92002E0544

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0544/02 van Elly Plooij-van Gorsel (ELDR) aan de Commissie. Implementatie Richtlijn 98/44/EG ter rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen.

Publicatieblad Nr. 205 E van 29/08/2002 blz. 0163 - 0164


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0544/02

van Elly Plooij-van Gorsel (ELDR) aan de Commissie

(28 februari 2002)

Betreft: Implementatie Richtlijn 98/44/EG ter rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen

In 1997 is in het Parlement de richtlijn 98/44/EG(1) ter rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen aangenomen. Het Europese Hof in Luxemburg heeft in 2001 een

verzoek tot nietigverklaren van genoemde richtlijn van de zijde van de Nederlandse regering ongegrond verklaard (zaak C-377/98). Nederland dient aldus zijn verplichtingen met betrekking tot Europese wetgeving na te komen. De Nederlandse wetgever (Tweede Kamer) weigert echter tot nog toe de richtlijn te implementeren in de nationale wetgeving, terwijl dit al vóór 30 juli 2000 had moeten gebeuren. Dit is zeer nadelig voor bestaande en startende biotechbedrijven in Nederland en in Europa.

1. Is de Commissie van deze situatie op de hoogte?

2. Welke maatregelen neemt de Commissie om Nederland te houden aan de op hem rustende verplichtingen in Europees verband, met name snelle en volledige implementatie van bovengenoemde richtlijn?

3. Welke andere lidstaten hebben de richtlijn nog niet geïmplementeerd in hun nationale wetgeving?

(1) PB L 213 van 30.7.1998, blz. ;13.

Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie

(30 april 2002)

Het geachte parlementslid vestigt de aandacht van de Commissie op de moeilijkheden die zich in bepaalde lidstaten voordoen bij de uitvoering van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen.

1. De Commissie is zich er ten volle van bewust dat Richtlijn 98/44/EG in sommige lidstaten nog niet is uitgevoerd. Zij sluit zich aan bij de opmerkingen van het geachte parlementslid over het feit dat de lidstaten verplicht zijn deze richtlijn onmiddellijk in nationale wetgeving om te zetten aangezien de uiterste datum voor omzetting al lang verstreken is. Bovendien bestaat er geen enkele dubbelzinnigheid meer omtrent de rechtmatigheid van deze richtlijn sinds het Hof van Justitie op 9 oktober 2001 het beroep tot nietigverklaring van de richtlijn heeft verworpen.

2. De Commissie herinnert eraan dat op 30 november 2000 een ingebrekestelling is gericht tot de lidstaten die Richtlijn 98/44/EG op die datum nog niet hadden omgezet. Er zij op gewezen dat de volgende fase van deze procedure de toezending van een met redenen omkleed advies voor niet-mededeling van nationale maatregelen ter omzetting van richtlijnen is.

3. Tot dusver hebben vijf lidstaten Richtlijn 98/44/EG omgezet, namelijk Denemarken, Griekenland, Ierland, Finland en het Verenigd Koninkrijk.