ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

20 mei 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikel 8 – Recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn – Kennisgeving van de terechtzitting en van de gevolgen van afwezigheid – Onmogelijkheid om de beklaagde te lokaliseren ondanks redelijke inspanningen van de bevoegde autoriteiten – Mogelijkheid van een verstekprocedure en een verstekvonnis – Artikel 9 – Recht op een nieuw proces, of op een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld – Gerechtelijke procedure om te bepalen of iemand recht op een nieuw proces heeft – Verplichting tot een snelle behandeling”

In zaak C‑135/25 PPU [Kachev] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) bij beslissing van 11 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 12 februari 2025, in de strafzaak tegen

M.S.T.,

in tegenwoordigheid van:

Varhovna kasatsionna prokuratura na Republika Bulgaria,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu–Matei en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 april 2025,

gelet op de opmerkingen van:

Varhovna kasatsionna prokuratura na Republika Bulgaria, vertegenwoordigd door N. Georgiev,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 2025,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een verzoek tot heropening van de strafprocedure dat door M.S.T. is ingediend naar aanleiding van het feit dat hij wegens gekwalificeerde diefstal bij verstek is veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2016/343

3

De overwegingen 33, 36 en 38 van richtlijn 2016/343 luiden als volgt:

„(33)

Het recht op een eerlijk proces is een van de grondbeginselen van een democratische samenleving. Het recht van verdachten en beklaagden om aanwezig te zijn bij de terechtzitting, is gebaseerd op dat recht en moet in de hele Unie worden gewaarborgd.

[…]

(36)

In bepaalde omstandigheden moet een beslissing over de schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde kunnen worden gegeven, zelfs wanneer de betrokkene niet bij de terechtzitting aanwezig is. Dit kan het geval zijn wanneer de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid, en desondanks niet verschijnt. Het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van de terechtzitting moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting. Het in kennis stellen van de verdachte of de beklaagde van de gevolgen van afwezigheid moet met name worden begrepen als het informeren van de betrokkene dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt.

[…]

(38)

Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, moet in voorkomend geval ook bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan betrokkene en aan de zorgvuldigheid die betrokkene heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen.”

4

Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift „Onderwerp”, bepaalt:

„Deze richtlijn bevat gemeenschappelijke minimumvoorschriften inzake:

a)

bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld in strafprocedures;

b)

het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn.”

5

Artikel 8 van deze richtlijn, met het opschrift „Recht op aanwezigheid bij proces”, bepaalt in de leden 2 en 4 ervan:

„2.   De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat:

a)

de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of

b)

de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld.

[…]

4.   Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9.”

6

Artikel 9 van deze richtlijn, met het opschrift „Recht op een nieuw proces”, luidt als volgt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer verdachten of beklaagden niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, lid 2, gestelde voorwaarden, zij recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. In dit verband waarborgen de lidstaten dat die verdachten of beklaagden het recht hebben aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel te nemen, en hun recht op verdediging uit te oefenen.”

Verordening 2018/1862

7

Artikel 34, lid 1, onder b), en c), van verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad en besluit 2010/261/EU van de Commissie (PB 2018, L 312, blz. 56), bepaalt:

„Ten behoeve van de mededeling van de woon‑ of verblijfplaats van een persoon voeren de lidstaten op verzoek van een bevoegde autoriteit in [het Schengeninformatiesysteem (SIS)] signaleringen in van:

[…]

b)

personen die door de justitiële autoriteiten in het kader van een strafprocedure zijn opgeroepen of die daartoe worden gezocht wegens feiten waarvoor zij worden vervolgd;

c)

personen aan wie een vonnis of andere documenten dienen te worden betekend in het kader van een strafprocedure wegens feiten waarvoor zij worden vervolgd”.

Bulgaars recht

8

Artikel 219, lid 3, punt 3, van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) (DV nr. 86 van 28 oktober 2005), in de op de hoofdprocedure toepasselijke versie (hierna: „NPK”), bepaalt:

„Het besluit tot inbeschuldigingstelling […] vermeldt […] de feiten waarvoor [de betrokkene] wordt vervolgd en de juridische kwalificatie van deze feiten.”

9

Artikel 247c, lid 1, NPK bepaalt:

„Op bevel van de rechter-rapporteur wordt aan de beklaagde een afschrift van de tenlastelegging betekend. Door de betekening van de tenlastelegging wordt de beklaagde in kennis gesteld van de datum van de preliminaire zitting […] alsmede van het feit dat de zaak onder de in artikel 269 bepaalde voorwaarden in zijn afwezigheid kan worden behandeld en beslecht.”

10

Volgens artikel 269 NPK:

„1.   Wanneer de beklaagde wordt beschuldigd van een ernstig strafbaar feit, is zijn aanwezigheid bij de terechtzitting verplicht.

[…]

3.   Wanneer dit niet in de weg staat aan het onderzoek naar de objectieve waarheid, kan de zaak in afwezigheid van de beklaagde worden behandeld, indien:

1)

de beklaagde zich niet op het door hem aangegeven adres bevindt of hij zijn adres heeft gewijzigd zonder de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te stellen;

2)

zijn woonplaats in Bulgarije niet bekend is en na een diepgaand onderzoek niet kon worden vastgesteld;

[…]

4)

de beklaagde zich buiten het Bulgaarse grondgebied bevindt en […] zijn woonplaats niet bekend is […]”.

11

Artikel 423, lid 1, NPK bepaalt:

„Binnen zes maanden nadat hij kennis heeft genomen van de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling […] kan de bij verstek veroordeelde persoon om heropening van de [strafprocedure] verzoeken door zich te beroepen op zijn afwezigheid in [die procedure]. Dit verzoek wordt ingewilligd, tenzij de veroordeelde na de mededeling van het ten laste gelegde in het kader van het onderzoek is ondergedoken, met als gevolg dat de procedure van artikel 247 c, lid 1, niet kon worden uitgevoerd, of de veroordeelde na de uitvoering van de procedure zonder geldige reden niet ter terechtzitting is verschenen.”

Hoofdprocedure en prejudiciële vragen

12

Op 5 februari 2024 is aan M.S.T. en de hem ambtshalve toegevoegde advocaat een overeenkomstig artikel 219 NPK opgestelde tenlastelegging (hierna: „voorlopige tenlastelegging”) betekend in verband met een gekwalificeerde diefstal die in oktober 2023 zou zijn gepleegd. Op grond van de voorlopige tenlastelegging moest M.S.T. periodiek een handtekening plaatsen in een door de politie van zijn woonplaats bijgehouden register. Bovendien werd hem meegedeeld dat hij deze woonplaats niet mocht verlaten en zich bij de autoriteiten diende te melden indien hij daartoe werd opgeroepen.

13

Tijdens de onderzoeksfase is M.S.T. verhoord en heeft hij een adres opgegeven waarop de autoriteiten contact met hem konden opnemen. Tevens heeft hij verklaard te zijn geïnformeerd over de verplichting om in geval van veroordeling de kosten in verband met de aanwijzing van de hem ambtshalve toegevoegde advocaat te betalen.

14

Op 28 februari 2024 heeft de openbaar aanklager overeenkomstig artikel 246 NPK een tenlastelegging tegen M.S.T. uitgebracht en de zaak aanhangig gemaakt bij de Rayonen sad Montana (rechter in eerste aanleg Montana, Bulgarije). Het ten laste gelegde kwam feitelijk en rechtens overeen met de feiten die ten laste waren gelegd in de voorlopige tenlastelegging in de onderzoeksfase.

15

De Rayonen sad Montana heeft een kennisgeving van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting gestuurd naar het adres dat M.S.T. in de onderzoeksfase had opgegeven. Deze kennisgeving werd echter geretourneerd, vergezeld van een mededeling van de bevoegde functionaris dat M.S.T. blijkens de door zijn familieleden verstrekte informatie in Duitsland werkzaam was.

16

Vervolgens heeft deze rechter getracht om M.S.T. in persoon te dagvaarden onder meer door te gelasten dat hij telefonisch werd opgeroepen op een door hem opgegeven telefoonnummer, door zijn grensoverschrijdende verplaatsingen na te gaan en door de politie te bevelen hem op te sporen. Deze zoektocht heeft echter geen vruchten afgeworpen, aangezien uit de ingewonnen informatie bleek dat M.S.T. Bulgarije op 16 februari 2024 had verlaten.

17

De Rayonen sad Montana heeft de tegen M.S.T. uitgebrachte tenlastelegging in zijn afwezigheid onderzocht. De ambtshalve toegevoegde advocaat die hem tijdens de onderzoeksfase had bijgestaan, heeft aan de procedure bij deze rechter deelgenomen.

18

Op 8 mei 2024 is M.S.T. door deze rechter bij verstek veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. Het vonnis is op 24 mei 2024 onherroepelijk geworden en M.S.T. zit sinds 16 juni 2024 zijn straf uit.

19

M.S.T. heeft bij de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije), die tevens de verwijzende rechter is, een verzoek ingediend tot heropening van de strafprocedure die tot zijn verstekvonnis had geleid.

20

Volgens deze rechterlijke instantie wordt artikel 423, lid 1, NPK volgens vaste rechtspraak aldus uitgelegd dat een bij verstek veroordeelde persoon geen recht heeft op een nieuw proces wanneer de rechter die het vonnis heeft gewezen de vereiste procedurele stappen heeft ondernomen om hem tijdig in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn terechtzitting, maar die persoon na ontvangst van een in de onderzoeksfase tegen hem uitgebrachte voorlopige tenlastelegging is ondergedoken, de aanklacht tegen die persoon sindsdien niet wezenlijk, feitelijk of rechtens, is gewijzigd en die persoon is vertegenwoordigd door een ambtshalve toegevoegde advocaat.

21

Daar de verwijzende rechter van oordeel is dat een veroordeelde persoon zich niet zou mogen kunnen beroepen op het feit dat hij als gevolg van zijn eigen onregelmatige gedrag niet is verschenen, meent hij dat een persoon die is ondergedoken, een veiligheidsmaatregel heeft overtreden of het aan de autoriteiten opgegeven adres onrechtmatig heeft verlaten, geen recht zou moeten hebben op een nieuw proces. Op basis van deze redenering concludeert de verwijzende rechter dat de Bulgaarse regeling, zoals hij deze uitlegt, in overeenstemming is met het Unierecht en in het bijzonder met artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn 2016/343.

22

De verwijzende rechter vraagt zich echter af of deze uitlegging van de nationale regeling verenigbaar is met de uitlegging die het Hof aan de artikelen 8 en 9 van deze richtlijn heeft gegeven in de arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), en 16 januari 2025, Stangalov (C‑644/23, EU:C:2025:16). Met name vraagt hij zich af of de betekening van een voorlopige tenlastelegging op één lijn kan worden gesteld met de kennisneming door de betrokkene van het feit dat er een proces tegen hem zal worden gevoerd en van de rechtsgevolgen van onderduiken voordat hij aan de strafrechter wordt voorgeleid.

23

In deze omstandigheden heeft de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Is een nationale regeling als artikel 423, lid 1, tweede volzin, [NPK], die de heropening van een strafzaak uitsluit en een bij verstek veroordeelde persoon het recht op een nieuw proces ontzegt wanneer deze persoon is ondergedoken nadat de [voorlopige] tenlastelegging persoonlijk aan hem is uitgebracht in het kader van de onderzoeksprocedure, waardoor de rechter hem niet in kennis heeft kunnen stellen van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting noch van de gevolgen van zijn niet-verschijnen, te weten dat de zaak in zijn afwezigheid kan worden behandeld en berecht, verenigbaar met de Unierechtelijke vereisten van artikel 8, lid 4, en artikel 9 van [richtlijn 2016/343]?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, kan de nationale rechter dan overeenkomstig het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel oordelen dat de bij verstek veroordeelde geen recht heeft op een nieuw proces wanneer:

de rechter alle redelijke inspanningen heeft geleverd om hem in kennis te stellen van het proces, maar hij ondanks het feit dat hij er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus wist dat er tegen hem een proces zou worden gevoerd, willens en wetens ervoor heeft gezorgd dat hij niet officieel in kennis kon worden gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting door het adres te verlaten waar hij moest voldoen aan de in het kader van de onderzoeksprocedure jegens hem genomen veiligheidsmaatregel, te weten de verplichting om periodiek een handtekening te plaatsen in een door de politie van zijn woonplaats bijgehouden register;

de krachtens artikel 246 [NPK] opgestelde tenlastelegging en het document met het tijdstip en de plaats van de terechtzitting zijn verstuurd naar en daadwerkelijk zijn bezorgd op het adres dat de veroordeelde na ontvangst van de in artikel 219 [NPK] bedoelde voorlopige tenlastelegging aan de met het onderzoek belaste autoriteiten heeft meegedeeld, gelet op het feit dat de tenlastelegging en de in het kader van de onderzoeksprocedure opgestelde voorlopige tenlastelegging zowel feitelijk als rechtens met elkaar overeenkomen [en]

de veroordeelde gedurende de gehele gerechtelijke procedure die in zijn afwezigheid is gevoerd, werd vertegenwoordigd door een ambtshalve toegevoegde advocaat?”

Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure

24

De verwijzende rechter heeft verzocht om de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de in artikel 23 bis, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bedoelde prejudiciële spoedprocedure.

25

Tot staving van dit verzoek stelt de verwijzende rechter dat M.S.T. de hem bij verstek opgelegde gevangenisstraf uitzit en dat zijn invrijheidsstelling zou kunnen worden gelast indien de strafprocedure die tot deze veroordeling heeft geleid, zou worden heropend. Verder licht hij toe dat een nieuwe strafprocedure zou kunnen leiden tot een strafrechtelijke transactie, in het kader waarvan aan M.S.T. een lagere straf zou kunnen worden opgelegd dan de wettelijke minimumstraf die op gekwalificeerde diefstal staat.

26

In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat de onderhavige prejudiciële verwijzing betrekking heeft op de uitlegging van richtlijn 2016/343, die onder titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, valt. Deze verwijzing kan derhalve worden behandeld volgens de prejudiciële spoedprocedure.

27

Wat in de tweede plaats het criterium van spoedeisendheid betreft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat aan dit criterium is voldaan indien aan de betrokkene in de hoofdprocedure op de datum van indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing zijn vrijheid is ontnomen en het van de beslechting van die procedure afhangt of zijn detentie wordt voortgezet (arrest van 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28

In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat M.S.T. zijn vrijheid is ontnomen, dat heropening van de strafprocedure die tot zijn veroordeling bij verstek heeft geleid ertoe zou kunnen leiden dat hij in afwachting van een nieuw proces in vrijheid wordt gesteld, en dat de gestelde vragen tot doel hebben om uit te maken of een dergelijke heropening in de hoofdprocedure moet worden gelast.

29

In die omstandigheden heeft de Derde kamer van het Hof op 26 februari 2025 overeenkomstig artikel 108, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten om het verzoek om de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure, in te willigen.

Prejudiciële vragen

30

Met zijn twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat krachtens een nationale regeling betreffende ondergedoken beklaagden het recht op een nieuw proces wordt ontzegd aan een bij verstek veroordeelde persoon die daar om heeft verzocht wanneer

ten eerste, de bevoegde autoriteiten inspanningen hebben geleverd om deze persoon in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn terechtzitting, ofschoon hij in strijd met een hem opgelegde veiligheidsmaatregel was ondergedoken nadat hij een voorlopige tenlastelegging had ontvangen;

ten tweede, de tenlastelegging en een document met het tijdstip en de plaats van de terechtzitting hem zijn toegezonden en daadwerkelijk zijn bezorgd op het adres dat hij aan die autoriteiten had opgegeven na ontvangst van de voorlopige tenlastelegging, waarvan de inhoud overeenkomt met de tenlastelegging voor wat betreft de ten laste gelegde feiten en de juridische kwalificatie van die feiten, en

ten derde, deze persoon gedurende de gehele gerechtelijke procedure, die in zijn afwezigheid is gevoerd, door een ambtshalve toegevoegde advocaat is vertegenwoordigd.

31

Er zij aan herinnerd dat richtlijn 2016/343 volgens artikel 1 ervan beoogt gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen inzake bepaalde aspecten van strafprocedures, waaronder het „recht […] bij de terechtzitting aanwezig te zijn”. Zoals uitdrukkelijk wordt bevestigd in overweging 33 van deze richtlijn, maakt dit recht integrerend deel uit van het grondrecht op een eerlijk proces [arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 25, en 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 34].

32

Krachtens artikel 8 van richtlijn 2016/343 kunnen de lidstaten evenwel onder bepaalde voorwaarden bepalen dat een verstekprocedure kan plaatsvinden, met dien verstande dat wanneer een dergelijk proces wordt gevoerd ook al is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die richtlijn, de betrokkene volgens artikel 8, lid 4, en artikel 9 van die richtlijn – die rechtstreekse werking hebben – recht heeft op „een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld […] en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing” (hierna: „recht op een nieuw proces”) [zie in die zin arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punten 2628, en 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 35].

33

Hieruit volgt dat een bij verstek veroordeelde persoon slechts het recht op een nieuw proces kan worden ontzegd indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 [arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 31, en 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 36].

34

In dit verband moet worden opgemerkt dat de punten a) en b) van artikel 8, lid 2, alternatief van toepassing zijn en dat zij elk twee cumulatieve voorwaarden bevatten, waarvan de eerste vereist dat de betrokkene in kennis is gesteld van zijn terechtzitting.

35

Zoals uit overweging 38 van deze richtlijn blijkt, moet bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan, bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan de bij verstek veroordeelde persoon enerzijds en aan de zorgvuldigheid die deze persoon heeft betracht om de aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen anderzijds. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan, is dus van belang of er duidelijke en objectieve aanwijzingen zijn dat hij er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zou worden gevoerd, maar willens en wetens ervoor zorgt dat hij niet officieel in kennis kan worden gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. Zo kan bijvoorbeeld worden vastgesteld dat er van dergelijke duidelijke en objectieve aanwijzingen sprake is wanneer de betrokkene willens en wetens een onjuist adres aan de bevoegde instanties heeft meegedeeld of zich niet meer bevindt op het door hem aan hen meegedeelde adres [zie in die zin arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punten 4850, en 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 38].

36

Met name kan een bij verstek veroordeelde worden geacht over voldoende informatie te beschikken om te weten dat er tegen hem een proces zou worden gevoerd, wanneer hij een voorlopige tenlastelegging heeft ontvangen waarvan de inhoud, wat betreft de ten laste gelegde feiten en de juridische kwalificatie van die feiten, overeenkomt met de definitieve tenlastelegging die tegen hem is uitgebracht (zie in die zin arrest van 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 39).

37

Hieruit volgt dat wanneer de betrokkene na ontvangst van een dergelijke voorlopige tenlastelegging is ondergedoken, de lidstaten ervan uit mogen gaan dat de tijdige verzending door de bevoegde autoriteiten van het officiële document met het tijdstip en de plaats van de terechtzitting naar het adres dat de betrokkene tijdens het onderzoek van de zaak aan die autoriteiten heeft meegedeeld, en het bewijs dat dit document daadwerkelijk op dat adres is bezorgd, gelijkstaan met de kennisgeving aan die persoon van dat tijdstip en die plaats overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343. Dit kan echter alleen het geval zijn als die autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de betrokkene te lokaliseren en hem persoonlijk op te roepen of hem anderszins officieel in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, zoals bedoeld in overweging 36 van die richtlijn. In dat geval wordt de betrokkene geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting [zie in die zin arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 48, en 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 42].

38

Aan de tweede voorwaarde om de bij verstek veroordeelde het recht op een nieuw proces te kunnen ontzeggen, kan worden voldaan indien die persoon hetzij overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder a), en lid 4, van richtlijn 2016/343 tijdig in kennis is gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid, hetzij overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder b), en lid 4, van die richtlijn ter terechtzitting is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door hemzelf ofwel door de staat is aangesteld.

39

In dit verband moet worden onderstreept dat hoewel de betrokkene in kennis kan worden gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid wanneer hij voor de terechtzitting wordt opgeroepen, niet kan worden uitgesloten dat deze informatie hem wellicht reeds in een eerdere fase van de strafprocedure is meegedeeld. Dit kan met name het geval zijn wanneer aan een persoon tegen wie een voorlopige tenlastelegging is uitgebracht, tijdens de onderzoeksfase duidelijk te kennen is gegeven dat hij het risico loopt om in zijn afwezigheid te worden berecht indien hij zich aan de bevoegde autoriteiten onttrekt, bijvoorbeeld door de hem opgelegde veiligheidsmaatregelen te schenden of niet langer bereikbaar te zijn op het adres dat hij aan die autoriteiten heeft meegedeeld (zie in die zin arrest van 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 51).

40

Wanneer de betrokkene daarentegen niet tijdig en daadwerkelijk – en op zodanige wijze dat met zekerheid vaststaat dat de informatie is verstrekt en daadwerkelijk door hem is ontvangen – is geïnformeerd over de gevolgen van zijn afwezigheid op de terechtzitting, kan niet worden aangenomen dat aan de tweede voorwaarde van artikel 8, lid 2, onder a), van richtlijn 2016/343 is voldaan. Er is dus geen enkele omstandigheid denkbaar waarin de betrokkene eenvoudigweg wordt geacht die informatie te hebben ontvangen, zelfs niet wanneer hij is ondergedoken vóór het stadium van de procedure waarin die informatie hem normaliter overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften had moeten worden verstrekt. De verdachte of beklaagde die weet heeft van het feit dat hij in staat van beschuldiging is gesteld, kan namelijk weliswaar redelijkerwijs worden geacht te kunnen weten dat er waarschijnlijk een proces tegen hem zal worden gevoerd, maar deze kennis alleen stelt hem niet in staat te begrijpen wat de gevolgen zijn van zijn afwezigheid op dat proces.

41

Wat verder de vertegenwoordiging door een gemachtigde advocaat aangaat, moet worden gepreciseerd dat het bestaan van een „machtiging” in de zin van artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343 vereist dat de betrokkene zelf aan een advocaat, in voorkomend geval die welke hem ambtshalve is toegevoegd, de taak heeft toevertrouwd om hem bij zijn proces te vertegenwoordigen [zie in die zin arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 56].

42

Wanneer de betrokkene dus niet tijdig in kennis is gesteld van zijn terechtzitting of wanneer hij van de terechtzitting in kennis is gesteld of geacht wordt daarvan in kennis te zijn gesteld, maar niet is geïnformeerd over de gevolgen van zijn afwezigheid en hij op dat proces evenmin door een gemachtigde advocaat is vertegenwoordigd, heeft hij in beginsel vanaf het moment dat hij kennis krijgt van het verstekvonnis recht op een nieuw proces [zie in die zin arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 31, en 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 37].

43

In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter van oordeel is dat het feit dat de bij verstek veroordeelde persoon is ondergedoken nadat hij een voorlopige tenlastelegging had ontvangen, op zich rechtvaardigt dat hem het in die richtlijn bedoelde recht op een nieuw proces wordt ontzegd, aangezien zijn afwezigheid bij het proces uiteindelijk het gevolg is van zijn eigen onrechtmatige gedrag.

44

Evenwel moet ten eerste worden geconstateerd dat, zoals in punt 37 van dit arrest is onderstreept, de omstandigheid dat een veroordeelde persoon is ondergedoken nadat hij een voorlopige tenlastelegging had ontvangen, de conclusie dat hij geacht wordt in kennis te zijn gesteld van zijn terechtzitting slechts wettigt wanneer de bevoegde autoriteiten daarnaast ook redelijke inspanningen hebben geleverd om hem te lokaliseren en in persoon te dagvaarden dan wel hem anderszins officieel in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van die terechtzitting.

45

Ten tweede moet, zoals uit de punten 33, 34 en 38 van dit arrest blijkt, ook wanneer iemand wordt geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting, tevens zijn voldaan aan de tweede voorwaarde van hetzij artikel 8, lid 2, onder a), hetzij artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343, wil hem het recht op een nieuw proces overeenkomstig artikel 8, lid 4, van die richtlijn rechtsgeldig kunnen worden ontzegd (zie in die zin arrest van 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 43).

46

Gelet op de hierboven in de punten 38 tot en met 41 uiteengezette vereisten die uit deze tweede voorwaarde voortvloeien, kan niet worden aangenomen dat aan deze voorwaarde is voldaan louter doordat de betrokkene vóór zijn terechtzitting is ondergedoken. Ook de omstandigheid dat het onderduiken van deze persoon in de praktijk heeft verhinderd dat hij in kennis werd gesteld van deze terechtzitting en van de gevolgen van zijn eventuele afwezigheid, volstaat niet om aan deze vereisten te voldoen.

47

Uit het voorgaande volgt dat een uitlegging van de in de hoofdprocedure centraal staande Bulgaarse regeling op de wijze als bedoeld in punt 43 van dit arrest niet verenigbaar zou zijn met richtlijn 2016/343.

48

Het is echter niet uitgesloten dat deze regeling anders kan worden uitgelegd dan de verwijzende rechter tot dusverre heeft gedaan. Het staat derhalve aan deze rechter om te bepalen of voornoemde regeling aldus kan worden uitgelegd dat de uitsluiting van het recht op een nieuw proces kan worden beperkt tot de gevallen waarin aan alle voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 is voldaan. Voor zover het onmogelijk is om deze regeling in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht uit te leggen, dient deze rechter, gelet op de rechtstreekse werking van artikel 8, lid 4, en artikel 9 van deze richtlijn – zoals in punt 32 van dit arrest in herinnering is gebracht –, elke met deze Unierechtelijke bepalingen strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande intrekking van die nationale bepaling hoeft te vragen of af te wachten (zie in die zin arrest van 16 januari 2025, Stangalov, C‑644/23, EU:C:2025:16, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49

In dat geval zou de verwijzende rechter dus zelf moeten onderzoeken of in de situatie die in de hoofdprocedure aan de orde is al dan niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343.

50

Wat in de eerste plaats de vraag betreft of M.S.T. kan worden geacht in kennis te zijn gesteld van zijn terechtzitting, dient de verwijzende rechter zich te baseren op de aanwijzingen die hem in de punten 34 tot en met 37 van het onderhavige arrest zijn verstrekt.

51

Tegen deze achtergrond lijkt het feit dat de betrokken persoon een voorlopige tenlastelegging had ontvangen en een daarbij opgelegde veiligheidsmaatregel heeft geschonden door het aan de onderzoeksautoriteiten opgegeven adres te verlaten zonder hen van zijn vertrek in kennis te stellen, a priori een duidelijke en objectieve aanwijzing te vormen dat de betrokkene, in de wetenschap dat tegen hem een proces zou worden gevoerd, willens en wetens ervoor heeft gezorgd dat hij geen officiële informatie over het tijdstip en de plaats van die terechtzitting kon ontvangen.

52

De omstandigheid dat de tenlastelegging en een document met het tijdstip en de plaats van de geplande terechtzitting zijn betekend op het adres dat M.S.T. aan de onderzoeksautoriteiten had opgegeven na ontvangst van de voorlopige tenlastelegging, waarvan de inhoud overeenkomt met de tenlastelegging voor wat betreft de ten laste gelegde feiten en de juridische kwalificatie van die feiten, wettigt derhalve de conclusie dat de betrokkene geacht wordt in kennis te zijn gesteld van deze terechtzitting, op voorwaarde echter dat de bevoegde autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om hem te lokaliseren en hem in persoon te dagvaarden of hem anderszins officieel in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van die terechtzitting.

53

Wat meer specifiek laatstgenoemde verplichting aangaat, lijken stappen zoals die in punt 16 van dit arrest zijn vermeld zeker te kunnen bijdragen tot het lokaliseren van de betrokken persoon.

54

Om te bepalen of in de hoofdprocedure aan deze verplichting is voldaan, moet de verwijzende rechter echter nagaan of de bevoegde autoriteiten over andere doeltreffende middelen beschikten om M.S.T. te lokaliseren en of zij verzuimd hebben die middelen aan te wenden, hoewel zij dat redelijkerwijs wel hadden kunnen doen.

55

In dit verband zij er met name op gewezen dat de lidstaten op grond van artikel 34, lid 1, onder b) en c), van verordening 2018/1862 ten behoeve van de mededeling van de woon‑ of verblijfplaats van een persoon signaleringen in het SIS kunnen invoeren van, ten eerste, personen die door de justitiële autoriteiten in het kader van een strafprocedure zijn opgeroepen of die daartoe worden gezocht wegens feiten waarvoor zij worden vervolgd, en, ten tweede, personen aan wie documenten dienen te worden betekend in het kader van een strafprocedure wegens dergelijke feiten.

56

In het licht van het belang van de invoering van een dergelijke signalering om informatie over een persoon in een andere lidstaat te verkrijgen, moet worden geoordeeld dat wanneer de bevoegde autoriteiten, zoals in casu het geval lijkt te zijn, over informatie beschikken waaruit blijkt dat een persoon aan wie zij een tenlastelegging alsmede een document met het tijdstip en de plaats van zijn terechtzitting willen betekenen, zich naar een andere lidstaat heeft begeven, deze autoriteiten een signalering in het SIS moeten invoeren volgens artikel 34 van verordening 2018/1862, willen zij geacht worden „redelijke inspanningen” in de zin van punt 52 van dit arrest te hebben geleverd.

57

Wat in de tweede plaats de tweede voorwaarde betreft waaraan moet zijn voldaan om een bij verstek veroordeelde het recht op een nieuw proces te kunnen ontzeggen, zij ten eerste opgemerkt dat noch uit de gegevens in de tweede vraag noch, meer in het algemeen, uit de weergave van de hoofdprocedure in de verwijzingsbeslissing naar voren komt dat de gestelde vragen betrekking hebben op een situatie waarin de veroordeelde persoon op enigerlei wijze tijdig is geïnformeerd over de gevolgen van zijn afwezigheid, zoals artikel 8, lid 2, onder a), van richtlijn 2016/343 vereist.

58

Met name stelt de verwijzende rechter niet dat de voorlopige tenlastelegging die aan M.S.T. is betekend informatie bevat over de gevolgen van zijn eventuele afwezigheid op terechtzitting. Blijkens de bewoordingen van de eerste vraag wenst deze rechter juist een antwoord van het Hof te verkrijgen over een situatie waarin het onderduiken van de bij verstek veroordeelde heeft belet dat hem die informatie werd verstrekt.

59

Ten tweede zij met betrekking tot de voorwaarde dat de bij verstek veroordeelde door een daartoe gemachtigde advocaat moet zijn vertegenwoordigd, verwezen naar de in punt 41 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof dat de enkele omstandigheid dat een bij verstek veroordeelde gedurende de gehele gerechtelijke procedure die in zijn afwezigheid is gevoerd, door een ambtshalve toegevoegde advocaat is verdedigd, niet volstaat om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343.

60

Het is inderdaad een feit dat de situatie in de hoofdprocedure zich onderscheidt van de situatie die aanleiding heeft gegeven tot de arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), en 16 januari 2025, Stangalov (C‑644/23, EU:C:2025:16). In die zaken had de beklaagde namelijk geen enkel contact met zijn ambtshalve toegevoegde advocaat gehad, terwijl uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens naar voren komt dat de advocaat die M.S.T. bij de strafrechter heeft verdedigd, hem reeds voordat hij onderdook ambtshalve was toegevoegd teneinde hem in de onderzoeksfase bij te staan. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat deze advocaat toen contact heeft gehad met M.S.T.

61

Evenwel kan alleen wanneer iemand het doelbewust aan de advocaat heeft overgelaten om zijn verdediging voor de strafrechter te voeren, hetgeen veronderstelt dat hij die advocaat specifiek heeft aangewezen om hem buiten zijn aanwezigheid op het proces te vertegenwoordigen, uit de vertegenwoordiging door een advocaat worden afgeleid dat die persoon, die bij verstek is berecht, vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn.

62

Hieruit volgt dat contacten tussen de bij verstek veroordeelde persoon en een ambtshalve toegevoegde advocaat die uitsluitend tijdens de onderzoeksfase hebben plaatsgevonden, niet genoegzaam aantonen dat die persoon gedurende zijn verstekprocedure is vertegenwoordigd „door een gemachtigde advocaat” in de zin van artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343.

63

Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of uit de aan hem overgelegde gegevens blijkt dat M.S.T. zijn ambtshalve toegevoegde advocaat ondubbelzinnig heeft opgedragen om hem in zijn afwezigheid te verdedigen ten overstaan van de strafrechter.

64

Los van de voorgaande overwegingen moet bovendien in herinnering worden geroepen dat richtlijn 2016/343 zich er niet tegen verzet dat een lidstaat een procedurele regeling invoert die vereist dat bij verstek veroordeelde personen die belang hebben bij een heropening van de strafprocedure, daartoe een verzoek indienen bij een andere rechterlijke instantie dan de rechter die de beslissing bij verstek heeft gegeven. Die andere rechter moet nagaan of de voorwaarde voor het recht op een nieuw proces is nageleefd, namelijk dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die richtlijn. Een dergelijke regeling is verenigbaar met die richtlijn voor zover, ten eerste, de procedure voor het verzoek tot heropening het daadwerkelijk mogelijk maakt om een nieuw proces plaats te laten vinden in alle gevallen waarin, na verificatie, vaststaat dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die richtlijn, en, ten tweede, de bij verstek veroordeelde persoon, wanneer hij in kennis wordt gesteld van zijn veroordeling, ook in kennis wordt gesteld van het bestaan van die procedure [zie in die zin arrest van 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces), C‑400/23, EU:C:2025:14, punt 46].

65

De invoering van een procedure tot heropening van de strafprocedure, zoals de in de hoofdprocedure aan de orde zijnde procedure, die op zich geen nieuw proces inhoudt maar wel tot een dergelijk proces kan leiden, is derhalve niet in strijd met richtlijn 2016/343, mits wordt nagegaan of aan de in het voorgaande punt genoemde voorwaarden is voldaan en mits die procedure voldoet aan alle uit het doeltreffendheidsbeginsel voortvloeiende vereisten en bovendien het gelijkwaardigheidsbeginsel eerbiedigt [zie in die zin arrest van 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces), C‑400/23, EU:C:2025:14, punt 57].

66

In dit verband zij eraan herinnerd dat het doeltreffendheidsbeginsel onder meer vereist dat de bij verstek veroordeelde persoon, wanneer hij in kennis wordt gesteld van zijn veroordeling of snel daarna, een afschrift ontvangt van de volledige bij verstek gegeven beslissing en wordt geïnformeerd over zijn procedurele rechten, met inbegrip van de mogelijkheid om een verzoek tot heropening van de strafprocedure in te dienen, en over de rechter bij wie en de termijn waarbinnen dat verzoek moet worden ingediend [zie in die zin arrest van 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces), C‑400/23, EU:C:2025:14, punt 61].

67

Het doeltreffendheidsbeginsel impliceert tevens dat elke procedure betreffende een verzoek om een nieuw proces zodanig wordt ingericht dat dit verzoek snel wordt behandeld, opdat zo spoedig mogelijk wordt vastgesteld of het proces bij verstek heeft plaatsgevonden zonder dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343. Wanneer een lidstaat een procedureregeling invoert waarin op het tijdstip waarop de betrokkene in kennis wordt gesteld van het bestaan van een tegen hem bij verstek uitgesproken veroordeling nog niet is vastgesteld of die veroordeling is uitgesproken zonder dat was voldaan aan die voorwaarden, vereist het doeltreffendheidsbeginsel dat die lidstaat ervoor zorgt dat dit onderzoek snel na de indiening van het verzoek om een nieuw proces plaatsvindt [zie in die zin arrest van 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces), C‑400/23, EU:C:2025:14, punt 63].

68

Met name in gevallen zoals die van de hoofdprocedure, waarin de behandeling van het verzoek tot heropening van de strafprocedure plaatsvindt terwijl de betrokkene de vrijheidsstraf uitzit waartoe hij is veroordeeld, is het voor de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel noodzakelijk dat de beslissing op dat verzoek tot heropening zo snel mogelijk wordt genomen [zie in die zin arrest van 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces), C‑400/23, EU:C:2025:14, punten 64 en 65].

69

Dit vereiste om zo snel mogelijk een beslissing te nemen beoogt te waarborgen dat de grondrechten van een bij verstek veroordeelde persoon worden geëerbiedigd, namelijk door te voorkomen dat deze persoon gedurende een langere periode in detentie kan worden gehouden wegens een in zijn afwezigheid uitgesproken straf, terwijl nog niet is vastgesteld of er over zijn schuld en de hem opgelegde straf is beslist met inachtneming van het recht op een eerlijk proces, zoals de Uniewetgever dat heeft geconcretiseerd in richtlijn 2016/343.

70

Bovendien beschikken de justitiële autoriteiten van de betrokken lidstaat op de datum van het verstekvonnis normaal gesproken over de benodigde informatie om te kunnen beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 is voldaan, zodat de rechter bij wie een verzoek tot heropening van de strafprocedure is ingediend in staat moet worden geacht binnen een korte tijdsspanne op dit verzoek te beslissen.

71

Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staan dat een nationale regeling betreffende ondergedoken beklaagden het recht op een nieuw proces ontzegt aan een bij verstek veroordeelde persoon die daar om heeft verzocht wanneer

ten eerste, de bevoegde autoriteiten inspanningen hebben geleverd om die persoon in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn terechtzitting, ofschoon hij na ontvangst van een voorlopige tenlastelegging in strijd met een hem opgelegde veiligheidsmaatregel was ondergedoken;

ten tweede, de tenlastelegging en een document met het tijdstip en de plaats van de terechtzitting aan hem zijn toegezonden en daadwerkelijk zijn bezorgd op het adres dat hij aan die autoriteiten had opgegeven na ontvangst van de voorlopige tenlastelegging, waarvan de inhoud overeenkomt met de tenlastelegging voor wat betreft de ten laste gelegde feiten en de juridische kwalificatie van die feiten, en

ten derde, die persoon gedurende de gehele gerechtelijke procedure die buiten zijn aanwezigheid is gevoerd, door een ambtshalve toegevoegde advocaat is vertegenwoordigd,

mits deze autoriteiten redelijkerwijs alles in het werk hebben gesteld om de bij verstek veroordeelde persoon vóór zijn terechtzitting op te sporen en die persoon bovendien hetzij tijdig in kennis is gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid, hetzij de hem ambtshalve toegevoegde advocaat ondubbelzinnig heeft gemachtigd om hem in zijn afwezigheid te vertegenwoordigen ten overstaan van de strafrechter.

Kosten

72

Ten aanzien van de partijen in de hoofdprocedure is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

De artikelen 8 en 9 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn

 

moeten aldus worden uitgelegd dat

 

zij niet eraan in de weg staan dat een nationale regeling betreffende ondergedoken beklaagden het recht op een nieuw proces ontzegt aan een bij verstek veroordeelde persoon die daar om heeft verzocht wanneer

 

ten eerste, de bevoegde autoriteiten inspanningen hebben geleverd om die persoon in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn terechtzitting, ofschoon hij na ontvangst van een voorlopige tenlastelegging in strijd met een hem opgelegde veiligheidsmaatregel was ondergedoken;

ten tweede, de tenlastelegging en een document met het tijdstip en de plaats van de terechtzitting aan hem zijn toegezonden en daadwerkelijk zijn bezorgd op het adres dat hij aan die autoriteiten had opgegeven na ontvangst van de voorlopige tenlastelegging, waarvan de inhoud overeenkomt met de tenlastelegging voor wat betreft de ten laste gelegde feiten en de juridische kwalificatie van die feiten, en

ten derde, die persoon gedurende de gehele gerechtelijke procedure die buiten zijn aanwezigheid is gevoerd, door een ambtshalve toegevoegde advocaat is vertegenwoordigd,

 

mits deze autoriteiten redelijkerwijs alles in het werk hebben gesteld om de bij verstek veroordeelde persoon vóór zijn terechtzitting op te sporen en die persoon bovendien hetzij tijdig in kennis is gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid, hetzij de hem ambtshalve toegevoegde advocaat ondubbelzinnig heeft gemachtigd om hem in zijn afwezigheid te vertegenwoordigen ten overstaan van de strafrechter.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.