ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

25 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Douanewetboek van de Unie – Invoer- en uitvoerprocedures – Invoer van een goed uit Canada – Methode voor de vaststelling van de douanewaarde – Prijs die bij de uitvoer van het goed is aangegeven en door de Canadese autoriteiten in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking is meegedeeld – Begrip ‚in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens’ – Redelijke middelen – Artikel 74, lid 3, van verordening (EU) nr. 952/2013 – Fall‑backmethode – Artikel 144 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447”

In zaak T‑296/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) bij beslissing van 15 april 2025, ingekomen bij het Hof op 16 april 2025, in de procedure

Direktor na TD Mitnitsa Burgas

tegen

Lidikar OOD,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: M. Sampol Pucurull, president, T. Pynnä, J. Laitenberger (rapporteur), M. Stancu en W. Valasidis, rechters,

advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,

griffier: V. Di Bucci,

gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 13 mei 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder c), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Direktor na TD Mitnitsa Burgas, vertegenwoordigd door L. Dimitrov, R. Dimitrova Todorova en P. Kalchev als gemachtigden,

Lidikar, vertegenwoordigd door R. Vasileva, advokat,

de Bulgaarse regering, vertenwoordigd door T. Mitova en R. Stoyanov als gemachtigden,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, A. Edelmannová en J. Vláčil als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Drambozova en F. Moro als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 74, lid 3, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „douanewetboek van de Unie”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Lidikar OOD, een handelsvennootschap naar Bulgaars recht, en de Direktor na TD Mitnitsa Burgas (directeur van de regionale directie van de douanedienst Burgas, Bulgarije) over het besluit waarbij de Bulgaarse douanedienst de douanewaarde van een door Lidikar uit Canada ingevoerd voertuig heeft vastgesteld op basis van de bij de uitvoer aangegeven prijs, zoals die door de Canadese douaneautoriteiten aan de Bulgaarse douanedienst werd meegedeeld in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

GATT 1994

3

Artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (hierna: „GATT 1994”) luidt als volgt:

„1. De verdragsluitende partijen erkennen de deugdelijkheid van de algemene beginselen ter bepaling der belastbare in‑ en uitvoerwaarde, neergelegd in de volgende leden van dit artikel, en zij verbinden zich deze beginselen toe te passen ten aanzien van alle producten welke bij in‑ of uitvoer zijn onderworpen aan douanerechten of andere heffingen of beperkingen welke op enige wijze zijn gebaseerd op of afhankelijk zijn van de waarde. Bovendien stellen zij op verzoek van een andere verdragsluitende partij in het licht van genoemde beginselen een onderzoek in naar de werking van hun wetten en regelingen ter zake van de bepaling van de belastbare in‑ en uitvoerwaarde. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen aan verdragsluitende partijen verzoeken verslag uit te brengen omtrent de door hen ingevolge de bepalingen van dit artikel genomen maatregelen.

2.

(a)

De belastbare invoerwaarde van goederen dient te zijn gebaseerd op de werkelijke waarde van het goed waarvan het recht wordt geheven, of op de werkelijke waarde van een overeenkomstig goed, en mag niet zijn gebaseerd op de waarde van goederen van binnenlandse oorsprong of op willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.

(b)

Onder de ‚werkelijke waarde’ dient te worden verstaan de prijs waartegen, op een door de wetgeving van het importerende land te bepalen tijd en plaats, de geïmporteerde goederen of overeenkomstige goederen bij normale handelstransacties en bij volledige vrije mededinging worden verkocht of ten verkoop aangeboden. Voor zover de prijs van deze of overeenkomstige goederen afhangt van de verhandelde hoeveelheid bij een bepaalde transactie, dient de in aanmerking komende prijs steeds te worden berekend naar (i) vergelijkbare hoeveelheden of (ii) hoeveelheden welke voor de importeurs ten minste even gunstig zijn als die waarin het merendeel der goederen in het handelsverkeer tussen de invoerende en uitvoerende landen wordt verkocht.

(c)

Wanneer de werkelijke waarde niet overeenkomstig het bepaalde [onder b)] van dit lid kan worden vastgesteld, dient de belastbare in‑ of uitvoerwaarde te worden gebaseerd op het ten naaste bij als gelijkwaardig vast te stellen bedrag.

[…]”

Overeenkomst inzake de douanewaarde

4

Artikel 7 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 (PB 1994, L 336, blz. 119; hierna: „Overeenkomst inzake de douanewaarde”) luidt als volgt:

„1.   Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 kan worden vastgesteld, wordt deze waarde vastgesteld met redelijke middelen die verenigbaar zijn met de beginselen en algemene bepalingen van de onderhavige overeenkomst en van artikel VII van GATT 1994 en op basis van de in het land van invoer beschikbare gegevens.

2.   De uit hoofde van dit artikel vastgestelde douanewaarde is niet gebaseerd op:

[…]

b)

een systeem dat voorziet in de aanvaarding voor douanedoeleinden van de hoogste van twee alternatieve waarden;

[…]

e)

de prijs van de voor uitvoer naar een ander land dan het land van invoer bestemde goederen;

[…]

g)

willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.

[…]”

Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada

5

Artikel 1 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Canada betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand in douanezaken (PB 1998, L 7, blz. 38; hierna: „Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada”) bepaalt het volgende:

„Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

[…]

4.

‚informatie’: gegevens, documenten, rapporten, voor echt gewaarmerkte kopieën daarvan of andere berichten, met inbegrip van gegevens die met het oog op het verkrijgen van aanwijzingen in verband met overtredingen van de douanewetgeving zijn verwerkt of geanalyseerd;

[…]”

6

Artikel 7 van de Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada bepaalt:

„1.   De douaneautoriteiten verlenen elkaar bijstand, hetzij op verzoek, hetzij uit eigen beweging, door passende informatie te verstrekken die bijdraagt tot de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en bestrijding van overtredingen van de douanewetgeving.

[…]”

7

In artikel 11, lid 1, van de Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada is het volgende bepaald:

„De aangezochte autoriteit verstrekt de verzoekende autoriteit de nodige informatie in de vorm van documenten, voor echt gewaarmerkte afschriften van documenten, rapporten of elektronische versies hiervan. Alle relevante gegevens om deze informatie te interpreteren of te gebruiken worden terzelfder tijd verstrekt.”

8

Artikel 16, lid 3, van de Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada bepaalt:

„Lid 2 vormt geen beletsel voor het gebruik van informatie in gerechtelijke of administratieve procedures die achteraf worden ingesteld wegens niet-naleving van de douanewetgeving. […]”

CETA EU‑Canada

9

Artikel 6.1 van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (PB 2017, L 11, blz. 23; hierna: „CETA EU‑Canada”), met als opschrift „Doelstellingen en beginselen”, bepaalt het volgende:

„[…]

2.   De partijen werken zoveel mogelijk samen en wisselen zoveel mogelijk informatie uit, waaronder informatie over beste praktijken, om eraan bij te dragen dat de handelsbevorderende maatregelen in het kader van deze overeenkomst worden toegepast en nageleefd.

[…]”

10

Artikel 6.13 van de CETA EU‑Canada, met als opschrift „Samenwerking”, bepaalt:

„[…]

3.   De partijen werken samen in overeenstemming met de [Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada], gedaan te Ottawa op 4 december 1997 […].

4.   De partijen verlenen elkaar wederzijdse bijstand in douanezaken in overeenstemming met de Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada, waaronder aangelegenheden in verband met een vermeende overtreding van de douanewetgeving van een partij, zoals omschreven in die overeenkomst, en met de uitvoering van deze overeenkomst.”

Unierecht

Douanewetboek van de Unie

11

Artikel 70 van het douanewetboek van de Unie bepaalt het volgende:

„1.   De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast.

2.   De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht.

[…]”

12

Artikel 74 van het douanewetboek van de Unie bepaalt:

„1.   Indien de douanewaarde van de goederen niet met toepassing van artikel 70 kan worden vastgesteld, dient achtereenvolgens te worden nagegaan welk van de punten a) tot en met d) van lid 2 van toepassing is en dient de douanewaarde van de goederen te worden vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt.

De volgorde waarin de punten c) en d) van lid 2 worden toegepast, dient te worden omgekeerd indien de aangever daarom verzoekt.

2.   De douanewaarde overeenkomstig lid 1 is:

a)

de transactiewaarde van identieke goederen die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd als de te waarderen goederen;

b)

de transactiewaarde van soortgelijke goederen die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd als de te waarderen goederen;

c)

de waarde gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in het douanegebied van de Unie in de grootste samengevoegde hoeveelheid zijn verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de verkopers; of

d)

de berekende waarde, bestaande uit de som van:

i)

de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging of van andere, bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen verrichte be‑ of verwerkingen;

ii)

een bedrag voor winst en bedrijfskosten dat gelijk is aan het bedrag dat gewoonlijk in aanmerking wordt genomen wanneer producenten in het land van uitvoer goederen van dezelfde aard of dezelfde soort als die waarvan de waarde dient te worden bepaald, voor uitvoer naar de Unie verkopen;

iii)

de kosten of waarde van de in artikel 71, lid 1, onder e), genoemde elementen.

3.   Indien de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, wordt zij aan de hand van in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van al het volgende:

a)

de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel;

b)

artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel;

c)

dit hoofdstuk.”

Uitvoeringsverordening 2015/2447

13

Artikel 140 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van […] het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 558), met als opschrift „Niet-aanvaarding van de aangegeven transactiewaarden”, luidt:

„1.   Wanneer de douaneautoriteiten gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag zoals bedoeld in artikel 70, lid 1, van het [douanewetboek van de Unie], kunnen zij de aangever om aanvullende informatie vragen.

2.   Wanneer hun twijfels niet worden weggenomen, kunnen de douaneautoriteiten besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 70, lid 1, van [dat] wetboek.

14

Artikel 144 van uitvoeringsverordening 2015/2447, met als opschrift „Fall‑backmethode”, bepaalt het volgende:

„1.   Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 74, lid 3, van het wetboek kan bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, van het [douanewetboek van de Unie] vastgestelde methoden een redelijke soepelheid worden betracht. De aldus vastgestelde douanewaarde dient zoveel mogelijk op eerder vastgestelde douanewaarden te worden gebaseerd.

2.   Wanneer de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, worden andere passende methoden gebruikt. In dit geval wordt de douanewaarde niet vastgesteld op basis van een van de volgende zaken:

[…]

b)

een stelsel waarbij de hoogste van de twee in aanmerking komende waarden voor de douanewaarde wordt gebruikt;

[…]

e)

prijzen voor uitvoer naar een derde land;

[…]

g)

willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15

Op 18 januari 2021 heeft Lidikar, als indirecte vertegenwoordiger van een importeur, bij het douanekantoor van de haven van Burgas (Bulgarije) een douaneaangifte ingediend voor het in het vrije verkeer brengen van een bij een verkeersongeval betrokken motorvoertuig. In die aangifte is de douanewaarde van het ingevoerde voertuig overeenkomstig artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie vastgesteld op basis van de transactiewaarde ervan, dat wil zeggen tegen een prijs van 3310 Canadese dollar (CAD) (ongeveer 2100 EUR).

16

De Bulgaarse douaneautoriteiten hebben de betrokken douaneaangifte achteraf gecontroleerd op basis van de informatie die de Canadese douanedienst heeft verstrekt in het kader van de Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada met betrekking tot voertuigen die waren aangegeven voor uitvoer uit Canada naar de Europese Unie. Meer in het bijzonder heeft de Canadese douanedienst de Bulgaarse douaneautoriteiten per e‑mail van 16 december 2022 een bestand verstrekt met een gedetailleerde lijst van voertuigen, waaronder het betrokken voertuig, met vermelding van de bij uitvoer uit Canada aangegeven waarde. Na analyse van de verstrekte gegevens hebben de Bulgaarse douaneautoriteiten vastgesteld dat de prijs van 3310 CAD van het in Bulgarije aangegeven goed niet overeenstemde met de prijs van 15889 CAD (ongeveer 10100 EUR) die de Canadese douanedienst voor het betrokken voertuig had meegedeeld en die in de betreffende uitvoeraangifte was vermeld.

17

In die omstandigheden hebben de Bulgaarse douaneautoriteiten Lidikar verzocht om bewijzen ter bevestiging van de bij de inklaring aangegeven prijs. Lidikar heeft een factuur van 18 november 2020, een paklijst, een cognossement en een factuur van 13 januari 2021 overgelegd. Niettegenstaande deze documenten waren de Bulgaarse douaneautoriteiten van mening dat er gegronde twijfels bestonden over de douanewaarde van het betrokken goed, die overeenkomstig artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie was vastgesteld. Lidikar heeft schriftelijk verklaard dat zij noch het handelsdossier met betrekking tot de betrokken transactie, noch de offerte, noch de prijslijsten, noch de betaaldocumenten, noch andere aan de transactie voorafgaande correspondentie had bewaard.

18

Na controle van de bij de douaneaangifte gevoegde documenten waren de Bulgaarse douaneautoriteiten van mening dat niet was bewezen dat de overeenkomstig de factuur van 18 november 2020 aangegeven prijs juist was. Voorts hebben zij vastgesteld dat uit het verstrekte rekeningafschrift niet duidelijk bleek dat de betaling van de prijs definitief was. Zij waren dan ook van mening dat, gezien de legitieme twijfel en het ontbreken van bewijzen betreffende de aangegeven prijs, de overeenkomstig artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie aangegeven douanewaarde, die op basis van de factuur van 18 november 2020 was vastgesteld, moest worden afgewezen.

19

Bovendien hebben de Bulgaarse douaneautoriteiten vastgesteld dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 74, lid 2, onder a) tot en met d), van het douanewetboek van de Unie bedoelde bijkomende methoden voor de waardering van het betrokken goed, aangezien het ging om een bij een ongeval betrokken voertuig waarvan de specifieke technische staat moeilijk te vergelijken was met de staat van andere voertuigen van hetzelfde merk en model die in Bulgarije waren ingevoerd. De Bulgaarse douaneautoriteiten hebben de douanewaarde echter overeenkomstig artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie vastgesteld aan de hand van elektronische versies van de documenten die de Canadese douaneautoriteiten op grond van de Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada hadden verstrekt.

20

De Bulgaarse douanedienst heeft derhalve de douanewaarde van het betreffende voertuig vastgesteld op 19830,43 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 9500 EUR) en het totale bedrag van de verschuldigde invoerrechten en belasting over de toegevoegde waarde (btw) op 5023 BGN (ongeveer 2150 EUR).

21

De Administrativen sad Burgas (bestuursrechter in eerste aanleg Burgas, Bulgarije) heeft het besluit van de Bulgaarse douanedienst getoetst en wegens onrechtmatigheid nietig verklaard. Deze rechter was van oordeel dat de Bulgaarse douaneautoriteiten in casu de op hen rustende verplichting om het bestaan van „gegronde twijfels” in de zin van artikel 140 van uitvoeringsverordening 2015/2447 te rechtvaardigen, niet waren nagekomen en dat het antwoord van de Canadese douaneautoriteiten geen officieel bewijsstuk vormde dat voor de rechter bindend was.

22

De Direktor na TD Mitnitsa Burgas (directeur van de regionale directie van de douanedienst Burgas, Bulgarije) heeft tegen het vonnis van de Administrativen sad Burgas cassatieberoep ingesteld bij de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije), de verwijzende rechter. Daarbij heeft hij aangevoerd dat de vaststellingen van de Administrativen sad Burgas onjuist waren en dat de methode van redelijke middelen op grond van artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie van toepassing was. Hij heeft gesteld dat het antwoord van de Canadese douaneautoriteiten een officieel document was met betrekking tot de in het kader van de internationale samenwerking tussen Canada en de Unie verrichte controle en dat bij de vaststelling van de douanewaarde in casu rekening was gehouden met de prijs die was vermeld in de elektronische versies van de door de Canadese douaneautoriteiten verstrekte documenten.

23

In die omstandigheden heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende twee vragen:

„1)

Kan artikel 74, lid 3, van [het douanewetboek van de Unie] aldus worden uitgelegd dat de bij de uitvoer van een goed uit een derde land aangegeven waarde van dat goed kan worden geacht [deel uit te maken van de] ‚in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens’?

2)

Kan artikel 74, lid 3, van [het douanewetboek van de Unie] aldus worden uitgelegd dat de vaststelling van de douanewaarde van een goed aan de hand van de bij de uitvoer van dat goed uit een derde land aangegeven waarde een redelijk middel kan zijn voor de vaststelling van de douanewaarde als bedoeld in artikel 74, lid 3, van [dat wetboek]?

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

24

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat de voor uitvoer van een goed naar het douanegebied van de Unie aangegeven prijs, zoals deze door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking aan de douaneautoriteiten van een lidstaat werd meegedeeld, voor de vaststelling van de douanewaarde van dat goed kan worden aangemerkt als een in het douanegebied van de Unie beschikbaar gegeven in de zin van die bepaling.

25

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de fall‑backmethode van artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie een laatste redmiddel vormt om de douanewaarde van het betrokken goed toch te kunnen vaststellen wanneer degene die het goed bij de douane aangeeft onvoldoende nauwkeurige of betrouwbare informatie verstrekt om deze waarde aan de hand van de hoofdmethode van artikel 70, lid 1, van dat wetboek of van de in artikel 74, lid 2, van dat wetboek bedoelde bijkomende methoden, te bepalen (zie in die zin arresten van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 54, en 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 75).

26

Gezien de doelstelling van artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie en de bewoordingen ervan, moet het begrip „in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens” dus ruim worden uitgelegd, als een verwijzing naar de feitelijke beschikbaarheid van gegevens, in die zin dat de douaneautoriteiten van de Unie daarvan gebruik kunnen maken om de douanewaarde van een goed te bepalen.

27

Hieruit volgt ten eerste dat het begrip „in het douanegebied van de Unie beschikbare gegeven” niet kan worden beperkt tot in de Unie verzamelde gegevens. Het feit dat de gegevens afkomstig zijn uit een derde land sluit dus niet uit dat zij „in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens” kunnen vormen.

28

Dit geldt met name wanneer het gaat om gegevens over de bij de uitvoer aangegeven prijs van een goed die door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer zijn verstrekt op grond van een tussen de Unie en dat derde land gesloten internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking zoals de Overeenkomst douanesamenwerking EU‑Canada en de CETA EU‑Canada, die voorzien in wederzijdse bijstand in douanezaken.

29

Hieruit volgt ten tweede dat de kwalificatie als „in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens”, anders dan Lidikar in haar opmerkingen betreffende het verzoek om een prejudiciële beslissing beweert, niet kan afhangen van de mogelijkheid voor aangevers om de databank van het derde land waaruit de aan de douaneautoriteiten van de Unie verstrekte gegevens afkomstig zijn te raadplegen, noch van het bestaan van een verzoek van die autoriteiten waarmee specifiek om verstrekking van die gegevens wordt verzocht, terwijl deze gegevens hun ter beschikking zijn gesteld.

30

In die omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat de voor uitvoer van een goed naar het douanegebied van de Unie aangegeven prijs, zoals deze door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking aan de douaneautoriteiten van een lidstaat werd meegedeeld, voor de vaststelling van de douanewaarde van dat goed kan worden aangemerkt als een in het douanegebied van de Unie beschikbaar gegeven in de zin van die bepaling.

Tweede vraag

31

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het gebruik van de bij uitvoer van een goed naar het douanegebied van de Unie aangegeven prijs, zoals deze door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking aan de douaneautoriteiten van een lidstaat werd meegedeeld, een redelijk middel in de zin van deze bepaling kan zijn om de douanewaarde van dat goed vast te stellen.

32

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie moet worden gelezen in samenhang met artikel 144, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/2447, dat bepaalt dat voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 74, lid 3, van dat wetboek de bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, ervan vastgestelde methoden een „redelijke soepelheid” kan worden betracht (zie in die zin arrest van 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 104). Derhalve moet worden erkend dat de autoriteiten over een beoordelingsmarge beschikken bij de toepassing van de fall‑backmethode, die moet worden toegepast met inachtneming van in artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie opgesomde beginselen en bepalingen. Artikel 74, lid 3, van dat wetboek bepaalt immers dat de douanewaarde wordt vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met, ten eerste, de Overeenkomst inzake de douanewaarde, ten tweede, artikel VII van de GATT 1994 en, ten derde, hoofdstuk 3 van titel II van dat wetboek, betreffende de douanewaarde van goederen.

33

In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 7, lid 2, onder e), van de Overeenkomst inzake de douanewaarde verbiedt dat de douanewaarde wordt vastgesteld op basis van de voor uitvoer naar een ander land dan het land van invoer bestemde goederen. Deze bepaling is in het Unierecht overgenomen in artikel 144, lid 2, onder e), van uitvoeringsverordening 2015/2447, waarin is bepaald dat „de douanewaarde niet [wordt] vastgesteld op basis van […] prijzen voor uitvoer naar een derde land”. Anders dan Lidikar in haar opmerkingen betreffende het verzoek om een prejudiciële beslissing betoogt, sluit noch de Overeenkomst inzake de douanewaarde, noch het Unierecht uit dat de douaneautoriteiten van een lidstaat van de Unie de douanewaarde van een goed volgens de fall-backmethode vaststellen op basis van de in een derde land voor uitvoer van dat goed naar het douanegebied van de Unie aangegeven prijs.

34

Hieruit volgt dat het gebruik van de in een derde land voor uitvoer van een goed naar de Unie aangegeven prijs een redelijk middel kan zijn om de douanewaarde van dat goed vast te stellen krachtens artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie.

35

In dit verband moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat het Hof in de context van artikel 31, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), dat voorafging aan artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, heeft geoordeeld dat het gebruik van de prijs die voor hetzelfde goed is vastgesteld bij een verkoop voorafgaand aan die waarvoor de douaneaangifte is gedaan, een redelijk middel kan zijn in de zin van deze bepaling (zie in die zin arrest van 28 februari 2008, Carboni e derivati, C‑263/06, EU:C:2008:128, punt 61). Hieruit volgt dat de rechtspraak van het Hof niet principieel uitsluit dat wordt gebruikgemaakt van een eerder vaststelde prijs voor een goed om de douanewaarde van dat goed vast te stellen aan de hand van de fall-backmethode.

36

Bovendien is het gebruik van een in een derde land aangegeven prijs voor de uitvoer van een goed waarvan de douanewaarde op grond artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie wordt vastgesteld, in een zaak als in het hoofdgeding, niet in strijd met het verbod van artikel 7, lid 2, onder b), van de Overeenkomst inzake de douanewaarde. Hoewel deze bepaling, die in het Unierecht is overgenomen in artikel 144, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening 2015/2447, verbiedt dat de douanewaarde wordt vastgesteld op basis van een „systeem dat voorziet in de aanvaarding voor douanedoeleinden van de hoogste van twee alternatieve waarden”, staat zij er namelijk niet aan in de weg dat de bij de uitvoer van een goed aangegeven prijs wordt gebruikt, indien dit de enige waarde is waarover de douaneautoriteiten beschikken, met name gelet op het feit dat er legitieme twijfels bestonden over de juistheid van de oorspronkelijk op grond van artikel 70 van het douanewetboek van de Unie aangegeven waarde.

37

Ten slotte moet tevens worden opgemerkt dat het gebruik van de bij de uitvoer aangegeven prijs, die is meegedeeld in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking, evenmin in strijd is met het in artikel 7, lid 2, onder g), van de Overeenkomst inzake de douanewaarde en artikel 144, lid 2, onder g), van uitvoeringsverordening 2015/2447 bedoelde verbod om de douanewaarde vast te stellen op basis van willekeurig vastgestelde of fictieve waarden, aangezien die prijs in beginsel overeenkomt met de werkelijke waarde van een goed, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.

38

Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het gebruik van de bij uitvoer van een goed naar het douanegebied van de Unie aangegeven prijs, zoals deze door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking aan de douaneautoriteiten van een lidstaat werd meegedeeld, een redelijk middel in de zin van deze bepaling kan zijn om de douanewaarde van dat goed vast te stellen.

Kosten

39

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 74, lid 3, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

moet aldus worden uitgelegd dat

de voor uitvoer van een goed naar het douanegebied van de Europese Unie aangegeven prijs, zoals deze door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking aan de douaneautoriteiten van een lidstaat werd meegedeeld, voor de vaststelling van de douanewaarde van dat goed kan worden aangemerkt als een in het douanegebied van de Unie beschikbaar gegeven in de zin van die bepaling.

 

2)

Artikel 74, lid 3, van verordening nr. 952/2013

moet aldus worden uitgelegd dat

het gebruik van de bij uitvoer van een goed naar het douanegebied van de Unie aangegeven prijs, zoals deze door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer in het kader van een internationale overeenkomst inzake douanesamenwerking aan de douaneautoriteiten van een lidstaat werd meegedeeld, een redelijk middel in de zin van deze bepaling kan zijn om de douanewaarde van dat goed vast te stellen.

 

Sampol Pucurull

Pynnä

Laitenberger

Stancu

Valasidis

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 maart 2026.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.