92000E1463

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1463/00 van Jillian Evans (Verts/ALE) aan de Commissie. Gevolgen voor de gezondheid van waterstofsulfide.

Publicatieblad Nr. 103 E van 03/04/2001 blz. 0012 - 0012


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1463/00

van Jillian Evans (Verts/ALE) aan de Commissie

(10 mei 2000)

Betreft: Gevolgen voor de gezondheid van waterstofsulfide

Over welke gegevens beschikt de Commissie over de langetermijngevolgen voor de menselijke gezondheid, en met name voor de ogen en longen, van de blootstelling aan waterstofsulfidegas van stortplaatsen? Welke maatregelen zijn eventueel genomen om de blootstellingrisico's te beperken?

Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie

(3 juli 2000)

De klassieke geur van rotte eieren die vrijkomt bij dit gas kan, evenals irritatie van de neus- en reukslijmvliezen, worden vastgesteld bij een concentratie van 0,05 ppm. De giftigheid voor de mens begint bij een concentratie van 150 ppm (verlamming van de reukzenuw). Longoedeem kan zich ontwikkelen bij een concentratie van 300 ppm en een snel bewustzijnsverlies met de dood tot gevolg kan optreden bij een concentratie van 500 ppm. Waterstofsulfide wordt binnen de Gemeenschap geklasseerd als een uiterst brandbare, zeer giftige stof die gevaarlijk is voor het milieu.

Momenteel wordt de verwerking van afvalstoffen gereguleerd bij Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975(1), als gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 betreffende afvalstoffen(2), in het bijzonder bij artikel 4, dat bepaalt dat afvalstoffen moeten worden verwijderd zonder gevaar voor de gezondheid van de mens of het milieu.

Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen(3), die in werking treedt op 16 juli 2001, stelt specifieke eisen voor het storten van afval. Het algemene doel van de richtlijn bestaat erin de negatieve gevolgen van het storten van afval voor de volksgezondheid en het milieu te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. De negatieve gevolgen van het storten van afval zijn voornamelijk te wijten aan het vrijkomen van stortplaatsgas en percolaat in het milieu. Stortplaatsgas en percolaat ontstaan door de afbraak van biologisch afbreekbaar afval onder anaërobe omstandigheden. Een van de belangrijkste doelstellingen van de richtlijn om het vrijkomen van deze stoffen te beperken, is dat de lidstaten strategieën opstellen om de hoeveelheid biologisch afbreekbaar afval dat naar stortplaatsen wordt getransporteerd te reduceren. Zij stelt ook nauwkeurige streefdoelen ter beperking van de hoeveelheid biologisch afbreekbaar stadsafval dat naar de stortplaatsen gaat. Om deze streefdoelen te verwezenlijken, dienen de lidstaten voornamelijk te zorgen voor een toenemende recyclage en compostering van biologisch afbreekbaar afval, alsook voor een toenemende productie van biogas en andere vormen van terugwinning. Bovendien stelt de richtlijn dat stortplaatsgas moet worden opgevangen bij alle stortplaatsen waar biologisch afbreekbaar afval wordt gedeponeerd, en dat het stortplaatsgas moet worden verwerkt en gebruikt. Indien het opgevangen gas niet kan worden gebruikt voor energieproductie, moet het worden verbrand.

(1) PB L 194 van 25.7.1975.

(2) PB L 78 van 26.3.1991.

(3) PB L 182 van 16.7.1999.