SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2424/99 van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie. Erkenning van sport binnen het Verdrag.
Publicatieblad Nr. 219 E van 01/08/2000 blz. 0159 - 0160
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2424/99 van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie (13 december 1999) Betreft: Erkenning van sport binnen het Verdrag De sociale functie van de sport wordt erkend in het Europees Handvest voor de sport van 1992 en in de verklaring over sport die vervat is in het Verdrag van Amsterdam, waarin wordt gewezen op de sociale betekenis van de sport, en in het bijzonder de rol die zij kan spelen bij het scheppen van de identiteit en het nader tot elkaar brengen van personen. Om deze reden heeft de sport een niet te vervangen rol, die niet kan worden gelijk gesteld aan die van andere economische activiteiten, zoals in de huidige communautaire regelgeving het geval is. In het zogenaamde arrest Bosman van het Europese Hof van Justitie van 15 december 1995 werd bepaald dat er geen beperkingen mogen worden gesteld aan de transfer van beroepssportlieden in de lidstaten. Dit brengt het risico met zich mee dat het publiek zich niet langer meer met een nationaal team kan identificeren, terwijl dit ook nadelige gevolgen heeft voor de werkgelegenheid voor jongeren en de opleiding van jonge sportlieden. Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat pleit voor een respect voor de autonomie van de nationale sportinstellingen en structuren, die zelf voor de regulering van deze sector zorg zouden moeten dragen, en overwegende dat de Europese Raad te Wenen van 11 en 12 december 1998 de sociale rol van de sport heeft erkend en de Commissie heeft verzocht met het oog op de intergouvernementele conferentie hierover een verslag uit te brengen aan de Europese Raad van Helsinki, zou ik de Commissie willen vragen: 1. Heeft zij werkgroepen opgericht voor de opstelling van dit rapport? 2. Is zij met de opstelling hiervan zodanig gevorderd dat verzekerd kan worden dat deze werkzaamheden op tijd voor de topconferentie van Helsinki worden afgesloten? 3. Acht zij het nodig om met het oog op de komende intergouvernementele conferentie een officieel amendement op het Verdrag voor te stellen, waarbij aan titel XII (ex titel IX) een artikel wordt toegevoegd waarin, naar analogie van wat in de sector cultuur is gebeurd, het specifieke karakter en de eigen aard van de sport worden erkend en de noodzaak van inachtneming van de subsidiariteit bij de communautaire maatregelen op dit gebied wordt onderstreept? Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie (7 januari 2000) 1. In het kader van de voorbereiding van het verslag van Helsinki over sport is de Commissie ingegaan op het in de Verklaring betreffende sport van Amsterdam geformuleerde verzoek om de sportorganisaties te raadplegen wanneer belangrijke kwesties in verband met sport aan de orde zijn. Daartoe heeft de Commissie een discussienota gepubliceerd, waarop veel respons en commentaar van de sportorganisaties is gekomen. Dit document lag aan de basis van de Europese conferentie over sport die in mei 1999 werd gehouden in Olympia. Deze conferentie bood alle geledingen van de wereld van de sport bonden, overheden, andere communautaire instellingen, bedrijven, media een unieke gelegenheid om hun standpunt over sport uiteen te zetten. Tenslotte heeft de Commissie ook rekening gehouden met het verslag over sport van het Comité van de Regio's. 2. De Commissie heeft het verslag(1) tijdens haar vergadering van 1 december 1999 goedgekeurd opdat de Europese Raad van Helsinki deze kwestie zou kunnen behandelen. 3. De Commissie heeft haar bijdrage(2) aan de intergouvernementele conferentie reeds goedgekeurd. De eventuele opneming van een artikel over sport wordt daarin niet voorgesteld. (1) COM(1999) 644 def. (2) COM(1999) 592 def.