SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1683/00 van Per Stenmarck (PPE-DE) aan de Commissie. Monopolie op de keuring van motorvoertuigen in Zweden.
Publicatieblad Nr. 072 E van 06/03/2001 blz. 0100 - 0100
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1683/00 van Per Stenmarck (PPE-DE) aan de Commissie (29 mei 2000) Betreft: Monopolie op de keuring van motorvoertuigen in Zweden In Zweden bezit de firma AB Svensk bilprovning het monopolie op de technische keuring van motorvoertuigen. Omdat deze firma echter de grote vraag naar keuringen niet aankan worden voertuigen voor zowel privé-gebruik als professioneel gebruik van de weg verbannen omdat zij niet op tijd kunnen worden gekeurd, zodat een rijverbod volgt. De wachttijd voor een keuring kan oplopen tot 79 dagen en chauffeurs van transportfirma's moeten gedwongen thuisblijven. Een oplossing voor dit probleem zou zijn om concurrentie op dit gebied mogelijk te maken, maar het Zweedse parlement heeft een wet aangenomen waardoor dit onmogelijk wordt. Is de Commissie van mening dat dit Zweedse monopolie te verenigen is met de communautaire wetgeving? Antwoord van de heer Monti namens de Commissie (3 juli 2000) Het geachte parlementslid vraagt de Commissie of het monopolie dat de Zweedse staat aan AB Svensk Belprovning (hierna: ASB) heeft toegekend met betrekking tot de technische keuring van motorvoertuigen verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. De Commissie heeft een klacht ontvangen betreffende een vermeend misbruik van het monopolie van ASB en heeft een eerste analyse gemaakt van de gegevens die haar ter kennis zijn gebracht. Bij brieven van 15 juni 1999 en 21 februari 2000 heeft zij aan de indiener van de klacht geantwoord dat zij niet voornemens was in deze zaak verdere stappen te ondernemen, tenzij de indiener nadere elementen aanbracht ter staving van zijn beweringen. Na de laatstgenoemde van de twee brieven werd geen dergelijke elementen meer aangebracht. Volgens de beschikbare informatie (volgens het verslag van de rijksaccountants (Riksdagens revisorer) 1999/2000:6) besloot de Zweedse regering reeds in 1994 dat aan het monopolie een einde moest worden gemaakt, maar stelde zij de uitvoering van die beslissing later in hetzelfde jaar voor onbepaalde tijd uit. Voorts valt op te merken dat de Zweedse mededingingsautoriteit in 1998 aan de regering de aanbeveling deed, ofwel de exclusiviteit voor ASB bij de verplichte keuring van voertuigen af te schaffen, ofwel haar activiteiten te beperken tot die keuring en haar dus niet toe te staan te concurreren op andere, verwante terreinen, om alle mogelijke belangenconflicten te voorkomen. Voorts blijkt dat ASB zich in 1998 zelf ten doel heeft gesteld de wachttijden te verkorten. Het bestaan van een exclusief recht op het gebied van de verplichte keuring van motorvoertuigen zou alleen ter discussie kunnen worden gesteld indien zou kunnen worden aangetoond dat ASB in strijd met de communautaire mededingingsregels misbruik zou maken van haar machtspositie. Uit de aangebrachte gegevens is niet afdoende gebleken dat een dergelijk misbruik zou plaatsvinden. Voorts waren er in de verkregen informatie onvoldoende aanwijzingen dat er minstens in potentie merkbare gevolgen zouden kunnen zijn voor de handel tussen lidstaten. Op grond van die elementen heeft de Commissie deze zaak niet aan verder onderzoek onderworpen. Daar het bestaan van een monopolie als zodanig niet verboden is, zou de Commissie haar standpunt alleen kunnen wijzigen indien zij kennis kreeg van duidelijke aanwijzingen voor een misbruik van de machtspositie van ASB en minstens in potentie merkbare gevolgen voor de handel tussen lidstaten.