SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2192/02 van Daniel Varela Suanzes-Carpegna (PPE-DE) aan de Commissie. Internationale handel in vismeel in de EU.
Publicatieblad Nr. 110 E van 08/05/2003 blz. 0035 - 0035
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2192/02 van Daniel Varela Suanzes-Carpegna (PPE-DE) aan de Commissie (19 juli 2002) Betreft: Internationale handel in vismeel in de EU Kan de Commissie meedelen uit welke landen en in welke hoeveelheden vismeel in de EU wordt ingevoerd? Meent de Commissie dat de behoefte op de communautaire interne markt kan worden vervuld met invoer van vismeel uit derde landen? Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie (24 september 2002) Nadere gegevens over de invoer van vismeel in de Unie worden rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement gezonden. Het gemiddelde jaarverbruik van vismeel in de periode 1996-2000 in de Gemeenschap wordt op 999 100 ton geschat. In die periode bedroeg de gemiddelde jaarproductie in de Gemeenschap 545 400 ton. Aangezien hiervan een deel werd uitgevoerd, is in die periode ruim de helft van de communautaire behoefte door eigen productie gedekt. De vismeelproductie in de Europese vrijhandelszone (EVA) is nagenoeg even groot als die van de Gemeenschap, zodat Noorwegen door de omvang van de zalmteelt in dat land een netto-importeur van vismeel is. De wereldproductie van vismeel bedraagt gemiddeld 6 200 000 ton per jaar, maar kan tot 4 500 000 ton dalen in jaren waarin de aanvoer in de belangrijkste productielanden, Peru en Chili, door het optreden van El Niño veel geringer is. De laatste daling dateert van 1997/1998 en het Comité Oceanográfico Nacional (Chili) heeft op 18 juli 2002 bekendgemaakt dat het El Niño-verschijnsel onlangs opnieuw opgedoken is, zodat op korte termijn met een nieuwe daling van de vismeelproductie in Zuid-Amerika gerekend moet worden. Het gemiddelde verbruik van de Gemeenschap in 2000 en 2001 bedroeg 28 % van de werelduitvoer van vismeel. In 1998, het jaar waarin El Niño optrad, ging 50 % van de wereldexport naar de Gemeenschap. Aangezien de Gemeenschap zo'n grote afnemer is, zou het onvoorzichtig zijn zich uitsluitend op de invoer van vismeel te verlaten, niet alleen omdat de aanvoer kan schommelen, maar ook omdat de vraag wereldwijd toeneemt. Zo is de vraag in het Verre Oosten in de jaren 1990 met 50 % gestegen, zodat deze regio nu 55 % van het wereldaanbod voor haar rekening neemt. Het verbruik in het Verre Oosten was in 2000 3,35 maal groter dan in Europa. Volgens een recent onderzoek van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) zal de vraag naar visvoeder voor de visteelt in de volgende tien jaar met 240 % stijgen; het gebruik van vismeel en visolie zou in dezelfde periode met 150 %, respectievelijk 170 % toenemen. Daarbij is uitgegaan van de veronderstelling dat in 2010 van de wereldproductie van visolie en van vismeel respectievelijk 90 % en 56 % als visvoeder zal worden gebruikt. De Gemeenschap financiert momenteel onderzoek naar alternatieve eiwit- en oliebronnen voor de visteelt, maar tot nu toe zijn nog geen afdoende resultaten bereikt.