92002E2679

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2679/02 van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie. Gelijkstelling van de vergunningseisen voor opvangcentra voor tijdelijke huisvesting van beschermde diersoorten met die voor dierentuinen.

Publicatieblad Nr. 110 E van 08/05/2003 blz. 0087 - 0087


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2679/02

van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie

(24 september 2002)

Betreft: Gelijkstelling van de vergunningseisen voor opvangcentra voor tijdelijke huisvesting van beschermde diersoorten met die voor dierentuinen

1. Is het de Commissie bekend dat door vrijwilligers met een beperkt budget beheerde opvangcentra voor beschermde diersoorten, zoals de Stichting AAP in de Nederlandse stad Almere, vrezen dat zij met ingang van 9 april 2003 niet langer zullen kunnen blijven functioneren omdat zij dan gelijkgesteld zullen worden met dierentuinen ingeval zij meer dan 10 beschermde diersoorten herbergen en gedurende meer dan zeven dagen per jaar geopend zijn voor het publiek?

2. Is de verwachting juist dat deze gelijkstelling met dierentuinen leidt tot het in de te verstrekken vergunning opnemen van de verplichting om de hokken waarin steeds wisselende dieren tijdelijk worden gehuisvest te voorzien van een bordje met hun soortnaam en dat er een evacuatieplan moet worden opgesteld, terwijl circussen en de meeste kinderboerderijen waar dieren langdurig verblijven en ook dierenwinkels van dergelijke verplichtingen uitgezonderd zullen zijn?

3. Is naar haar ooordeel een door vrijwilligers beheerde instelling voor tijdelijke huisvesting en met een geringe mate van bezoek serieus vergelijkbaar met grote professionele instellingen waar dieren duurzaam verblijven en die een grote toeloop van publiek kennen?

4. Is naar haar oordeel de vrees voor de uitvoerbaarheid van Richtlijn 1999/22/EG(1) inzake het houden van wilde dieren in dierentuinen (minimumstandaard) gebaseerd op de bedoeling van de Richtlijn zelf of op de verwerking ervan in de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat en op de wijze waarop controlerende organen, zoals in Nederland de visitatiecommissie, omgaan met het beoordelen van vergunningaanvragen?

5. Wat dient er naar haar oordeel te gebeuren indien de nieuwe regels voortzetting van de bestaande tijdelijke opvang van thuisloze dieren die behoren tot een beschermde diersoort in de praktijk onmogelijk blijken te maken?

Bron: Rotterdams Dagblad, 7 september 2002.

(1) PB L 94 van 9.4.1999, blz. 24.

Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie

(4 november 2002)

De Commissie is bekend met het Nederlandse Dierentuinenbesluit van 19 april 2002 dat in werking is getreden op 26 juli 2002 en Richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen omzet.

De richtlijn bindt de lidstaten ten aanzien van de eisen van de richtlijn. De nationale autoriteiten beschikken evenwel over een discretionaire marge met betrekking tot de te gebruiken maatregelen mits deze in overeenstemming zijn met de bepalingen en de doelstellingen van de richtlijn, d.w.z. de bescherming van de wilde fauna en de instandhouding van de biodiversiteit.

Artikel 2 van Richtlijn 1999/22/EG van de Raad bepaalt: In deze richtlijn wordt onderdierentuinenverstaan alle permanente inrichtingen waar levende dieren van wilde diersoorten worden gehouden om te worden tentoongesteld aan het publiek gedurende ten minste zeven dagen per jaar, met uitzondering van circussen en dierenwinkels en inrichtingen waaraan de lidstaten een afwijking van de vereisten van deze richtlijn verlenen, omdat zij geen aanzienlijk aantal dieren of diersoorten aan het publiek tentoonstellen en omdat de afwijking de doelstellingen van deze richtlijn niet in het gedrang brengt. Hoewel de richtlijn derhalve een afwijking voor bepaalde inrichtingen mogelijk maakt, geeft zij geen omschrijving van het bovenaangehaalde concept aanzienlijk aantal. Hoewel de richtlijn van toepassing zou kunnen zijn op opvangcentra die meer dan 10 beschermde diersoorten herbergen, vereist zij dit derhalve niet expliciet.