91999E0797

SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 797/99 van Gerhard HAGER Vrijstelling van omzetbelasting

Publicatieblad Nr. C 370 van 21/12/1999 blz. 0112


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0797/99

van Gerhard Hager (NI) aan de Commissie

(6 april 1999)

Betreft: Vrijstelling van omzetbelasting

Particuliere instanties en natuurlijke personen verrichten steeds meer sociale diensten en ondersteunen door deze taken over te nemen de overheid bij de vervulling van haar plichten. Deze deels zeer arbeidsintensieve en daardoor dure diensten worden zo niet meer uitsluitend bekostigd door de publiekrechtelijke instellingen en gaan dus niet meer ten laste van de overheidsbegroting. De overheid bespaart door de overheveling van deze taken aanzienlijke kosten. Toch is in het Gemeenschapsrecht alleen een uitdrukkelijke vrijstelling van omzetbelasting opgenomen ten behoeve van de openbare instellingen (artikel 13, deel A, lid 1, zesde richtlijn 77/388/EEG(1) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting).

1. Staat het de lidstaten vrij om naast de uitzonderingsbepalingen van het Gemeenschapsrecht ook belastingvrijstellingen te verlenen voor natuurlijke personen?

2. Hoe motiveert de Commissie deze in het Gemeenschapsrecht vastgelegde ongelijke behandeling van publiekrechtelijke instellingen enerzijds en particuliere instanties c.q. natuurlijke personen anderzijds, en acht zij dit onderscheid in de huidige situatie nog gerechtvaardigd?

3. Zijn er initiatieven en plannen om de belastingvrijstellingen van het communautaire recht uit te breiden, en zo ja, wat houden deze in?

4. Zo ja, van wie zijn deze initiatieven afkomstig en hoe ver is men ermee gevorderd?

Antwoord van de heer Monti namens de Commissie

(7 mei 1999)

1. De vrijstellingen vermeld in artikel 13 van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag(2) moeten strikt worden geïnterpreteerd, aangezien zij afwijkingen vormen op het algemene beginsel volgens hetwelk over alle tegen vergoeding door een belastingplichtige verrichte economische handelingen belasting moet worden geheven(3). Hieruit volgt dat wanneer een bepaling van artikel 13, A, lid 1, verwijst naar door een "instelling" verrichte diensten zij niet van toepassing kan zijn op door een natuurlijk persoon verrichte diensten.

2. De tekst van artikel 13 weerspiegelt de situatie op het moment van de vaststelling van de zesde richtlijn. Op dat moment werden de diensten waarop het geachte parlementslid doelt waarschijnlijk bijna uitsluitend verricht door instellingen die door de betrokken lidstaat werden beschouwd als hebbende een sociaal karakter. Sedertdien heeft de situatie zich sterk gewijzigd en worden deze diensten steeds meer verricht door particuliere instellingen en particulieren, hetgeen een bron voor concurrentievervalsing vormt en nadenken over de gegrondheid van bepaalde vrijstellingen van artikel 13 van de zesde BTW-richtlijn nodig maakt.

Privaatrechtelijke instellingen zijn evenwel niet bij voorbaat van het toepassingsgebied van de door het geachte parlementslid bedoelde vrijstellingen uitgesloten. Zij kunnen hiervan eveneens profiteren en wanneer zij door de betrokken lidstaat worden beschouwd als instellingen met een sociaal karakter wanneer zij de eventueel door deze lidstaat in uitvoering van artikel 13, A, sub 2, opgelegde aanvullende voorwaarden vervullen.

3.-4. De Commissie heeft een werkprogramma(4) ingediend betreffende de invoering in verschillende fasen van een gemeenschappelijk BTW-stelsel dat beter is aangepast aan de eisen van een werkelijke interne markt. Een van de pijlers van dit programma is de modernisering van het huidige BTW-stelsel. Herziening van de vrijstellingen van artikel 13, A van de zesde BTW-richtlijn ten einde door het geachte parlementslid aan de orde gestelde concurrentievervalsing te voorkomen en de neutraliteit van het BTW-stelsel zo goed mogelijk te garanderen, maakt deel van deze moderniseringen uit.

(1) PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1.

(2) PB L 145 van 13.6.1977.

(3) Zie in dit verband de arresten van het Hof van Justitie van 15 juni 1989, zaak 348/87, en van 11 augustus 1995, zaak C-453/93.

(4) COM(96) 328 def.