstig de wetgeving van het land waar hij het laatst gewerkt heeft, mits hij ter beschikking blijft van de diensten voor arbeidsbemiddeling in de betrokken landen.
Het Europees Hof van Justitie heeft in de zaak-Miethe (C-l/85) geoordeeld dat een „atypische grensarbeider” (d.w.z. een grensarbeider die uitzonderlijk persoonlijke en professionele banden met het land van de werkgelegenheid heeft bewaard, zodat hij daar de beste vooruitzichten heeft om een nieuwe baan te vinden) als een „persoon die geen grensarbeider is” moet worden beschouwd en onder artikel 71, lid 1, onder b), valt. Alleen een nationale rechtbank is echter bevoegd om in een concreet geval te bepalen of een werknemer die niet in het land woont waar hij werkt, toch de beste vooruitzichten heeft om een nieuwe baan te vinden in het land waar hij werkt (en bijgevolg onder artikel 71, lid 1, onder b), valt).
De persoon naar wie het geachte parlementslid verwijst, kan krachtens artikel 71, lid 1, onder b), een werkloosheidsuitkering volgens de Duitse wetgeving aanvragen, als hij overeenkomstig het arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak-Miethe als een „atypische grensarbeider” kan worden beschouwd, of als hij „een persoon die geen grensarbeider is” was. Het feit dat hij een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, verandert niets aan het feit dat Duitsland de bevoegde lidstaat is om een werkloosheidsuitkering te betalen.
Of de betrokkene daadwerkelijk recht heeft op een Duitse werkloosheidsuitkering, hangt af van het feit of hij voldoet aan de voorwaarden van de Duitse wetgeving terzake. Aangezien de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten niet door het Gemeenschapsrecht worden geharmoniseerd maar gecoördineerd, zijn de lidstaten bevoegd om te bepalen onder welke voorwaarden uitkeringen worden toegekend. Als een nationale wetgeving echter vereist dat een bepaald tijdvak van verzekering wordt vervuld voordat de betrokkene recht op een uitkering heeft (wachttijd), en als een migrerende werknemer krachtens de wetgeving van deze lidstaat niet lang genoeg verzekerd is geweest om aan de wachttijd te voldoen, bepaalt Verordening (EEG) nr. 1408/71 dat rekening moet worden gehouden met in overeenstemming met de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, alsof ze in de betrokken lidstaat zijn vervuld.
(1) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.
(2) Verordering (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheids-regelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Verordening bijgewerkt bij Verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB L 28 van 30.1.1997).