SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 3651/97 van Barbara WEILER aan de Commissie. Verkorting studieduur van pedagogen van momenteel 12+3 jaar tot 11+3 jaar
Publicatieblad Nr. C 223 van 17/07/1998 blz. 0010
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3651/97 van Barbara Weiler (PSE) aan de Commissie (19 november 1997) Betreft: Verkorting studieduur van pedagogen van momenteel 12 + 3 jaar tot 11 + 3 jaar De afdeling voor school, jeugd en sport van de regering van de stadstaat Berlijn heeft besloten de toelatingseisen voor de HBO voor sociale pedagogiek te veranderen om de huidige opleiding tot pedagoog te verkorten. Thans is voor het beroep van pedagoog een driejarige opleiding aan een HBO voor sociale pedagogiek en een vooropleiding van twaalf schooljaren vereist. Deze voorbereidingsfase zou thans met een jaar verkort worden. Dit houdt dan een verkorting van de opleidingsduur van thans 12 + 3 jaar tot 11 + 3 jaar in. Heeft de EU in verband met de harmonisering van einddiploma's een eigen richtlijn voor de opleiding van pedagogen uitgevaardigd? Als de totale studieduur van pedagogen binnen de EU is vastgesteld op 12 + 3 jaar, zou een verkorting van deze studieduur dan tot gevolg hebben dat het bewijs van afsluiting van de studie van Duitse pedagogen in de andere lidstaten niet wordt erkend? Zou op deze wijze de aan Duitse opleidingsinstituten opgeleide pedagogen de mogelijkheid worden ontnomen om in het Europese buitenland te werken? Mocht de door de regering van de stadstaat Berlijn nagestreefde studieduurverkorting een schending betekenen van een EU-richtlijn, welke stappen zouden dan eventueel tegen de Senaat van Berlijn kunnen worden genomen? Antwoord van de heer Monti namens de Commissie (6 januari 1998) In de door de geachte afgevaardigde gestelde vraag wordt verwezen naar de situatie die in de schriftelijke vragen E-1936/97 ((PB C 21 van 22.1.1998 )) en E-3638/97 ((PB C 187 van 16.6.1998, blz. 33. )) van de heer Tannert al ter sprake is gebracht. De erkenning van diploma's voor de uitoefening van het beroep van sociaal-pedagoog of sociaal werker in lidstaten waar deze beroepen zijn gereglementeerd, valt onder de communautaire richtlijnen waarmee een algemeen stelsel van erkenning van diploma's is ingevoerd. Afhankelijk van het niveau van de diploma's waarmee de opleidingen worden afgesloten, geldt Richtlijn 89/48/EEG betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten ((PB L 19 van 24.1.1989. )), of Richtlijn 92/51/EEG die van toepassing is op diploma's, getuigschriften en andere titels van een lager niveau dan degene waarop Richtlijn 89/48/EEG ((PB L 109 van 24.7.1992. )) van toepassing is. Iedere lidstaat kan zelf het niveau bepalen van de beroepskwalificaties die nodig zijn om op zijn grondgebied het beroep van sociaal-pedagoog of sociaal werker uit te oefenen. Door deze richtlijnen zijn immers niet de opleidingen geharmoniseerd, maar is enkel een erkenningsstelsel ingesteld waardoor een diploma dat in de ene lidstaat toegang geeft tot een bepaald beroep, moet worden erkend om, ondanks de verschillende onderwijsstelsels, datzelfde beroep ook in een andere lidstaat te kunnen uitoefenen. Bijgevolg is Duitsland ten volle bevoegd om besluiten te nemen over het niveau van de titel die toegang verleent tot het beroep van sociaal-pedagoog of sociaal werker. Deze titel komt in aanmerking voor de erkenningsmechanismen die zijn vastgesteld in Richtlijn 92/51/EEG. Ingevolge deze richtlijn mogen de autoriteiten van de ontvangende lidstaat in het geval van wezenlijke verschillen - inzake duur of inhoud - tussen de door de migrant gevolgde opleiding en de in de ontvangende lidstaat vereiste opleiding een compenserende maatregel opleggen (een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid). Bijgevolg is het, gezien de duur van de nieuwe opleiding in Duitsland en de in de ontvangende lidstaat vereiste duur, mogelijk dat in bepaalde gevallen de toepassing van een van deze compenserende maatregelen gerechtvaardigd is.