92002E1275

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1275/02 van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie. Masten voor mobiele telefonie.

Publicatieblad Nr. 229 E van 26/09/2002 blz. 0199 - 0200


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1275/02

van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie

(7 mei 2002)

Betreft: Masten voor mobiele telefonie

Kan de Commissie informatie verstrekken over de in de onderscheiden lidstaten vigerende wetgeving met betrekking tot het plaatsen van masten voor mobiele telefonie?

Acht de Commissie regelgeving op dit terrein noodzakelijk of denkt zij zelf voorstellen dienaangaande in te dienen?

Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie

(10 juni 2002)

In haar antwoord op schriftelijk vraag E-1975/01 van de heer Naranjo Escobar(1) heeft de Commissie erop gewezen dat er geen Gemeenschapswetgeving bestaat ter harmonisatie van de voorschriften voor de plaatsing van zendmasten voor mobiele telefonie. Deze kwestie heeft evenwel ten minste twee aspecten, namelijk de bescherming van de visuele omgeving en de bescherming van de gezondheid.

De bescherming van de visuele omgeving valt onder de bevoegdheid van de plaatselijke, regionale en nationale autoriteiten van de lidstaten. De toegepaste procedures en criteria lopen aanzienlijk uiteen tussen en zelfs binnen de lidstaten en zijn een weerspiegeling van de vele verschillende voorschriften en tradities die in de Gemeenschap op het gebied van de ruimtelijke ordening bestaan. Op grond van de machtigingsrichtlijn (Richtlijn 97/33/EC(2)) kunnen de lidstaten voorwaarden in verband met het algemeen belang opleggen bij de totstandbrenging en/of exploitatie van telecommunicatienetwerken of de verlening van telecommunicatiediensten, teneinde het milieu te beschermen en doelen op het gebied van de ruimtelijke ordening te bereiken.

De kaderrichtlijn(3) en machtigingsrichtlijn(4) die onlangs zijn aangenomen, moedigen de lidstaten ook verder aan om eisen te stellen teneinde het milieu en de volksgezondheid te beschermen en een goede ruimtelijke ordening te waarborgen, onder meer door collocatie en het gedeeld gebruik van faciliteiten.

Wat de veiligheid en gezondheid van burgers betreft, zijn op communautair niveau maatregelen en aanbevelingen aangenomen om ervoor te zorgen dat de bevolking niet onnodig wordt blootgesteld aan elektromagnetische golven.

Richtlijn 1999/5/EC(5) betreffende radioapparatuur (inclusief zendmasten voor mobiele telefonie) verplicht fabrikanten erop toe te zien dat zij veilig zijn. Met name artikel 3, lid 1, onder a), van de richtlijn legt de fabrikant de algemene verplichting op om de gezondheid van de gebruiker en van anderen te beschermen wanneer radioapparatuur voor haar gebruiksdoel wordt gebruikt. In artikel 7, lid 2, van die richtlijn is uitdrukkelijk bepaald dat de autoriteiten van de lidstaten de ingebruikneming van radioapparatuur kunnen beperken om de volksgezondheid te beschermen, bijvoorbeeld door de invoering van minimumafstanden tussen telefoonmasten en het publiek.

Aanbeveling 1999/519/EG van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz-300 GHz(6) bevat richtsnoeren over het veiligheidsniveau dat in acht moet worden genomen. De lidstaten worden hierin opgeroepen om de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 hertz (Hz) tot 300 gigahertz (Ghz) tot bepaalde niveaus te beperken. De in de aanbeveling opgenomen basisrestricties en referentieniveaus moeten ervoor zorgen dat gebruikers een hoge bescherming genieten tegen de acute en langetermijneffecten van de niet-ioniserende straling van radioapparatuur.

De lidstaten kunnen in overeenstemming met het EG-Verdrag een hoger beschermingsniveau eisen dan in bovengenoemde aanbeveling van de Raad is uiteengezet, maar passen doorgaans de daarin gestelde limieten toe. Bovendien zullen Europese normen die zijn opgesteld door het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec) overeenkomstig de eis van de Commissie waarborgen dat op de markt gebrachte apparatuur de in de aanbeveling van de Raad vastgestelde limieten niet overschrijdt. Deze normen zullen overeenkomstig Richtlijn 1999/5/EG worden erkend en nationale, onderling tegenstrijdige, normen vervangen.

Voorts wordt de Commissie in de aanbeveling verzocht de situatie regelmatig te herzien en daarbij rekening te houden met het lopende onderzoek, met relevante voorzorgsaspecten en met de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de noodzaak sneller op nieuwe wetenschappelijke bewijzen te reageren.

Op verzoek van de Commissie heeft het Wetenschappelijk Comité voor de toxiciteit, de ecotoxiciteit en het milieu op 30 november 2001 een advies hierover aangenomen en de door de Raad aanbevolen limieten bevestigd(7).

De Commissie heeft dus aandacht besteed aan de mogelijke effecten van zendmasten voor mobiele telefonie op de gezondheid; zij heeft momenteel echter geen plannen om een op communautair niveau geharmoniseerde procedure voor te stellen teneinde de plaatsing van masten voor mobiele telefonie aan banden te leggen.

(1) PB C 147 E van 20.6.2002, blz. 6.

(2) Richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP), PB L 199 van 26.7.1997. De bepalingen van deze richtlijn zullen naar verwachting deel uitmaken van een nieuwe kaderrichtlijn waarover momenteel in het Parlement en de Raad wordt onderhandeld.

(3) Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, PB L 108 van 24.4.2002.

(4) Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, PB L 108 van 24.4.2002.

(5) Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit, PB L 91 van 7.4.1999.

(6) PB L 199 van 30.7.1999.

(7) Verslag over de tenuitvoerlegging van de Aanbeveling van de Raad betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz-300 GHz, zie http://europa.eu.int/comm/food/fs/sc/sct/outcome_en.html.