SCHRIFTELIJKE VRAAG nr. 2905/96 van Paul RÜBIG aan de Commissie. Richtlijn over de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid- staten met betrekking tot werken van edelmetaal
Publicatieblad Nr. C 096 van 24/03/1997 blz. 0034
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2905/96 van Paul Rübig (PPE) aan de Commissie (31 oktober 1996) Betreft: Richtlijn over de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten met betrekking tot werken van edelmetaal Sinds geruime tijd wordt er gediscussieerd over een richtlijn inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten met betrekking tot werken van edelmetaal. De voornaamste doelstellingen van dit voorstel zijn het uit de weg ruimen van de handelsbelemmeringen op de Europese markt voor werken van edelmetaal en het totstandbrengen van grotere transparantie ter verbetering van de bescherming van de consument. Het richtlijnvoorstel stond op de agenda van de 1929ste vergadering van de Raad - interne markt - te Brussel op 28 mei 1996, maar hier werd slechts een voortgangsrapport gepresenteerd en geen besluit genomen. Aangezien de richtlijn voor Oostenrijk van aanzienlijke betekenis is, wordt om antwoord op de volgende vragen verzocht: 1. Maken de in de richtlijn voorgestelde keuringsmethodes een keuring mogelijk waarbij het voorwerp niet wordt vernietigd? Is het in principe de bedoeling om volgens de richtlijn ook keuringsmethodes toe te laten waarbij het voorwerp niet wordt vernietigd? 2. Indien dit niet het geval is, wordt in de richtlijn bepaald wie voor de reparatiekosten moet opkomen? 3. Kunnen produkten ook in onafgewerkte toestand worden gekeurd? 4. Voor kleine bedrijven zou het naleven van de voorschriften van de richtlijn tot buitensporig hoge kosten kunnen leiden. Wordt in de richtlijn voorzien in de mogelijkheid dat deze last voor kleine ondernemingen wordt verlicht en dat zij een economisch draaglijke keuring kunnen uitvoeren? 5. Is voldoende gewaarborgd dat de voor de controle van het edelmetaalgehalte eventueel noodzakelijke vernietiging of beschadiging van het te keuren voorwerp economisch gezien draaglijk blijft? 6. Welke regelingen zullen voor reeds in de EU aanwezige antieke voorwerpen gelden? 7. Wie beoordeelt de eigenschappen van "antiek voorwerp¨? 8. Kan de verplichting om een stempel aan te brengen ook worden opgeheven als nationale normen het aanbrengen van een stempel voorschrijven? 9. Geldt voor de onder artikel 1, lid 3, sub a) van het richtlijnvoorstel vallende antieke voorwerpen het nationale recht? Antwoord van de heer Bangemann namens de Commissie (17 december 1996) De vraag van het geachte Parlementslid heeft betrekking op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende werken van edelmetaal, dat in oktober 1993 ((COM(93)322; gewijzigd voorstel COM(94)267. )) door de Commissie is ingediend. 1., 2., 3 en 5. Keuringen waarbij het voorwerp niet wordt vernietigd, worden in het voorstel voor een richtlijn niet uitgesloten; het bevat drie verschillende procedures voor de verklaring van overeenstemming van de werken met de essentiële vereisten. In deze procedures, zoals ze in het voorstel voor een richtlijn zijn vermeld, wordt echter niet gespecificeerd welk soort keuring moet worden uitgevoerd. Voor de bepaling van de relevante keuringen wordt verwezen naar de normalisatiewerkzaamheden. Met het oog daarop heeft de Commissie al opdracht gegeven aan het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) om de normen voor deze keuringen op te stellen, die geharmoniseerde normen zullen worden zodra de richtlijn wordt vastgesteld en die derhalve het voordeel hebben dat de fabrikanten en de aangemelde instellingen overeenstemming kunnen aannemen wanneer zij deze gebruiken. De werkzaamheden van het CEN zijn nog niet afgerond. Het is de bedoeling dat deze normalisatiewerkzaamheden ook leiden tot de opstelling van normen voor niet-destructieve proeven. De normalisatie-instantie, waarbij alle belanghebbende partijen betrokken zijn, dient bij de vaststelling van de keuringsmethoden rekening te houden met de kosten. 4. De drie procedures voor de verklaring van overeenstemming in het voorstel voor een richtlijn kunnen gemakkelijk door kleine bedrijven worden toegepast. Met name de procedure voor de EG-verklaring van overeenstemming is gebaseerd op module A van Besluit 93/465/EEG van de Raad ((PB L 220 van 30.8.1993. )) van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming, die bedoeld zijn om in de richtlijnen voor technische harmonisatie te worden gebruikt. Volgens deze procedure garandeert en verklaart de fabrikant dat de werken in overeenstemming zijn met de essentiële vereisten, en kiest hij een aangemelde instelling die onaangekondigde controles uitvoert. Bij deze procedure wordt ervan uitgegaan dat de fabrikant interne controles uitvoert en is deze verplicht documentatie ter beschikking te houden van de aangemelde instantie en de met het toezicht op de markt belaste instanties. Daarnaast bevat het voorstel voor een richtlijn nog een andere procedure (keuring door een derde partij), die is gebaseerd op module F van genoemd besluit van de Raad en die in grote lijnen overeenkomst met de momenteel gebruikte "waarborgsystemen¨. 6. en 7. Antieke voorwerpen vallen niet binnen het toepassingsgebied van de voorgestelde richtlijn. De richtlijn is namelijk niet van toepassing op antieke voorwerpen die al in Europa in de handel zijn, aangezien het gaat om voorwerpen die voor het eerst in de handel worden gebracht. Antieke voorwerpen die op het grondgebied van de Gemeenschap worden ingevoerd en die voor het eerst in de handel zouden worden gebracht, worden uitdrukkelijk uitgesloten. Deze antieke voorwerpen vallen derhalve eventueel onder de bestaande nationale regelgeving. Daarbij dient te worden benadrukt dat bij het ontbreken van communautaire harmonisatie de voorschriften van het EG-Verdrag van toepassing zijn, met name de artikelen 30 t/m 36 van het Verdrag inzake het beginsel van het vrije verkeer van goederen, zoals deze door het Hof van Justitie in de desbetreffende jurisprudentie ((Het arrest-Robertson van 22 juni 1982 in zaak nr. 220/81 en het arrest-Houtwipper van 15 september 1994 in zaak nr. C-293/93. )) nader zijn uitgelegd. 8. Ja; aangezien de voorgestelde richtlijn volledig van toepassing zal zijn, is het de bedoeling dat de nationale voorschriften door de bepalingen van de richtlijn worden vervangen. Het nationaal recht kan derhalve geen stempel van een derde partij verplicht stellen als deze verplichting niet in de richtlijn is opgenomen. 9. Het geachte Parlementslid doelt in zijn vraag waarschijnlijk op artikel 1, lid 3, punt c, en niet op punt a. Artikel 1, lid 3, punt a, heeft namelijk betrekking op werken voor gebitsprotheses en medisch gebruik, als bedoeld in Richtlijn 93/42/EEG van de Raad betreffende medische hulpmiddelen ((PB L 169 van 12.7.1993. )). Deze voorwerpen vallen dan ook onder Richtlijn 93/42/EEG en niet onder een nationale regelgeving.