Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
11 juni 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn – Passieve corruptie – Uitsluiting van bewijsmateriaal dat onrechtmatig is vergaard – Ontlastend bewijsmateriaal – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Daadwerkelijke rechtsbescherming – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Richtlijn 2012/13/EU – Recht op informatie in strafprocedures – Artikel 7, leden 2 en 3 – Recht op toegang tot de stukken van het dossier – Artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten – Nationale regeling die niet het recht van de Unie ten uitvoer brengt – Onbevoegdheid – Artikel 267 VWEU – Noodzaak van een uitlegging van het recht van de Unie om de verwijzende rechter in staat te stellen uitspraak te doen – Geen – Niet-ontvankelijkheid ”
In zaak C‑342/25 [Stogenchev] (i),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 20 mei 2025, ingekomen bij het Hof op 20 mei 2025, in de strafprocedure tegen
DS,
KW,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni en M. Bošnjak (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. J. O. Van Nuffel, M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) alsmede artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen DS en KW wegens passieve corruptie.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Overeenkomst inzake corruptie
3 De Overeenkomst opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), VEU ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (PB 1997, C 195, blz. 2) (hierna: „Overeenkomst inzake corruptie”), die in werking is getreden op 28 september 2005, bepaalt in artikel 2 („Passieve corruptie”):
„1. Voor de toepassing van deze overeenkomst bestaat passieve corruptie in het feit dat een ambtenaar opzettelijk, onmiddellijk of middellijk voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander vraagt of aanneemt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde, in strijd met zijn ambtsplicht, een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten.
2. Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde gedragingen strafbaar worden gesteld.”
4 In artikel 5, lid 1, van deze overeenkomst is bepaald:
„Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 bedoelde gedragingen, alsmede medeplichtigheid aan en [aanzetting tot] die gedragingen, worden gestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties waaronder, tenminste in ernstige gevallen, vrijheidsstraffen die aanleiding kunnen geven tot uitlevering.”
Richtlijn 2012/13
5 De overwegingen 9, 10 en 14 van richtlijn 2012/13 luiden:
„(9) Artikel 82, lid 2, [VWEU] voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn, ter bevordering van wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie. Dat artikel verwijst naar ‚de rechten van personen in de strafvordering’ als een van de gebieden waarop minimumvoorschriften kunnen worden vastgesteld.
(10) Gemeenschappelijke minimumvoorschriften dienen te leiden tot meer vertrouwen in de strafrechtstelsels van alle lidstaten, dat op zijn beurt zou moeten leiden tot efficiëntere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften dienen ook op het gebied van informatie in strafprocedures te worden vastgelegd.
[...]
(14) Deze richtlijn [...] bevat gemeenschappelijke minimumnormen die – teneinde het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten – van toepassing zijn op het verstrekken van informatie over rechten en over de beschuldiging aan personen die worden verdacht of beschuldigd van een strafbaar feit. Deze richtlijn is geënt op de in het Handvest neergelegde rechten, in het bijzonder de artikelen 6, 47 en 48, die op hun beurt zijn gebaseerd op de artikelen 5 en 6 [van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950], zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de rechten van de mens. [...]”
6 Artikel 2, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
„Deze richtlijn geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.”
7 In artikel 7, leden 2 en 3, van die richtlijn is bepaald:
„2. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden of hun advocaten toegang wordt verleend tot ten minste alle bewijsstukken waarover de bevoegde autoriteiten beschikken en die belastend of ontlastend voor de betrokkenen zijn, teneinde een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen en de voorbereiding van de verdediging mogelijk te maken.
3. Onverminderd lid 1 wordt met het oog op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging tijdig toegang tot de in lid 2 bedoelde stukken verleend, uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging. Indien de bevoegde autoriteiten in het bezit komen van aanvullende bewijsstukken, verlenen zij daartoe tijdig toegang, zodat deze kunnen worden bestudeerd.”
Bulgaars recht
Grondwet
8 Artikel 121 van de Konstitutsia na Republika Bulgaria (grondwet van de Republiek Bulgarije) (hierna: „grondwet”) luidt:
„(1) De rechterlijke instanties waarborgen de gelijkheid en de eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor tussen de procespartijen.
(2) De procedure in de zaak waarborgt dat de waarheid wordt vastgesteld.
[...]”
9 Artikel 122 van de grondwet bepaalt:
„(1) Burgers en rechtspersonen hebben het recht om zich in alle fasen van de procedure te verdedigen.
(2) De wijze van uitoefening van de rechten van de verdediging wordt bij wet vastgesteld.”
Wetboek van strafrecht
10 In artikel 301, lid 1, van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, is bepaald:
„Een ambtenaar die dringend verzoekt om een geschenk of een voordeel van welke aard dan ook of dit aanvaardt zonder daarop recht te hebben, of die ingaat op het aanbod of de toezegging van een geschenk of een voordeel om in het kader van zijn functie een handeling te verrichten of na te laten of omdat hij een dergelijke handeling heeft verricht of nagelaten, wordt wegens corruptie gestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste zes jaar en een geldboete van ten hoogste [5 000 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 2 550 EUR)].”
11 Artikel 302 van het wetboek van strafrecht luidt:
„Passieve corruptie die is gepleegd:
1. [...] door een politieagent of een rechercheur;
2. door middel van afpersing door machtsmisbruik;
[...]
wordt gestraft met:
a) in de in artikel 301, leden 1 en 2, bedoelde gevallen, een vrijheidsstraf van drie tot tien jaar, een geldboete tot [20 000 BGN (ongeveer 10 200 EUR)] en een ontzetting van de in artikel 37, lid 1, punten 6 en 7, bedoelde rechten.
[...]”
Wetboek van strafvordering
12 In artikel 29, lid 2, van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, is bepaald:
„Rechters of juryleden die wegens andere omstandigheden kunnen worden geacht partijdig te zijn of een direct of indirect belang te hebben bij de beslechting van het geding, mogen geen deel uitmaken van de rechtsprekende formatie.”
13 Artikel 105 van dit wetboek bepaalt:
„(1) De bewijsmiddelen dienen er in het kader van de strafprocedure toe om bewijsmateriaal of andere bewijsmiddelen weer te geven.
(2) De bewijsmiddelen die niet onder de voorwaarden en volgens de voorschriften als bepaald in dit wetboek zijn verkregen of opgesteld, worden niet toegelaten.”
14 Artikel 292 van dat wetboek luidt:
„De partijen die aan de pleidooien deelnemen, kunnen zich alleen beroepen op bewijsmateriaal dat in de loop van het gerechtelijk onderzoek is verkregen en geverifieerd overeenkomstig de voorschriften van dit wetboek.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15 Aan de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter, is in het kader van een strafprocedure een tenlastelegging voorgelegd, waarin twee politieambtenaren, DS en KW, worden beschuldigd van afpersing door machtsmisbruik, hetgeen een strafbaar feit van passieve corruptie vormt.
16 Deze rechter is van oordeel dat de rechterlijke toestemming voor de speciale inlichtingentechnieken die in het kader van het onderzoek naar DS en KW zijn gebruikt, alsook de tijdens dat onderzoek verrichte doorzoekingen en inbeslagnemingen, procedurele onregelmatigheden vertonen, aangezien die toestemming niet is gemotiveerd en de doorzoekingen en inbeslagnemingen zonder voorafgaande rechterlijke toestemming zijn uitgevoerd.
17 Krachtens artikel 105, lid 2, van het wetboek van strafvordering zijn op onregelmatige wijze verkregen bewijsmiddelen van het dossier uitgesloten. Hieruit volgt dat overeenkomstig artikel 292 van dat wetboek zelfs de verdediging niet op deze bewijsmiddelen kan worden gebaseerd om de beklaagden van de hun ten laste gelegde feiten te ontlasten. Alleen bewijsmiddelen die met inachtneming van de procedureregels zijn verzameld, te weten hoofdzakelijk een belastende getuigenverklaring, mogen in aanmerking worden genomen.
18 De verwijzende rechter zet evenwel uiteen dat de vastgestelde procedurele onregelmatigheden geen invloed hebben op de geloofwaardigheid van het bewijsmateriaal in kwestie, dat volledig ontlastend is voor de beklaagden in het hoofdgeding.
19 Volgens deze rechter is artikel 105, lid 2, van het wetboek van strafvordering mogelijk in strijd met de Bulgaarse grondwet omdat deze bepaling niet bijdraagt tot de vaststelling van de waarheid en zij die beklaagden belemmert in de effectieve uitoefening van hun rechten van de verdediging. Hij heeft daarom, op 27 mei 2024, de Konstitutsionen sad (grondwettelijk hof, Bulgarije) verzocht om artikel 105, lid 2, van het wetboek van strafvordering onverenigbaar te verklaren met de Bulgaarse grondwet.
20 Op 27 juni 2024 heeft de Konstitutsionen sad dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de verwijzende rechter is de in dit verband gebruikte motivering gebaseerd op de premisse dat de in artikel 105, lid 2, van het wetboek van strafvordering voorziene systematische uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs noodzakelijkerwijs in het voordeel van de beklaagden is.
21 De verwijzende rechter heeft een terechtzitting gehouden waarin hij de beklaagden in het hoofdgeding en hun advocaten in kennis heeft gesteld van de procedurele onregelmatigheden die zijn begaan in het kader van de betrokken bewijsgaring, waarna het onderzoek is afgesloten. Tijdens de pleidooien hebben die advocaten verzocht om vrijspraak van de beklaagden, en in hun betoog het ontlastende bewijsmateriaal dat onregelmatigheden vertoonde, centraal gesteld.
22 Volgens de verwijzende rechter is dit betoog gegrond en is het betrokken bewijsmateriaal, dat hij naar eigen zeggen nog niet heeft uitgesloten, essentieel om dat betoog te onderbouwen. In het licht van deze vaststelling heeft deze rechter de Konstitutsionen sad op 27 februari 2025 opnieuw verzocht om artikel 105, lid 2, van het wetboek van strafvordering ongrondwettig te verklaren. Dat verzoek is bij beschikking van 8 mei 2025 afgewezen.
23 De verwijzende rechter twijfelt of de door de Konstitutsionen sad gegeven uitlegging van artikel 122, lid 1, van de Bulgaarse grondwet verenigbaar is met het Unierecht. Deze uitlegging leidt er volgens hem namelijk toe dat artikel 105, lid 2, van het wetboek van strafvordering in de praktijk uitsluitend tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan de juridische belangen van de beklaagden, doordat hun de mogelijkheid wordt ontnomen zich te verdedigen door aanvoering van het ontlastende bewijsmateriaal.
24 In dit verband mogen de procedureregels, gelet op artikel 5 van de Overeenkomst inzake corruptie, volgens die rechter niet in de weg staan aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties en aan de uitoefening van het grondrecht om zich te verdedigen tegen strafrechtelijke beschuldigingen.
25 Bovendien volgt uit het arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a. (C‑310/16, EU:C:2019:30, punt 33), dat strafprocedures die zijn ingeleid wegens strafbare feiten ter zake van de btw het recht van de Unie ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. Hetzelfde moet gelden voor de strafbare feiten waarop de Overeenkomst inzake corruptie betrekking heeft.
26 In die omstandigheden moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, om in overeenstemming te zijn met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest, de beklaagden de waarborg bieden dat het recht op effectieve rechterlijke bescherming, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd. In dit verband kan alleen de noodzaak om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen door de verdediging daadwerkelijk in staat te stellen de relevantie van het bewijsmateriaal te begrijpen, rechtvaardigen dat onrechtmatig bewijsmateriaal wordt uitgesloten.
27 Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13, dat verdachten en beklaagden het recht verleent om toegang te krijgen tot de stukken van het dossier, het recht inhoudt om informatie te verkrijgen over de eventuele uitsluiting van bepaalde bewijzen waarvan de vergaring procedurele onregelmatigheden vertoont.
28 In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat in het nationale recht niet duidelijk is vastgelegd op welk tijdstip de regelmatigheid van de bewijsgaring moet worden getoetst. Volgens deze rechter moet deze beoordeling vóór de eindbeslissing worden verricht, zodat de partijen zich over deze kwestie kunnen uitspreken. Hij vraagt zich echter af of hij zich uit de zaak moet terugtrekken, omdat hij de partijen ervan in kennis heeft gesteld dat bepaalde bewijzen onrechtmatig zijn vergaard, en hij dus niet langer onpartijdig is.
29 Tegen deze achtergrond heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Is een uitlegging van een grondwettelijke bepaling die de verdachte het recht van verweer in gerechtelijke procedures garandeert (artikel 122, lid 1, van de [Bulgaarse grondwet]), volgens hetwelk:
– het recht van de verdachten om zich te verweren tegen een tijdens de bewijsgaring begane schending van hun privésfeer gestalte krijgt in de uitsluiting van de desbetreffende bewijzen, en
– het recht van verweer tegen de beschuldiging eveneens gestalte krijgt in de uitsluiting van de desbetreffende bewijzen,
verenigbaar met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest wanneer er hooguit sprake is van een minimale schending van de privésfeer van de verdachten, deze schending geen gevolgen heeft voor de betrouwbaarheid van de verkregen bewijzen, al deze bewijzen ontlastend zijn en van wezenlijk belang zijn ter onderbouwing van de bewering dat de verdachten onschuldig zijn, en de naar behoren over de onregelmatige bewijsgaring geïnformeerde verdachten na overleg met hun advocaten uitdrukkelijk te kennen geven dat zij de bewijzen willen gebruiken?
2) Is een uitlegging van het nationale recht die inhoudt dat, wanneer de rechter vaststelt dat sommige bewijzen mogen of moeten worden uitgesloten wegens procedurele onregelmatigheden bij de vergaring ervan, hij de verdachten daarvan in kennis stelt zodat zij hun verdediging naar behoren kunnen voorbereiden, verenigbaar met artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13 en met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest?”
Bevoegdheid van het Hof
30 Vooraf zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak, ter toetsing van zijn bevoegdheid naar de ontvankelijkheid van een verzoek, een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Eveneens dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van zijn bevoegdheden kan uitleggen (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 In casu verzoekt de verwijzende rechter met zijn vragen het Hof om uitlegging van met name artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest, met betrekking tot de wijze waarop hij bewijsmateriaal dat op onregelmatige wijze is verkregen in het kader van een strafrechtelijke procedure die is ingeleid wegens feiten van passieve corruptie, procedureel moet behandelen.
33 In dit verband moeten de lidstaten, in de eerste plaats, krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU voor de justitiabelen voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren. De lidstaten moeten dus voorzien in een stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures dat een daadwerkelijke rechterlijke toetsing op deze gebieden kan verzekeren (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 De materiële werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU strekt zich uit tot de „onder het recht van de Unie vallende gebieden”, onafhankelijk van de situatie waarin de lidstaten dit recht ten uitvoer brengen (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Die bepaling vindt dus met name toepassing ten aanzien van iedere nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 In casu moet de verwijzende rechter uitspraak doen over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van twee politieambtenaren die in staat van beschuldiging zijn gesteld wegens passieve corruptie. Dit strafbare feit is opgenomen in artikel 301, lid 1, en artikel 302 van het wetboek van strafrecht, overeenkomstig artikel 2 van de Overeenkomst inzake corruptie, zodat het hoofdgeding een gebied betreft dat onder het Unierecht valt. Bijgevolg moet die rechter het uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU voortvloeiende vereiste van daadwerkelijke rechtsbescherming in acht nemen.
37 Bijgevolg is het Hof bevoegd om deze bepaling in de onderhavige zaak uit te leggen.
38 Wat in de tweede plaats artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest betreft, zij er aan herinnerd dat de werkingssfeer van het Handvest voor wat betreft het handelen van de lidstaten is omschreven in artikel 51, lid 1, ervan, waarin is vastgesteld dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht „wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen” en dat die bepaling de rechtspraak van het Hof bevestigt volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het recht van de Unie worden beheerst, maar niet daarbuiten [arrest van 26 februari 2026, Commissie/Hongarije (Recht om op een bepaalde radiofrequentie mediadiensten aan te bieden), C‑92/23, EU:C:2026:108, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
39 Het begrip „ten uitvoer brengen van het recht van de Unie” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest veronderstelt dat er een verband bestaat tussen de Unierechtelijke handeling en de betrokken nationale maatregel, dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere (arrest van 29 juli 2024, protectus, C‑185/23, EU:C:2024:657, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Om te bepalen of een nationale regeling „het recht van de Unie ten uitvoer brengt” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, moet dus onder meer worden nagegaan of zij de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt, wat de aard van deze regeling is en of zij niet andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het recht van de Unie ziet, ook al zou die regeling dit recht indirect kunnen beïnvloeden, en of er een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is voor deze materie of deze kan beïnvloeden (arrest van 29 juli 2024, protectus, C‑185/23, EU:C:2024:657, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In dit verband is het Hof reeds tot de slotsom gekomen dat de grondrechten van de Unie niet konden worden toegepast in verband met een nationale regeling wegens het feit dat de Unievoorschriften op het betrokken gebied de lidstaten geen specifieke verplichting oplegden voor de situatie in kwestie (zie in die zin arresten van 6 maart 2014, Siragusa, C‑206/13, EU:C:2014:126, punt 26, en 10 juli 2014, Julián Hernández e.a., C‑198/13, EU:C:2014:2055, punt 35).
42 In casu is de verwijzende rechter in essentie van oordeel dat artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest van toepassing is op de situatie in het hoofdgeding, aangezien de relevante nationale bepalingen in het hoofdgeding betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst inzake corruptie en artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13.
43 Wat ten eerste de regels van materieel strafrecht van de Overeenkomst inzake corruptie betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de verhouding tussen enerzijds de bepalingen van materieel strafrecht van de Unie in kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB 2004, L 335, blz. 8) en kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB 2008, L 300, blz. 42), en anderzijds de Bulgaarse bepalingen van strafprocesrecht die de schikking van een zaak regelen, niet verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van die bepalingen of de indirecte invloed van de eerstgenoemde op de laatstgenoemde bepalingen, zodat tussen die bepalingen dus geen verband in de zin van de in punt 39 hierboven aangehaalde rechtspraak kan worden vastgesteld [zie in die zin arrest van 28 november 2024, PT (Schikking tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit), C‑432/22, EU:C:2024:987, punt 40].
44 Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen enerzijds de bepalingen van materieel strafrecht van de Unie die zijn opgenomen in de Overeenkomst inzake corruptie – die met name in artikel 2, lid 1, het strafbare feit van passieve corruptie definieert en in artikel 5, lid 1, van die overeenkomst, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, de vereisten bepaalt voor de aan dat strafbare feit verbonden sancties – en anderzijds de algemene regels van nationaal strafprocesrecht betreffende de niet-ontvankelijkheid van bewijsmateriaal dat onrechtmatig is vergaard, of de gevolgen van een dergelijke niet-ontvankelijkheid.
45 Die overeenkomst legt de lidstaten namelijk geen specifieke verplichting op met betrekking tot de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal.
46 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a. (C‑310/16, EU:C:2019:30, punt 33), dat door de verwijzende rechter wordt genoemd en waarin het Hof het Handvest heeft uitgelegd in antwoord op de prejudiciële vraag of de Bulgaarse regelgeving inzake de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal verenigbaar was met het Handvest, welke vraag aan de orde was gesteld in het kader van een strafprocedure die was geopend wegens strafbare feiten ter zake van de btw.
47 In dat arrest heeft het Hof namelijk geoordeeld dat het Handvest van toepassing was op het hoofdgeding, rekening houdend met de specifieke aard van de betrokken strafbare feiten, met name omdat zij noodzakelijkerwijs de financiële belangen van de Unie schaadden en omdat de bestrijding ervan de doeltreffendheid van de op Unieniveau geharmoniseerde btw-regeling waarborgde (zie in die zin arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a., C‑310/16, EU:C:2019:30, punten 25‑28). Een dergelijke analyse kan echter niet worden toegepast op de situatie in het hoofdgeding, die betrekking heeft op een procedure wegens het strafbare feit van passieve corruptie.
48 Verder moet worden opgemerkt dat de omstandigheid dat de Overeenkomst inzake corruptie ten uitvoer wordt gelegd door nationale bepalingen van materieel strafrecht die passieve corruptie strafbaar stellen, niet tot gevolg kan hebben dat het Handvest van toepassing is op alle aspecten van een strafprocedure die is ingeleid tegen een persoon die van passieve corruptie wordt verdacht.
49 Gelet op het voorgaande „brengen” de bepalingen van het wetboek van strafvordering die de verwijzende rechter moet toepassen, in het bijzonder artikel 105, lid 2, de bepalingen van de Overeenkomst inzake corruptie „niet ten uitvoer” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
50 Ten tweede moet wat betreft artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13 allereerst worden opgemerkt dat de bewoordingen van deze bepaling niet verwijzen naar de ontoelaatbaarheid van bepaald bewijsmateriaal, noch naar de informatie die verdachten of beklaagden zouden moeten ontvangen met betrekking tot het bewijsmateriaal waartoe zij toegang hebben gehad.
51 Voorts blijkt uit de overwegingen 9, 10 en 14 van deze richtlijn dat deze enkel tot doel heeft gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen, hetgeen impliceert dat die richtlijn geen uitputtende harmonisatie van de voorschriften inzake de strafprocedure tot stand brengt. Gelet op de beperkte omvang van de door deze richtlijn tot stand gebrachte harmonisatie, worden aangelegenheden die niet door deze richtlijn worden geregeld beheerst door het nationale recht (zie naar analogie arrest van 1 augustus 2025, Dimnev, C‑404/24, EU:C:2025:595, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Uit het voorgaande volgt dat artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13 geen betrekking heeft op de aspecten van de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal en derhalve geen bijzondere verplichting oplegt met betrekking tot een situatie zoals die in het hoofdgeding.
53 Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13 ten uitvoer brengen.
54 Gelet op een en ander is het Hof niet bevoegd om de gestelde vragen te beantwoorden, voor zover deze vragen betrekking hebben op de uitlegging van artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest.
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
55 Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is om de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 17 maart 2026, Županijsko državno odvjetništvo, C‑8/24, EU:C:2026:210, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Het is eveneens vaste rechtspraak dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing is niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 In het kader van de prejudiciële procedure van die bepaling moet er dus sprake zijn van een zodanig verband tussen het hoofdgeding en de bepalingen van het Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, dat die uitlegging objectief noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te nemen beslissing [arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen), C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59 In casu komt de eerste prejudiciële vraag er in essentie op neer of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de strafrechter onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal onder alle omstandigheden moet uitsluiten, dat wil zeggen zelfs wanneer dat materiaal de verdachte ontlast.
60 Krachtens die bepaling voorzien de lidstaten in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.
61 Artikel 19 VEU bepaalt dat elke lidstaat moet verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instantie” in de zin van het recht van de Unie geroepen zijn om te oordelen over de toepassing of de uitlegging van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het recht van de Unie vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming (arrest van 4 september 2025, AW „T”, C‑225/22, EU:C:2025:649, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 De verwijzende rechter twijfelt of artikel 105, lid 2, van het wetboek van strafvordering verenigbaar is met die bepaling, voor zover die bepaling hem verplicht om onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal uit te sluiten, ook wanneer dit als ontlastend bewijsmateriaal kan worden aangevoerd voor de verdediging van de verdachten.
63 Niettemin dient ten eerste worden opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet blijkt dat er een inhoudelijk verband bestaat tussen het hoofdgeding en het Unierecht, met name met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, waarop de eerste vraag betrekking heeft, en dat de verwijzende rechter derhalve dit recht, en met name de Overeenkomst inzake corruptie of die bepaling, zou moeten toepassen om in de hoofdzaak tot een beslissing ten gronde te komen (zie naar analogie arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 49).
64 Hoewel de feiten in het hoofdgeding onder het strafbare feit van passieve corruptie kunnen vallen, zoals gedefinieerd in die overeenkomst, blijft het immers een feit dat de verwijzende rechter uitspraak moet doen op grond van het Bulgaarse strafrecht en niet aangeeft dat de uitlegging van die overeenkomst of van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU objectief noodzakelijk is voor de beslissing die hij in het kader van het hoofdgeding ten gronde moet nemen.
65 Ten tweede geeft de verwijzende rechter in zijn overwegingen ter rechtvaardiging van de noodzaak van een antwoord op de eerste prejudiciële vraag evenmin aan welke Unierechtelijke procedurevoorschriften hij bij het wijzen van zijn vonnis zou moeten toepassen (zie naar analogie arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 50).
66 Ten derde lijkt een antwoord van het Hof op die vraag de verwijzende rechter evenmin een uitlegging van het Unierecht te kunnen bieden die hem in staat zal stellen om procedurele kwesties van nationaal recht op te lossen alvorens uitspraak ten gronde te kunnen doen in het bij hem aanhangig geding (zie naar analogie arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 51).
67 In casu is de verwijzende rechter, die bevoegd is om de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de beklaagden in de hoofdzaak te beoordelen, in staat een dergelijke beoordeling te verrichten op basis van, met name, zijn beoordeling van de bewijskracht van het bewijs.
68 Bijgevolg beantwoordt de gevraagde uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU niet aan een objectieve behoefte bij de beslissing die de verwijzende rechter moet nemen. Hieruit volgt dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is.
69 Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13 zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de strafrechter de beklaagden in kennis moet stellen wanneer hij vaststelt dat bepaald bewijsmateriaal dat in het dossier is opgenomen, onrechtmatig is vergaard, zodat dit materiaal krachtens het nationale recht moet worden uitgesloten.
70 In dit verband volgt uit artikel 2, lid 1, van deze richtlijn dat artikel 7, leden 2 en 3, van toepassing is op het hoofdgeding.
71 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter ten eerste dat de beklaagden in het hoofdgeding overeenkomstig artikel 7, lid 2, van die richtlijn toegang hebben gekregen tot de belastende of ontlastende bewijsstukken waarover de bevoegde autoriteiten beschikken, en ten tweede dat deze beklaagden hun verdediging hebben voorbereid wetende dat bepaald bewijsmateriaal onrechtmatig was vergaard, hetgeen volgens de Bulgaarse regeling tot gevolg heeft dat dit bewijsmateriaal ontoelaatbaar is.
72 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt ook dat de verwijzende rechter geen twijfel heeft dat zijn uitlegging van de Bulgaarse regeling, volgens welke de vraag naar de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal moet worden beantwoord vóór de einduitspraak, verenigbaar is met artikel 7, leden 2 en 3, van die richtlijn, aangezien de twijfels van deze rechter betrekking hebben op de vraag of deze uitlegging verenigbaar is met het vereiste van onpartijdigheid dat voortvloeit uit artikel 47, tweede alinea, van het Handvest. Het Hof is echter niet bevoegd om laatstgenoemde bepaling in de onderhavige zaak uit te leggen, zoals blijkt uit punt 54 van het onderhavige arrest.
73 Hieruit volgt dat de tweede vraag niet-ontvankelijk is, aangezien de gevraagde uitlegging van artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13 geen verband houdt met een reëel geschil in het hoofdgeding.
74 Gelet op een en ander volgt dat het Hof niet bevoegd is om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te beantwoorden, voor zover deze betrekking hebben op artikel 47 van het Handvest, en dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is voor het overige.
Kosten
75 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Het Hof is niet bevoegd om de prejudiciële vragen die door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 20 mei 2025 zijn gesteld, te beantwoorden, voor zover deze betrekking hebben op de uitlegging van artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2) Voor het overige is het verzoek om een prejudiciële beslissing dat door de Sofiyski gradski sad bij beslissing van 20 mei 2025 is ingediend, niet-ontvankelijk.
ondertekeningen
* Procestaal: Bulgaars.
i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.