ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

19 juni 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU – Justitiële samenwerking in strafzaken – Verzoek van een derde land om uitlevering – Unieburger – Artikelen 18 en 21 VWEU – Eerdere beslissing van een andere lidstaat om de uitlevering te weigeren wegens een ernstig gevaar voor schending van grondrechten – Artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht van de opgeëiste persoon om niet te worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen wordt onderworpen – Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op een eerlijk proces – Wederzijds vertrouwen – Verplichting om rekening te houden met de gronden waarop de eerdere beslissing tot weigering van de uitlevering is gebaseerd – Geen verplichting tot wederzijdse erkenning van die beslissing”

In zaak C‑219/25 PPU [Kamekris] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de onderzoekskamer van de cour d’appel de Montpellier (rechter in tweede aanleg Montpellier, Frankrijk) bij beslissing van 18 maart 2025, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2025, in de procedure tot uitlevering van

KN,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin, N. Piçarra (rapporteur), O. Spineanu-Matei en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 mei 2025,

gelet op de opmerkingen van:

KN, vertegenwoordigd door J.‑C. De Block en M. Poirot, avocats,

de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en M. Guiresse als gemachtigden,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en A. Sahner als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Blanc, J. Hottiaux, H. Leupold en J. Vondung als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,

het navolgende

Arrest

1

Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 19 en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een uitleveringsverzoek dat de Georgische autoriteiten bij de Franse autoriteiten hebben ingediend betreffende KN, een burger met de Griekse en de Georgische nationaliteit, met het oog op de tenuitvoerlegging in Georgië van een levenslange gevangenisstraf.

Toepasselijke bepalingen

Europees Uitleveringsverdrag

3

Het op 13 december 1957 te Parijs ondertekende Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: „Europees Uitleveringsverdrag”), waarbij onder meer de Franse Republiek en Georgië partij zijn, bepaalt in artikel 1, met als opschrift „Verplichting tot uitlevering”:

„De verdragsluitende partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander de personen uit te leveren die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende partij vervolgd worden ter zake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel.”

4

Bij de bekrachtiging van dit verdrag heeft de Franse Republiek onder meer de volgende twee voorbehouden gemaakt:

„Uitlevering kan worden geweigerd indien de overlevering voor de opgeëiste persoon uiterst ernstige gevolgen kan hebben, met name wegens zijn leeftijd of zijn gezondheidstoestand.

Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de opgeëiste persoon in de verzoekende staat wordt berecht door een rechterlijke instantie die niet de fundamentele procedurele waarborgen en de waarborgen voor de bescherming van de rechten van de verdediging biedt, of door een voor zijn specifieke geval ingestelde rechterlijke instantie, of wanneer om uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een door een dergelijke rechterlijke instantie opgelegde straf of maatregel.”

Unierecht

5

Artikel 18, eerste alinea, VWEU bepaalt:

„Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”

6

Artikel 21, lid 1, VWEU bepaalt:

„Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”

7

In artikel 67, leden 1 en 3, VWEU wordt bepaald:

„1.   De Unie is een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd.

[...]

3.   De Unie streeft ernaar een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat, maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in strafzaken en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken en, zo nodig, door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen.”

8

Artikel 82, lid 1, van dit Verdrag luidt:

„De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel 83 genoemde gebieden.

Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vast die ertoe strekken:

a)

regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden;

[...]”

9

Artikel 19 van het Handvest, met als opschrift „Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering”, bepaalt in lid 2:

„Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.”

10

Artikel 47 van het Handvest, met als opschrift „Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht”, bepaalt in de tweede alinea:

„Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.”

Frans recht

11

Artikel 696‑4 van de code de procédure pénale (wetboek van strafvordering) bepaalt:

„Uitlevering wordt niet toegestaan:

1. wanneer de opgeëiste persoon de Franse nationaliteit bezat op het tijdstip van het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd;

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12

Op 3 december 2010 is KN, een burger met de Griekse en de Georgische nationaliteit, door de rechter in eerste aanleg in Poti (Georgië) bij verstek veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Deze straf is op 3 juni 2011 bij verstek bevestigd door de rechter in tweede aanleg in Kutaisi (Georgië). De ten laste gelegde feiten, in 2008 en in 2009 gepleegd in Georgië en Turkije, hadden betrekking op een bijzonder omvangrijke en georganiseerde internationale cocaïnehandel, het voorbereiden van een groepsmoord en illegaal vuurwapenbezit.

13

Op 2 juli 2021 hebben de Georgische autoriteiten Interpol verzocht om een red notice tegen KN uit te vaardigen, die geldt als een verzoek om voorlopige aanhouding met het oog op uitlevering op grond van het arrest van de rechter in tweede aanleg van Kutaisi van 3 juni 2011.

14

Op 4 oktober 2021 is KN op grond van deze red notice voorlopig aangehouden in België, waar hij verbleef. Op 13 oktober 2021 heeft het openbaar ministerie van Georgië bij de Belgische autoriteiten een uitleveringsverzoek ingediend. KN werd aanvankelijk in uitleveringsdetentie geplaatst en vervolgens weer in vrijheid gesteld, maar met ingang van 29 oktober 2021 onderworpen aan een toezichtmaatregel, in afwachting van een beslissing van de Belgische rechterlijke instanties op het uitleveringsverzoek.

15

Op 20 januari 2025 is KN op basis van de red notice in Frankrijk aangehouden. De volgende dag hebben de Georgische autoriteiten bij de Franse autoriteiten een uitleveringsverzoek ingediend dat vergelijkbaar is met het bij de Belgische autoriteiten ingediende verzoek en is KN in Frankrijk in uitleveringsdetentie geplaatst.

16

Bij arrest van 19 februari 2025 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d’appel de Bruxelles (rechter in tweede aanleg Brussel, België) het door de Georgische autoriteiten ingediende uitleveringsverzoek afgewezen op grond van de Belgische regeling inzake uitlevering en van artikel 3 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat er ernstige redenen waren om te vrezen dat de uitlevering van KN aan Georgië hem zou blootstellen aan rechtsweigering en aan een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen.

17

Op 28 februari 2025 is KN in het kader van de in Frankrijk ingeleide uitleveringsprocedure verschenen voor de procureur-generaal van Montpellier (Frankrijk) en heeft hij verklaard niet in te stemmen met zijn uitlevering.

18

Na deze weigering is KN op 1 maart 2025 verwezen naar de onderzoekskamer van de cour d’appel de Montpellier (rechter in tweede aanleg Montpellier, Frankrijk), de verwijzende rechter. Voor deze rechter voert hij aan dat het Unierecht – in het bijzonder de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen van de lidstaten – de Franse autoriteiten verplicht om het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d’appel de Bruxelles van 19 februari 2025 te erkennen en bijgevolg zijn uitlevering aan Georgië te weigeren. Bij dat arrest, dat van strafrechtelijke aard is, is hem een door de Unie gewaarborgd recht toegekend, namelijk het recht om niet aan een derde land te worden uitgeleverd indien er een reëel risico bestaat dat hij aldaar wordt blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling of rechtsweigering.

19

Voor de verwijzende rechter heeft de procureur-generaal van Montpellier benadrukt dat de Franse autoriteiten bij de behandeling van dit uitleveringsverzoek de artikelen 3 en 6 EVRM moeten eerbiedigen en dat KN, die de Griekse en de Georgische nationaliteit heeft, had aangevoerd dat er een ernstig risico bestond dat hij niet alleen zou worden blootgesteld aan rechtsweigering, maar ook aan onmenselijke of vernederende behandelingen ten gevolge van de detentieomstandigheden in Georgië. Gelet op de politieke instabiliteit in dat land sinds november 2024, heeft deze magistraat de verwijzende rechter verzocht om vast te stellen dat hij van de Georgische autoriteiten geen betrouwbare garanties kon verkrijgen met betrekking tot de eerbiediging van de in die artikelen verankerde rechten.

20

De verwijzende rechter herinnert eraan dat artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag, waarbij Georgië als lid van de Raad van Europa partij is, vereist dat de opgeëiste persoon wordt uitgeleverd wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, onder voorbehoud van de door de verdragsluitende partijen vastgestelde uitzonderingen en voorbehouden. Deze rechter benadrukt dat de Franse Republiek een voorbehoud heeft gemaakt op grond waarvan uitlevering niet wordt toegestaan wanneer de opgeëiste persoon zou worden berecht door een rechterlijke instantie die de grondrechten van de verdediging niet waarborgt en kan worden geweigerd indien zij voor die persoon uiterst ernstige gevolgen zou kunnen hebben.

21

De verwijzende rechter vraagt zich af of het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d’appel de Bruxelles van 19 februari 2025, waarbij deze rechter heeft geoordeeld dat KN in geval van uitlevering aan Georgië zou worden blootgesteld aan een ernstig risico op rechtsweigering en op het ondergaan van folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen, op grond van de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning gezaghebbend is voor de Franse rechterlijke instanties. Volgens de verwijzende rechter zijn de rechterlijke instanties van een lidstaat enkel gehouden om overeenkomstig deze beginselen het gezag van de door de rechterlijke instanties van een andere lidstaat gegeven beslissingen te erkennen wanneer het Unierecht uitdrukkelijk in een dergelijke erkenning voorziet.

22

In deze omstandigheden heeft de onderzoekskamer van de cour d’appel de Montpellier de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 19 en 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat verplicht is om de uitvoering van een verzoek tot uitlevering van een burger van de Europese Unie aan een derde land te weigeren wanneer een andere lidstaat de uitvoering van datzelfde uitleveringsverzoek eerder heeft geweigerd op grond dat de overlevering van de betrokkene inbreuk kan maken op het grondrecht om niet te worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen zoals neergelegd in artikel 19 van het [Handvest] en op het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest]?”

Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure

23

De verwijzende rechter heeft verzocht om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

24

Uit deze bepalingen volgt dat voor de toepassing van deze procedure twee cumulatieve voorwaarden gelden. Ten eerste moeten in de prejudiciële verwijzing uitleggingsvragen aan de orde zijn op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarop titel V van het derde deel van het VWEU betrekking heeft. Ten tweede moeten de omstandigheden van het hoofdgeding, zoals uiteengezet door de verwijzende rechter, spoedeisend zijn.

25

Wat de eerste voorwaarde betreft, moet worden opgemerkt dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing met name betrekking heeft op de uitlegging van artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU, welke bepalingen vallen onder titel V van het derde deel van dat Verdrag, die ziet op de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Bijgevolg kan dit verzoek volgens de prejudiciële spoedprocedure worden behandeld.

26

Wat betreft de tweede voorwaarde, die betrekking heeft op de spoedeisendheid, vloeit uit vaste rechtspraak voort dat aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de betrokkene thans zijn vrijheid is ontnomen en het van de beslechting van het hoofdgeding afhangt of zijn hechtenis wordt voortgezet, met dien verstande dat de situatie van de betrokkene moet worden beoordeeld zoals die zich voordoet op het tijdstip van het onderzoek van het verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure (arrest van 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27

In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat KN op 21 januari 2025 in uitleveringsdetentie is geplaatst, zodat hem thans zijn vrijheid is ontnomen. Bovendien wenst de verwijzende rechter met zijn vraag te vernemen of hij op grond van het Unierecht moet weigeren om deze persoon uit te leveren. Een bevestigend antwoord van het Hof op deze vraag zou derhalve in beginsel tot de vrijlating van KN moeten leiden.

28

In die omstandigheden heeft de Derde kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, op 3 april 2025 besloten om het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen, in te willigen.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

29

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat verplicht is om de uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat aan een derde land te weigeren wanneer de autoriteiten van een derde lidstaat eerder hebben geweigerd om uitvoering te geven aan een uitleveringsverzoek van dat derde land met het oog op de tenuitvoerlegging van dezelfde aan die onderdaan van een andere lidstaat opgelegde straf, op grond dat er een ernstig risico bestaat dat de door artikel 19, lid 2, en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrechten worden geschonden.

30

Vooraf zij eraan herinnerd dat bij het ontbreken van een uitleveringsverdrag tussen de Unie en het betrokken derde land, de regels inzake uitlevering tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren [zie in die zin arresten van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 26, en 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Uitlevering aan Oekraïne), C‑398/19, EU:C:2020:1032, punt 28].

31

Niettemin moeten de lidstaten deze bevoegdheid uitoefenen met inachtneming van het Unierecht, inzonderheid het in artikel 18 VWEU verankerde discriminatieverbod en de door artikel 21, lid 1, VWEU gewaarborgde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven [zie in die zin arrest van 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina), C‑237/21, EU:C:2022:1017, punt 29].

Uitlegging van de artikelen 18 en 21 VWEU

32

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat een onderdaan van een lidstaat die legaal in een andere lidstaat reist of verblijft zich op grond van zijn Unieburgerschap kan beroepen op artikel 21, lid 1, VWEU en binnen de werkingssfeer van de Verdragen valt in de zin van artikel 18 VWEU, waarin het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is vastgelegd [zie in die zin arresten van 13 november 2018, Raugevicius, C‑247/17, EU:C:2018:898, punt 27, en 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina), C‑237/21, EU:C:2022:1017, punt 30].

33

De omstandigheid dat een onderdaan van een andere lidstaat dan die waarbij het hem betreffende uitleveringsverzoek is ingediend, tevens de nationaliteit bezit van het derde land waarvan dat verzoek afkomstig is, kan deze onderdaan niet beletten om zich op zijn aan de hoedanigheid van Unieburger ontleende rechten en vrijheden te beroepen, met name die welke worden gewaarborgd door artikel 18 en artikel 21, lid 1, VWEU. Het feit dat de opgeëiste persoon gelijktijdig onderdaan is van een lidstaat en van een derde land, kan hem die vrijheden en rechten niet ontnemen [zie in die zin arrest van 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina), C‑237/21, EU:C:2020:1017, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34

In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat KN, die onder meer de Griekse nationaliteit bezit, als Unieburger gebruik heeft gemaakt van zijn aan artikel 21, lid 1, VWEU ontleende recht om vrij te reizen in een andere lidstaat, zodat zijn situatie binnen de werkingssfeer van de Verdragen valt in de zin van artikel 18 VWEU – dat elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt – ook al heeft hij ook de nationaliteit van het derde land dat om zijn uitlevering verzoekt.

35

Aan deze vaststelling wordt overigens niet afgedaan door de omstandigheid dat KN op het tijdstip waarop het in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitleveringsverzoek bij de Franse autoriteiten werd ingediend, niet permanent op het grondgebied van de Franse Republiek maar op dat van het Koninkrijk België verbleef. Het tijdelijke karakter van het verblijf op het grondgebied van de aangezochte lidstaat sluit de situatie van de onderdaan van een andere lidstaat op wie dat verzoek betrekking heeft namelijk niet uit van de werkingssfeer van de Verdragen in de zin van artikel 18 VWEU (zie in die zin arrest van 10 april 2018, Pisciotti, C‑191/16, EU:C:2018:222, punt 34).

36

In de tweede plaats heeft de Franse regering aangegeven dat de Franse Republiek overeenkomstig artikel 696‑4, lid 1, van de code de procédure pénale weliswaar niet haar eigen onderdanen aan een derde land uitlevert, maar dat deze bepaling zich er niet tegen verzet dat deze lidstaat onderdanen van andere lidstaten aan een derde land uitlevert met het oog op de tenuitvoerlegging van een in dat land opgelegde straf.

37

Uit de vaste rechtspraak van het Hof komt naar voren dat een nationale regel die alleen de uitlevering van onderdanen van de betrokken lidstaat verbiedt, een verschil in behandeling invoert naargelang de opgeëiste persoon een eigen onderdaan of een onderdaan van een andere lidstaat is en aldus tot een ongelijke behandeling leidt die van invloed kan zijn op de vrijheid van laatstgenoemde onderdaan om in de Unie te reizen en te verblijven (zie in die zin arresten van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 32, en 13 november 2018, Raugevicius, C‑247/17, EU:C:2018:898, punt 28).

38

Hieruit volgt dat in een situatie als die van het hoofdgeding de ongelijke behandeling die erin bestaat dat een Unieburger die onderdaan van een andere lidstaat is, zoals KN, wel kan worden uitgeleverd, tot een beperking van het vrije verkeer in de zin van artikel 21 VWEU leidt (zie in die zin arresten van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 33, en 13 november 2018, Raugevicius, C‑247/17, EU:C:2018:898, punt 30).

39

In casu wenst de verwijzende rechter weliswaar niet van het Hof te vernemen of die beperking wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, maar vraagt hij zich wel af of bepaalde in het Handvest vastgelegde grondrechten in de weg kunnen staan aan een uitlevering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

Onderzoek van een ernstig gevaar voor schending van grondrechten

40

Wanneer een nationale wettelijke regeling de uitoefening kan belemmeren van een of meer door de Verdragen gewaarborgde vrijheden, in casu het in artikel 21, lid 1, VWEU vastgelegde recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, valt die regeling in het licht van het Unierecht enkel te rechtvaardigen voor zover zij in overeenstemming is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (zie in die zin arrest van 18 juni 1991, ERT, C‑260/89, EU:C:1991:254, punten 42 en 43). Bovendien moet een dergelijke regeling volgens vaste rechtspraak worden geacht „het recht van de Unie ten uitvoer [te] brengen” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arresten van 14 september 2023,Bezirkshauptmannschaft Feldkirch, C‑55/22, EU:C:2023:670, punt 29, en 12 december 2024, Nemzeti Földügyi Központ, C‑419/23, EU:C:2024:1016, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Hieruit volgt dat de aangezochte lidstaat die zijn eigen onderdanen niet uitlevert, verplicht is om, alvorens te besluiten een onderdaan van een andere lidstaat op grond van met name het Europees Uitleveringsverdrag uit te leveren, te onderzoeken of dit besluit – als een besluit dat het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest – afbreuk zou kunnen doen aan de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, met name in artikel 47, tweede alinea, ervan, waarin het grondrecht op een eerlijk proces is vastgelegd, of in artikel 19, lid 2, dat bepaalt dat niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen [zie in die zin arresten van 13 november 2018, Raugevicius, C‑247/17, EU:C:2018:898, punt 49, en 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina), C‑237/21, EU:C:2022:1017, punt 55].

42

Hiertoe dient de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat zich te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM), uit rechterlijke beslissingen van het derde land dat om uitlevering verzoekt, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de instanties van de Raad van Europa of instanties die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren. Het bestaan van verklaringen en de aanvaarding van internationale verdragen die in beginsel de eerbieding van grondrechten waarborgen, volstaan op zichzelf niet om de opgeëiste persoon een afdoende bescherming te garanderen tegen het risico op onmenselijke of vernederende behandelingen wanneer betrouwbare bronnen gewag maken van praktijken van de autoriteiten van dat derde land of van door hen getolereerde praktijken die klaarblijkelijk in strijd zijn met de beginselen van het EVRM (zie in die zin arrest van 6 februari 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punten 57 en 59).

43

In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of hij op grond van artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU verplicht is tot erkenning van het in punt 16 van het onderhavige arrest bedoelde arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d’appel de Bruxelles van 19 februari 2025, waarbij die rechterlijke instantie heeft geweigerd om KN uit te leveren op grond dat die uitlevering hem zou blootstellen aan een ernstig risico op aantasting van het in artikel 19, lid 2, van het Handvest verankerde grondrecht om niet aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen te worden onderworpen, alsook van het grondrecht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest.

44

In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat noch artikel 67, lid 3, noch artikel 82, lid 1, VWEU de grondslag kan vormen voor een verplichting tot wederzijdse erkenning van beslissingen van de lidstaten tot afwijzing van een uitleveringsverzoek van een derde land.

45

Ten eerste bepaalt artikel 67, lid 3, VWEU namelijk dat „de Unie [ernaar] streeft [...] een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat”, met name „door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken” en „zo nodig, door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen” van de lidstaten. Ten tweede bepaalt artikel 82, lid 1, eerste alinea, VWEU dat „[d]e justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en [...] de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten [omvat]”, met name die welke zijn bedoeld in de tweede alinea, onder a), van artikel 82, lid 1, VWEU, waarin is bepaald dat „[h]et Europees Parlement en de Raad [...] volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen [vaststellen] die ertoe strekken [...] regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden”.

46

Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt dat zij als zodanig geen verplichting opleggen tot wederzijdse erkenning van in de lidstaten gegeven rechterlijke uitspraken en beslissingen in strafzaken, maar slechts bepalen dat de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van wederzijdse erkenning. Artikel 82, lid 1, tweede alinea, onder a), VWEU bepaalt dus enkel dat het Europees Parlement en de Raad de maatregelen vaststellen die ertoe strekken regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen worden erkend.

47

In de tweede plaats bevat het Unierecht weliswaar verschillende instrumenten van afgeleid recht die voorzien in een verplichting tot wederzijdse erkenning van bepaalde rechterlijke uitspraken en beslissingen in strafzaken, met name kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1) en kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), maar vastgesteld moet worden dat geen enkele handeling van Unierecht voorziet in een verplichting tot wederzijdse erkenning van de beslissingen van de lidstaten over uitleveringsverzoeken van een derde land.

48

Bijgevolg is het beginsel van wederzijdse erkenning niet van toepassing op beslissingen van de lidstaten tot afwijzing van uitleveringsverzoeken.

49

Daarentegen vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht gewaarborgde grondrechten in acht nemen (arresten van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 57, en 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 36).

50

Wat het in kaderbesluit 2002/584 geregelde Europees aanhoudingsbevel betreft, heeft het Hof geoordeeld dat dit beginsel, in het geval dat in een andere lidstaat een beslissing is genomen tot weigering van tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel wegens het bestaan van een gevaar voor schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces, vereist dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat waaraan een nieuw verzoek om overlevering van de betrokkene is gericht, in haar eigen onderzoek naar het bestaan van een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging naar behoren rekening houdt met de redenen voor die beslissing (arrest van 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 46).

51

Om dezelfde redenen moet worden geoordeeld dat, wanneer een lidstaat de uitlevering van de opgeëiste persoon aan een derde land weigert omdat hij een ernstig risico loopt op schending van het in artikel 19, lid 2, van het Handvest verankerde grondrecht om niet te worden onderworpen aan folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen, alsmede van het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest vastgelegde grondrecht op een eerlijk proces, het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat waarbij een nieuw uitleveringsverzoek van hetzelfde derde land jegens dezelfde persoon is ingediend, naar behoren rekening houdt met de redenen die aan die afwijzende beslissing ten grondslag liggen, in het kader van haar eigen onderzoek naar het bestaan van een gevaar voor schending van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten.

52

Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie heeft benadrukt, behoort een eerdere beslissing tot weigering van uitlevering, die in een andere lidstaat is genomen op grond dat er een ernstig risico bestaat dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten worden geschonden, namelijk tot de in de in punt 42 van het onderhavige arrest genoemde gegevens waarmee de lidstaat waarbij een nieuw uitleveringsverzoek is ingediend, in het kader van zijn eigen onderzoek rekening moet houden.

53

Gelet op een en ander moet op de gestelde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat niet verplicht is om de uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat aan een derde land te weigeren wanneer de autoriteiten van een derde lidstaat eerder hebben geweigerd om uitvoering te geven aan een uitleveringsverzoek van dat derde land met het oog op de tenuitvoerlegging van dezelfde aan die onderdaan van een andere lidstaat opgelegde straf, op grond dat er een ernstig risico bestaat dat de door artikel 19, lid 2, en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrechten worden geschonden.

Kosten

54

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU

 

moeten aldus worden uitgelegd dat

 

een lidstaat niet verplicht is om de uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat aan een derde land te weigeren wanneer de autoriteiten van een derde lidstaat eerder hebben geweigerd om uitvoering te geven aan een uitleveringsverzoek van dat derde land met het oog op de tenuitvoerlegging van dezelfde aan die onderdaan van een andere lidstaat opgelegde straf, op grond dat er een ernstig risico bestaat dat de door artikel 19, lid 2, en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten worden geschonden.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.