92002E3348

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3348/02 van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Raad. Criminaliteit in Zuid-Afrika. Nieuwe moord op een Portugees burger.

Publicatieblad Nr. 155 E van 03/07/2003 blz. 0141 - 0142


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3348/02

van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Raad

(26 november 2002)

Betreft: Criminaliteit in Zuid-Afrika. Nieuwe moord op een Portugees burger

Op mijn vraag van 1 juni 2001 over hetzelfde onderwerp (P-1662/01(1)) heeft de Raad op 21 november 2001 geantwoord dat de escalatie van de gewelddadige criminaliteit in Zuid-Afrika een algemeen probleem is dat alle rassen, nationaliteiten en lagen van de bevolking in het land, en niet alleen de Portugese gemeenschap, aangaat. Tegelijkertijd stelt de Raad vast dat Zuid-Afrika evenwel een onafhankelijk land met een democratisch gekozen regering is waaraan ik nooit getwijfeld heb en dat de Raad ervan overtuigd blijft dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten alles in het werk stellen om deze onfortuinlijke situatie in het land onder controle te krijgen en de mensenrechten te eerbiedigen. Daarnaast verwijst de Raad in zijn antwoord naar het Europees Programma voor de wederopbouw en ontwikkeling van Zuid-Afrika (EPRD) dat hij kwalificeert als een van de breedst opgezette ontwikkelingsprogramma's die de EU voor een individueel land financiert. De Raad is van mening dat met die positieve acties de EU de kwaliteit van het bestaan in Zuid-Afrika tracht te verbeteren en aldus ook het geweld tegen te gaan. En dat terwijl de Raad toegeeft dat slechts een van de programma's gericht is op de versterking van de capaciteiten en de institutionele ontwikkeling van Zuid-Afrikaanse politiediensten.

Rond dezelfde tijd heeft het Europees Parlement op 5 juli 2001 een resolutie over de situatie in Zuid-Afrika goedgekeurd(2), waarin het met betrekking tot dit probleem en de verdere ontwikkeling ervan minder optimisme aan de dag legt. In deze resolutie constateert het EP dat Zuid-Afrika ernstige moeite zou hebben om deze vraagstukken op te lossen zonder de steun en solidariteit van de internationale gemeenschap, waarbij de rol van de Europese Unie van cruciaal belang is aangezien de Unie en haar lidstaten 70 % van de totale internationale hulp aan het land verlenen.

Helaas lijkt de gewelddadige criminaliteit in Zuid-Afrika niet echt af te nemen. Integendeel, er worden zelfs steeds meer burgers van de Europese Unie en met name Portugezen vermoord. Enkele dagen geleden is de vijfentwintigste Portugese burger sinds het begin van dit jaar vermoord.

Deze situatie is natuurlijk onaanvaardbaar en er moeten dan ook door de bevoegde Zuid-Afrikaanse autoriteiten doeltreffende maatregelen worden getroffen die op internationaal niveau intensiever moeten worden begeleid.

Vertrouwt de Raad er in zijn optimisme nog steeds op dat het probleem van de gewelddadige criminaliteit, waarvan Europese burgers die in Zuid-Afrika woonachtig zijn het slachtoffer zijn geworden, opgelost zal worden door de verbetering van de kwaliteit van het bestaan die men dit land en ook andere landen vanzelfsprekend toewenst? Of is hij eerder voornemens de misdaadpreventie en met name de gewelddadige misdaad en moordpraktijken tot een centraal thema te maken van elk samenwerkings- en ontwikkelingsbeleid tussen de EU en Zuid-Afrika? En tot slot, tot welke meest saillante conclusies en bevindingen heeft het programma geleid dat in het kader van het EFRO gericht was op de versterking van de capaciteiten en de institutionele ontwikkeling van Zuid-Afrikaanse politiediensten?

(1) PB C 81 E van 4.4.2002, blz. 48.

(2) PB C 65 E van 14.3.2002, blz. 371.

Antwoord

(3 maart 2003)

De Raad blijft de opvatting huldigen dat het probleem van de geweldcriminaliteit in Zuid-Afrika zal afnemen als de kwaliteit van het bestaan er wordt verbeterd. Bovendien is de Raad van oordeel dat de geweldcriminaliteit in een ruim verband en niet slechts met betrekking tot Europese ingezetenen moet worden aangepakt, vooral omdat de Zuid-Afrikaanse burgers zelf, meer bepaald de armen, waarschijnlijk het ergst getroffen worden door deze vorm van criminaliteit. Het inpassen van misdaadpreventie in het samenwerkings- en ontwikkelingsbeleid tussen de EU en Zuid-Afrika is, zoals het geachte parlementslid zelf in zijn vraag aangeeft, geen nieuw idee. Wanneer misdaadpreventie echter tot een centraal thema van deze samenwerking wordt gemaakt, zal de armoedebestrijding, die met de gemeenschappelijke en algemene strategie van de Partnerschapsovereenkomst ACP-EU is afgekondigd, volledig verdwijnen uit het brandpunt van de algemene EU-strategie.

De Raad is daarom van oordeel dat de kwestie van de misdaadpreventie al ruime aandacht krijgt in het kader van het EPRD.

Wat ten slotte het programma betreft, memoreert de Raad dat dit door de Commissie wordt beheerd en dat het geachte parlementslid zich bijgevolg tot de bevoegde instelling moet wenden.