Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

9 juli 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Artikel 107, lid 1, VWEU – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Vrijstelling voor diensten tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen – Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing – Begrip ‚steunmaatregel’ – Voordeel – Selectiviteit – Beperking van de werking in de tijd van het arrest ”

In zaak C‑360/25 [Schoger II] (i),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) bij beslissing van 30 mei 2025, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure

***X***

tegen

Finanzamt für Großbetriebe,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni (rapporteur) en M. Bošnjak, rechters,

advocaat-generaal: A. Biondi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        ***X***, vertegenwoordigd door P. Goeth, Rechtsanwalt,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door F. Koppensteiner als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Farley en L. Wildpanner als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 107 VWEU.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ***X***, een Oostenrijkse vennootschap, en het Finanzamt für Großbetriebe (belastingdienst voor grote ondernemingen, Oostenrijk; hierna: „belastingdienst”) over de aanslagen die ***X*** met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor de periode van 2013 tot en met 2017 (hierna: „litigieus belastingtijdvak”) heeft ontvangen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 107, lid 1, VWEU bepaalt:

„Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.”

4        Overweging 5 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”), luidt:

„Een btw-stelsel verkrijgt de grootste mate van eenvoud en neutraliteit wanneer de belasting zo algemeen mogelijk wordt geheven en het toepassingsgebied ervan alle fasen van de productie en de distributie, zomede het verrichten van diensten omvat. Het is derhalve in het belang van de interne markt en van de lidstaten een gemeenschappelijk stelsel te aanvaarden dat tevens op de kleinhandelsfase wordt toegepast.”

5        Artikel 131 van deze richtlijn, waarbij titel IX („Vrijstellingen”) is ingevoegd, bepaalt:

„De in de hoofdstukken 2 tot en met 9 geregelde vrijstellingen zijn van toepassing onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.”

6        Artikel 135, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:

„1)      De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)      handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen;

b)      de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend;

c)      de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend;

d)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen;

e)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die verzamelobject zijn, namelijk gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten, die normaal niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben;

f)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen en van de in artikel 15, lid 2, bedoelde rechten of effecten;

g)      het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals omschreven door de lidstaten;

[...]”

7        Artikel 168 van de btw-richtlijn, dat de omvang van het recht op aftrek preciseert, bepaalt dat, „[v]oor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, [...] deze gerechtigd [is] in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de [...] bedragen [van de btw die verschuldigd of voldaan is voor de gebruikte goederen of diensten] af te trekken”.

 Oostenrijks recht

8        Het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) van 23 augustus 1994 (BGBl. 663/1994), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „UStG”), strekt tot omzetting van de btw-richtlijn in Oostenrijks recht.

9        § 6, lid 1, punt 28, UStG luidt als volgt:

„De volgende van de in § 1, lid 1, punten 1 en 2, genoemde handelingen zijn vrijgesteld [van btw]:

[...]

28.      diverse diensten die ten behoeve van hun leden worden verricht door groeperingen van ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, voor zover die diensten rechtstreeks worden gebruikt ter verrichting van de genoemde vrijgestelde handelingen en voor zover deze groeperingen van hun leden slechts de precieze terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke kosten. Dit geldt ook voor diverse diensten die onderling worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, voor zover die diensten rechtstreeks worden gebruikt ter verrichting van de genoemde vrijgestelde handelingen en voor het beschikbaar stellen van personeel van deze ondernemingen aan de in de eerste volzin genoemde groeperingen.”

10      § 6, lid 1, punten 7 en 8, UStG voorziet in andere afwijkingen van de btw-plicht, met name voor bepaalde handelingen van socialezekerheidsinstellingen en voor de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten.

11      § 12, lid 3, punt 2, UStG voorziet bovendien in een uitsluiting van het recht op aftrek van voorbelasting voor overige diensten, „voor zover de ondernemer die overige diensten gebruikt om vrijgestelde handelingen te verrichten”.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12      ***X*** is een Oostenrijkse bank, die tevens het overkoepelende orgaan is van een Oostenrijkse fiscale eenheid op het gebied van btw (btw-groep).

13      Na een controle ter plaatse, waarvan op 1 december 2021 een rapport is opgesteld, heeft de belastingdienst vastgesteld dat bepaalde grensoverschrijdende diensten van een medecontractant van ***X*** met betrekking tot geldautomaten niet onder de vrijstelling van § 6, lid 1, punt 8, onder e), UStG vielen. Bijgevolg heeft de belastingdienst op grond van een overdracht van de belastingschuld de btw-aanslagen van ***X*** voor het litigieuze belastingtijdvak gewijzigd.

14      Aangezien de belastingdienst het bezwaar had afgewezen dat ***X*** op 20 december 2021 tegen deze belastingaanslagen had ingesteld, heeft ***X*** bij verzoekschrift van 13 juli 2022 verzocht om dit bezwaar voor te leggen aan het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk), de verwijzende rechter.

15      Die rechter geeft aan dat hij op grond van zijn verplichting om btw-aanslagen waartegen bezwaar is gemaakt met volledige bevoegdheid te toetsen, verplicht is om de eventuele onrechtmatigheden ervan te onderzoeken en in dit verband de nodige feitelijke onderzoeken te verrichten, zelfs indien de betrokken belastingplichtigen die onrechtmatigheden niet hebben aangevoerd en, in voorkomend geval, ook indien zijn beoordeling tot een voor deze belastingplichtigen ongunstig resultaat zou leiden.

16      In casu heeft ***X*** de btw-vrijstelling van § 6, lid 1, punt 28, tweede volzin, UStG (hierna: „betrokken vrijstelling”) toegepast in haar aangiften die tot de litigieuze belastingaanslagen hebben geleid. De rechtmatigheid van de betrokken vrijstelling uit het oogpunt van het Unierecht doet twijfel rijzen, ook al wordt zij in het hoofdgeding niet betwist.

17      Zo merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat deze vrijstelling, die geen onderscheid maakt naargelang van de inhoud van de betrokken dienst, geen rechtsgrondslag heeft in het Unierecht, in het bijzonder in het licht van de btw-richtlijn. Hij is evenwel van oordeel dat hij niet aan die richtlijn kan voldoen, aangezien hij deze richtlijn niet rechtstreeks tegen de wil van de belastingplichtige kan toepassen of het nationale recht niet in overeenstemming met die richtlijn kan uitleggen, hetgeen contra legem zou zijn.

18      Ten tweede is de verwijzende rechter van oordeel dat de betrokken vrijstelling voldoet aan de voorwaarden om als „staatssteun” te worden aangemerkt, met name omdat zij kan worden beschouwd als een maatregel van de staat waarvoor er geen grondslag bestaat in de btw-richtlijn, impliceert dat wordt afgezien van de middelen die de staat anders zou hebben ontvangen, ten goede komt aan ***X*** en aan de afnemers van haar diensten – die rechtstreeks concurreren met andere Europese banken – en selectief is. De verwijzende rechter leidt hieruit af dat het Hof moet worden gevraagd of de betrokken vrijstelling in overeenstemming is met de bepalingen van het VWEU inzake staatssteun. Hij benadrukt tevens dat de intrekking van deze vrijstelling sinds 1 januari 2025 erop zou wijzen dat de Oostenrijkse wetgever zelf betwijfelde of die vrijstelling verenigbaar was met het Unierecht.

19      Daarop heeft het Bundesfinanzgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Vormt de btw-vrijstelling met betrekking tot diverse diensten die onderling worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, voor zover die diensten rechtstreeks worden gebruikt ter verrichting van de genoemde vrijgestelde handelingen en voor het beschikbaar stellen van personeel van deze ondernemingen aan de in de eerste volzin van § 6, lid 1, punt 28, UStG genoemde groeperingen, een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU?”

 Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

20      Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing volgt op een eerste verzoek om een prejudiciële beslissing, dat op 28 juni 2024 is ingediend en bij beschikking van 5 mei 2025, Schoger (C‑460/24, EU:C:2025:346), kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard omdat het niet voldeed aan de vereisten van artikel 94, onder a) en c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

21      In de punten 20 tot en met 22 van die beschikking heeft het Hof ten eerste geoordeeld dat de uiteenzetting van het voorwerp en de relevante feiten van het hoofdgeding te beknopt en onvolledig was om het Hof in staat te stellen zijn prejudiciële taak uit te oefenen. Ten tweede heeft het Hof in de punten 23 tot en met 27 van die beschikking geoordeeld dat de objectieve en onderling overeenstemmende gegevens aan de hand waarvan kon worden nagegaan of er een verband bestond tussen het bij de verwijzende rechter aanhangige concrete geding en de bepalingen van Unierecht waarvan om uitlegging werd verzocht, ontbraken. Het Hof heeft in het bijzonder opgemerkt dat de verwijzende rechter niet had aangegeven waarom alle elementen van de belastingaanslagen die hem in het hoofdgeding waren voorgelegd, los van eventuele betwistingen, door laatstgenoemde rechter ambtshalve hadden moeten worden getoetst aan het staatssteunrecht.

22      Naar aanleiding van het verzoek van het Hof in die zin (beschikking van 5 mei 2025, Schoger, C‑460/24, EU:C:2025:346, punt 29), heeft de verwijzende rechter in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aanvullende gegevens verstrekt ten opzichte van die welke hij had verstrekt in zijn eerste verzoek, waarnaar in punt 20 van het onderhavige arrest wordt verwezen.

23      Ten eerste geeft de verwijzende rechter thans duidelijk aan welke procedurele stappen hem ertoe hebben gebracht zich tot het Hof te wenden en legt hij uit waarom hij zich moet uitspreken over de betrokken vrijstelling.

24      Ten tweede specificeert de verwijzende rechter het voorwerp van zijn toetsing wanneer bij hem een bezwaar tot betwisting van btw-aanslagen wordt ingediend. Hij preciseert met name op basis van de nationale procedurele bepalingen en de nationale rechtspraak waarin deze bepalingen zijn uitgelegd, dat hij bevoegd is om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de belastingdienst. Zijn bevoegdheid als rechter met volledige rechtsbevoegdheid, die hem in staat stelt uitspraak te doen over alle rechtsvragen en feitelijke vragen die verband houden met het bij hem ingediende bezwaar, is niet beperkt tot de behandeling van dat bezwaar. Het staat aan hem om ambtshalve alle vragen te onderzoeken die voortvloeien uit de in het hoofdgeding betwiste belastingaanslagen, daaronder begrepen de vraag of de betrokken vrijstelling verenigbaar is met het recht inzake staatssteun, los van eventuele betwistingen dienaangaande in de context van het hoofdgeding en zelfs indien dit tot een nadelige wijziging van de rechten van de betrokkenen zou leiden.

25      Terwijl ***X*** en de Oostenrijkse regering de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betwisten en ***X*** in dit verband ook opmerkt dat een dergelijke ambtshalve toetsing belastingplichtigen ervan kan weerhouden hun rechten voor de nationale rechter te doen gelden, betwisten deze partijen de uitleg van de verwijzende rechter over de omvang van zijn bevoegdheid niet. Voorts zij eraan herinnerd dat de nationale rechter in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU het wettelijk kader onder zijn verantwoordelijkheid schetst en dat het niet aan het Hof staat om de juistheid ervan na te gaan (zie in die zin arrest van 15 mei 2003, Salzmann, C‑300/01, EU:C:2003:283, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      De verwijzende rechter zet bovendien duidelijk uiteen waarom zijn vraag betrekking heeft op de bepalingen van het VWEU inzake staatssteun en niet op de btw-richtlijn, die het UStG beoogt om te zetten in Oostenrijks recht. Hij verduidelijkt namelijk waarom de betrokken vrijstelling niet voldoet aan de in die richtlijn gestelde vereisten voor btw-vrijstellingen, waarbij hij met name steunt op de nationale rechtsleer. Hij leidt hieruit af dat een uitlegging van het UStG in overeenstemming met de btw-richtlijn contra legem en dus uitgesloten is, en voegt daar vervolgens aan toe dat hij die richtlijn niet rechtstreeks aan een particulier kan opleggen om de toepassing van de betrokken vrijstelling uit te sluiten.

27      Wat betreft het argument van ***X*** dat een ambtshalve onderzoek van de kwalificatie van de betrokken vrijstelling als „staatssteun” afbreuk zou doen aan de exclusieve bevoegdheden van de Europese Commissie op het gebied van staatssteun, moet worden opgemerkt dat deze bevoegdheden uitsluitend betrekking hebben op de beoordeling van de verenigbaarheid van een als „staatssteun” aangemerkte maatregel met de interne markt, terwijl de nationale rechterlijke instanties in een eerder stadium volledig bevoegd zijn om het begrip „staatssteun” uit te leggen en, in geval van twijfel, een verzoek om een prejudiciële beslissing bij het Hof in te dienen, zoals het verzoek dat door de verwijzende rechter is ingediend (zie in die zin arresten van 22 maart 1977, Steinike & Weinlig, 78/76, EU:C:1977:52, punt 14, en 18 juli 2007, Lucchini, C‑119/05, EU:C:2007:434, punt 50). Hieraan moet worden toegevoegd dat het optreden van de nationale rechterlijke instanties voortvloeit uit de rechtstreekse werking van het uitvoeringsverbod van artikel 108, lid 3, laatste volzin, VWEU, dat zich met name uitstrekt tot elke steunmaatregel die tot uitvoering is gebracht zonder bij de Commissie te zijn aangemeld (zie in die zin arrest van 11 juli 1996, SFEI e.a., C‑39/94, EU:C:1996:285, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Aangezien het uitsluitend de taak is van de nationale rechter de feitelijke context vast te stellen van het geding dat aanleiding heeft gegeven tot zijn vragen en het niet aan het Hof staat om zich uit te spreken over de beoordeling daarvan door deze rechter (arrest van 6 november 2014, Cartiera dell’Adda, C‑42/13, EU:C:2014:2345, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en aangezien de verwijzende rechter melding maakt van het feit dat de betrokken vrijstelling door ***X*** stelselmatig wordt toegepast, is het voorts niet van belang dat – zoals de Oostenrijkse regering betoogt zonder dit overigens te onderbouwen – in het kader van het hoofdgeding een andere vrijstelling dan de betrokken vrijstelling zou zijn toegepast, hetgeen de toepassing van de betrokken vrijstelling zou hebben verhinderd.

29      Ten slotte heeft het argument dat is aangevoerd door de Oostenrijkse regering en, terloops, door ***X***, waarmee in twijfel wordt getrokken dat de toepassing van de betrokken vrijstelling deze vennootschap een voordeel zou hebben verschaft, betrekking op de inhoudelijke beoordeling van de vraag of er sprake is van staatssteun – waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt – en niet op de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing. Wat betreft het argument dat de door de verwijzende rechter verstrekte preciseringen ontoereikend zijn om bepaalde voorwaarden voor de kwalificatie van een maatregel als „staatssteun” te kunnen beoordelen, zij eraan herinnerd dat wanneer de beschrijving van de feitelijke en juridische context onvolkomenheden bevat, waardoor het Hof niet met de gewenste nauwkeurigheid kan antwoorden op sommige van de hem voorgelegde vragen, het steeds mogelijk is om uitspraak te doen en daarbij bepaalde aspecten van de antwoorden op de gestelde vragen open te laten (zie in die zin arrest van 18 juni 1998, Corsica Ferries France, C‑266/96, EU:C:1998:306, punt 25).

30      Bijgevolg is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

31      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de betrokken vrijstelling staatssteun in de zin van deze bepaling vormt.

32      Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet de werkingssfeer van deze vrijstelling nauwkeurig worden afgebakend.

33      Deze vrijstelling is geregeld in § 6, lid 1, punt 28, tweede volzin, UStG, dat bepaalt dat van btw zijn vrijgesteld „diverse diensten die onderling worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, voor zover die diensten rechtstreeks worden gebruikt ter verrichting van de genoemde vrijgestelde handelingen en voor het beschikbaar stellen van personeel van deze ondernemingen aan de groeperingen [van ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten op dat gebied].”

34      De betrokken vrijstelling is met ingang van 1 januari 2025 ingetrokken, maar was in het litigieuze belastingtijdvak van kracht.

35      Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de ondernemingen waarop de betrokken vrijstelling van toepassing was, te weten „ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen”, in de praktijk ruim werden opgevat en ook ondernemingen zonder bankvergunning omvatten. Bovendien was het, gezien de moeilijkheid om na te gaan of de door deze ondernemingen geleverde diensten werden gebruikt „ter verrichting van [de] vrijgestelde handelingen [met betrekking tot de bank-, verzekerings- of pensioenfondsensector]”, bij de Oostenrijkse belastingautoriteiten, in ieder geval tijdens het litigieuze belastingtijdvak, gangbare praktijk om alle diensten vrij te stellen die tussen de betrokken ondernemingen werden verleend en die niet reeds op grond van een andere bepaling van de UStG waren vrijgesteld. De verwijzende rechter noemt bij wijze van voorbeeld IT-diensten, adviesdiensten of ook restaurant- of kinderopvang.

36      Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een btw-vrijstelling voor diensten die niet op een andere grond zijn vrijgesteld en die worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, staatssteun in de zin van die bepaling vormt.

37      Een nationale maatregel kan slechts worden aangemerkt als „staatssteun” indien is voldaan aan alle hiernavolgende voorwaarden. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of om een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet die maatregel de begunstigde een selectief voordeel verlenen. Ten derde moet de maatregel de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen. Ten vierde moet hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden (arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie, C‑885/19 P en C‑898/19 P, EU:C:2022:859, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Wat ten eerste de eis betreft dat de betrokken vrijstelling door de staat wordt bekostigd, moet worden opgemerkt dat deze vrijstelling niet valt onder een van de in de btw-richtlijn limitatief genoemde vrijstellingen die strikt moeten worden uitgelegd [zie in die zin arrest van 2 juli 2020, Blackrock Investment Management (UK), C‑231/19, EU:C:2020:513, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Artikel 135 van de btw-richtlijn, dat voorziet in de enige vrijstelling voor ondernemingen in de banken-, verzekeringen- en pensioenfondsensector (zie in die zin arrest van 13 maart 2014, ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 59), heeft slechts betrekking op bepaalde door deze ondernemingen verrichte handelingen, zoals handelingen ter zake van verzekering en herverzekering, de verlening van kredieten, de bemiddeling inzake kredieten en het beheer van kredieten of het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. De handelingen waarop de betrokken belastingvrijstelling betrekking heeft – zoals deze door de Oostenrijkse belastingdienst werd toegepast – behoren daar niet toe.

39      Hieruit volgt dat de betrokken vrijstelling aan de Oostenrijkse Staat kan worden toegerekend. Een door een lidstaat ingevoerde belastingvrijstelling moet namelijk alleen dan aan de Europese Unie – en niet aan die staat – worden toegerekend indien zij slechts een duidelijke en nauwkeurige verplichting uit hoofde van een richtlijn overneemt (zie in die zin arrest van 23 april 2009, Puffer, C‑460/07, EU:C:2009:254, punt 70), wat in de onderhavige zaak niet het geval is.

40      Wat betreft de voorwaarde dat de betrokken vrijstelling met staatsmiddelen is bekostigd, waaraan tevens moet zijn voldaan om als „staatssteun” te kunnen worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak), volstaat het te herinneren aan de vaste rechtspraak volgens welke het begrip „staatssteun” ruimer is dan het begrip „subsidie”, daar het niet alleen positieve prestaties omvat zoals de subsidie zelf, doch ook overheidsmaatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten, die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor – zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van dezelfde aard zijn en identieke gevolgen hebben. Daaruit volgt dat een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel er in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, een „steunmaatregel van de staat” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt (zie in die zin arrest van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., C‑78/08-C‑80/08, EU:C:2011:550, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41      Aan de gevolgen voor de staatsmiddelen wordt niet afgedaan door de vermeende hogere belastingdruk voor ***X*** die zou voortvloeien uit het feit dat de betrokken belastingvrijstelling niet gepaard gaat met een recht op aftrek van voorbelasting.

42      Het bestaan van een btw-vrijstelling als de betrokken vrijstelling sluit het recht op aftrek van eventueel betaalde voorbelasting uit overeenkomstig artikel 168 van de btw-richtlijn, dat de aftrek van de over goederen en diensten betaalde btw beperkt tot de gevallen waarin deze goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen, en § 12, lid 3, punt 2, UStG, waarbij dit artikel 168 in Oostenrijks recht is omgezet. Concreet betekent dit dat de btw die ***X*** heeft betaald over eventuele goederen of diensten die worden gebruikt om vrijgestelde diensten te verrichten, te zijnen laste blijft.

43      Het onderzoek of een maatregel met staatsmiddelen is bekostigd, wordt echter per definitie hoofdzakelijk beoordeeld op het niveau van de betrokken staat en zijn begroting, en niet op basis van de individuele situatie van de begunstigde van die maatregel. In casu moet worden nagegaan of de belastinginkomsten van de staat afnemen. Voorts wordt onder het bestaan van staatsmiddelen verstaan dat er sprake is van een voldoende concreet economisch risico op lasten voor de staatsbegroting (arrest van 8 juni 2023, Prestige and Limousine, C‑50/21, EU:C:2023:448, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Er wordt dus rekening gehouden met de mogelijkheid dat deze inkomsten dalen en niet met een daadwerkelijke daling ervan.

44      In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de Oostenrijkse wetgever in de voorbereidende werkzaamheden van de wet waarbij was voorzien in de intrekking van de betrokken vrijstelling met ingang van 1 januari 2025, zelf heeft gewezen op de extra btw-inkomsten voor de Republiek Oostenrijk als gevolg van die intrekking voor de jaren 2025 en volgende.

45      Wat ten tweede het voordeel betreft dat de toepassing van de betrokken vrijstelling zou opleveren en het selectieve karakter van dat voordeel, zij eraan herinnerd dat het criterium van het voordeel in de rechtspraak ruim wordt opgevat, in die zin dat het alle maatregelen omvat die, in welke vorm ook, ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen of die moeten worden beschouwd als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen (arrest van 8 mei 2013, Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      Voorts heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de belastingsteunregeling jaarlijks of periodiek wordt toegepast, de Commissie uitsluitend moet aantonen dat deze steunregeling de begunstigden ervan bevoordeelt, door vast te stellen dat die regeling in haar geheel en gelet op de specifieke kenmerken ervan, op het moment van de vaststelling ervan kan leiden tot een lagere belasting dan de belasting die voortvloeit uit de algemene belastingregeling. Daarbij is niet van belang dat de Commissie gelet op die kenmerken niet in staat is om vooraf voor ieder belastingjaar het precieze daarmee samenhangende belastingniveau vast te stellen. De Commissie moet enkel bij de eventuele terugvordering van de op grond van die steunregeling verleende steun vaststellen of die regeling elke individuele begunstigde daadwerkelijk voordeel heeft verschaft, aangezien voor die terugvordering het precieze bedrag moet worden vastgesteld van de steun die deze begunstigden elk belastingjaar daadwerkelijk hebben ontvangen (arrest van 4 maart 2021, Commissie/Fútbol Club Barcelona, C‑362/19 P, EU:C:2021:169, punten 87 en 88).

47      Wat een btw-vrijstelling als de betrokken vrijstelling betreft, moet worden geoordeeld dat de toepassing ervan een voordeel kan opleveren voor de ondernemingen die de onder deze vrijstelling vallende diensten verrichten, welke ondernemingen, bij gebreke van aanwijzingen in het dossier van het tegendeel, juridisch de begunstigden van die vrijstelling zijn. Deze ondernemingen worden bevoordeeld ten opzichte van ondernemingen waarop de betrokken vrijstelling niet van toepassing is, en die dus verplicht zijn om btw in rekening te brengen over de verrichting van dergelijke diensten aan ondernemingen die, zoals in casu, geen recht hebben op aftrek van de voorbelasting, aangezien veel van hun diensten op grond van de UStG en van artikel 135 van de btw-richtlijn van btw zijn vrijgesteld.

48      Gelet op de in punt 46 van het onderhavige arrest uiteengezette rechtspraak is het daarentegen in het stadium van de kwalificatie als „steun” en in het geval van een potentiële fiscale steunregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet noodzakelijk om in elk concreet geval na te gaan wat de gevolgen zijn van de onmogelijkheid tot aftrek van de voorbelasting, die gepaard gaat met de betrokken belastingvrijstelling, en dus zich ervan te vergewissen dat de uit deze belastingvrijstelling voortvloeiende vermindering van de belastingdruk niet zodanig (over)gecompenseerd wordt door de belastingdruk in verband met de btw op de goederen en diensten die worden gebruikt voor het verrichten van de belastingvrije diensten, dat dit nadelig is voor de betrokken ondernemingen. Dit geldt des te meer daar een dergelijke compensatie en de omvang ervan afhankelijk zijn van toevallige en per belastingplichtige uiteenlopende omstandigheden, in het bijzonder, in casu, van de vraag of en in welke mate er gebruik is gemaakt van goederen en diensten waarop btw van toepassing is.

49      De overwegingen in het vorige punt gelden zowel wanneer de Commissie zich moet uitspreken over het bestaan van steun, zoals het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 4 maart 2021, Commissie/Fútbol Club Barcelona (C‑362/19 P, EU:C:2021:169), als wanneer de nationale rechter moet nagaan of er sprake is van steun, zoals in casu, aangezien de door het Hof in dat arrest aangevoerde rechtvaardiging ook van toepassing is op de nationale rechter. In beide gevallen moet immers worden voorkomen dat de lidstaten die in strijd met de krachtens artikel 108, lid 3, VWEU op hen rustende verplichting steunregelingen zonder voorafgaande aanmelding uitvoeren, worden bevoordeeld ten opzichte van de lidstaten die aan deze verplichting voldoen, hetgeen het geval zou zijn indien de Commissie of de nationale rechter bij de beoordeling van het bestaan van een steunregeling aan de hand van gegevens die na de vaststelling van die regeling zijn verzameld, zou moeten nagaan of het voordeel daadwerkelijk is gerealiseerd of door nadelen is gecompenseerd (zie in die zin arrest van 4 maart 2021, Commissie/Fútbol Club Barcelona, C‑362/19 P, EU:C:2021:169, punt 93).

50      Overeenkomstig de rechtspraak en in antwoord op het argument van de Oostenrijkse regering dat de betrokken vrijstelling specifieke lasten compenseert die het gevolg zijn van de structurele nadelen die voor sommige van de betrokken ondernemingen gelden, zij er overigens aan herinnerd dat de omstandigheid dat een lidstaat door middel van eenzijdige maatregelen de mededingingsvoorwaarden in een bepaalde economische sector probeert aan te passen aan die welke in andere sectoren heersen, aan deze maatregelen niet het karakter van steun kan ontnemen (zie in die zin arrest van 3 maart 2005, Heiser, C‑172/03, EU:C:2005:130, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voor zover de Oostenrijkse regering aangeeft dat kleine banken, verzekeringen en pensioenfondsen en decentraal georganiseerde bankgroepen, verenigingen en coöperaties die geen btw-groep kunnen vormen, door deze structurele nadelen worden getroffen, volstaat het hoe dan ook op te merken dat de werkingssfeer van de betrokken vrijstelling geenszins beperkt is tot deze categorieën ondernemingen en dat in casu ***X*** juist deel uitmaakt van een btw-groep als moedermaatschappij.

51      Wat betreft de voorwaarde dat het voordeel dat de betrokken maatregel aan de begunstigden biedt, selectief van aard moet zijn, is het vaste rechtspraak dat om een belastingmaatregel als die in het hoofdgeding als „selectief” te kunnen kwalificeren, eerst moet worden vastgesteld wat het referentiestelsel is – dat wil zeggen wat het „normale” belastingstelsel in de betrokken lidstaat is – en vervolgens moet worden aangetoond dat de betreffende belastingmaatregel afwijkt van dit referentiestelsel doordat daarmee een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen marktdeelnemers die zich uit het oogpunt van de met dit referentiestelsel nagestreefde doelstelling in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden. Het begrip „staatssteun” ziet echter niet op maatregelen die differentiëren tussen ondernemingen die zich, gelet op het doel van de betrokken rechtsregeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, en bijgevolg op het eerste gezicht selectief zijn, wanneer de betrokken lidstaat in een derde fase kan aantonen dat die differentiatie gerechtvaardigd is omdat zij voortvloeit uit de aard of de opzet van het stelsel waarvan die maatregelen een onderdeel vormen (arrest van 29 april 2025, Prezydent Miasta Mielca, C‑453/23, EU:C:2025:285, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      De belanghebbenden en de verwijzende rechter zijn het erover eens dat het referentiekader in casu wordt gevormd door het algemene btw-stelsel, dat wil zeggen een geharmoniseerd referentiekader dat de fiscale autonomie van de lidstaten vermindert.

53      In casu is de afwijking van dit geharmoniseerde referentiekader gelegen in het feit dat krachtens § 6, lid 1, punt 28, tweede volzin, UStG, dat geen grondslag heeft in de btw-richtlijn, diensten die door een bepaalde categorie ondernemingen worden verricht voor dezelfde categorie ondernemingen, te weten „ondernemingen die hoofdzakelijk handelingen verrichten die verband houden met banken, verzekeringen of pensioenfondsen”, zijn vrijgesteld van btw, terwijl diezelfde diensten aan btw zijn onderworpen wanneer zij worden verricht door ondernemingen die niet tot die categorie behoren. De ondernemingen die de betrokken vrijstelling genieten, bevinden zich met betrekking tot de betrokken diensten – te weten alle diensten die niet op een andere grond zijn vrijgesteld en die worden verleend aan dat soort ondernemingen, zoals die welke in punt 35 van het onderhavige arrest bij wijze van voorbeeld worden genoemd – in dezelfde situatie als alle andere dienstverrichters die deze diensten verrichten.

54      Zoals blijkt uit de punten 35 en 38 van het onderhavige arrest, worden de begunstigden van de betrokken vrijstelling immers aldus opgevat dat zij niet alleen ondernemingen omvatten die een bankvergunning hebben en uit dien hoofde aan bijzondere regels en beperkingen zijn onderworpen, a fortiori wanneer het gaat om handelingen die niet noodzakelijkerwijs verband houden met banktransacties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn. Bovendien kan op grond van het feit dat deze begunstigden geen recht hebben op aftrek van de over de handelingen in een eerder stadium betaalde btw, evenmin een onderscheid worden gemaakt tussen hen en de andere betrokken dienstverrichters, aangezien het ontbreken van een recht op aftrek juist verband houdt met de betrokken vrijstelling. Een rechtsgevolg dat voor de begunstigde dienstverrichters enkel voortvloeit uit de toepassing van de onderzochte maatregel, toont niet aan dat zij zich in een andere situatie bevinden dan dienstverrichters die geen begunstigden van die maatregel zijn.

55      Wat betreft de rechtvaardiging van het betrokken onderscheid op grond van de aard of de opzet van het stelsel waarin de betreffende vrijstelling past, moet worden opgemerkt dat volgens overweging 5 van de btw-richtlijn „[e]en btw-stelsel [...] de grootste mate van eenvoud en neutraliteit [verkrijgt] wanneer de belasting zo algemeen mogelijk wordt geheven en het toepassingsgebied ervan alle fasen van de productie en de distributie, zomede het verrichten van diensten omvat”.

56      Hoewel het dus aan de verwijzende rechter staat om in het licht van alle relevante gegevens van het bij hem aanhangige geding na te gaan of er sprake is van een eventuele rechtvaardiging, lijken het behoud van de fiscale neutraliteit, het voorkomen van cumulatie van belastingen en de administratieve vereenvoudiging die de Oostenrijkse regering in haar opmerkingen heeft aangevoerd, het betrokken onderscheid niet te kunnen rechtvaardigen. Dergelijke rechtvaardigingsgronden worden door de btw-richtlijn immers gekoppeld aan een zo algemeen mogelijke btw-heffing en niet aan de mogelijkheid om vrijstellingen te verlenen, waarbij bovendien moet worden gepreciseerd dat, zoals in punt 38 van het onderhavige arrest is opgemerkt, geen van de in deze richtlijn limitatief opgesomde btw-vrijstellingen overeenkomt met de betrokken vrijstelling.

57      Hieruit volgt dat de betrokken vrijstelling voldoet aan de voorwaarde dat het door de betrokken maatregel aan de begunstigden ervan verleende voordeel selectief is.

58      Wat ten derde de voorwaarde betreft dat de betrokken maatregel de mededinging moet vervalsen of dreigen te vervalsen, hoeft overeenkomstig de bewoordingen van artikel 107, lid 1, VWEU niet te worden vastgesteld dat de mededinging daadwerkelijk is vervalst, maar hoeft enkel te worden onderzocht of deze maatregel de mededinging kan vervalsen (zie in die zin arrest van 14 januari 2015, Eventech, C‑518/13, EU:C:2015:9, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijke concurrentieverstoring vloeit in dit geval voort uit het voordeel dat de vrijgestelde ondernemingen genieten, evenals overigens de afnemende ondernemingen, die allemaal actief zijn in een geliberaliseerde sector. Volgens vaste rechtspraak kan een voordeel dat wordt toegekend aan een onderneming die actief is in een concurrerende sector, immers wijzen op een daadwerkelijk of potentieel effect van de betrokken maatregel op de mededinging (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, EU:C:2006:8, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu kunnen – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – de betrokken diensten bij gebreke van bijzondere regels of beperkingen voor de ondernemingen die deze verrichten, worden geacht te zijn verricht in een door concurrentie gekenmerkte omgeving.

59      Ten vierde vloeit de voorwaarde dat de betrokken maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig moet kunnen beïnvloeden, in casu voort uit het door de betrokken vrijstelling verschafte voordeel. Het is namelijk vaste rechtspraak dat wanneer financiële steun van een staat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, dit handelsverkeer moet worden geacht door die steun te worden beïnvloed (arrest van 14 januari 2015, Eventech, C‑518/13, EU:C:2015:9, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60      De omstandigheid dat de betrokken vrijstelling ook ten goede komt aan in andere lidstaten gevestigde belastingplichtigen, doet niet af aan het feit dat zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. Alle ondernemingen die diensten verrichten ten behoeve van ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen en die niet in aanmerking komen voor de betrokken vrijstelling, ongeacht of zij in Oostenrijk dan wel in andere lidstaten zijn gevestigd, zien immers minder kans om de betrokken diensten aan te bieden (zie in die zin arrest van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C‑156/98, EU:C:2000:467, punten 34 en 35).

61      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een btw-vrijstelling voor diensten die niet op een andere grond zijn vrijgesteld en die worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, staatssteun in de zin van deze bepaling vormt.

 Beperking van de werking in de tijd van dit arrest

62      De Oostenrijkse regering vraagt dat de rechtsgevolgen van dit arrest worden beperkt tot feiten die zich na de datum van het arrest hebben voorgedaan. De vaststelling dat er sprake is van staatssteun zou aanzienlijke gevolgen hebben voor de Oostenrijkse bank- en verzekeringssector, aangezien alle transacties die op grond van de betrokken vrijstelling zijn vrijgesteld, opnieuw zouden moeten worden beoordeeld, wat bovendien zou kunnen leiden tot een enorme stroom van rechtszaken voor de nationale rechters. Bovendien hebben de betrokken marktdeelnemers te goeder trouw gehandeld met inachtneming van de relevante nationale wetgeving, die al decennialang van kracht is.

63      In dit verband zij eraan herinnerd dat de uitlegging die het Hof bij de uitoefening van de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid geeft aan Unierechtelijke voorschriften, de betekenis en strekking van deze voorschriften zoals zij moeten of hadden moeten worden opgevat en toegepast sinds hun inwerkingtreding, toelicht en preciseert. Het Hof kan slechts bij wijze van uitzondering – krachtens het aan de rechtsorde van de Unie inherente algemene beginsel van rechtszekerheid – beperkingen stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende om zich te beroepen op een door het Hof uitgelegde bepaling teneinde te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen ter discussie te stellen. Een dergelijke beperking mag slechts worden gesteld indien voldaan is aan twee essentiële – cumulatieve – criteria, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar voor ernstige verstoringen [arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C‑439/19, EU:C:2021:504, punten 132 en 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

64      Het Hof heeft dus slechts in zeer specifieke omstandigheden van deze mogelijkheid gebruikgemaakt, namelijk wanneer er een gevaar bestond voor ernstige economische gevolgen, inzonderheid gezien het grote aantal op basis van de geldig geachte wettelijke regeling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen, en wanneer bleek dat particulieren en de nationale autoriteiten tot met het Unierecht strijdig gedrag waren gebracht op grond van een objectieve en aanzienlijke onzekerheid over de strekking van bepalingen of beginselen van Unierecht, aan welke onzekerheid het gedrag van andere lidstaten of van de Commissie eventueel had bijgedragen (arrest van 22 september 2016, Microsoft Mobile Sales International e.a., C‑110/15, EU:C:2016:717, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      Wat het criterium inzake het bestaan van een gevaar voor ernstige economische gevolgen betreft, zij eraan herinnerd dat het aan de lidstaat die om een beperking in de tijd van de gevolgen van een prejudicieel arrest verzoekt, staat om aan het Hof cijfergegevens over te leggen waaruit het risico van dergelijke gevolgen blijkt (arrest van 20 december 2017, Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse, C‑516/16, EU:C:2017:1011, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66      In casu beperkt de Oostenrijkse regering zich tot het noemen van belangrijke gevolgen, zonder concreet in te gaan op de omvang van de diensten tussen ondernemingen in de bank-, verzekerings- of pensioenfondsensector die de betrokken vrijstelling genieten, en dus de omvang van de mogelijke gevolgen van een verplichting tot betaling van de btw over deze diensten voor deze sector.

67      Hoe dan ook, en onverminderd de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van staatssteun, mogen definitief afgesloten belastingjaren niet worden heropend in het kader van nationale gerechtelijke procedures na het onderhavige arrest (zie in die zin arrest van 21 september 2017, C‑326/15, EU:C:2017:719, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid aan een voorschrift van Unierecht geeft, kan en moet immers worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om een prejudiciële beslissing is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht, met name die inzake de beroepstermijn (zie in die zin arrest van 22 september 2016, Microsoft Mobile Sales International e.a., C‑110/15, EU:C:2016:717, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan het criterium inzake het gevaar voor ernstige verstoringen, zodat niet hoeft te worden nagegaan of is voldaan aan het criterium van de goede trouw van de belanghebbende kringen.

69      Er is dus geen reden om de werking van het onderhavige arrest in de tijd te beperken.

 Kosten

70      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 107, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor diensten die niet op een andere grond zijn vrijgesteld en die worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, staatssteun in de zin van deze bepaling vormt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.


i      Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.