ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
26 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van derdelanders die illegaal op hun grondgebied verblijven – Richtlijn 2008/115/EG – Intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus – Openbare orde – Beginsel van non-refoulement – Mogelijkheid om een terugkeerbesluit vast te stellen”
In zaak C‑202/25 [Tadmur] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond (Nederland), bij beslissing van 12 maart 2025, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
HG
tegen
Minister van Asiel en Migratie,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend rechter van de Achtste kamer, en N. Piçarra, rechter,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
HG, vertegenwoordigd door J. P. van Mulken, advocaat, |
|
– |
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door E. M. M. Besselink en J. Langer als gemachtigden, |
|
– |
de Deense regering, vertegenwoordigd door M. P. Brøchner Jespersen en C. A.‑S. Maertens en J. Sandvik Loft als gemachtigden, |
|
– |
de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door R. Adam en L. Lanzrein als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Blanc, M. Debieuvre, A. Katsimerou en F. van Schaik als gemachtigden, |
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98) en de artikelen 17 en 19 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in een geding tussen de derdelander HG en de minister van Asiel en Migratie (Nederland) (hierna: „minister”) over de geldigheid van een besluit waarbij de aan HG verleende subsidiairebeschermingsstatus is ingetrokken en hem is bevolen het Nederlandse grondgebied te verlaten. |
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 2008/115
|
3 |
Artikel 2 van richtlijn 2008/115 bepaalt: „1. Deze richtlijn is van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. 2. De lidstaten kunnen besluiten deze richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen:
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen [...].” |
|
4 |
Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: [...]
[...]” |
|
5 |
Artikel 4, lid 3, van die richtlijn luidt als volgt: „Deze richtlijn laat onverlet dat de lidstaten bepalingen kunnen aannemen of handhaven die gunstiger zijn voor de personen op wie de richtlijn van toepassing is, mits deze bepalingen verenigbaar zijn met de richtlijn.” |
|
6 |
Artikel 5 van deze richtlijn is als volgt geformuleerd: „Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:
en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.” |
|
7 |
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 luidt: „Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.” |
|
8 |
In artikel 8, lid 1, van deze richtlijn is bepaald: „De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek [...] is toegekend of indien de betrokkene niet binnen de [...] toegestane termijn voor vrijwillig vertrek aan de terugkeerverplichting heeft voldaan.” |
|
9 |
Artikel 9, lid 1, onder a), van die richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten stellen de verwijdering uit:
|
|
10 |
In artikel 11 van die richtlijn is de regeling vastgelegd die van toepassing is op de oplegging van een inreisverbod. |
|
11 |
In artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/115 zijn de waarborgen in afwachting van terugkeer vastgesteld. |
Richtlijn 2011/95
|
12 |
Artikel 17, lid 1, onder b) en d), van richtlijn 2011/95 bepaalt: „Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat: [...]
[...]
|
|
13 |
Artikel 19, lid 3, onder a), van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten trekken de subsidiairebeschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze in, beëindigen deze of weigeren deze te verlengen indien:
|
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
|
14 |
HG is op 7 januari 2016 in Nederland aangekomen. De Nederlandse autoriteiten hebben hem op 23 maart 2017 de subsidiairebeschermingsstatus verleend, alsook een tijdelijke verblijfsvergunning die geldig was tot en met 7 januari 2021. Bij besluit van 5 januari 2021 is de geldigheid van deze verblijfsvergunning verlengd tot 7 januari 2026. |
|
15 |
Op 1 februari 2022 is HG door de rechtbank Limburg (Nederland) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, wegens op 21 en 27 juni 2021 gepleegde feiten, die zijn gekwalificeerd als poging tot doodslag, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. |
|
16 |
Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat HG een gevaar voor de openbare orde vormde en bijgevolg de subsidiairebeschermingsstatus van HG ingetrokken vanaf 27 juni 2021. In dat besluit heeft de minister ook bepaald dat HG geen verblijfsrecht in Nederland kon worden toegekend op een andere grondslag en gepreciseerd dat er, om te zorgen voor de naleving van het beginsel van non-refoulement, geen terugkeerbesluit of inreisverbod tegen hem zou worden uitgevaardigd op grond van richtlijn 2008/115. Daarenboven heeft de minister HG bij besluit van 23 mei 2024 op grond van het Nederlandse recht verplicht het grondgebied van Nederland te verlaten. |
|
17 |
HG kreeg geen uitstel van vertrek en werd voor een periode van tien jaar gesignaleerd in het informatiesysteem van de Nederlandse politie, alsook in het Schengeninformatiesysteem (SIS). |
|
18 |
Op 18 juni 2024 heeft HG tegen dat besluit van 23 mei 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond (Nederland), de verwijzende rechter. |
|
19 |
Die rechter heeft voorlopig geoordeeld dat de tegen de intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus gerichte middelen van HG niet kunnen slagen. Hij vraagt zich echter af welke gevolgen aan die intrekking moeten worden verbonden, aangezien HG door die intrekking niet langer legaal verblijft in Nederland, terwijl hij niet naar zijn land van herkomst kan worden verwijderd zonder dat het beginsel van non-refoulement wordt geschonden. |
|
20 |
De verwijzende rechter merkt op dat het Hof in het arrest van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd) (C‑663/21, EU:C:2023:540), heeft geoordeeld dat een terugkeerbesluit niet kan worden vastgesteld wanneer vaststaat dat de verwijdering van de betrokken derdelander naar het beoogde land van bestemming voor onbepaalde tijd is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. |
|
21 |
Hij is echter van oordeel dat een dergelijke derdelander kan worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten en daarbij zelf na te gaan of hij kan worden toegelaten tot een ander derde land dan zijn land van herkomst, aangezien zijn voortgezet verblijf op dit grondgebied een voldoende gevaar voor de openbare orde vormt om de intrekking van de door hem genoten internationale bescherming te rechtvaardigen. Indien in de situatie in het hoofdgeding geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd, heeft dit tot gevolg dat HG in een intermediaire situatie komt te verkeren, aangezien hij illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, zonder verplicht te zijn dat grondgebied te verlaten. |
|
22 |
In deze context is de verwijzende rechter van oordeel dat de door het Hof gegeven uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008/115 anders zou kunnen zijn indien dat artikel wordt gelezen in samenhang met de artikelen 3, 6, 8 en 9 van die richtlijn en daarbij meer rekening wordt gehouden met de opzet van deze richtlijn, de ratio legis van de in richtlijn 2011/95 neergelegde gronden voor intrekking van internationale bescherming en het doel van de handelingen waarin het SIS is geregeld. |
|
23 |
Dienaangaande beklemtoont die rechter in het bijzonder dat artikel 6 van richtlijn 2008/115 een verplichting oplegt om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen onderdanen van een derde land die illegaal verblijven, zonder te voorzien in een afwijking ten aanzien van die derdelanders die krachtens het beginsel van non-refoulement niet kunnen worden verwijderd. |
|
24 |
Die rechter merkt ook op dat de in een dergelijk geval uit artikel 9, lid 1, onder a), van die richtlijn voortvloeiende verplichting om de verwijdering op te schorten volstaat om de eerbiediging van dit beginsel te waarborgen, met name indien de bevoegde autoriteit schriftelijk bevestigt dat de verwijdering wordt uitgesteld. Dit zou enkel anders zijn in specifieke gevallen, waarin de in artikel 5 van die richtlijn uitdrukkelijk genoemde belangen in de weg staan aan iedere uitvoering van de terugkeerverplichting. |
|
25 |
Voorts twijfelt die rechter of het, in een situatie waar elke verwijdering is uitgesloten, met het oog op de vrijwillige uitvoering van de terugkeerverplichting noodzakelijk is om het land van bestemming aan te wijzen. |
|
26 |
Volgens de verwijzende rechter zou een uitlegging die in strijd is met de uitlegging die hij beoogt te geven, aanzienlijke gevolgen hebben. In het bijzonder zou een dergelijke uitlegging de betrokkenen in staat stellen om zich te blijven beroepen op de rechten die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/115, de in richtlijn 2011/95 vastgelegde gronden voor intrekking van internationale bescherming verzwakken, met name doordat personen die een gevaar voor de openbare orde vormen het grondgebied van de Unie niet verlaten, en verhinderen dat die personen in het SIS worden gesignaleerd. |
|
27 |
Ingeval het Hof zijn uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008/115 handhaaft, vraagt de verwijzende rechter zich voorts af of het tot de procedurele autonomie van de lidstaten behoort om derdelanders die zich in een situatie als die in het hoofdgeding bevinden een verplichting om hun grondgebied te verlaten op te leggen die is gestoeld op nationale regelgeving. |
|
28 |
Daarop heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Dient artikel 6 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 3, 5, 8 en 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115, en gelezen in samenhang met artikelen 17 en 19, tweede en derde lid onder a, van richtlijn 2011/95, aldus te worden uitgelegd dat de lidstaat, behoudens de in artikel 6, tweede tot en met vijfde lid van richtlijn 2008/115 genoemde uitzonderingen, verplicht is om jegens een derdelander die illegaal op zijn grondgebied verblijft en die is uitgesloten van subsidiaire bescherming, een terugkeerbesluit uit te vaardigen en dat indien de verwijdering naar het land van bestemming in strijd is met het beginsel van non-refoulement, de lidstaat verplicht is om gelijktijdig met het nemen van een terugkeerbesluit, schriftelijk te bevestigen dat de verwijdering van die derdelander wordt uitgesteld?” |
Beantwoording van de prejudiciële vraag
|
29 |
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 3, 5, 8 en 9 ervan, en met artikel 17, lid 1, en artikel 19, lid 3, onder a), van richtlijn 2011/95, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een terugkeerbesluit wordt vastgesteld ten aanzien van een derdelander wiens subsidiairebeschermingsstatus is ingetrokken, wanneer vaststaat dat de verwijdering van deze derdelander naar het beoogde land van bestemming is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. Mocht het Hof oordelen dat in een dergelijke hypothese een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld, wenst de verwijzende rechter daarenboven te vernemen of die bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij de betrokken lidstaat verplichten om bij de vaststelling van dat besluit schriftelijk te bevestigen dat de verwijdering van die derdelander wordt uitgesteld. |
|
30 |
Behoudens de uitzonderingen van artikel 2, lid 2, ervan, is richtlijn 2008/115 van toepassing op alle illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelanders. Voorts moet een derdelander, wanneer hij binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, met het oog op zijn terugkeer in beginsel worden onderworpen aan de gemeenschappelijke normen en procedures waarin die richtlijn voorziet, zolang zijn verblijf – in voorkomend geval – niet is geregulariseerd [arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 52, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663/21, EU:C:2023:540, punt 45]. |
|
31 |
Vanuit dit oogpunt volgt uit artikel 6, lid 1, van deze richtlijn dat er, zodra vaststaat dat een derdelander illegaal op het grondgebied verblijft, een terugkeerbesluit tegen hem moet worden uitgevaardigd, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 van dat artikel vastgelegde uitzonderingen en met strikte inachtneming van de in artikel 5 van die richtlijn gestelde vereisten, en in dat besluit moet worden vermeld naar welk van de in artikel 3, punt 3, van richtlijn 2008/115 bedoelde derde landen hij moet worden verwijderd [arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 53, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663/21, EU:C:2023:540, punt 46]. |
|
32 |
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat een derdelander van wie de vluchtelingenstatus is ingetrokken moet worden geacht illegaal op het grondgebied te verblijven, tenzij de lidstaat waar hij zich bevindt hem een verblijfsvergunning op een andere grondslag heeft verleend [arrest van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663/21, EU:C:2023:540, punt 47]. |
|
33 |
Dat geldt ook voor een derdelander zoals in het hoofdgeding, van wie de subsidiairebeschermingsstatus krachtens artikel 19, lid 3, onder a), van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 1, ervan, is ingetrokken zonder dat de lidstaat op het grondgebied waarvan deze derdelander zich bevindt hem een verblijfsvergunning op een andere grondslag heeft verleend. |
|
34 |
Zoals in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet een terugkeerprocedure tegen een dergelijke derdelander evenwel worden gevoerd met strikte inachtneming van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 gestelde vereisten. |
|
35 |
Dat artikel 5, dat een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, verplicht in het bijzonder de bevoegde nationale autoriteit om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, dat als grondrecht is gewaarborgd in artikel 18 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], alsmede in artikel 19, lid 2, van het Handvest. Dat geldt met name wanneer die autoriteit, na de betrokkene te hebben gehoord, voornemens is jegens hem een terugkeerbesluit vast te stellen [zie in die zin arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 55, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663/21, EU:C:2023:540, punt 49]. |
|
36 |
Bijgevolg verzet artikel 5 van richtlijn 2008/115 zich ertegen dat jegens een derdelander een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd wanneer dat besluit een land van bestemming aanwijst ten aanzien waarvan er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die derdelander daar in geval van uitvoering van dat besluit zou worden blootgesteld aan een reëel risico van behandelingen in strijd met artikel 18 of artikel 19, lid 2, van het Handvest [arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 56, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663/21, EU:C:2023:540, punt 50]. |
|
37 |
Dit is precies het geval in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de bevoegde autoriteit als potentieel land van bestemming enkel het land van herkomst van de betrokken derdelander heeft aangewezen, maar reeds heeft geconstateerd dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de terugkeer van die derdelander naar zijn land van herkomst. |
|
38 |
In dat verband moet worden benadrukt dat het Hof deze oplossing met name heeft gekozen in het arrest van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd) (C‑663/21, EU:C:2023:540), in een context waarin de bevoegde autoriteit de verwijdering van de betrokken derdelander naar zijn land van herkomst reeds uitdrukkelijk had uitgesloten. |
|
39 |
De verplichting om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen in het stadium waarin de bevoegde autoriteit beslist over de vaststelling van een terugkeerbesluit verschilt dus van de in artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 neergelegde verplichting om de verwijdering uit te stellen ingeval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement. |
|
40 |
Bijgevolg is artikel 8 van die richtlijn, waarin de regels over verwijdering zijn vastgesteld, niet relevant bij het beantwoorden van de gestelde vraag. |
|
41 |
Gelet op hetgeen de verwijzende rechter zich in de motivering van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft afgevraagd, moet in de eerste plaats nog worden opgemerkt dat de bevoegde autoriteit in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding geen terugkeerbesluit kan vaststellen zonder het land van bestemming aan te wijzen, ter ondervanging van de omstandigheid dat de terugkeer van de betrokken derdelander naar zijn land van herkomst is uitgesloten. |
|
42 |
Uit de bewoordingen van artikel 3, punt 4, van richtlijn 2008/115 volgt namelijk dat het opleggen of het uitvaardigen van een terugkeerverplichting een van de twee bestanddelen vormt van een terugkeerbesluit, waarbij een dergelijke verplichting gelet op punt 3 van dit artikel niet voorstelbaar is zonder dat er een bestemming wordt vastgesteld die een van de in dit punt 3 bedoelde landen moet zijn (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság,C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 115). |
|
43 |
Hieruit volgt met name dat het voor de bevoegde autoriteit juridisch onmogelijk is om een terugkeerbesluit te nemen zonder een land van bestemming aan te wijzen waarnaar een terugkeer kan plaatsvinden met de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement [zie in die zin arrest van 24 februari 2021, M e.a. (Overbrenging naar een lidstaat), C‑673/19, EU:C:2021:127, punten 38‑42]. |
|
44 |
In de tweede plaats zij opgemerkt dat de bevoegde autoriteit, in een situatie waarin de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 geformuleerde verplichting tot eerbiediging van het beginsel van non-refoulement eraan in de weg staat dat een terugkeerbesluit wordt vastgesteld, evenmin een besluit, zoals dat in het hoofdgeding, kan vaststellen dat is gebaseerd op het nationale recht en waarbij de betrokken derdelander wordt bevolen het grondgebied van de betrokken lidstaat te verlaten, zonder zijn verwijdering toe te staan of een lidstaat van bestemming aan te wijzen. |
|
45 |
Zoals in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, valt elke derdelander die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, behoudens de uitzonderingen van artikel 2 van richtlijn 2008/115, immers binnen de werkingssfeer van deze richtlijn, en moet hij in beginsel worden onderworpen aan de gemeenschappelijke normen en procedures waarin die richtlijn voorziet. |
|
46 |
In deze context harmoniseert die richtlijn de normen en procedures voor de vaststelling van terugkeerbesluiten die betrekking hebben op die derdelanders en voor de uitvoering van die besluiten [zie in die zin arrest van 24 februari 2021, M e.a. (Overbrenging naar een lidstaat), C‑673/19, EU:C:2021:127, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. De lidstaten mogen slechts van die harmonisatie afwijken door gunstiger bepalingen vast te stellen onder de voorwaarden van artikel 4, lid 3, van die richtlijn. |
|
47 |
Hieruit volgt dat een besluit zoals in het hoofdgeding aan de orde is, niet buiten de werkingssfeer van die richtlijn kan komen te vallen door de omstandigheid dat dat besluit de betrokken derdelander verplicht om zich hetzij naar het grondgebied van een derde land, hetzij naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven. |
|
48 |
Aangezien, ten eerste, de in dat besluit vermelde verplichting met name kan worden uitgevoerd door zich naar het grondgebied van een derde land te begeven en, ten tweede, uit artikel 3, punt 3, van richtlijn 2008/115 volgt dat het begrip „terugkeer” in de zin van die richtlijn niet alleen betrekking heeft op een gedwongen reis naar een derde land, maar ook op een reis naar een derde land door vrijwillig gevolg te geven aan een verplichting, moet een dergelijk besluit worden geacht een terugkeerverplichting in de zin van die richtlijn op te leggen. Een dergelijke terugkeerverplichting kan bijgevolg niet worden opgelegd zonder een land van bestemming aan te wijzen, daar anders de in de punten 41 tot en met 43 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten worden geschonden. |
|
49 |
Wanneer op het moment waarop wordt overwogen een terugkeerbesluit vast te stellen wordt geconstateerd dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de verwijdering van de betrokken derdelander naar een bepaald land van bestemming, verzet bovendien artikel 5 van richtlijn 2008/115 zich niet alleen tegen deze verwijdering, maar ook tegen het opleggen van een verplichting aan deze derdelander om naar dat land van bestemming terug te keren, zoals blijkt uit de punten 34 tot en met 39 van het onderhavige arrest. De enkele omstandigheid dat een besluit waarbij een dergelijke verplichting wordt opgelegd de verwijdering van de betrokkene niet mogelijk maakt, volstaat derhalve niet om dit besluit als verenigbaar met artikel 5 te kunnen beschouwen. |
|
50 |
Overigens volstaat het vast te stellen dat hoewel richtlijn 2008/115 volgens artikel 4, lid 3, ervan, onverlet laat dat de lidstaten bepalingen kunnen aannemen of handhaven die gunstiger zijn voor de personen op wie de richtlijn van toepassing is, mits deze bepalingen verenigbaar zijn met de richtlijn, een nationale regeling op grond waarvan een besluit als bedoeld in punt 44 van het onderhavige arrest kan worden vastgesteld, geen gunstiger bepaling voor deze personen vormt. |
|
51 |
In de derde plaats moet worden beklemtoond dat, wanneer in een situatie als die in het hoofdgeding is uitgesloten dat er een terugkeerbesluit wordt vastgesteld waarin het land van herkomst van de betrokkene wordt aangewezen als het land van bestemming of waarin geen land van bestemming wordt aangewezen, dit niet tot gevolg heeft dat de intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus op grond van artikel 19 van richtlijn 2011/95 haar nuttig effect verliest. |
|
52 |
Het is juist dat de bevoegde autoriteit overeenkomstig het Unierecht gerechtigd kan zijn om op grond van artikel 19, van richtlijn 2011/95 de aan een derdelander verleende subsidiairebeschermingsstatus in te trekken, zonder hem evenwel noodzakelijkerwijs naar zijn land van herkomst te mogen verwijderen [zie in die zin arrest van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663/21, EU:C:2023:540, punt 39]. |
|
53 |
Op grond van artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest is het immers volstrekt verboden om personen te onderwerpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, ongeacht het gedrag van de betrokkene, alsook om personen te verwijderen naar een staat waar er een ernstig risico bestaat dat zij aan dergelijke behandelingen worden onderworpen. Bijgevolg kunnen de lidstaten een vreemdeling niet verwijderen, uitzetten of uitleveren wanneer er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op behandelingen die door artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest verboden zijn [zie in die zin arresten van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus), C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 94, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663/21, EU:C:2023:540, punt 36]. |
|
54 |
Niettemin kan hieruit niet worden afgeleid dat wanneer is uitgesloten dat een derdelander wiens subsidiairebeschermingsstatus is ingetrokken terugkeert naar zijn land van herkomst, de toepassing van artikel 19 van richtlijn 2011/95 in de praktijk geen effect heeft. |
|
55 |
In het bijzonder heeft de intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus zelfs in dergelijke gevallen tot rechtstreeks gevolg dat de betrokken derdelander niet langer beschikt over de rechten en voordelen als bedoeld in hoofdstuk VII van richtlijn 2011/95, die verband houden met de internationale bescherming waarin die richtlijn voorziet. |
|
56 |
Bovendien zij eraan herinnerd dat richtlijn 2008/115 het overeenkomstig artikel 3, punt 3, ervan, mogelijk maakt om niet alleen een terugkeerverplichting op te leggen naar het land van herkomst van de betrokken derdelander, maar ook, krachtens het tweede en het derde streepje van dat punt 3, naar een land van doorreis overeenkomstig overnameovereenkomsten of andere regelingen, of naar een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten. |
|
57 |
Bijgevolg staat het feit dat, in een situatie als die in het hoofdgeding, is uitgesloten dat er een terugkeerbesluit wordt vastgesteld waarin het land van herkomst van de betrokkene wordt aangewezen als het land van bestemming of waarin geen land van bestemming wordt aangewezen, geenszins in de weg aan de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteit om een terugkeerbesluit vast te stellen waarin een land van bestemming wordt aangewezen dat onder het tweede of het derde streepje van artikel 3, punt 3, van richtlijn 2008/115 valt en, zo nodig, om de verwijdering van de betrokken derdelander vervolgens uit te voeren, waardoor het vertrek van de betrokken derdelander van het grondgebied van de lidstaat in kwestie aldus wordt gewaarborgd, met de volledige inachtneming van de vereisten die voortvloeien uit artikel 5 van deze richtlijn en uit het Handvest. |
|
58 |
Een dergelijk terugkeerbesluit kan in voorkomend geval bovendien gepaard gaan met een inreisverbod, binnen het door artikel 11 van die richtlijn vastgestelde kader. |
|
59 |
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 3 en 6 ervan, en met artikel 17, lid 1, en artikel 19, lid 3, onder a), van richtlijn 2011/95, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat er een terugkeerbesluit wordt vastgesteld ten aanzien van een derdelander wiens subsidiairebeschermingsstatus is ingetrokken, wanneer vaststaat dat de verwijdering van deze derdelander naar het beoogde land van bestemming is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. |
Kosten
|
60 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht: |
|
Artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, gelezen in samenhang met de artikelen 3 en 6 van die richtlijn, en met artikel 17, lid 1, en artikel 19, lid 3, onder a), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, |
|
moet aldus worden uitgelegd dat |
|
het zich ertegen verzet dat er een terugkeerbesluit wordt vastgesteld ten aanzien van een derdelander wiens subsidiairebeschermingsstatus is ingetrokken, |
|
wanneer vaststaat dat de verwijdering van deze derdelander naar het beoogde land van bestemming is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. |
|
Spineanu-Matei Lycourgos Piçarra Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 maart 2026. De griffier A. Calot Escobar De kamerpresident O. Spineanu-Matei |
( *1 ) Procestaal: Nederlands.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.