ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

12 februari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 267 VWEU – Beginsel van voorrang van het Unierecht – Vermeende onverenigbaarheid van het nationale recht met de nationale grondwet en het Unierecht – Voorwaarden voor aanhangigmaking van een zaak bij een grondwettelijk hof – Met redenen omklede beoordeling van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht – Voorafgaand verzoek aan het Hof om een prejudiciële beslissing – Artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Vaststelling van het op het geding toepasselijke nationale recht – Inhoud van het verzoek om een prejudiciële beslissing – Verplichting of bevoegdheid tot voorafgaande aanhangigmaking van de zaak bij een grondwettelijk hof voordat het Hof wordt verzocht om een prejudiciële beslissing – Geen”

In zaak C‑56/25 [Petlichev] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 29 januari 2025, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de strafprocedure tegen

MA,

in tegenwoordigheid van:

Sofiyska gradska prokuratura,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher en E. Rousseva als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 267 VWEU, het beginsel van voorrang van het Unierecht en artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen MA wegens het bezit van verdovende middelen met het oog op de distributie ervan.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Reglement voor de procesvoering van het Hof

3

Artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, met als opschrift „Inhoud van het verzoek om een prejudiciële beslissing”, bepaalt:

„Naast de tekst van de prejudiciële vragen die aan het Hof worden gesteld, bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing:

[…]

b)

de inhoud van de nationale bepalingen die op de zaak van toepassing kunnen zijn en, in voorkomend geval, de relevante nationale rechtspraak;

[…]”

Kaderbesluit 2004/757/JBZ

4

Artikel 4 van kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB 2004, L 335, blz. 8), met als opschrift „Sancties”, bepaalt in lid 1:

„Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 2 bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met een maximumstraf van ten minste 1 tot 3 jaar gevangenis. ”

Bulgaars recht

5

Artikel 150, lid 2, van de Konstitutsia na Republika Bulgaria (grondwet van de Republiek Bulgarije), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „Bulgaarse grondwet”), bepaalt:

„Elke rechterlijke instantie kan op verzoek van een justitiabele of ambtshalve de Konstitutsionen sad [(grondwettelijk hof, Bulgarije)] verzoeken vast te stellen dat een in een concreet geval toepasselijke wet onverenigbaar is met de grondwet. De procedure in de zaak wordt voortgezet en de rechterlijke instantie waarvan de beslissing definitief is, doet uitspraak nadat de procedure bij de Konstitutsionen sad is afgesloten.”

6

Artikel 18, lid 3, van de Pravilnik za organizatsiata na deynostta na Konstitutsionnia sad (reglement voor de procesvoering van het grondwettelijk hof), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „reglement voor de procesvoering van het grondwettelijk hof”), bepaalt:

„Een verzoek van de Varhoven kasatsionen sad [(hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije)] of de Varhoven administrativen sad [(hoogste bestuursrechter, Bulgarije)] in het kader van een bij hen aanhangige procedure moet een met redenen omklede beoordeling van het toepasselijke recht bevatten, met inbegrip van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht wanneer de bestreden bepaling of handeling binnen de werkingssfeer daarvan valt.”

7

Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat artikel 18, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van het grondwettelijk hof ook van toepassing is wanneer een gewone rechter een verzoek indient bij de Konstitutsionen sad.

8

Artikel 354a van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:

„(1)   Eenieder die zonder passende toestemming verdovende middelen of daarmee gelijkgestelden stoffen vervaardigt, verwerkt, verwerft of in bezit heeft met het oog op de distributie ervan, of verdovende middelen of daarmee gelijkgestelden stoffen distribueert, wordt voor zeer gevaarlijke verdovende middelen of daarmee gelijkgestelde stoffen gestraft met een gevangenisstraf van twee tot acht jaar en een geldboete van 5000 [Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 2556,45 EUR)] tot 20000 BGN [(ongeveer 10225,83 EUR)] en voor gevaarlijke verdovende middelen of daarmee gelijkgestelde stoffen gestraft met een gevangenisstraf van een tot zes jaar en een geldboete van 2000 [BGN (ongeveer 1022,58 EUR)] tot 10000 BGN [(ongeveer 5112,91 EUR)]. […]

(2)   Wanneer de verdovende middelen of daarmee gelijkgestelde stoffen in grote hoeveelheden aanwezig zijn, bedraagt de straf drie tot twaalf jaar gevangenisstraf en een geldboete van 10000 tot 50000 BGN. […]”

9

Artikel 26a van de Zakon za kontrol varhu narkotichnite veshtestva i prekursorite (wet inzake de controle op verdovende middelen en precursoren) bepaalt:

„De ministerraad stelt de prijzen van verdovende middelen vast ten behoeve van de strafprocedure.”

10

Postanovlenie nr. 23 na Ministerski savet za opredeliane na tseni na narkotichnite veshtestva za nuzhdite na sadoproizvodstvoto (besluit nr. 23 van de ministerraad tot vaststelling van de prijzen van verdovende middelen ten behoeve van gerechtelijke procedures) van 29 januari 1998 (DV nr. 15 van 6 februari 1998), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, stelt de prijzen vast van verdovende middelen ten behoeve van gerechtelijke procedures als bedoeld in artikel 3 van de naredba za reda za klasifitsirane na rasteniata i veshtestvata kato narkotichni (besluit betreffende de procedure voor de classificatie van planten en stoffen als verdovende middelen (DV nr. 87 van 4 november 2011), in de versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding.

11

In dat artikel 3 wordt methamfetamine ingedeeld in de categorie planten en stoffen die wegens de schadelijke gevolgen van het verkeerde gebruik ervan een hoog risico voor de volksgezondheid vormen en die in de menselijke geneeskunde en de diergeneeskunde verboden zijn, en fentanyl in de categorie stoffen met een hoog risico die in de menselijke en de diergeneeskunde worden gebruikt.

Procedure in het hoofdgeding en prejudiciële vraag

12

Met de tenlastelegging die is ingediend bij de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter, wordt MA vervolgd wegens het bezit van verdovende middelen met het oog op de distributie ervan.

13

Volgens deze tenlastelegging wordt hem verweten dat hij 4 doses methamfetamine en 22 doses fentanyl in bezit had voor een totale geldwaarde van 90276,60 BGN (ongeveer 46166 EUR).

14

Gelet op deze waarde, die is berekend op basis van artikel 26a van de wet inzake de controle op verdovende middelen en precursoren en het in punt 10 van het onderhavige arrest genoemde besluit nr. 23 van de ministerraad (hierna: „nationale bepalingen inzake de vaststelling van de geldwaarde van verdovende middelen”), is het aan de orde zijnde strafbare feit gekwalificeerd als bezit van verdovende middelen of daarmee gelijkgestelde stoffen in „grote hoeveelheden”, waarop krachtens artikel 354a, lid 2, van het wetboek van strafrecht een zwaardere gevangenisstraf en geldboete kunnen worden opgelegd dan die bedoeld in lid 1 van dat artikel.

15

De verwijzende rechter is van oordeel dat de nationale bepalingen inzake de vaststelling van de geldwaarde van verdovende middelen in strijd zijn met het zowel in de Bulgaarse grondwet als in het Unierecht erkende beginsel van evenredigheid van straffen, aangezien het bestanddeel van het strafbare feit, namelijk het bezit van verdovende middelen of daarmee gelijkgestelde stoffen in „grote hoeveelheden”, wordt bepaald aan de hand van een geldwaarde die willekeurig en onjuist is, en niet aan de hand van de hoeveelheid in bezit zijnde werkzame stof of van de individuele doses die daaruit kunnen worden gewonnen.

16

De verwijzende rechter verduidelijkt niettemin dat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen betrekking heeft op de kwestie van de evenredigheid van die nationale bepalingen, die slechts als contextueel element wordt genoemd, maar uitsluitend op de verplichting of de bevoegdheid van deze rechter om zich tot de Konstitutsionen sad te wenden met het oog op de toetsing van de grondwettigheid van die nationale bepalingen alvorens in voorkomend geval het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.

17

Volgens deze rechter kan hij het Hof weliswaar verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2004/757, maar acht hij het passender om eerst de Konstitutsionen sad te verzoeken om na te gaan of de nationale bepalingen inzake de vaststelling van de geldwaarde van verdovende middelen in overeenstemming zijn met de Bulgaarse grondwet. De grondige kennis door de Konstitutsionen sad van de bijzonderheden van het nationale recht, het feit dat deze rechter binnen een kortere termijn uitspraak doet dan het Hof en de eerbiediging van het beginsel van voorrang van het Unierecht zijn allemaal factoren die rechtvaardigen dat de zaak eerst bij bovengenoemde rechter aanhangig wordt gemaakt en niet bij het Hof.

18

Wanneer een omstreden nationale bepaling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, beletten de voorwaarden voor aanhangigmaking van de zaak bij de Konstitutsionen sad die zijn neergelegd in artikel 18, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van dit grondwettelijk hof, zoals deze bepaling door laatstgenoemde wordt uitgelegd, de verwijzende rechter evenwel om zich eerst tot de Konstitutsionen sad te wenden.

19

Krachtens de uit die bepaling voortvloeiende procedureregel, zoals uitgelegd door dit grondwettelijk hof, moet een verzoek om toetsing van de grondwettigheid van een nationale bepaling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, dat is ingediend overeenkomstig artikel 150, lid 2, van de Bulgaarse grondwet, immers op straffe van niet-ontvankelijkheid een met redenen omklede beoordeling van het toepasselijke recht bevatten, met inbegrip van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht. Volgens de verwijzende rechter is hij dus verplicht om in de eerste plaats het Unierecht toe te passen op de feiten van de bij hem aanhangige zaak door te onderzoeken welke gevolgen dit recht heeft voor de toepassing van de omstreden nationale bepalingen en met name door vast te stellen of deze bepalingen in overeenstemming met het Unierecht moeten worden uitgelegd dan wel buiten toepassing moeten worden gelaten.

20

Volgens de verwijzende rechter is artikel 18, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van het grondwettelijk hof, zoals uitgelegd door laatstgenoemde, in verschillende opzichten in strijd met het Unierecht.

21

Ten eerste, alvorens zich tot de Konstitutsionen sad te kunnen wenden, moet de verwijzende rechter – wanneer hij het nodig acht het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken – voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 267 VWEU en, meer rechtstreeks, uit artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, in het bijzonder het vereiste om te goeder trouw duidelijk aan te geven welk nationaal recht van toepassing kan zijn op het hoofdgeding.

22

Nationale bepalingen inzake de vaststelling van de geldwaarde van verdovende middelen, die volgens de verwijzende rechter ongrondwettig zijn zonder dat hij evenwel bevoegd is om deze ongrondwettig te verklaren, kunnen volgens die rechter niet worden aangemerkt als „nationale bepalingen die op de zaak van toepassing kunnen zijn” in de zin van artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

23

Ten tweede is de verwijzende rechter van oordeel dat uit de rechtspraak van de Konstitutsionen sad blijkt dat dit grondwettelijk hof terughoudend is om de eerbiediging van het beginsel van voorrang van het Unierecht te waarborgen en dat het de verenigbaarheid van het Unierecht met de Bulgaarse grondwet wil toetsen.

24

Het is immers om de voorrang van de Bulgaarse grondwet boven het Unierecht te waarborgen dat de Konstitutsionen sad op grond van artikel 18, lid 3, van zijn reglement voor de procesvoering elke nationale rechterlijke instantie verplicht om na te gaan welke gevolgen de toepassing van het Unierecht heeft voor de betrokken nationale bepalingen, alvorens bij dat grondwettelijk hof een verzoek tot toetsing van de grondwettigheid van die nationale bepalingen kan worden ingediend. Volgens de verwijzende rechter heeft artikel 18, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de Konstitutsionen sad, zoals uitgelegd door dit grondwettelijk hof, dus tot gevolg dat een nationale bepaling die reeds in overeenstemming met het Unierecht is uitgelegd, vervolgens wegens ongrondwettigheid wordt aangevochten.

25

Indien de Konstitutsionen sad voor het Hof zou worden aangezocht en dit grondwettelijk hof zou vaststellen dat de bestreden nationale bepalingen in overeenstemming zijn met de Bulgaarse grondwet, zou het de verwijzende rechter vrijstaan om vervolgens bij het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen over de verenigbaarheid van diezelfde nationale bepalingen met het Unierecht, waardoor de voorrang van dat recht boven de Bulgaarse grondwet kan worden gewaarborgd.

26

In deze context wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 267 VWEU, het beginsel van voorrang van het Unierecht en artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof een nationale rechter die twijfelt of een nationale regeling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt verenigbaar is zowel met de nationale grondwet als met het Unierecht, verplichten of machtigen om deze regeling eerst aan een nationale grondwettigheidstoetsing te onderwerpen, alvorens in voorkomend geval het Hof daarna om een prejudiciële beslissing te verzoeken.

27

In deze omstandigheden heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moeten artikel 267 VWEU, artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof […] en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter die twijfelt of een bepaling van nationaal recht verenigbaar is met het Unierecht en tegelijkertijd ervan overtuigd is dat die bepaling ongrondwettig is, verplicht of bevoegd is om vóór de indiening van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing vast te stellen of die nationale bepaling daadwerkelijk van toepassing is in het hoofdgeding, door bij de Konstitutsionen sad een verzoek tot toetsing van de grondwettigheid ervan in te dienen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

28

Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Bouskoura,C‑387/24 PPU, EU:C:2024:868, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29

In casu berust de gestelde vraag op de premisse dat de nationale bepalingen inzake de vaststelling van de geldwaarde van verdovende middelen in strijd zijn met zowel de Bulgaarse grondwet als het Unierecht.

30

Zoals in punt 19 van het onderhavige arrest is aangegeven, volgt uit artikel 18, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de Konstitutsionen sad, zoals uitgelegd door dit grondwettelijk hof, dat wanneer een nationale rechter bij dit hof een verzoek indient tot toetsing van de grondwettigheid van een nationale regeling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, dit verzoek op straffe van niet-ontvankelijkheid een met redenen omklede beoordeling van het toepasselijke recht moet bevatten, met inbegrip van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht, hetgeen ertoe kan leiden dat die rechter, wanneer hij twijfels heeft over de uitlegging van dat recht, eerst het Hof om een prejudiciële beslissing verzoekt.

31

Aangezien de verwijzende rechter meent dat hij, door dit vereiste dat voortvloeit uit artikel 18, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de Konstitutsionen sad, zoals uitgelegd door dit grondwettelijk hof, zich niet eerst tot dat grondwettelijk hof kan wenden alvorens in voorkomend geval het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, beoogt de gestelde vraag in werkelijkheid te vernemen of die bepaling, zoals uitgelegd door dat grondwettelijk hof, in overeenstemming is met artikel 267 VWEU, het beginsel van voorrang van het Unierecht en artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

32

In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 267 VWEU, het beginsel van voorrang van het Unierecht en artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een procedureregel van een lidstaat betreffende de voorwaarden voor aanhangigmaking van een zaak bij het grondwettelijk hof van die lidstaat, zoals uitgelegd door dit grondwettelijk hof, op grond waarvan het door een nationale rechter bij dat hof ingediende verzoek tot toetsing van de grondwettigheid van een nationale regeling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, op straffe van niet-ontvankelijkheid een met redenen omklede beoordeling moet bevatten van het recht dat van toepassing is op de bij hem aanhangige zaak, met inbegrip van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht, hetgeen ertoe kan leiden dat die rechter eerst het Hof om een prejudiciële beslissing verzoekt.

33

Wat in de eerste plaats artikel 267 VWEU betreft, zij eraan herinnerd dat de hoeksteen van het door de verdragen ingevoerde rechterlijke systeem wordt gevormd door de prejudiciële procedure van deze bepaling, die tot doel heeft te zorgen voor de eenvormige uitlegging van het Unierecht door tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten een dialoog van rechter tot rechter tot stand te brengen, en die aldus de mogelijkheid biedt de coherentie, de volle werking en de autonomie van het Unierecht te waarborgen en, in laatste instantie, de eigenheid van het door de verdragen tot stand gebrachte recht in acht te nemen. Het staat dus aan de nationale rechter om deze weg te kiezen wanneer hij twijfels heeft over de verenigbaarheid van zijn nationale recht met een bepaling van Unierecht waardoor de uitlegging van die bepaling vereist is [zie in die zin advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 176 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punten 111 en 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34

Volgens vaste rechtspraak van het Hof bezitten de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid, zo niet de verplichting, om zich tot het Hof te wenden indien zij van oordeel zijn dat een bij hen aanhangige zaak vragen opwerpt die een uitlegging of een beoordeling van de geldigheid van Unierechtelijke bepalingen verlangen waarover zij een beslissing moeten nemen [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

35

Het is eveneens vaste rechtspraak dat een nationale rechtsregel een nationale rechterlijke instantie niet kan beletten om gebruik te maken van deze bevoegdheid of om deze verplichting na te komen, aangezien die bevoegdheid en die verplichting inherent zijn aan het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van samenwerking tussen de nationale rechters en het Hof, alsmede aan de bij dit voorschrift aan de nationale rechters toebedeelde taak om het Unierecht toe te passen [arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 157 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

36

In deze context doet een nationale rechtsregel waarbij het gevaar bestaat dat een nationale rechter als gevolg daarvan met name verkiest geen prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, afbreuk aan de bij artikel 267 VWEU aan de nationale rechterlijke instantie toegekende bevoegdheden en dus aan de doeltreffendheid van dit stelsel van samenwerking [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 226 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

37

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een nationale rechter bij wie een geschil over het Unierecht aanhangig is en die vaststelt dat een nationale bepaling niet alleen in strijd is met het Unierecht maar ook ongrondwettig is, niet de bevoegdheid verliest of – indien het een rechterlijke instantie van laatste aanleg betreft – van de in artikel 267 VWEU bedoelde verplichting is ontslagen, zich tot het Hof te wenden met vragen betreffende de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht op grond dat de vaststelling van de ongrondwettigheid van een regel van nationaal recht hem verplicht de zaak aan het grondwettelijk hof voor te leggen (arrest van 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

De doeltreffendheid van het Unierecht zou namelijk gevaar lopen en de nuttige werking van artikel 267 VWEU zou worden aangetast indien de nationale rechter die kennisneemt van een door het Unierecht beheerst geschil, als gevolg van de verplichting om de zaak aan het grondwettelijk hof voor te leggen, zou worden belet om aan het Hof prejudiciële vragen te stellen over de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht teneinde te kunnen beoordelen of een nationale bepaling al dan niet verenigbaar is met dat recht (zie in die zin arresten van 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe-Ems,C‑5/14, EU:C:2015:354, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 december 2017, Global Starnet,C‑322/16, EU:C:2017:985, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39

Wat in de tweede plaats het beginsel van voorrang van het Unierecht betreft, waarin besloten ligt dat het Unierecht voorrang heeft op het recht van de lidstaten, zij eraan herinnerd dat dit beginsel alle instanties van de lidstaten ertoe verplicht om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van deze staten toekomt aan die verschillende normen (zie in die zin arrest van 10 juli 2025, DADA Music en UPFR, C‑37/24, EU:C:2025:551, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40

Aldus kunnen het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties en de voorrang van het Unierecht alleen worden verzekerd indien de nationale rechter vrij is om op elk ogenblik van de procedure dat hij passend acht – ook na een incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing – alle naar zijn oordeel noodzakelijke prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen (arresten van 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punten 52 en 57, en 11 september 2014, A,C‑112/13, EU:C:2014:2195, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Bovendien volgt uit het beginsel van voorrang van het Unierecht ook dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om te beoordelen of het nationale recht, in casu de nationale bepalingen inzake de vaststelling van de geldwaarde van verdovende middelen, verenigbaar is met het Unierecht, zonder dat zij daartoe een verzoek hoeven in te dienen bij het grondwettelijk hof van hun lidstaat [zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski,C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

42

Hieruit volgt dat artikel 267 VWEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan nationale rechterlijke instanties die twijfels hebben over de verenigbaarheid van een nationale bepaling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt met zowel de nationale grondwet als het Unierecht, zich tot het grondwettelijk hof van hun lidstaat moeten wenden alvorens gebruik te maken van hun bevoegdheid of te voldoen aan hun verplichting om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.

43

Daarentegen staat noch artikel 267 VWEU noch het beginsel van voorrang van het Unierecht in de weg aan een regeling van een lidstaat die de ontvankelijkheid van de aanhangigmaking van een zaak door een nationale rechterlijke instantie bij het grondwettelijk hof van die lidstaat afhankelijk stelt van een met redenen omklede beoordeling van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht voor de nationale bepalingen die volgens haar ongrondwettig kunnen zijn, hetgeen kan impliceren dat die rechterlijke instantie eerst het Hof om een prejudiciële beslissing verzoekt.

44

Die voorwaarden voor aanhangigmaking van een zaak bij het grondwettelijk hof van de betrokken lidstaat beperken immers geenszins de mogelijkheid voor de andere nationale rechterlijke instanties om het Hof prejudiciële vragen te stellen, noch vertragen zij een dergelijke prejudiciële verwijzing.

45

Integendeel, die voorwaarden zijn als zodanig van dien aard dat zij die nationale rechterlijke instanties ertoe aanzetten om, wanneer zij een nationale bepaling aan een grondwettigheidstoetsing willen onderwerpen, eerst het Unierecht toe te passen, zonder dat zij worden belet gebruik te maken van hun bevoegdheid of te voldoen aan hun verplichting om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Die voorwaarden beogen dus de uitoefening van de uit artikel 267 VWEU voortvloeiende rechten en verplichtingen en de eerbiediging van het beginsel van voorrang van het Unierecht in de nationale rechtsorde te bevorderen.

46

Het is juist dat dergelijke voorwaarden waaronder een nationale rechter een zaak bij een grondwettelijk hof van een lidstaat aanhangig kan maken, dit hof in staat stellen om in voorkomend geval uitspraak te doen over de grondwettigheid van een nationale bepaling nadat het Hof in het kader van hetzelfde geding heeft geantwoord op prejudiciële vragen van diezelfde nationale rechter. Een dergelijke omstandigheid is echter als zodanig niet in strijd met het beginsel van voorrang van het Unierecht, voor zover die nationale rechter niet wordt belet om in het kader van het bij hem aanhangige geding alle in punt 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte gevolgen te trekken die voortvloeien uit dat beginsel, zelfs nadat uitspraak is gedaan door dat grondwettelijk hof.

47

In dit verband zij eraan herinnerd dat, ten eerste, een in het kader van een prejudiciële procedure gewezen arrest van het Hof bindend is voor de nationale rechter wat de uitlegging van het Unierecht betreft voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding. Deze rechter moet dus in voorkomend geval het oordeel van een hogere nationale rechter naast zich neerleggen indien hij, gelet op de uitlegging van het Hof, meent dat dit oordeel in strijd is met het Unierecht, en zo nodig de nationale regel die hem verplicht om zich aan de beslissingen van die hogere rechter te houden, buiten toepassing laten [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punten 74 en 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

48

Ten tweede moet worden benadrukt dat, om de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen, het voorrangsbeginsel de nationale rechterlijke instanties om te beginnen verplicht om hun nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen. Het vereiste van Unierechtconforme uitlegging houdt voor de nationale rechters met name de verplichting in om zo nodig vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van het Unierecht onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Deze verplichting van conforme uitlegging kent echter bepaalde beperkingen en kan met name niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (arresten van 24 juni 2019, Popławski,C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 57; 15 oktober 2024, KUBERA,C‑144/23, EU:C:2024:881, punt 52, en 20 november 2025, Framholm,C‑195/25, EU:C:2025:904, punten 67 en 68).

49

Voorts is een nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het Unierecht moet toepassen en een nationale regeling niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan uitleggen, volgens het voorrangsbeginsel verplicht om de volle werking van de vereisten van het Unierecht te verzekeren in het geschil dat hem is voorgelegd, en daarbij zo nodig op eigen gezag elke, zelfs latere, nationale regeling of praktijk die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling met rechtstreekse werking buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing van deze nationale regeling of praktijk via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten (zie in die zin arresten van 9 maart 1978, Simmenthal,106/77, EU:C:1978:49, punt 24; 24 juni 2019, Popławski,C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 58, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de vereisten die voortvloeien uit artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof of uit de punten 3, 12 en 15 van de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB C, 2024/6008), waarop de verwijzende rechter zich beroept, niet van invloed zijn op de vaststellingen in de punten 42 tot en met 49 van het onderhavige arrest.

51

In dit verband bepaalt artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat, naast de tekst van de prejudiciële vragen die aan het Hof worden gesteld, het verzoek om een prejudiciële beslissing de inhoud van de nationale bepalingen die op de zaak van toepassing kunnen zijn en, in voorkomend geval, de relevante nationale rechtspraak moet bevatten. Dit vereiste komt ook tot uiting in de punten 15 en 16 van de in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde aanbevelingen.

52

In casu kan een nationale bepaling niet worden geacht niet „van toepassing [te] kunnen zijn” in de zin van artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof op de enkele grond dat de verwijzende rechter twijfels heeft over de grondwettigheid van die nationale bepaling.

53

Ten eerste, zoals het geval lijkt te zijn in het Bulgaarse recht, blijft een dergelijke nationale bepaling immers van kracht totdat het grondwettelijk hof heeft vastgesteld dat zij ongrondwettig is, zodat het enkele feit dat een nationale rechter twijfelt aan de grondwettigheid van die nationale bepaling, niet kan rechtvaardigen dat deze rechter die bepaling weglaat bij de weergave van het recht dat van toepassing is op het bij hem aanhangige geding. De verwijzende rechter blijft daarentegen volledig vrij om in zijn verwijzingsbeslissing zijn twijfels over de grondwettigheid van die bepaling kenbaar te maken.

54

Ten tweede zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat, ook al kan het naargelang van de omstandigheden voordelig zijn dat de feiten van de zaak vaststaan en de problemen van zuiver nationaal recht zijn beslecht op het tijdstip waarop het Hof om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, het de nationale rechterlijke instanties vrijstaat om een dergelijk verzoek in te dienen op elk moment van de procedure dat zij passend achten (zie in die zin de arresten van 27 oktober 1993, Enderby,C‑127/92, EU:C:1993:859, punten 11 en 12; 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe-Ems,C‑5/14, EU:C:2015:354, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 februari 2019, Milivojević,C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55

Ten derde moet, gelet op de bezorgdheid van de verwijzende rechter over de rechtspraak van de Konstitutsionen sad, zoals samengevat in de punten 23 en 24 van het onderhavige arrest, in herinnering worden gebracht dat de grondwettelijke hoven van de lidstaten, net als de gewone rechterlijke instanties, het beginsel van voorrang van het Unierecht moeten eerbiedigen [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punten 4751 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Volgens vaste rechtspraak zijn de gevolgen van het beginsel van voorrang van het Unierecht immers bindend voor alle organen van een lidstaat, zonder dat de nationale bepalingen – waaronder die van grondwettelijke aard – daaraan in de weg kunnen staan [zie in die zin arrest van 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 171 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

56

Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat de uit artikel 267, derde alinea, VWEU voortvloeiende verplichting voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, om het Hof een prejudiciële vraag te stellen, moet worden gezien in het kader van de samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties – in hun hoedanigheid van rechters belast met de toepassing van het Unierecht – en het Hof ter verzekering van de eenvormige toepassing en uitlegging van het Unierecht in alle lidstaten. Deze verplichting heeft met name tot doel te voorkomen dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet in overeenstemming is met de regels van het Unierecht. Bovendien vormt die verplichting het logische uitvloeisel van de exclusieve bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen over de geldigheid van handelingen van de Unie en om een definitieve en bindende uitlegging van dat recht te geven [zie in die zin arrest van 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punten 205 en 206].

57

Hieruit volgt dat wanneer een grondwettelijk hof wordt verzocht om toetsing van de grondwettigheid van een nationale bepaling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, dit hof in beginsel gehouden is zich krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU tot het Hof te wenden wanneer bij dit hof een vraag over de uitlegging van het Unierecht of de geldigheid van een handeling van afgeleid recht wordt opgeworpen, tenzij het heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (zie in die zin arrest van 15 oktober 2024, KUBERA,C‑144/23, EU:C:2024:881, punten 34 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58

Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat een grondwettelijk hof van een lidstaat dat van oordeel is dat een bepaling van afgeleid Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof, in strijd is met de verplichting om de nationale identiteit van die lidstaat te eerbiedigen, de behandeling van de zaak moet schorsen en het Hof krachtens artikel 267 VWEU moet verzoeken om een prejudiciële beslissing opdat de geldigheid van die bepaling kan worden beoordeeld in het licht van artikel 4, lid 2, VEU, aangezien alleen het Hof bevoegd is om de ongeldigheid van een Uniehandeling vast te stellen. Voorts is het Hof exclusief bevoegd om een bindende uitlegging van het Unierecht te geven, zodat het grondwettelijk hof van een lidstaat niet op basis van zijn eigen uitlegging van Unierechtelijke bepalingen – waaronder artikel 267 VWEU – rechtsgeldig kan oordelen dat het Hof in een arrest zijn bevoegdheid heeft overschreden en dientengevolge kan weigeren gevolg te geven aan een prejudicieel arrest van het Hof [zie in die zin arresten van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punten 71 en 72, en 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punten 223 en 230 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

59

Ten slotte moet met betrekking tot het door de verwijzende rechter bedoelde geval waarin een grondwettelijk hof in strijd met het beginsel van voorrang van het Unierecht weigert gevolg te geven aan een prejudicieel arrest van het Hof, in herinnering worden gebracht dat, zoals in punt 47 van het onderhavige arrest is vermeld, volgens vaste rechtspraak de nationale rechter die gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid, voor de beslechting van het hoofdgeding gebonden is aan de uitlegging die het Hof aan de betrokken bepalingen heeft gegeven. Aldus is die nationale rechter gehouden, teneinde de volle werking van de Unievoorschriften te waarborgen, in het bij hem aanhangige geding geen toepassing te geven aan de overwegingen van een nationaal grondwettelijk hof dat weigert gevolg te geven aan een prejudicieel arrest van het Hof [zie in die zin arresten van 15 januari 2013, Križan e.a.,C‑416/10, EU:C:2013:8, punten 69 en 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 77].

60

Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 267 VWEU, het beginsel van voorrang van het Unierecht en artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een procedureregel van een lidstaat betreffende de voorwaarden voor aanhangigmaking van een zaak bij het grondwettelijk hof van die lidstaat, zoals uitgelegd door dit grondwettelijk hof, op grond waarvan het door een nationale rechter bij dat hof ingediend verzoek tot toetsing van de grondwettigheid van een nationale regeling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, op straffe van niet-ontvankelijkheid een met redenen omklede beoordeling moet bevatten van het recht dat van toepassing is op de bij hem aanhangige zaak, met inbegrip van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht, hetgeen ertoe kan leiden dat die rechter eerst het Hof om een prejudiciële beslissing verzoekt.

Kosten

61

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 267 VWEU, het beginsel van voorrang van het Unierecht en artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

 

moeten aldus worden uitgelegd dat

 

zij zich niet verzetten tegen een procedureregel van een lidstaat betreffende de voorwaarden voor aanhangigmaking van een zaak bij het grondwettelijk hof van die lidstaat, zoals uitgelegd door dit grondwettelijk hof, op grond waarvan het door een nationale rechter bij dat hof ingediende verzoek tot toetsing van de grondwettigheid van een nationale regeling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, op straffe van niet-ontvankelijkheid een met redenen omklede beoordeling moet bevatten van het recht dat van toepassing is op de bij hem aanhangige zaak, met inbegrip van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht, hetgeen ertoe kan leiden dat die rechter eerst het Hof om een prejudiciële beslissing verzoekt.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.