SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 4081/98 van Jean-Antoine GIANSILY aan de Commissie. Aanstelling van Europese ambtenaren
Publicatieblad Nr. C 182 van 28/06/1999 blz. 0139
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4081/98 van Jean-Antoine Giansily (UPE) aan de Commissie (14 januari 1999) Betreft: Aanstelling van Europese ambtenaren Welke tuchtmaatregelen is de Commissie van plan te nemen tegen Europese ambtenaren die zouden zijn aangesteld op grond van valse verklaringen of het bewust verzwijgen van informatie betreffende hun diploma's, hetgeen indruist zowel tegen het statuut van de Europese ambtenaren als tegen de wetgeving van het gastland? Bestaat er een verjarings- of vervallenverklaringsperiode voor eventuele sancties en tuchtmaatregelen? Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie (1 februari 1999) Overeenkomstig de artikelen 28 en 30 van het Statuut kan iemand die niet geslaagd is voor een vergelijkend onderzoek aan de hand van bewijsstukken en/of een examen, overeenkomstig de bepalingen van bijlage III van het Statuut, en die derhalve niet voorkomt op de lijst van geschikte kandidaten die door de jury van het vergelijkend onderzoek wordt opgesteld, niet als ambtenaar worden aangesteld, tenzij het om benoemingen in de rangen A1 en A2 gaat. Wanneer een kandidaat geschikt is bevonden op grond van valse verklaringen of valse documenten kan de jury, zodra zij daarvan kennis krijgt, haar besluit annuleren en de kandidaat van de lijst schrappen. De administratie van haar kant is verplicht iedere benoeming te weigeren van een kandidaat die op onregelmatige wijze op de lijst van geschikte kandidaten is geplaatst. Bovendien dient de ambtenaar bij zijn aanwerving alle bewijsstukken betreffende zijn opleiding en zijn beroepskwalificatie bij de administratie in te dienen, met het oog op zijn indeling in rang en salaristrap. Een ambtenaar die bij die gelegenheid valse verklaringen aflegt, voldoet niet aan de verplichtingen inzake betamelijkheid en eerbiediging van de waardigheid van zijn ambt, die hem door het Statuut zijn opgelegd en stelt zich derhalve aan een tuchtmaatregel bloot. In verband met de tweede vraag van de geachte afgevaardigde wordt erop gewezen dat in het Statuut niets is bepaald terzake van verjaring van inbreuken of vervaltermijnen voor tuchtprocedures en tuchtmaatregelen.