92002E0780

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0780/02 van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie. Griekse belastingen op pleziervaartuigen in privé bezit.

Publicatieblad Nr. 229 E van 26/09/2002 blz. 0136 - 0136


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0780/02

van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie

(20 maart 2002)

Betreft: Griekse belastingen op pleziervaartuigen in privé bezit

Kan de Commissie bevestigen dat er gesprekken gevoerd zijn tussen de Europese Unie en de Griekse regering over de belasting die Griekenland heft op pleziervaartuigen die onder een andere dan de Griekse vlag varen?

Zo ja, wat is het resultaat van de besprekingen?

Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie

(29 april 2002)

De door het geachte parlementslid bedoelde verkeersbelasting wordt geheven van alle particuliere pleziervaartuigen van meer dan zeven meter die het land binnenkomen en een Griekse haven, een aanlegplaats of de Griekse kust naderen. Zij is eveneens van toepassing op schepen die onder Griekse vlag varen maar niet op vaartuigen die een vaste ligplaats hebben in een Griekse haven. Voor de toepassing van deze belasting worden als pleziervaartuigen met een vaste ligplaats in een Griekse haven beschouwd pleziervaartuigen die minder dan dertig dagen in het jaar buiten Griekenland verblijven.

De Commissie is van oordeel dat deze verkeersbelasting onverenigbaar is met de bepalingen van de artikelen 23, 25 en 133 van het EG-Verdrag, die belastingen van gelijke werking als douanerechten bij invoer in het handelsverkeer tussen lidstaten en bij rechtstreekse invoer uit derde landen verbieden.

De Commissie kan het geachte parlementslid bevestigen dat zij de Griekse autoriteiten op 12 september 2000 een aanmaningsschrijven betreffende de bij artikel 11 van wet nr. 2743/99 ingestelde verkeersbelasting op pleziervaartuigen heeft doen toekomen, gevolgd door een met redenen omkleed advies d.d. 26 juli 2001.

Op 18 oktober 2001 heeft de Commissie het antwoord van de Griekse autoriteiten op dit met redenen omkleed advies ontvangen waaraan vier bijlagen waren gehecht.

Het onderzoek van deze documenten wees uit dat de Griekse autoriteiten zich niet aan het met redenen omkleed advies hebben geconformeerd, hoewel bij artikel 34, lid 1, van wet nr. 2932/2001 enige wijzigingen werden aangebracht aan artikel 11 van wet nr. 2743/99:

- voorheen werd een belasting van 15 000 drachme per meter bootlengte geheven wanneer het betrokken pleziervaartuig binnen dertig dagen te rekenen vanaf de eerste binnenkomst de territoriale wateren opnieuw binnenkwam en een haven, een aanlegplaats of de Griekse kust naderde. Vaartuigen die op twee dicht bij elkaar gelegen tijdstippen de Griekse territoriale wateren binnenkwamen werden derhalve aan een extra belasting onderworpen. Deze belasting is thans teruggebracht tot 2000 drachme per meter bootlengte, dat wil zeggen tot het niveau van de belasting die bij de vorige binnenkomst werd geheven. Deze belasting is echter verschuldigd telkens wanneer het vaartuig Griekenland binnenkomt en een Griekse haven, een aanlegplaats of de Griekse kust nadert;

- pleziervaartuigen die deelnemen aan wedstrijden of opleidingsreizen die worden georganiseerd door watersportverenigingen of navigatie-instituten of aan educatieve programma's van buitenlandse ministeries deelnemen, zijn met toestemming van de minister van koopvaardij vrijgesteld van deze verkeersbelasting;

- voor commerciële doeleinden bestemde pleziervaartuigen met een minimumcapaciteit van minstens 49 passagiers en afzonderlijke slaapplaatsen voor passagiers en bemanning die uitsluitend voor plezierreizen en/of excursies met volledige catering worden gebruikt en die voorheen niet aan de verkeersbelasting waren onderworpen, zijn daar voortaan wel aan onderworpen.

De Commissie onderzoekt momenteel op welke wijze de door haar ingeleide procedure kan worden voortgezet.