SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3339/02 van Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE) aan de Commissie. Bezwaren inzake standpunt Nederlands Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij met betrekking tot Vliegveld Laarbruch en Park De Maasduinen.
Publicatieblad Nr. 155 E van 03/07/2003 blz. 0139 - 0140
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3339/02 van Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE) aan de Commissie (26 november 2002) Betreft: Bezwaren inzake standpunt Nederlands Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij met betrekking tot Vliegveld Laarbruch en Park De Maasduinen In een brief d.d. 30 september 2002 van het Nederlandse Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan de Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat inzake het Vliegveld Laarbruch (D) wordt op basis van de stelling dat er gegevens ten aanzien van daar voorkomende vogelsoorten ontbreken, geconcludeerd dat de conversie van het Vliegveld Laarbruch geen significant effect heeft op het Vogelrichtlijngebied Park De Maasduinen (NL). 1. Kan de Commissie verklaren waarom door het Nederlandse Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wordt gesteld dat voldoende gegevens ten aanzien van in het Park De Maasduinen voorkomende kwalificerende vogelsoorten ontbreken, terwijl Park De Maasduinen op basis van de daar voorkomende kwalificerende vogelsoorten in maart 2000 is aangewezen als speciale beschermingszone, voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn? 2. Welke stappen denkt de Commissie te ondernemen indien het standpunt van het Nederlandse Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij inderdaad in strijd is met vigerende Europese regelgeving, met name met de Vogel- en Habitatrichtlijn? Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie (13 januari 2003) 1. De Commissie bevestigt dat het gebied Park De Maasduinen door de Nederlandse regering ingedeeld is als een speciale beschermingszone (SBZ) uit hoofde van artikel 4, lid 1 van Richtlijn 79/409/EG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand(1). De Commissie heeft echter geen informatie over de redenen waarom de Nederlandse autoriteiten beweren dat er onvoldoende gegevens zijn over de vogelsoorten die in dat gebied voorkomen, daar er een lijst van dergelijke soorten medegedeeld werd aan de Commissie toen het gebied als een speciale beschermingszone werd aangewezen. 2. Volgens artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(2) (Habitatrichtlijn), die ook van toepassing is op de SBZ's in het kader van de Vogelrichtlijn, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een dergelijk gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze voorschriften ligt bij de lidstaat waar een dergelijk plan of project uitgevoerd wordt, in dit geval Nederland. De Commissie werd op de hoogte gesteld van het project door verschillende klachten over de juiste uitvoering van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(3), als gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997(4). Deze klachten worden momenteel onderzocht. Momenteel beschikt de Commissie echter niet over informatie over mogelijke significante gevolgen die het project kan hebben voor de SBZ Park De Maasduinen. (1) PB L 103 van 25.4.1979. (2) PB L 206 van 22.7.1992. (3) PB L 175 van 5.7.1985. (4) Wijzigingen bij Richtlijn 97/11/EG, PB L 73 van 14.3.1997.