91998E3837

SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 3837/98 van Wilfried TELKÄMPER Opslag van giftig afval in de kalimijn Stocamine in Wittelsheim (Frankrijk) en richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 november 1997

Publicatieblad Nr. C 289 van 11/10/1999 blz. 0095


SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3837/98

van Wilfried Telkämper (V) aan de Commissie

(22 december 1998)

Betreft: Opslag van giftig afval in de kalimijn Stocamine in Wittelsheim (Frankrijk) en richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 november 1997

Met richtlijn 97/11/EG(1) betreffende de milieu-effectbeoordeling heeft de Raad te kennen gegeven dat een duurzame milieuvriendelijke ontwikkeling alleen mogelijk is als projecten met te verwachten aanzienlijke gevolgen voor het milieu goedgekeurd moeten worden en aan een milieu-effectbeoordeling onderworpen moeten worden. De Raad is verder van mening dat een beoordelings- en goedkeuringsprocedure alleen zinvol is als daarbij niet alleen de ter zake bevoegde instanties, maar ook de bevolking betrokken wordt. Daarnaast moeten ook de standpunten van instanties en de publieke opinie van een andere lidstaat die eventueel aanzienlijke milieugevolgen van een project ondervindt, in aanmerking worden genomen.

Hoewel de genoemde richtlijn in de lidstaten nog niet in nationaal recht is omgezet, staat vast dat aan deze richtlijn een duidelijke en gemeenschappelijke politieke wil ten grondslag ligt, die inhoudt dat er bij projecten met mogelijke nadelige milieueffecten een beoordelingsprocedure moet plaatsvinden, waarbij ook de belangen van de buurlanden in aanmerking moeten worden genomen.

Ten aanzien van "Stocamine", de ondergrondse opslagplaats voor giftig afval bij Wittelsheim in de Elzas, zou richtlijn 97/11/EG inhouden dat bij een beoordeling van de milieueffecten ook de standpunten en de kritiek van zowel Franse als Duitse betrokkenen in aanmerking worden genomen. Vast staat namelijk dat het project "Stocamine" grensoverschrijdende aspecten kent: bij een eventueel ongeluk in de opslagplaats zou het grondwater in de gehele regio van de Bovenrijn besmet worden en zouden zowel Frankrijk als Duitsland van een dergelijke ramp de dupe worden.

Kan de Commissie daarom mededelen:

1. in hoeverre de Franse en Duitse bevolking tot dusver door de autoriteiten op de hoogte is gesteld c.q. op de hoogte moet worden gesteld, en

2. in hoeverre er door Franse en Duitse wetenschappers onafhankelijke adviezen over het "Stocamine"-project zijn opgesteld, respectievelijk in hoeverre deze noodzakelijk zijn?

Antwoord van mevrouw Bjerregaard namens de Commissie

(5 februari 1999)

De Commissie is niet op de hoogte van het door het geachte parlementslid genoemde project voor de opslag van giftig afval.

Ten aanzien van Richtlijn 97/11/EG van de Raad wil de Commissie met nadruk stellen dat de termijn voor de vaststelling van de nationale maatregelen voor de omzetting van deze richtlijn tot 14 maart 1999 loopt en dat de toepassing daarvan op dit project derhalve niet verplicht kan worden gesteld.

Op basis van de door het geachte parlementslid verstrekte informatie lijkt op het project echter wel bijlage I (punt 9) van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(2) van toepassing te zijn. Indien het hier inderdaad zou gaan om een project voor de aanleg van een opslagplaats voor giftig afval, zou een milieu-effectbeoordeling hiervoor verplicht zijn.

Bovendien wordt in artikel 7 van deze richtlijn bepaald dat, wanneer een lidstaat constateert dat een project aanzienlijke effecten kan hebben op het milieu in een andere lidstaat of wanneer een lidstaat die aanzienlijke effecten zou kunnen ondervinden hierom verzoekt, de lidstaat op welks grondgebied het project wordt voorgesteld, de resultaten van de beoordeling op hetzelfde tijdstip als waarop hij deze informatie ter beschikking stelt van zijn eigen onderdanen, ook aan de andere lidstaat toezendt.

(1) PB L 73 van 14.3.1997, blz. 5.

(2) PB L 175 van 5.7.1985.