SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3086/02 van Jonas Sjöstedt (GUE/NGL) aan de Commissie. Beroepschauffeurs met een slecht gezichtsvermogen.
Publicatieblad Nr. 137 E van 12/06/2003 blz. 0156 - 0156
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3086/02 van Jonas Sjöstedt (GUE/NGL) aan de Commissie (28 oktober 2002) Betreft: Beroepschauffeurs met een slecht gezichtsvermogen Volgens berichten in Zweedse dagbladen moeten beroepschauffeurs met een slecht gezichtsvermogen lenzen in plaats van een bril dragen. Dat heeft voor diverse beroepschauffeurs negatieve gevolgen gehad, omdat zij om verschillende redenen geen lenzen kunnen dragen. De Zweedse Rijksdienst voor het wegverkeer is van mening dat de voorschriften betreffende de eisen die aan het gezichtsvermogen worden gesteld dom zijn, maar dat men de EU-richtlijnen strikt moet volgen, en laat weten dat men geen dispensatie kan geven voor glazen met een sterkte van meer dan acht dioptrie. Maar deze dienst heeft ook laten weten dat juristen en artsen in de Medische Raad voor het verkeer momenteel argumenten verzamelen om bij de Europese Unie te bewerkstelligen dat de grens wordt verhoogd. Is de Commissie van mening dat de Zweedse Rijksdienst voor het wegverkeer beroepschauffeurs dispensatie kan verlenen om een bril met een sterkte van meer dan acht dioptrie te dragen? Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie (11 december 2002) Met betrekking tot rijbewijzen is Richtlijn 91/439/EEG van de Raad vastgesteld op 29 juli 1991(1) en in werking getreden op 1 juli 1996. In deze richtlijn (artikel 7, lid 1, onder a) is bepaald dat de houders van een rijbewijs moeten voldoen aan de medische normen van bijlage III, die voorschrijven dat iedere bestuurder van groep 2, zo nodig met optische correctie, dient te beschikken over een gezichtsscherpte van minstens 0,8 voor het beste oog en 0,5 voor het minder goede oog. Een dergelijk slecht gezichtsvermogen kan op ieder niveau worden gecorrigeerd met behulp van contactlenzen. Bij gebruik van brillenglazen kon de correctiesterkte tot 1996 niet verder gaan dan vier dioptrie. Sinds 10 juli 1996 is deze maximumsterkte, gelet op de wetenschappelijke vooruitgang, verhoogd tot acht dioptrie(2). In bijlage III zijn minimumnormen vastgesteld inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig, hetgeen de lidstaten wel de mogelijkheid geeft om een strengere, maar niet om een meer soepele regeling toe te passen. Wel kunnen de lidstaten, na instemming van de Commissie, van de bepalingen van bijlage III afwijken, wanneer die afwijkingen verenigbaar zijn met de vooruitgang van de medische wetenschap en met de in die bijlage omschreven beginselen (artikel 7, lid 3, van de richtlijn). (1) Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, PB L 237 van 24.8.1991. (2) Beschikking 96/427/EG van de Commissie van 10 juli 1996 betreffende een afwijking van de bepalingen van bijlage III van Richtlijn 91/439/EEG van de Raad, PB L 175 van 13.7.1996.