SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0530/01 van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie. Recht op eigendom en uitbreiding.
Publicatieblad Nr. 261 E van 18/09/2001 blz. 0138 - 0138
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0530/01 van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie (22 februari 2001) Betreft: Recht op eigendom en uitbreiding Het is bekend dat de socialistische regimes in de landen van Midden- en Oost-Europa het recht op particulier eigendom niet erkenden en dat particuliere eigendommen in beslag werden genomen. Nu de democratie geleidelijk terugkeert, hebben de regeringen van sommige van deze landen besloten dat de rechtmatige eigenaars of hun erfgenamen aanspraak kunnen maken op vroegere eigendommen, met name huizen en klein grondbezit. De burgers kunnen dus via ingewikkelde bureaucratische procedures weer in het bezit treden van onteigende goederen. In sommige gevallen, bijvoorbeeld in Roemenië, kunnen aan de vroegere eigenaars echter percelen worden aangeboden die niet dezelfde zijn als die welke indertijd werden onteigend; dat leidt tot ongenoegen en spanningen, niet zozeer vanwege het waardeverschil tussen het vroegere en het nieuwe eigendom als wel om sentimentele redenen, omdat het geconfisqueerde goed samenhangt met familieherinneringen en -tradities. 1. Gaat de Commissie in de onderhandelingen met de kandidaat-lidstaten na of het recht op eigendom is hersteld? 2. Heeft zij de mogelijkheid te controleren of de onteigende goederen inderdaad worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaars of hun erfgenamen? 3. Heeft zij een dienst opgezet waartoe burgers van de betrokken landen zich kunnen wenden als zij in beroep willen gaan tegen eventuele besluiten van de overheidsinstanties op grond waarvan andere eigendommen worden teruggegeven dan die welke destijds zijn geconfisqueerd? 4. Is de Commissie bereid alle mogelijk pressie uit te oefenenen opdat het recht op bezit daadwerkelijk wordt geëerbiedigd, ook ten aanzien van oude familiebezittingen die indertijd zijn onteigend? Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie (18 april 2001) De onteigeningen waarnaar het geachte parlementslid verwijst, vonden plaats voordat het verdrag van Rome in werking trad. Bovendien bepaalt artikel 295 (ex artikel 222) van het EG-verdrag dat dit verdag de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet laat. Om deze reden valt deze kwestie onder de bevoegdheid van de kandidaat-lidstaten zelf en niet onder die van de Europese instellingen. Bijgevolg komt het eigendomsrecht niet aan de orde bij de toetredingsonderhandelingen. Evenmin voert de Commissie op dit punt feitelijke controle uit en klachten hieromtrent van burgers uit de kandidaat-lidstaten moeten voorgelegd worden aan de autoriteiten van deze landen of eventueel aan het Europees Hof voor de rechten van de mens. Desalniettemin heeft de Commissie in haar advies van 1997 over de toetredingsaanvragen van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa dit probleem aan de orde gesteld. Voor zover noodzakelijk is zij hierop teruggekomen in de periodieke verslagen die zij elk jaar voorlegt aan het Parlement en aan de Raad over de vorderingen van de kandidaat-lidstaten op weg naar toetreding, en in het bijzonder in de periodieke verslagen van 1999 en 2000 over Roemenië.