SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3218/02 van Marianne Eriksson (GUE/NGL) aan de Raad. Inreisvisum voor Russische burgers.
Publicatieblad Nr. 222 E van 18/09/2003 blz. 0052 - 0053
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3218/02 van Marianne Eriksson (GUE/NGL) aan de Raad (7 november 2002) Betreft: Inreisvisum voor Russische burgers In september van dit jaar heb ik drie vrouwen uitgenodigd die werkzaam zijn in een opvangcentrum voor vrouwen in Moermansk. Het was de bedoeling dat zij zouden deelnemen aan een conferentie over mensenhandel en prostitutie die op 9 en 10 oktober werd gehouden in het Europees Parlement. Tijdens de gesprekken die ik met de Belgische ambassades in Moskou en St. Petersburg voerde over de eventuele verstrekking van visa aan de drie personen in kwestie, kreeg ik van al mijn gesprekspartners verschillende antwoorden, maar kennelijk stond het vast dat de Russen met het origineel van mijn uitnodiging naar Moskou moesten en dat zelfs dan niet duidelijk was of zij een visum zouden krijgen. Ik heb gepraat met de instanties die in Zweden verantwoordelijk zijn voor de verstrekking van visa, opdat de drie Russen niettemin via Zweden zouden vliegen; mij werd echter medegedeeld dat zij niet konden volstaan met een visum voor Zweden om vervolgens door te reizen naar Belgiƫ (Verdrag van Schengen), maar dat zij voor ieder EU-land een afzonderlijk visum nodig hadden. Merkwaardigerwijs kunnen ieder jaar zonder noemenswaardige problemen 500 000 vrouwen illegaal worden ingevoerd om seksueel te worden uitgebuit, maar is het volstrekt onmogelijk drie personen uit te nodigen om over dit verschijnsel van gedachten te wisselen. Kan de Raad derhalve mededelen of ik een mensensmokkelaar in de arm moet nemen om Russische burgers naar het Europees Parlement te krijgen, en waarom het Verdrag van Schengen niet geldt voor Russische staatsburgers? Antwoord (5 en 6 mei 2003) De Raad deelt de geachte afgevaardigde mee dat het hem niet toekomt zich uit te spreken over specifieke gevallen die te maken hebben met de behandeling van visumaanvragen door vertegenwoordigingen van lidstaten in het buitenland. De beslissingen om individuele visa voor een kort verblijf af te geven, worden door de lidstaten die door de desbetreffende bepalingen van het Schengenacquis zijn gebonden, per geval genomen conform de voorschriften van de Schengenovereenkomst en de Gemeenschappelijke Visuminstructies. Op grond van die bepalingen is de bevoegde vertegenwoordiging in het buitenland steeds de vertegenwoordiging van de lidstaat op het grondgebied waarvan het hoofdreisdoel is gelegen. Een aldus verleend visum geeft de houder ervan het recht om zich tijdens de geldigheidsduur van het visum vrij te verplaatsen op het grondgebied van alle lidstaten die de Schengenovereenkomst volledig toepassen, tenzij het gaat om een visum met territoriaal beperkte geldigheid.