92002E1049

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1049/02 van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie. Vrij verkeer van personen en overlijdensuitkeringen in de EU.

Publicatieblad Nr. 229 E van 26/09/2002 blz. 0173 - 0173


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1049/02

van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie

(18 april 2002)

Betreft: Vrij verkeer van personen en overlijdensuitkeringen in de EU

Door een van mijn kiezers (de moeder van iemand met de Britse nationaliteit die in Nederland woonde en werkte en daar overleden is) is een aanvraag voor een begrafenisuitkering ingediend nadat het lichaam van haar zoon gerepatrieerd was voor de begrafenis die zij geregeld heeft. Die aanvraag is echter op juridische gronden door een Britse uitkeringsinstantie afgewezen, ondanks het feit dat zij een bijstandsuitkering ontvangt en de aanvraag voor de begrafenisuitkering gerechtvaardigd is omdat haar zoon ten tijde van zijn overlijden niet in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was.

Is de Commissie het ermee eens dat dit een ernstige afwijking betekent van de waarden en noodzakelijke arbeidsvoorwaarden van een Europese Unie met een vrij verkeer van personen?

Zal de Commissie de wijziging van verordening 1408/71(1) in overweging nemen om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen? Burgers die financieel niet in staat zijn om de kosten van een begrafenis op te brengen, mogen niet opgezadeld worden met een last die een direct gevolg van de Europese Unie is.

Bestaat er op dit moment een Europese compensatiemogelijkheid voor degenen die door deze tekortkoming getroffen worden?

(1) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.

Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie

(3 juni 2002)

Het geachte parlementslid verwijst naar een Britse onderdaan die verantwoordelijk was voor de begrafenis van haar zoon die werkte en woonde in Nederland waar hij overleed. De aanvraag van de moeder voor een begrafenisuitkering werd afgewezen omdat de overledene ten tijde van zijn overlijden niet in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was, hoewel zij een bijstandsuitkering ontving (en daardoor voor de begrafenisuitkering in aanmerking kwam).

Om volgens het Britse recht in aanmerking te komen voor een begrafenisuitkering moet aan twee voorwaarden worden voldaan:

- de persoon die de begrafenis organiseert moet een uitkering zoals een bijstandsuitkering ontvangen op grond waarvan hij voor de begrafenisuitkering in aanmerking komt

- de overledene moet gewoonlijk in het Verenigd Koninkrijk woonachtig zijn geweest.

Verordening (EEG) nr. 1408/71(1) die op deze situatie van toepassing is, bevat bepalingen inzake uitkeringen bij overlijden die worden omschreven als elk bedrag ineens dat in geval van overlijden wordt uitgekeerd (artikel 1(v)), dat in principe de Britse begrafenisuitkering omvat. Aangezien de overleden zoon in Nederland werkte, was in principe echter alleen de Nederlandse wetgeving op grond van deze verordening van toepassing en er zij op gewezen dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving niet in uitkeringen bij overlijden voorziet.

In dit verband zij eraan herinnerd dat Verordening (EEG) No 1408/71 inzake de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels voor personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten coördineert en niet harmoniseert. Als gevolg daarvan blijven de lidstaten vrij om hun socialezekerheidsstelsels naar goedvinden te organiseren en te financieren, zolang de basisbeginselen van het Gemeenschapsrecht, zoals non-discriminatie, worden nageleefd.

(1) Verordening (EEG nr.1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PB L 149 van 5.7.1971.