SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1264/00 van Caroline Jackson (PPE-DE) aan de Commissie. Verbranding van dierlijk afval.
Publicatieblad Nr. 046 E van 13/02/2001 blz. 0160 - 0160
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1264/00 van Caroline Jackson (PPE-DE) aan de Commissie (11 april 2000) Betreft: Verbranding van dierlijk afval Kan de Commissie mededelen of zij plannen heeft om zich te buigen over het punt van de verbrandingsnormen voor ongevaarlijk afval van dierlijke oorsprong na de verontrusting van veel Britse exploitanten van kleine verbrandingsinstallaties voor gebruik op de boerderij en eigenaars van crematoria voor huisdieren erover, dat zij waarschijnlijk zullen moeten voldoen aan de normen uit het huidige voorstel voor een richtlijn over de verbranding van afvalstoffen, aangezien hierdoor hun kosten aanzienlijk zouden stijgen? Is de Commissie het er niet mee eens dat deze situatie het best kan worden aangepakt door een afzonderlijk voorstel, minder strenge normen voor dergelijke kleinschalige verbandingsinstallaties, dan wel verlening van een specifieke vrijstelling van de richtlijn over de verbranding van afvalstoffen voor deze installaties? Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie (17 mei 2000) Overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder (v), van de toekomstige richtlijn inzake verbranding in de vorm van het gemeenschappelijk standpunt(1), zijn installaties voor de behandeling van afval dat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975(2) niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt uitgesloten van de werkingssfeer van de toekomstige richtlijn inzake verbranding. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder (iii), van de richtlijn zijn kadavers die reeds onder andere regelgeving vallen, uitgesloten van de werkingssfeer van Richtlijn 75/442/EEG en derhalve van de werkingssfeer van de toekomstige richtlijn inzake verbranding in de vorm van het gemeenschappelijk standpunt. Richtlijn 90/667/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van Richtlijn 90/425/EEG(3), waarin gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijk afval zijn vastgesteld, is zo'n regelgeving. Kadavers zijn derhalve uitgesloten van de werkingssfeer van de toekomstige richtlijn inzake verbranding. De verwijdering van kadavers moet in plaats daarvan voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 90/667/EEG en andere desbetreffende regelgeving van de Gemeenschap. In tweede lezing heeft het Parlement een amendement aangenomen waarmee wordt getracht die uitsluiting op te heffen. Indien de Raad dat aanvaardt, zal dierlijk afval niet langer van de werkingssfeer van de toekomstige richtlijn zijn uitgesloten. De Commissie kan dit amendement van het Parlement alleen in beginsel aanvaarden, hetgeen betekent dat de Commissie kan aanvaarden dat de ambigue formulering van artikel 2, lid 2, onder (v), van de toekomstige richtlijn inzake verbranding in de vorm van het gemeenschappelijk standpunt vervalt, maar duidelijk wenst te maken dat er specifieke communautaire regelgeving is voor de gezondheidsaspecten van de verwijdering van dierlijk afval. De Commissie zal tevens zorgen dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen en belastingen. De Commissie is evenwel van mening dat de verbranding van dierlijk afval ook aan milieunormen zal moeten voldoen. De Commissie is bezig met het opstellen van dergelijke normen in het kader van het toekomstige voorstel voor een verordening van de Raad en het Parlement betreffende de gezondheidsvoorschriften voor dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd. Die normen zullen in grote lijnen overeenstemmen met die welke in de toekomstige richtlijn inzake verbranding zijn vastgesteld. (1) PB C 341 van 5.12.1994.(25? à compléter svp). (2) PB L 194 van 25.7.1975. (3) PB L 363 van 27.12.1990.