92001E2775

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2775/01 van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie. Financiering van proeven zonder dieren.

Publicatieblad Nr. 134 E van 06/06/2002 blz. 0097 - 0098


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2775/01

van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie

(9 oktober 2001)

Betreft: Financiering van proeven zonder dieren

Zowel in het Witboek van de Commissie Strategie voor een toekomstig beleid voor chemische stoffen (COM(2001) 88 def.) als in het advies van het Parlement inzake de voorgestelde zevende wijziging van de cosmeticarichtlijn wordt aangedrongen op de ontwikkeling van nieuwe testmethoden waarbij geen dieren worden gebruikt. Volgens dierenwelzijnsactivisten zijn toxiciteitsproeven met behulp van dieren wetenschappelijk achterhaald en bieden nieuwe, zich in de ontwikkelingsfase bevindende proeven waaraan geen dieren te pas komen wetenschappelijke voordelen en kunnen vaak sneller en goedkoper worden uitgevoerd dan dierproeven. Daarmee zou miljoenen dieren veel leed bespaard worden.

Artikel 23, lid 1 van Richtlijn 86/609/EEG(1) bepaalt: De Commissie en de Lid-Staten dienen onderzoek te stimuleren dat gericht is op de ontwikkeling en het voor de praktijk toepasbaar maken van andere onderzoekmethoden, waarmee dezelfde resultaten worden verkregen als met dierproeven maar waarbij minder dieren worden gebruikt of minder pijnlijke ingrepen worden verricht en nemen de maatregelen die zij daartoe nodig achten.

Wat heeft de Commissie ondernomen met het oog op het stimuleren van zulk onderzoek? Meer in het bijzonder: welke bedragen hebben de Commissie en elke lidstaat beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van alternatieve testmethoden zonder dieren op alle onderzoeksgebieden en met name voor de ontwikkeling van alternatieven voor toxiciteitsproeven?

(1) PB L 358 van 18.12.1986, blz. 1.

Antwoord van de heer Busquin namens de Commissie

(20 november 2001)

Tot op heden worden er binnen het vijfde kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (1998-2002)(1) in het kader van het programma Kwaliteit van het bestaan en beheer van de biologische hulpbronnen meer dan 30 projecten gefinancierd die specifiek betrekking hebben op alternatieve in vitro methoden ter vervanging van dierproeven. De bijdrage van de Gemeenschap hiervoor beloopt meer dan 27 miljoen. Hiervan wordt 24 miljoen besteed aan de ondersteuning van alternatieve methoden voor toxiciteitsproeven. Informatie over de contracten kan worden verkregen via de Cordis-website: http://www.cordis.lu/life.

Wat het nieuwe kaderprogramma voor OTO (2002-2006) betreft: de Commissie heeft op 30 mei 2001 voorstellen vastgesteld voor de specifieke programma's(2), die kunnen worden gedownload van de website: http://www.cordis.lu/rtd2002/fp-debate/cec.htm. In deze tekst wordt de ontwikkeling van nieuwe in vitro proeven ter vervanging van dierproeven duidelijk genoemd bij onderzoekprioriteit (ii) van thematische prioriteit 1.1.1 Genomica en biotechnologie voor de gezondheid (zie blz. 20 van de tekst). Bovendien zijn er enkele algemene verklaringen over de inachtneming van het welzijn van dieren in opgenomen, die betrekking hebben op alle activiteiten van het nieuwe kaderprogramma (zie voetnoot 14 op blz. 18 van de tekst).

Daarnaast is er ruimte voor flexibiliteit voor beleidsgebonden onderzoek in de rubriek Anticiperen op de wetenschappelijke en technologische behoeften van de Unie, dat beleidsgeoriënteerd onderzoek bestrijkt en waaronder ook proeven zonder gebruik van dieren zouden kunnen vallen.

Er zijn veel methoden zonder gebruik van dieren in ontwikkeling. Deze methoden moeten echter onafhankelijk worden gevalideerd voordat ze officieel in het regelgevingsproces kunnen worden opgenomen. Om te voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt(3), heeft de Commissie in 1991 als eenheid van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek in Ispra (Italië) het Europees Centrum voor de validatie van alternatieve methoden (ECVAM) opgericht. De belangrijkste taak van het ECVAM is specifiek de coördinatie van de validatie van ver ontwikkelde testmethoden zonder gebruik van proefdieren op communautair niveau.

In 2000 zijn de eerste drie gevalideerde in vitro methoden opgenomen(4) in bijlage V van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen(5). De Commissie hecht groot belang aan deze werkzaamheden en werkt ook in het kader van het programma voor richtsnoeren voor tests van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) actief aan de bevordering van de aanvaarding van deze methoden om ervoor te zorgen dat ze wereldwijd worden toegepast. Voor een aantal andere wetenschappelijk gevalideerde methoden zal in de nabije toekomst worden voorgesteld dat ze in het kader van regelgeving worden geaccepteerd.

Daarnaast werkt het ECVAM, in overleg met andere diensten van de Commissie en externe deskundigen, in het licht van de uitdagingen en mogelijkheden die aan het Witboek inzake een toekomstig beleid voor chemische stoffen verbonden zijn, aan een uitgebreide evaluatie van de huidige stand van zaken bij testmethoden zonder gebruik van dieren en hun mogelijkheden voor de toekomst en een gedetailleerde evaluatie van de huidige stand van zaken bij testmethoden zonder gebruik van dieren voor (ingrediënten van) cosmetica.

De totale steun voor het ECVAM binnen het vijfde kaderprogramma bedraagt 26,5 miljoen.

De Commissie heeft geen informatie over de financiële ondersteuning van alternatieve testmethoden door de lidstaten.

(1) PB L 26 van 1.2.1999.

(2) PB C 240 E van 28.8.2001.

(3) PB L 358 van 18.12.1986.

(4) PB L 136 van 8.6.2000.

(5) PB 196 van 16.8.1967.