92002E0858

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0858/02 van Camilo Nogueira Román (Verts/ALE) aan de Raad. De verplichting van de Europese Unie om met financiële hulp bij te dragen tot de samenwerking met de armste of minder ontwikkelde landen: het geval Spanje.

Publicatieblad Nr. 309 E van 12/12/2002 blz. 0052 - 0052


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0858/02

van Camilo Nogueira Román (Verts/ALE) aan de Raad

(27 maart 2002)

Betreft: De verplichting van de Europese Unie om met financiële hulp bij te dragen tot de samenwerking met de armste of minder ontwikkelde landen: het geval Spanje

De Europese Commissie heeft onlangs een verslag goedgekeurd waarin de lidstaten van de Unie gevraagd wordt om tijdens een overgangsfase financiële hulp te geven voor de ontwikkeling van arme en minder ontwikkelde landen. Ze zouden voor dat doel minimaal 0,33 % van hun BBP moeten vrijmaken, een percentage dat overeenkomt met het gemiddelde dat de lidstaten nu voor ontwikkelingshulp reserveren. De bedoeling is dat percentage later tot 0,7 % van het BBP op te voeren.

Welke maatregelen denkt de Raad te nemen om die doelstelling te verwezenlijken? Hoe denkt de Raad de Spaanse staat ertoe te bewegen meer uit te geven aan de hulp voor arme en minder ontwikkelde landen dan de 0,22 % van het BBP die Spanje thans voor deze hulp reserveert?

Antwoord

(3 oktober 2002)

1. De Raad herinnert het geachte parlementslid eraan dat de Europese Raad, op 14 en 15 december 2001 te Laeken bijeen, met tevredenheid kennis heeft genomen van de toezegging van de Raad om de middelen en tijdschema's te bestuderen waarmee ieder van de lidstaten het VN-doel van 0,7 % van het BNP voor officiële ontwikkelingshulp kan bereiken, alsook van de verbintenis om te blijven ijveren voor een verbetering van de ontwikkelingssamenwerkingsinstrumenten.

2. De Raad is tijdens zijn zitting van 18 en 19 januari 2002 begonnen met de voorbereiding van de Conferentie van de Verenigde Naties over ontwikkelingsfinanciering (Monterrey, Mexico, 18-22 maart 2002). Tijdens die zitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie een uiteenzetting gehouden, waarin hij een nadere omschrijving heeft gegeven van de vijf concrete voorstellen om de kwantiteit en de kwaliteit van de officiële ontwikkelingshulp te verhogen, te weten een aanzienlijke verhoging van de ODA, versterking en harmonisering van de procedures en verbetering van de samenhang met andere beleidsonderdelen, verdere inspanningen om de Gemeenschapshulp beschikbaar te stellen en alle bilaterale hulp geheel te ontbinden, bevordering van een agenda voor mondiale collectieve goederen als basis voor het mobiliseren van aanvullende bronnen en uitbreiding van handelsgerelateerde technische ondersteuning.

De Raad heeft zijn voorbereidende instanties opgedragen het verslag te bestuderen zodat de Unie door de aanneming van positieve initiatieven een belangrijke bijdrage kan leveren aan het succes van de conferentie. De Raad heeft zijn werkzaamheden in maart voortgezet en daarbij met name herinnerd aan de toezegging die tijdens de Europese Raad te Göteborg is gedaan, opdat de EU zo spoedig mogelijk de VN-doelstelling van 0,7 % van het BNP voor de ODA kan bereiken.

3. Met het oog op de Conferentie van Monterrey over ontwikkelingsfinanciering heeft de Europese Raad op zijn bijeenkomst van 15 en 16 maart 2002 met tevredenheid kennis genomen van het akkoord dat de ministers van Buitenlandse Zaken over de ODA hadden bereikt. Het houdt in dat de lidstaten die de 0,7 %-doelstelling nog niet hebben bereikt, de toezegging doen dat zij in het kader van hun respectieve begrotingsprocedures hun officiële ontwikkelingshulp in de komende vier jaar zullen verhogen, terwijl de andere lidstaten voortgaan met hun inspanningen om op dat streefcijfer te blijven of erboven te komen, zodat in 2006 collectief een EU-gemiddelde van 0,39 % zal worden bereikt. Alle lidstaten van de Europese Unie zullen ernaar streven in het kader van hun respectieve begrotingsprocedures in 2006 ten minste 0,33 % van het BNP voor officiële ontwikkelingshulp uit te trekken. De Europese Raad is vastbesloten toe te zien op de vorderingen van de lidstaten bij de nakoming van hun tijdens de Europese Raad van Barcelona in 2002 gedane toezeggingen. In dit verband heeft de Europese Raad van Sevilla op 21/22 juni 2002 conclusies van deze strekking aangenomen (punten 40 tot en met 46).

4. De Unie heeft als grootste donor van hulp bij monde van de voorzitter van de Raad, José María Aznar, te Monterrey de toezegging van de vijftien lidstaten bevestigd om meer inspanningen te leveren opdat de resultaten van Monterrey geen eindpunt vormen, maar een begin.