Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

A. RANTOS

van 9 juli 2026 (1)

Zaak C357/25

Groupama Asigurări S.A.

tegen

Consiliul Concurenței

[verzoek van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Mededingingsbeperking naar strekking – Informatie-uitwisseling tussen verzekeraars tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven – Kwalificatie van die informatie-uitwisseling als beperking naar strekking zonder dat de door de betrokkene aangevoerde alternatieve verklaringen worden onderzocht – Bewijsstandaard ”






 Inleiding

1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend door de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië), betreft de uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU, en meer bepaald de kwestie van het bewijs dat er sprake is van een onderling afgestemde feitelijke gedraging.

2.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Groupama Asigurări S.A., een vennootschap die verzekeringsdiensten verleent (hierna: „Groupama”), en de Consiliu Concurenței (mededingingsraad, Roemenië) (hierna: „CC”) over het besluit waarbij de CC heeft vastgesteld dat Groupama inbreuk had gemaakt op artikel 101, lid 1, VWEU en de overeenkomstige bepaling van Roemeens recht door deel te nemen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging die ertoe strekte de mededinging op de markt voor verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (hierna: „WA-verzekering”) te beperken door de tarieven van de verzekeringspremies voor dit soort verzekering te verhogen.

3.        In dit verband verzoekt de verwijzende rechter het Hof om verduidelijking van bepaalde aspecten van het begrip „onderling afgestemde gedragingen”, met name de mate van nauwkeurigheid van de tussen concurrenten uitgewisselde informatie om te bepalen of een uitwisseling een dergelijke onderling afgestemde gedraging kan vormen, alsmede de mogelijkheid voor een betrokken onderneming om alternatieve verklaringen te geven voor haar gedrag en de gevolgen ervan voor de markt.

 Toepasselijke bepalingen

4.        Artikel 5, lid 1, van Lege concurenței nr. 21/1996 (wet nr. 21/1996 inzake mededinging) van 10 april 1996(2), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „mededingingswet”), luidt als volgt:

„Verboden zijn alle [...] onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Roemeense markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en met name die welke bestaan in:

a)      het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;

[...]”

 Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof

5.        Bij besluit van 20 november 2018 heeft de CC vastgesteld dat verschillende ondernemingen die in Roemenië verzekeringsdiensten aanbieden, waaronder Groupama, gedurende meer dan vier jaar hebben deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 5, lid 1, van de mededingingswet en op artikel 101, lid 1, VWEU, door het begaan van onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekten de tarieven van WA-verzekeringen te verhogen, door middel van de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie (hierna: „litigieus besluit”). Uit dien hoofde is aan Groupama een geldboete opgelegd van 35 378 902 Roemeense leu (RON) (ongeveer 7,58 miljoen EUR).

6.        Meer bepaald heeft de CC bij dat besluit vastgesteld dat negen verzekeringsmaatschappijen en hun beroepsvereniging, de Uniuneă Națională a Societăților de Asigurare și Reasigurare din România (nationale unie van verzekerings- en herverzekeringsmaatschappijen van Roemenië) (hierna: „UNSAR”), zowel tijdens vergaderingen van de UNSAR als via aankondigingen in de pers hebben deelgenomen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging bestaande in de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie over de toekomstige voornemens om de tarieven van de WA-verzekeringscontracten te verhogen. De CC heeft eveneens opgemerkt dat deze maatschappijen zich niet publiekelijk van die uitwisselingen hadden gedistantieerd en aldus hadden bijgedragen tot de voortzetting van de mededingingsverstorende praktijk in kwestie. Deze enkele voortdurende inbreuk heeft plaatsgevonden van 18 oktober 2012, de datum van de eerste bijeenkomst van de UNSAR waarop besprekingen hebben plaatsgevonden over de verhoging van de WA-verzekeringstarieven, tot 18 november 2016, de datum waarop de Roemeense regering voor een periode van zes maanden een maatregel tot plafonnering van die tarieven heeft ingevoerd.

7.        De CC heeft aangegeven dat de vastgestelde informatie-uitwisselingen moesten worden bezien in het licht van de economische context waarin zij hadden plaatsgevonden. Ten eerste heeft de Roemeense WA-verzekeringsmarkt in de jaren 2010‑2012 met een hoge concurrentiedruk te maken gehad, namelijk een „prijzenoorlog”, die resulteerde in een jaarlijkse daling van de WA-verzekeringspremies met ongeveer 20 %, waardoor de winstgevendheid van de verzekeringsmaatschappijen aanzienlijk werd beïnvloed. Volgens de CC heeft deze verslechtering de basis gelegd voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen de verzekeraars die deze dekking aanbieden, en hen ertoe aangezet oplossingen te zoeken om hun financiële evenwicht te herstellen. Ten tweede hebben de maatschappijen die allriskverzekeringen aanbieden, vanwege de regresvorderingen die zij konden instellen tegen de maatschappijen die hoofdzakelijk WA-verzekeringspolissen aanbieden, aanzienlijke vorderingen op deze laatste maatschappijen opgebouwd. Deze situatie is besproken tijdens bijeenkomsten van de bij de UNSAR aangesloten verzekeringsmaatschappijen, waarin deze maatschappijen te kennen hebben gegeven dat zij voornemens waren om de tarieven van de WA-verzekering te verhogen.

8.        In deze context heeft de CC zijn besluit gebaseerd op de volgende vijf punten:

–        op 18 oktober 2012 tijdens een bijeenkomst van de UNSAR besprekingen gevoerd over de verhoging van de WA-verzekeringstarieven, die betrekking hadden op, in de eerste plaats, de situatie van de regresvorderingen van de allriskverzekeringspolissen aanbiedende ondernemingen op de ondernemingen die WA-verzekeringspolissen aanbieden, waarbij de eerste van mening waren dat de huidige activiteiten de drie debiteurvennootschappen niet in staat zouden stellen om de verschuldigde bedragen af te lossen, en, in de tweede plaats, de opstelling van een antwoord dat de UNSAR voornemens was voor te leggen aan de Comisiă de Supraveghere a asigurărilor (Roemeense commissie voor toezicht op het verzekeringswezen) (hierna: „CSA”) met voorstellen tot wijziging van de WA-verzekeringsregels;

–        op 3 december 2012 zijn tijdens een vergadering met de toezichthouder, te weten de CSA, waaraan de algemeen directeur van de UNSAR en een deel van de bij de onderling afgestemde feitelijke gedraging betrokken verzekeringsmaatschappijen hebben deelgenomen, besprekingen gevoerd over de noodzaak om de WA-verzekeringstarieven te verhogen, over de door twee van deze vennootschappen verrichte effectbeoordelingen en over het bedrag van een eventuele verhoging van de WA-verzekeringstarieven;

–        Generali en de Uniuneă Națională a Societăților de Intermediere și Consultanță în Asigurări din România (nationale unie van verzekeringsmakelaars en ‑adviesbureaus van Roemenië) hebben in november 2013 in de pers een verhoging van de WA-verzekeringspremies aangekondigd van 10 tot 15 % voor 2014;

–        Groupama heeft op 11 januari 2016 tijdens een bijeenkomst van de UNSAR met alle negen betrokken maatschappijen haar concurrenten meegedeeld dat zij bij de Autoritate de Supraveghere Financiară (financiële toezichthouder, Roemenië; hierna: „ASF”) een indexering van de premies ten belope van 50 % had aangemeld, en

–        Allianz heeft in februari 2016 in de pers een verhoging van de premies van 5 tot 10 % aangekondigd, die vanaf eind maart bij de ASF zou worden aangemeld.

9.        De CC heeft geweigerd om rekening te houden met de door Groupama verstrekte alternatieve verklaringen over de tariefverhoging in de onderzochte periode, op grond dat dergelijke verklaringen enkel relevant zijn wanneer de mededingingsautoriteit zich uitsluitend baseert op het parallellisme tussen het gedrag van de maatschappijen om daaruit het bestaan van onderling afgestemde feitelijke gedragingen af te leiden.

10.      Op 6 mei 2019 heeft Groupama bij de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) beroep ingesteld tot onder meer nietigverklaring van het litigieuze besluit.

11.      Bij vonnis van 26 april 2022 heeft deze rechter dit beroep verworpen.(3) Hij heeft in wezen geoordeeld dat de in het litigieuze besluit in aanmerking genomen bewijzen aantoonden dat er sprake was van een onderling afgestemde gedraging van de verzekeringsmaatschappijen om de WA-tarieven te verhogen door middel van uitwisseling van gevoelige informatie, waardoor de onzekerheid kon worden weggenomen op een transparante oligopolistische markt, die werd gekenmerkt door een onelasticiteit van de vraag omdat de WA-verzekering verplicht is, en door een gebrek aan innovatie en onderhandelingsmacht van de consumenten. Vervolgens heeft deze rechter vastgesteld dat de WA-verzekeringstarieven in de betrokken periode herhaaldelijk waren gewijzigd, en dat de wijzigingen over het algemeen niet waren gebaseerd op interne berekeningen van het schadeverleden, maar op de tarieven van andere verzekeraars met als doel de gemiddelde premie op de markt te verhogen. In dit verband heeft hij geoordeeld dat, aangezien de onderling afgestemde feitelijke gedraging werd aangetoond door het bestaan van contacten tussen concurrenten, het onderling afgestemde karakter ervan niet ter discussie kon worden gesteld door de conclusies van het door Groupama overgelegde deskundigenrapport dat de berekening van de brutopremie in overeenstemming was met de actuariële standaardtechnieken en met de toepasselijke wettelijke bepalingen. Ten slotte heeft die rechter geen andere plausibele verklaring voor de gemeenschappelijke prijsverhoging gevonden dan die welke voortvloeit uit de onderling afgestemde feitelijke gedraging die door het onderzochte bewijsmateriaal is aangetoond. In dit verband heeft hij, net als de CC, de verklaringen van Groupama ter rechtvaardiging van de inhoud en het doel van de bovengenoemde besprekingen en van de tariefverhogingen afgewezen.

12.      Groupama heeft tegen het vonnis van de Curte de Apel București beroep in cassatie ingesteld bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție, de verwijzende rechter.

13.      De verwijzende rechter merkt op dat de Roemeense regeling inzake onderling afgestemde feitelijke gedragingen analoog is aan die van artikel 101, lid 1, VWEU en dat het hoofdgeding in wezen twee vragen over de uitlegging van het Unierecht oproept.

14.      Ten eerste de vraag of de bewijsstandaard die vereist is om vast te stellen dat er sprake is van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, vooronderstelt dat het bewijs wordt geleverd van een uitwisseling van gedetailleerde en geïndividualiseerde informatie over het tijdstip, de omvang en de wijze van de aanpassing van de prijsgedragingen, dan wel of het volstaat vast te stellen dat er tussen concurrenten besprekingen van meer algemene aard hebben plaatsgevonden, met name over de hoogte van de tarieven of over wetswijzigingen die daarop van invloed kunnen zijn geweest, in het bijzonder wanneer de betrokken ondernemingen nauwe economische betrekkingen onderhouden, met name wegens aanzienlijke wederzijdse schulden. In dit verband verwijst deze rechter inzonderheid naar het arrest T-Mobile(4), volgens hetwelk een uitwisseling van informatie tussen concurrenten een mededingingsverstorend doel heeft wanneer zij de onzekerheid over het door de betrokken ondernemingen voorgenomen gedrag kan wegnemen en moet worden geacht een dergelijk doel te hebben wanneer een uitwisseling van informatie deze onzekerheden over het tijdstip, de omvang en de wijze van de aanpassing die de betrokken onderneming moet doorvoeren, kan wegnemen. Volgens de verwijzende rechter blijkt uit dat arrest dat enkel de uitwisseling van informatie van een bepaalde omvang en kwaliteit relevant is om vast te stellen dat er sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Hoewel het bestaan van een dergelijke praktijk moeilijk te betwisten lijkt wanneer er sprake is van gedetailleerde of geïndividualiseerde informatie-uitwisseling over toekomstige prijsvoornemens, te weten een uitwisseling van specifieke of concrete informatie over het tijdstip, de mate en de modaliteiten van de aanpassing van het toekomstige prijsgedrag, is dit niet noodzakelijkerwijs het geval wanneer, zoals in casu, de besprekingen beperkt zijn tot „algemene” overwegingen over de prijs, die dergelijke precieze gegevens niet bevatten.

15.      Ten tweede merkt de verwijzende rechter op dat de CC Groupama de mogelijkheid om een alternatieve verklaring voor haar marktgedrag te geven, heeft ontzegd op basis van rechtspraak van het Gerecht(5) volgens welke het bestaan van een alternatieve verklaring voor de feiten enkel relevant is wanneer de Europese Commissie zich uitsluitend baseert op het gedrag van de betrokken ondernemingen op de markt in kwestie. Een dergelijke verklaring is volgens de CC irrelevant, aangezien het bestaan van de inbreuk niet louter wordt vermoed, maar met bewijzen wordt aangetoond. De verwijzende rechter is van oordeel dat deze rechtspraak van het Gerecht niet door het Hof is bevestigd. Voorts is hij van mening dat een dergelijke benadering de uitoefening van de rechten van verdediging van de betrokken onderneming zou kunnen beperken door haar de mogelijkheid te ontnemen om de vaststellingen van de mededingingsautoriteit te betwisten op grond dat zij op een willekeurig bewijsmiddel berusten. Dienaangaande heeft het Hof in het Houtslijparrest(6) geoordeeld dat parallel gedrag enkel als bewijs voor een afstemming kan worden aangemerkt indien de afstemming de enige aannemelijke verklaring ervoor is en een parallellie van de prijzen een afdoende verklaring kan vinden, bijvoorbeeld in geval van oligopolistische trekken van de markt en bijzondere omstandigheden.

16.      In die omstandigheden heeft de Înaltă Curte de Casație și Justiție de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 101, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat

a)      enkel aan de wettelijke standaard inzake een onderling afgestemde feitelijke gedraging is voldaan wanneer er sprake is van een uitwisseling van gedetailleerde/geïndividualiseerde informatie over toekomstige prijsvoornemens die kan worden geacht de strategische onzekerheid te verminderen of weg te nemen, dat wil zeggen een uitwisseling van specifieke/concrete informatie over de vraag wanneer, in hoeverre en op welke wijze het toekomstige prijsgedrag zal worden aangepast,

dan wel aldus dat

b)      ook aan de wettelijke standaard inzake een onderling afgestemde feitelijke gedraging is voldaan wanneer er sprake is van algemene besprekingen tussen concurrenten over de tarieven van andere verzekeringsmaatschappijen die zich in een bijzondere situatie bevinden (namelijk met aanzienlijke schulden jegens de andere verzekeraars) of over wetswijzigingen die van invloed zijn op de tarieven, zonder dat de mededingingsautoriteit de door de onderneming aangevoerde alternatieve verklaringen voor de verhoging van haar tarieven, waarmee zij betwist dat er sprake is van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, nog hoeft te onderzoeken?”

17.      Groupama, de CC, de Roemeense, de Griekse, de Poolse en de Portugese regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof. Voorts hebben al die belanghebbenden, met uitzondering van de Griekse en de Poolse regering, hun standpunten mondeling toegelicht tijdens de pleitzitting van 22 april 2026.

 Analyse

18.      De enkele door de verwijzende rechter aan het Hof voorgelegde vraag bestaat uit twee subvragen. De eerste subvraag, die voortvloeit uit een gecombineerde lezing van punt a) en het eerste deel van punt b) van de prejudiciële vraag, betreft de mate van gedetailleerdheid die de tussen concurrenten uitgewisselde informatie moet hebben wil een dergelijke uitwisseling een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen vormen, en de tweede subvraag, die is geformuleerd in het laatste deel van punt b) van de vraag, betreft in wezen de omvang van de alternatieve verklaringen die een onderneming aanvoert om haar gedrag te rechtvaardigen en het bestaan van die onderling afgestemde feitelijke gedraging te weerleggen.

 Eerste subvraag

19.      Met zijn eerste subvraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een „onderling afgestemde feitelijke gedraging” in de zin van deze bepaling noodzakelijkerwijs de uitwisseling veronderstelt van gedetailleerde of geïndividualiseerde informatie over toekomstige prijsvoornemens, zoals specifieke of concrete aanwijzingen over het tijdstip, de mate en de modaliteiten van de aanpassing van het toekomstige prijsgedrag, dan wel aldus dat, in de context van een bijzondere situatie, het bestaan van „algemene besprekingen tussen concurrenten over de tarieven” kan volstaan om vast te stellen dat er van een dergelijke onderling afgestemde feitelijke gedraging sprake is.

20.      In dit verband merk ik op dat de eerste subvraag in werkelijkheid uit twee onderdelen bestaat.

21.      Om te beginnen stelt de eerste subvraag, zoals door de verwijzende rechter in punt a) geformuleerd, de „uitwisseling van gedetailleerde/geïndividualiseerde informatie over toekomstige voornemens” tegenover de „algemene besprekingen tussen concurrenten over de tarieven”. Wat de „gedetailleerde informatie” betreft, lijkt de gekozen formulering duidelijk geïnspireerd op de formulering van het Hof in het arrest T-Mobile, waarin het in punt 41 heeft opgemerkt dat „een uitwisseling van informatie die onzekerheden van de betrokkenen over het tijdstip, de mate en de modaliteiten van de door de betrokken onderneming door te voeren aanpassing kan wegnemen, [moet] worden geacht ertoe te strekken de mededinging te beperken”(7). Aangaande de „algemene informatie” lijkt de verwijzende rechter te doelen op uitwisselingen van informatie, zoals aan de orde in de onderhavige zaak, over een verhoging van de WA-premies, welke informatie, in tegenstelling tot het eerste soort uitwisselingen, noch het percentage of het bedrag van deze verhoging, noch de exacte referentiedatum voor het doorvoeren ervan bevat.(8) Het eerste deel van de eerste subvraag moet derhalve aldus worden opgevat dat daarmee in wezen wordt gevraagd om verduidelijking van de draagwijdte van het bovengenoemde punt van het arrest T-Mobile, met name of met de enkele uitwisseling van het in dat punt genoemde soort informatie kan worden aangetoond dat er sprake is van een onderling afgestemd feitelijk gedrag in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.

22.      Vervolgens verzoekt de verwijzende rechter het Hof in diezelfde subvraag, onder verwijzing naar het eerste deel van punt b) ervan, naar de „bijzondere situaties” (te weten de omstandigheid dat concurrenten aanzienlijke schulden jegens elkaar hebben en het feit dat wetswijzigingen van invloed zijn geweest op de tarieven), te onderzoeken welk belang moet worden gehecht aan de kenmerken van de betrokken markt, met inbegrip van het toepasselijke regelgevingskader, bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

23.      Na de formulering van enkele inleidende opmerkingen zullen deze twee onderdelen van de eerste subvraag afzonderlijk worden onderzocht.

 Inleidende opmerkingen

24.      Vooraf herinner ik eraan dat volgens artikel 101, lid 1, VWEU alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn. Het begrip „onderling afgestemde feitelijke gedraging” wordt in dit artikel gebruikt teneinde verschillende vormen van coördinatie en samenspanning tussen ondernemingen onder de verbodsbepalingen ervan te brengen. Zo omvatten de begrippen „overeenkomst” en „onderling afgestemde feitelijke gedraging” samenspanningsvormen van dezelfde aard, die enkel verschillen in intensiteit en in de vorm waarin zij zich manifesteren.(9) Een onderling afgestemde feitelijke gedraging is immers een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking.(10)

25.      Deze criteria van coördinatie en samenwerking, die voorwaarden zijn om te kunnen spreken van „onderling afgestemde feitelijke gedragingen”, moeten worden verstaan in het licht van de grondgedachte van de mededingingsvoorschriften van het VWEU dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de markt zal voeren.(11)

26.      Deze eis van zelfstandigheid ontneemt de ondernemer weliswaar niet het recht om zijn beleid op een intelligente manier aan het vastgestelde of verwachte gedrag van zijn concurrenten aan te passen, maar staat onverbiddelijk in de weg aan elk al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed of waardoor deze wordt geïnformeerd over beslissingen of afwegingen met betrekking tot het eigen marktgedrag, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die – gelet op de aard van de producten of verleende diensten, de grootte van de ondernemingen, hun aantal en de omvang van de betrokken markt – niet met de normale voorwaarden op die markt overeenkomen.(12)

27.      In dit verband heeft het Hof met betrekking tot oligopolistische, of althans sterk geconcentreerde en door toetredingsdrempels gekenmerkte markten geoordeeld dat de uitwisseling van informatie de ondernemingen in beginsel in staat stelt om kennis te krijgen van de marktposities en de marketingstrategie van hun concurrenten en daardoor de nog resterende mededinging merkbaar beïnvloedt.(13)

28.      Bijgevolg kan de uitwisseling van informatie tussen concurrenten in strijd zijn met de mededingingsregels wanneer zij de mate van onzekerheid over de werking van de betrokken markt vermindert of wegneemt en als gevolg daarvan de mededinging tussen ondernemingen beperkt.(14) Dat is volgens vaste rechtspraak van het Hof het geval wanneer de uitgewisselde informatie zowel vertrouwelijk, dat wil zeggen niet reeds bekend bij elke op de betrokken markt actieve speler, als strategisch is, meer bepaald informatie die, na eventueel te zijn gecombineerd met andere informatie die reeds bekend is bij de deelnemers aan een informatie-uitwisseling, licht kan werpen op de strategie die sommige van de deelnemers voornemens zijn ten uitvoer te leggen met betrekking tot een of meer parameters op basis waarvan de mededinging op die markt tot stand komt.(15)

29.      Aangaande de strategische aard van uitgewisselde prijsinformatie kan worden gezegd dat deze in de regel als commercieel gevoelige informatie wordt beschouwd, aangezien de prijs in de meeste gevallen een van de belangrijkste onderdelen van de strategie van een onderneming is.(16) Het Hof heeft overigens toegelicht dat elke informatie-uitwisseling over toekomstige tarieven of over sommige tariefbepalende factoren op zich mededingingsbeperkend is, met name gelet op het risico van schade aan de mededinging dat zij met zich brengt. Het begrip „strategische informatie” is ruimer en omvat alle gegevens die de marktdeelnemers nog niet bekend zijn en die in het kader van een dergelijke uitwisseling de onzekerheid van de deelnemers over het toekomstige gedrag van de andere deelnemers kan verminderen met betrekking tot aspecten die wegens de aard van de betrokken goederen of diensten, de feitelijke omstandigheden op de markt en de structuur ervan, een of meer parameters vormen op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt.(17) Zo heeft het Hof aangaande de uitwisseling van tariefinformatie geoordeeld dat het, om onder het begrip „beperking naar strekking” te vallen, volstaat dat de uitwisseling in het kader van een onderling afgestemde gedraging betrekking heeft op een van de bestanddelen van de prijs.(18) Hieruit volgt dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen, ongeacht of het gaat om een concurrentiebeperking „naar strekking” dan wel „naar gevolg”, een mededingingsbeperking kunnen vormen ook al houden zij geen rechtstreeks verband met de uiteindelijke verbruikersprijzen.(19)

30.      In het licht van deze rechtspraak van het Hof moet een antwoord worden gegeven op de twee onderdelen van de eerste subvraag die de verwijzende rechter aan de orde stelt.

 Belang dat wordt gehecht aan de mate van specificiteit van de uitgewisselde informatie met het oog op de vaststelling dat er sprake is van een onderling afgestemde feitelijke gedraging

31.      Wat het belang betreft dat wordt gehecht aan de mate van specificiteit van de uitgewisselde informatie, wil ik in de eerste plaats benadrukken dat, zoals blijkt uit de in de punten 24 tot en met 29 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak van het Hof, enerzijds elke uitwisseling van vertrouwelijke prijsinformatie tussen concurrenten in beginsel kan vallen onder een door artikel 101, lid 1, VWEU verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging, aangezien de prijs in het algemeen een essentiële parameter is op basis waarvan de mededinging tot stand komt, zodat die informatie een strategisch karakter heeft. Derhalve moet de voorkeur worden gegeven aan een pragmatische benadering, die niet is toegespitst op de mate van specificiteit van de in abstracto uitgewisselde prijsinformatie, maar op de inhoud en de geschiktheid ervan om de onzekerheid over het marktgedrag van de marktdeelnemers te verminderen of weg te nemen, met name gelet op de kenmerken van die markt.(20)

32.      Anderzijds neemt dit niet weg dat de mate van specificiteit van de uitgewisselde informatie een relevant element is bij de beoordeling van deze geschiktheid om de mededingingsonzekerheid te verminderen of zelfs weg te nemen. Hoe gedetailleerder en specifieker de meegedeelde gegevens zijn over de parameters die bepalend zijn voor de mededinging op de betrokken markt, des te groter de kans dat zij een strategisch karakter hebben en het gedrag van de marktdeelnemers aanzienlijk beïnvloeden.(21)

33.      Vanuit dit oogpunt ben ik in de tweede plaats van mening dat de verwijzing naar punt 41 van het arrest T-Mobile moet worden beoordeeld in het licht van de feitelijke context van dat arrest. De verwijzing naar „het tijdstip, de mate en de modaliteiten van de door de betrokken onderneming door te voeren aanpassing” verwijst immers naar de informatie die de betrokken ondernemingen, volgens de gegevens van het aan het Hof overgelegde dossier, tijdens een bijeenkomst hadden uitgewisseld.(22) Uit dat arrest kan dus niet worden afgeleid dat enkel op basis van de uitwisseling van informatie die dermate nauwkeurig is, kan worden aangetoond dat er van onderling afgestemde feitelijke gedragingen sprake is(23).

34.      Bovendien moet worden vastgesteld dat de formulering in punt 41 van het arrest T-Mobile is overgenomen in latere arresten, met name om, net als in dat arrest, een typisch voorbeeld van een uitwisseling met een mededingingsverstorend doel(24) te illustreren of om aan te geven in welke minimale mate van onzekerheid een onderneming zich moet bevinden om de markt onder normale omstandigheden te laten functioneren(25). Uit deze verwijzingen blijkt geenszins dat een uitwisseling van informatie die geen specifieke gegevens over het tijdstip, de mate of de modaliteiten van de toekomstige gedraging bevat, in beginsel niet als „onderling afgestemde feitelijke gedraging” kan worden aangemerkt. Een dergelijke benadering zou overigens in strijd zijn met de in punt 31 van deze conclusie uiteengezette pragmatische benadering.

35.      In de derde en laatste plaats kan, aangezien in het kader van de beoordeling van het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging de inhoud van de informatie van belang is, gelet op het vermogen ervan om de onzekerheid op de markt te verminderen – en niet gelet op de mate van nauwkeurigheid ervan –, worden gesteld dat een uitwisseling over de loutere mogelijkheid van toekomstige, niet-geïndividualiseerde en tot algemene tendensen beperkte prijsverhogingen zonder vermelding van concrete verhogingen, wegens het geringe vermogen ervan om het gedrag van ondernemingen te beïnvloeden, de onzekerheid op de markt niet daadwerkelijk lijkt te kunnen verminderen noch het concurrentiegedrag van ondernemingen lijkt te kunnen beïnvloeden. Een dergelijke uitwisseling mag dus in beginsel niet als een inbreuk op de mededingingsregels worden aangemerkt. Dit kan met name het geval zijn op markten waar de mededinging hoofdzakelijk plaatsvindt op basis van andere parameters dan de prijs, met name wanneer de relevante markt gereglementeerd is of wanneer factoren waarop de ondernemingen geen invloed hebben een globale prijsstijging algemeen bekend en voorzienbaar maken, in het bijzonder als gevolg van de stijging van de kosten van een belangrijke input, zoals aardolieproducten of elektriciteit. In dergelijke omstandigheden kan een uitwisseling van algemene informatie over een ophanden zijnde verhoging van de prijzen, wegens de algemene bekendheid ervan, niet als vertrouwelijk worden beschouwd en volstaat zij op zich niet om het bestaan van een verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging aan te tonen.(26)

 Belang dat wordt gehecht aan de kenmerken van de markt met het oog op de kwalificatie van gedragingen als onderling afgestemde feitelijke gedragingen

36.      Wat de kenmerken van de markt ter fine van de kwalificatie van onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreft, blijkt uit de voorgaande analyse duidelijk dat de waarschijnlijkheid dat een informatie-uitwisseling leidt tot collusie die de onzekerheid over het gedrag van de marktdeelnemers op de betrokken markt kan verminderen of wegnemen, nauw afhangt van de kenmerken van die markt.(27) Deze benadering sluit aan bij de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke onderling afgestemde feitelijke gedragingen moeten worden beoordeeld in het licht van de inhoud ervan, van de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en van de ermee beoogde doelstellingen, ongeacht of het, zoals in casu, gaat om het onderzoek van een beperking naar strekking dan wel van een beperking naar gevolg.(28) Het Hof heeft weliswaar een aantal relevante factoren geïdentificeerd, die met name verband houden met de aard van de geleverde producten of diensten, het aantal ondernemingen, de omvang van de markt en de werkelijke omstandigheden waarin deze functioneert en is gestructureerd(29), maar een lijst van dergelijke elementen kan niet uitputtend zijn, aangezien ook andere marktkenmerken relevant kunnen blijken te zijn(30).

37.      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de rechter in eerste aanleg van oordeel was dat de betrokken informatie-uitwisseling de onzekerheid op de markt had kunnen wegnemen, met name rekening houdend met het oligopolistische en transparante karakter van de betrokken markt, de geringe elasticiteit van de vraag in verband met de verplichte aard van de WA-verzekering, het gebrek aan innovatie en de beperkte onderhandelingsmacht van de consumenten. De verwijzende rechter acht het niettemin noodzakelijk om rekening te houden met andere aspecten van de markt, die hij als „bijzondere situaties” kwalificeert, namelijk de invloed van wetswijzigingen op de tarieven en het bestaan van aanzienlijke schulden tussen concurrenten.

38.      In dit verband, en onverminderd de beoordeling die toekomt aan deze rechterlijke instantie, die als enige bevoegd is om te bepalen of de uitgewisselde informatie van dien aard was dat zij de onzekerheid op de markt voor WA-verzekeringen kon verminderen of wegnemen, ben ik van mening dat de volgende elementen nuttig kunnen zijn voor de uitlegging van deze twee aspecten.

39.      Wat in de eerste plaats de aard en het regelgevingskader van de WA-verzekeringsmarkt betreft, merk ik om te beginnen op dat vaststaat dat deze markt oligopolistisch en geconcentreerd is (de negen in het hoofdgeding aan de orde zijnde ondernemingen hebben tussen 80 % en 97 % van de Roemeense WA-verzekeringsmarkt in handen) alsmede transparant (zodat gemakkelijk toezicht kan worden gehouden op het prijsbeleid van de concurrenten, met name via de platforms van verzekeringsmakelaars). Zoals in punt 27 van deze conclusie in herinnering is gebracht, stelt de uitwisseling van informatie over een dergelijke markt de ondernemingen in beginsel in staat om de posities en de commerciële strategieën van hun concurrenten te kennen en aldus de mededinging merkbaar te verstoren.

40.      Vervolgens merk ik op dat die markt vanwege de verplichte aard van de WA-verzekering wordt gekenmerkt door een zekere onelasticiteit van de vraag. Bestuurders zijn immers verplicht om een WA-verzekering af te sluiten om legaal aan het wegverkeer te kunnen deelnemen, waardoor de mogelijkheden tot substitutie of niet-consumptie sterk worden beperkt. In die omstandigheden zal een algemene verhoging van de premies door bijna alle verzekeringsmaatschappijen die dit soort verzekering aanbieden, leiden tot een beperkte daling van de totale vraag en van het aantal afnemers dat aan deze verzekering gebonden is, aangezien de verzekerden niet van deze dekking kunnen afzien.

41.      Bovendien blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier eveneens dat de concurrentie op de WA-verzekeringsmarkt doorgaans in belangrijke mate wordt uitgeoefend op het niveau van de premieprijs, aangezien de WA-verzekeringnemer de kosten van de premie draagt zonder de rechtstreekse begunstigde van de schadeloosstelling te zijn, aangezien deze bestemd is voor gedupeerde derden. Deze scheiding tussen de betaler en de begunstigde zet de betaler ertoe aan om de goedkoopste optie te kiezen. De prijs van de premie van een WA-verzekering is dus een centrale parameter waarop de concurrentie wordt uitgeoefend ten opzichte van andere parameters, zoals de kwaliteit van de aangeboden diensten.

42.      In dit verband moet echter rekening worden gehouden met de heterogene aard van de betrokken verzekeringsdiensten. Uit de opmerkingen van Groupama blijkt immers dat deze markt wordt gekenmerkt door een prijsstelling die grotendeels is gebaseerd op een geïndividualiseerde risicobeoordeling, die berust op een veelheid aan actuariële criteria die eigen zijn aan elke verzekeringsmaatschappij en die leiden tot een sterke differentiatie van de premies naargelang van het profiel van de verzekerden. In deze context staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of, ondanks deze complexiteit bij de prijsvorming van WA-verzekeringspolissen, de uitwisseling van algemene en niet-geïndividualiseerde informatie over stijgende premietarieven de strategische onzekerheid kan verminderen en een convergentie van het prijsgedrag kan vergemakkelijken, met name wat betreft de gemeenschappelijke parameters voor de vaststelling van de prijzen of de gemiddelde aanpassingen van de tarieven.(31)

43.      Ten slotte blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de WA-verzekeringsmarkt in Roemenië is onderworpen aan een regelgevingskader en aan toezicht door de ASF, en dat wettelijke maatregelen van invloed kunnen zijn op de vaststelling van de premies. In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of het regelgevingskader dat tijdens de inbreukperiode van toepassing was, de verzekeringsmaatschappijen voldoende autonomie liet bij de vaststelling van hun tarieven, zodat kan worden geconcludeerd dat de prijs een relevante mededingingsparameter is. Dienaangaande blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de betrokken ondernemingen in de praktijk over een zekere prijsstellingsmarge beschikten. Vóór de inbreukperiode waren ze namelijk in een „prijzenoorlog” verwikkeld en waren de prijzen gedurende die periode niet rechtstreeks gereguleerd, aangezien het prijsplafond pas na het einde van de inbreukperiode van toepassing was geworden. Deze elementen lijken er dus op te wijzen dat de prijs, ondanks het bestaan van een regelgevend kader, op de betrokken markt inderdaad een mededingingsparameter vormde.

44.      Het staat echter aan de verwijzende rechter om eveneens rekening te houden met het cumulatieve effect van de vóór en tijdens de inbreukperiode vastgestelde wettelijke maatregelen die ertoe strekten de financiële solvabiliteit van de verzekeringsmaatschappijen te ondersteunen en ontegenzeglijk tot prijsverhogingen hebben geleid.(32) Hoewel de CC en de Roemeense regering erkennen dat deze maatregelen hebben geleid tot een verhoging van de WA-verzekeringspremies, staat het immers aan deze rechter om te bepalen of de omvang van een dergelijke verhoging geheel of gedeeltelijk ook kon worden toegeschreven aan de uitwisseling van informatie tussen concurrenten.

45.      Wat in de tweede plaats het bestaan van aanzienlijke schulden tussen de concurrenten op de WA-verzekeringsmarkt betreft, blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de Roemeense WA-verzekeringsmarkt tussen 2010 en 2012 werd gekenmerkt door ernstige, door de CC erkende verstoringen, die werden gekenmerkt door kunstmatig lage prijzen die hebben geleid tot een segmentatie van de markt tussen de „gespecialiseerde WA-verzekeraars”, die te kampen hadden met solvabiliteitsproblemen, en de verzekeraars die hoofdzakelijk actief waren in allriskverzekeringen, die dikwijls deel uitmaakten van internationale groepen. Sommige WA-verzekeraars zouden geleidelijk failliet zijn gegaan omdat zij niet in staat waren om deze tariefniveaus te handhaven en hun schadevergoedingsverplichtingen na te komen. Deze situatie heeft ook gevolgen gehad voor de allriskverzekeraars, die weliswaar solvabel waren, maar aanzienlijke verliezen zouden hebben geleden vanwege de onmogelijkheid om de vorderingen door middel van regresvorderingen te innen en de migratie van risicoprofielen naar hun portefeuilles. Deze omstandigheden hebben dus geleid tot een verhoging van de WA-verzekeringspremies om de onevenwichtigheden op de markt te compenseren. Het is dus in het kader van een legitiem doel, namelijk om het hoofd te bieden aan een dergelijke schuldenlast, dat een eventuele verhoging van de WA-verzekeringspremies is besproken, met name in het kader van de bijeenkomst van 18 oktober 2012.

46.      Hoewel ik mij bewust ben van het feit dat deze schuldenlast er met name toe heeft geleid dat bepaalde Roemeense verzekeringsmaatschappijen kort na het einde van de inbreukperiode failliet zijn gegaan, betwijfel ik of deze specifieke context op zichzelf het eventuele mededingingsverstorende karakter van de uitwisselingen in kwestie kan uitsluiten. Volgens de rechtspraak van het Hof is de intentie die de betrokken ondernemingen ertoe heeft aangezet om tot informatie-uitwisseling over te gaan, immers geen noodzakelijk element om het beperkende karakter van onderling afgestemde feitelijke gedragingen vast te stellen. Integendeel, noch het ontbreken van een subjectief oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, noch het nastreven van legitieme doelstellingen is doorslaggevend voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU.(33)

47.      Ik merk echter ook op dat, indien zou worden aangetoond dat de besprekingen tijdens de eerste bijeenkomst van 18 oktober 2012 uitsluitend betrekking hadden op de problematiek van de marktverstoringen en op de moeilijkheden die de betrokken ondernemingen ondervonden om hun schulden te betalen, en dat de kwestie van de tariefverhoging dus was vermeld als een van de modaliteiten voor de invordering van de schulden – wat een volstrekt legitiem doel is –, zou kunnen worden betoogd dat de verwijzingen naar een dergelijke verhoging voortvloeiden uit de uitwisseling van informatie over de algemene toestand van de WA-verzekeringsmarkt en de omringende regelgeving, welke categorieën informatie in het algemeen niet als commercieel gevoelig worden beschouwd.(34)

48.      Gelet op het voorgaande geef ik in overweging om de eerste prejudiciële subvraag in die zin te beantwoorden dat een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van deze bepaling niet noodzakelijkerwijs een uitwisseling van gedetailleerde of geïndividualiseerde informatie over toekomstige prijsvoornemens impliceert, zoals specifieke of concrete informatie over het tijdstip, de mate en de modaliteiten van de aanpassing van het toekomstige gedrag, met dien verstande dat informatie-uitwisselingen waarin dergelijke elementen ontbreken, afhankelijk van de omstandigheden, al dan niet als onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden aangemerkt naargelang zij de onzekerheid over het gedrag van de marktdeelnemers op de betrokken markt kunnen verminderen of wegnemen, met name gelet op de kenmerken van die markt.

 Tweede subvraag

49.      Met zijn tweede subvraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een mededingingsautoriteit verplicht is om de alternatieve verklaringen te onderzoeken die een van deelname aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen beschuldigde onderneming geeft voor de verhoging van de toegepaste prijzen en die ertoe strekken aan te tonen dat er geen sprake van deze gedragingen is.

50.      Om te beginnen herinner ik eraan dat op het gebied van het mededingingsrecht het aan de mededingingsautoriteit staat om in geval van een geschil over het bestaan van een inbreuk de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en de bewijzen te leveren die rechtens genoegzaam aantonen dat de feiten die een inbreuk vormen, zijn gepleegd.(35)

51.      Voor de beantwoording van deze subvraag moet mijns inziens een onderscheid worden gemaakt tussen het geval van parallelle gedragingen op de markt en onderling afgestemde feitelijke gedragingen.(36)

52.      Wat enerzijds parallel gedrag op de markt betreft, heeft het Hof reeds lang erkend dat dit gedrag als zodanig geen mededingingsverstorend karakter heeft. Ten eerste heeft het Hof in het Houtslijparrest immers in wezen geoordeeld dat parallel gedrag enkel als bewijs van een afstemming kan worden aangemerkt indien de afstemming de „enige aannemelijke verklaring” daarvoor is, en dat artikel 101 VWEU weliswaar elke vorm van concurrentievervalsende samenspanning verbiedt, maar de marktdeelnemers niet het recht ontneemt om zich op intelligente wijze aan te passen aan het geconstateerde of te verwachten marktgedrag van hun concurrenten.(37)

53.      Wanneer een mededingingsautoriteit bij de vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels ervan uitgaat dat de vastgestelde feiten hun verklaring alleen kunnen vinden in een mededingingsverstorende gedragsafstemming, zal dat besluit nietig moeten verklaard wanneer de ondernemingen in kwestie argumenten aandragen die een ander licht werpen op de door deze autoriteit vastgestelde feiten en dus een andere aannemelijke verklaring voor de feiten mogelijk maken dan die van die autoriteit, volgens welke er sprake is van een inbreuk. In dat geval kan immers niet worden aangenomen dat de mededingingsautoriteit een inbreuk op het mededingingsrecht heeft aangetoond.(38) Met andere woorden, de bevoegde mededingingsautoriteit kan het bestaan van onderling afgestemde feitelijke gedragingen alleen dan afleiden uit een loutere gedragsparallellie op de markt wanneer de onderlinge afstemming de „enige aannemelijke verklaring” voor deze parallellie is. De bewijslast rust op deze autoriteit. De betrokken onderneming kan op haar beurt een „alternatieve verklaring” voor haar gedraging aanvoeren waarmee die autoriteit rekening moet houden.

54.      In dit verband heeft het Gerecht, zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, in punt 51 van zijn arrest Siemens geoordeeld dat „[h]et bestaan van een alternatieve verklaring van de feiten [...] enkel relevant [is] wanneer de Commissie zich uitsluitend baseert op het gedrag van de betrokken ondernemingen op de markt. Een dergelijke verklaring is dus irrelevant zodra de inbreuk niet enkel wordt vermoed, maar met bewijzen wordt aangetoond. Voorts kan het bewijs van een inbreuk volgens het [...] beginsel van vrije bewijslevering met alle bewijsmiddelen worden geleverd, zodat het bestaan van een alternatieve verklaring irrelevant is wanneer een inbreuk rechtens genoegzaam bewezen is door andere dan schriftelijke bewijzen.”

55.      Deze rechtspraak heeft de verwijzende rechter ertoe gebracht zich af te vragen of de weigering van de CC om rekening te houden met de alternatieve verklaringen van Groupama met betrekking tot haar gedrag op de betrokken markt, gerechtvaardigd is. Ter herinnering: de CC heeft deze alternatieve verklaringen afgewezen op basis van het reeds aangehaalde arrest Siemens van het Gerecht, met de redengeving dat de betrokken onderling afgestemde feitelijke gedraging niet alleen op basis van een parallel marktgedrag maar ook op basis van andere bewijselementen is aangetoond. De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat deze rechtspraak niet door het Hof is bevestigd, en betwijfelt derhalve of die rechtspraak verenigbaar is met de rechten van verdediging van ondernemingen die zich op een dergelijke alternatieve verklaring willen beroepen.

56.      In dit verband stel ik vast dat, anders dan de verwijzende rechter aangeeft, het arrest Siemens van het Gerecht in hogere voorziening in wezen is bevestigd. Het Hof heeft immers verklaard dat „wanneer het Gerecht van oordeel is dat de Commissie erin geslaagd is bewijsstukken met betrekking tot de gestelde inbreuk te verzamelen en deze voldoende bewijs opleveren van het bestaan van een mededingingsverstorende overeenkomst, niet hoeft te worden nagegaan of er een plausibele alternatieve verklaring voor het gelaakte optreden bestaat” en dat „aangezien de Commissie zich aldus niet uitsluitend op het gedrag van de betrokken ondernemingen heeft gebaseerd om de verweten inbreuk aan te tonen, de door [de betrokken ondernemingen] aangevoerde alternatieve verklaring niet volstond om het ontbreken van het gemeenschappelijk akkoord aan te tonen en dus irrelevant was”.(39) Bovendien lijkt de onderhavige zaak in casu niet onder de in de punten 52 en 53 van deze conclusie bedoelde situatie te vallen, aangezien uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt dat het bestaan van een afstemming is vastgesteld op basis van een informatie-uitwisseling tussen de betrokken ondernemingen en niet enkel is afgeleid uit de gedragsparallellie op de markt. Bijgevolg lijkt die rechtspraak mij in casu niet relevant.

57.      Wat ten tweede de onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreft, blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 101, lid 1, VWEU dat het begrip „onderling afgestemde feitelijke gedraging” niet alleen de afstemming tussen de betrokken ondernemingen impliceert (eerste voorwaarde), maar ook een daarop volgend marktgedrag (tweede voorwaarde) en een oorzakelijk verband tussen deze twee elementen (derde voorwaarde). Dienaangaande heeft het Hof overwogen dat, wat deze derde voorwaarde betreft, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, moet worden vermoed dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld. Het Hof heeft meer in het bijzonder vastgesteld dat dergelijke onderling afgestemde feitelijke gedragingen ook onder artikel 101, lid 1, VWEU vallen wanneer mededingingsbeperkende gevolgen op de markt ontbreken.(40) Hieruit volgt dat de betrokken ondernemingen dit vermoeden moeten kunnen weerleggen door aan te tonen dat zij bij de bepaling van hun gedrag op die markt geen rekening hebben gehouden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie, of, met andere woorden, dat de afstemming op geen enkele wijze hun eigen marktgedrag heeft beïnvloed.(41) Anders dan in het geval van een louter parallel gedrag, rust in het geval van een op basis van bewijzen of aanwijzingen tot stand gekomen afstemming de bewijslast dus op de betrokken onderneming, die het vermoeden van een causaal verband tussen de informatie-uitwisseling en het marktgedrag dient te weerleggen.

58.      In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat Groupama niet alleen opkomt tegen het bestaan zelf van de afstemming tussen de betrokken ondernemingen (eerste voorwaarde), aangezien het algemene karakter van de informatie-uitwisseling niet kan aantonen dat er sprake is van afstemming, maar ook tegen het vermeende marktgedrag dat op die afstemming zou zijn gevolgd (dus in essentie, de tweede en de derde voorwaarde). Daartoe voert zij, onder verwijzing naar verschillende economische rapporten, in grote lijnen aan dat haar tariefbesluiten in de onderzochte periode het gevolg waren van een aanpassing die losstond van de marktcontext en op geen enkele wijze verband hielden met de gestelde onderlinge afstemming.

59.      Anders dan de CC en de rechter in eerste aanleg stellen, gaat het in casu dus niet om een situatie waarin de betrokken onderneming zich louter beroept op een „alternatieve verklaring” ter weerlegging van het vermoeden dat zij, door op de markt actief te blijven, geen rekening heeft gehouden met de uitgewisselde informatie. Groupama tracht integendeel het bestaan zelf van de afstemming te betwisten door te stellen dat de uitgewisselde informatie van dien aard was dat zij geen bewijs van enige onderlinge afstemming van de tarieven kon vormen.

60.      In dit verband ben ik van mening dat de verschillende door Groupama aangevoerde argumenten en bewijzen(42), ongeacht hun bewijswaarde, ontvankelijk hadden moeten worden verklaard en door de CC in aanmerking hadden moeten worden genomen in de administratieve fase van de procedure, om twee redenen. Immers, enerzijds lijkt de inaanmerkingneming van dergelijke bewijselementen relevant, zowel om het bestaan zelf van de onderlinge afstemming vast te stellen, gelet op het algemene karakter van de uitgewisselde informatie (eerste voorwaarde), als om het oorzakelijk verband tussen deze afstemming en het op de markt aangenomen gedrag aan te tonen, met name in het kader van de weerlegging van het hierboven genoemde weerlegbare vermoeden (derde voorwaarde)(43). Anderzijds zou, bij gebreke van voldoende bewijs van een dergelijke onderling afgestemde feitelijke gedraging, het enige bewijselement waarover CC zou beschikken, het parallelle marktgedrag zijn, zodat overeenkomstig de rechtspraak van het Houtslijparrest een onderzoek naar alternatieve verklaringen noodzakelijk zou zijn. Deze analyse lijkt niet onverenigbaar met het arrest Siemens van het Gerecht. Zoals blijkt uit punt 56 van deze conclusie heeft het Hof in hogere voorziening in wezen geoordeeld dat het onderzoek van een plausibele alternatieve verklaring voor het verweten gedrag niet vereist is wanneer de Commissie erin geslaagd is „voldoende bewijzen te verzamelen” van het bestaan van een mededingingsbeperkende afstemming. Juist het bestaan van dergelijk voldoende bewijs vormt namelijk het voornaamste punt van de door Groupama aangevoerde betwisting.

61.      Gelet op het voorgaande geef ik in overweging om de tweede prejudiciële subvraag in die zin te beantwoorden dat wanneer een bij een onderling afgestemde feitelijke gedraging betrokken onderneming actief blijft op de betrokken markt, het, gelet op de omstandigheden die verband houden met het algemene karakter van de betrokken informatie-uitwisseling en met de twijfels over de intrinsiek mededingingsbeperkende aard ervan, niet uitgesloten is dat deze onderneming het vermoeden van een causaal verband tussen de afstemming en het gedrag van die onderneming op die markt kan weerleggen door aan te tonen dat die onderneming in het kader van haar markttransacties geen rekening heeft gehouden met de informatie-uitwisseling, waarbij de bevoegde mededingingsautoriteit alle daartoe door die onderneming aangevoerde bewijzen in aanmerking moet nemen.

 Conclusie

62.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Înaltă Curte de Casație și Justiție te beantwoorden als volgt:

„Artikel 101, lid 1, VWEU

moet aldus worden uitgelegd dat

–        een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van deze bepaling niet noodzakelijkerwijs een uitwisseling van gedetailleerde of geïndividualiseerde informatie over toekomstige prijsvoornemens impliceert, zoals specifieke of concrete informatie over het tijdstip, de mate en de modaliteiten van de aanpassing van het toekomstige gedrag, met dien verstande dat informatie-uitwisselingen waarin dergelijke elementen ontbreken, afhankelijk van de omstandigheden, al dan niet als onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden aangemerkt naargelang zij de onzekerheid over het gedrag van de marktdeelnemers op de betrokken markt kunnen verminderen of wegnemen, met name gelet op de kenmerken van die markt, en

–        wanneer een bij een onderling afgestemde feitelijke gedraging betrokken onderneming actief blijft op de betrokken markt, het, gelet op de omstandigheden die verband houden met het algemene karakter van de betrokken informatie-uitwisseling en met de twijfels over de intrinsiek mededingingsbeperkende aard ervan, niet uitgesloten is dat deze onderneming het vermoeden van een causaal verband tussen de afstemming en het gedrag van die onderneming op die markt kan weerleggen door aan te tonen dat die onderneming in het kader van haar markttransacties geen rekening heeft gehouden met de informatie-uitwisseling, waarbij de bevoegde mededingingsautoriteit alle daartoe door die onderneming aangevoerde bewijzen in aanmerking moet nemen.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 88 van 30 april 1996.


3      Uit het dossier van de zaak blijkt dat de verwijzende rechter als enige van de acht rechterlijke instanties waarbij parallelle gedingen aanhangig zijn gemaakt, het litigieuze besluit bevestigt, aangezien de zeven andere rechterlijke instanties tot de slotsom zijn gekomen dat de informatie-uitwisseling waarop dat besluit was gebaseerd, niet als mededingingsverstorend kon worden aangemerkt. Met uitzondering van het vonnis van de verwijzende rechter, dat betrekking had op de deelname van de UNSAR als facilitator van de onderling afgestemde feitelijke gedraging, is in dit stadium nog geen definitieve beslissing genomen waarin het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen de bestrafte ondernemingen is bevestigd, aangezien de verschillende bij de verwijzende rechter aanhangige gedingen zijn geschorst in afwachting van het antwoord op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.


4      Arrest van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, EU:C:2009:343, punt 41; hierna: „arrest T-Mobile”).


5      Te weten arrest van 3 maart 2011, Siemens/Commissie (T‑110/07, EU:T:2011:68, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak van het Gerecht; hierna: „arrest Siemens van het Gerecht”).


6      Arrest van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie (C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85–C‑129/85, EU:C:1993:120, punten 71 en 126; hierna: „Houtslijparrest”).


7      Cursivering van mij. Deze bewoordingen zijn immers overgenomen in het eerste deel van punt a) van de prejudiciële vraag.


8      De verwijzende rechter merkt op dat noch uit het litigieuze besluit, noch uit het in eerste aanleg gewezen vonnis een concreet percentage of een bepaald dan wel bepaalbaar bedrag van de tariefverhoging in kwestie blijkt, noch een precieze referentiedatum voor de doorvoering ervan. Deze zienswijze wordt echter betwist door de CC, die stelt dat de uitgewisselde informatie, zelfs zonder uitdrukkelijke vaststelling van een bepaald prijsniveau, betrekking had op bepaalbare toekomstige verhogingen, aangezien de in de pers gepubliceerde aankondigingen aanwijzingen bevatten over zowel de approximatieve omvang van de verhoging als de datum van doorvoering ervan (zie punt 8 van deze conclusie). Deze rechter heeft in zijn verwijzingsbeslissing uitdrukkelijk aangegeven dat hij later zal beoordelen of de in het litigieuze besluit genoemde uitwisselingen een „uitwisseling van gedetailleerde of specifieke informatie” dan wel „algemene besprekingen” vormden. Voorts kan niet worden uitgesloten dat voor deze rechter het enige relevante contact voor het bewijs van de onderling afgestemde feitelijke gedraging dat van de eerste bijeenkomst van 18 oktober 2012 is, waarbij vaststaat dat het om algemene besprekingen ging. Bijgevolg lijkt het in het kader van de onderhavige analyse niet nuttig om de feitelijke hypothese waarvan die rechter in zijn vraag is uitgegaan, te wijzigen.


9      Zie in die zin arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni (C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punten 112 en 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


10      Zie het arrest T-Mobile (punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest van 14 januari 2021, Kilpailu- ja kuluttajavirasto (C‑450/19, EU:C:2021:10, punt 22). Het begrip „onderling afgestemde feitelijke gedragingen” is in de rechtspraak vastgelegd in het arrest van 14 juli 1972, Imperial Chemical Industries/Commissie (48/69, EU:C:1972:70, punten 64 en 65), waarna de contouren ervan nader zijn uitgewerkt in het arrest van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie (40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, EU:C:1975:174, punten 173 en 174).


11      Zie het arrest T-Mobile (punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie (C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 113; hierna: „arrest HSBC”).


12      Zie de arresten T-Mobile ( punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en HSBC (punt 114).


13      Zie in die zin het arrest T-Mobile(punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en arrest van 29 juli 2024, Banco BPN/BIC Português e.a. (C‑298/22, EU:C:2024:638, punten 58 en 59; hierna: „arrest Banco BPN”).


14      Zie de arresten T-Mobile(punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en HSBC (punt 115).


15      Zie het arrest Banco BPN (punten 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


16      Zie in die zin punt 385 van de mededeling van de Commissie van 21 juli 2023 over de richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van artikel 101 [TFUE] op horizontale samenwerkingsovereenkomsten (PB 2023, C 259, blz. 1; hierna: „richtsnoeren inzake horizontale overeenkomsten”).


17      Zie het arrest Banco BPN (punt 64), alsook mijn conclusie in de zaak Banco BPN/BIC Português e.a. (C‑298/22, EU:C:2023:738, punten 69 en 70).


18      Zie in die zin het arrest Banco BPN (punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede mijn conclusie in de zaak Banco BPN/BIC Português e.a. (C‑298/22, EU:C:2023:738, punten 74 en 75). De bewoordingen van artikel 101, lid 1, onder a), VWEU bevestigen immers dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen de mededinging ongunstig kunnen beïnvloeden indien zij erin bestaan „rechtstreeks of zijdelings [...] de aan- of verkoopprijzen of [..] andere contractuele voorwaarden” te bepalen (cursivering van mij).


19      Zie arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie (C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 123; hierna: „arrest Dole Food”).


20      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers duidelijk dat in het kader van het onderzoek van een mededingingsbeperking, daaronder begrepen een beperking naar strekking, de inhoud zelf van de informatie-uitwisseling belangrijk blijft om vast te stellen of de uitwisseling zodanige kenmerken vertoont dat zij een vorm van coördinatie oplevert die aanleiding geeft tot mededingingsvoorwaarden die niet met de normale voorwaarden van de betrokken markt overeenkomen [zie het arrest Banco BPN (punt 52)]. Aangezien onderling afgestemde feitelijke gedragingen vele verschillende vormen kunnen aannemen, moet er dus voor worden gezorgd dat niet vooraf wordt bepaald of beperkt waarin dergelijke gedragingen al dan niet kunnen bestaan.


21      Zie in dit verband ook punt 390 van de richtsnoeren inzake horizontale overeenkomsten, waarin het volgende staat te lezen: „Of informatie commercieel gevoelig is, hangt af van het nut ervan voor concurrenten. Over het algemeen zal informatie die veel details bevat en waarmee kan worden vastgesteld welke onderneming(en) de informatie heeft of hebben verstrekt, commercieel gevoeliger zijn” (cursivering van mij). Evenzo preciseert de vorige versie van dezelfde richtsnoeren, die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding van kracht was, in punt 74 dat „[d]e uitwisseling tussen concurrenten van individuele gegevens inzake voorgenomen toekomstige prijzen of hoeveelheden” wordt beschouwd als mededingingsbeperkende strekking (cursivering van mij) (PB 2011, C 11, blz. 1).


22      Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, EU:C:2009:110, punten 67 en 68), waarin wordt gepreciseerd dat „[h]et onderwerp van de informatie-uitwisseling tijdens de bijeenkomst in juni [...] de vraag [was] hoe die aanpassing zou worden doorgevoerd, dat wil zeggen op welk tijdstip, in welke mate en onder welke modaliteiten de geplande verlaging van de standaarddealervergoedingen door elke onderneming zou worden uitgevoerd” (cursivering van mij).


23      Integendeel, uit de punten 32-35 en 41 en 42 van hetzelfde arrest volgt dat het Hof zijn analyse heeft gebaseerd op het algemene criterium dat de onzekerheid over de werking van de betrokken markt wordt verminderd of weggenomen.


24      Zie met name de arresten Dole Food (punt 122) en HSBC (punt 116), waarin het Hof de bijwoordelijke uitdrukking „[m]eer bepaald” gebruikt om te wijzen op het concurrentieverstorende karakter van een dergelijke informatie-uitwisseling.


25      Zie het arrest Banco BPN (punt 54), waarin het Hof „in die zin” verwijst naar punt 41 van het arrest T-Mobile ter ondersteuning van de stelling dat, wil een markt onder normale omstandigheden functioneren, elke marktdeelnemer „in het gewisse verkeert over het tijdstip waarop, de mate waarin en de wijze waarop zijn concurrenten hun marktgedrag in de toekomst zullen aanpassen”.


26      Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, EU:C:2009:110, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ik merk echter op dat, zelfs wanneer informatie over een prijsverhoging algemeen bekend of gemakkelijk toegankelijk is, een informatie-uitwisseling de onzekerheid op de markt kan verminderen wanneer de informatie wordt uitgewisseld in een minder geaggregeerde of meer granulaire vorm (zie punt 389 van de richtsnoeren inzake horizontale overeenkomsten).


27      Zie in die zin punt 412 van de richtsnoeren inzake horizontale overeenkomsten.


28      Zie in die zin het arrest Banco BPN (punten 40, 46‑48 en 55).


29      Zie dienaangaande de rechtspraak die in de punten 26 en 29 van deze conclusie wordt aangehaald.


30      Ter illustratie: in punt 412 van de richtsnoeren inzake horizontale overeenkomsten staat te lezen dat de in dit verband relevante marktkenmerken onder meer de mate van markttransparantie omvatten, het aantal ondernemingen dat op die markt actief is, het bestaan van toetredingsdrempels, het feit dat het product of de dienst waarop de uitwisseling betrekking heeft homogeen is, dat de betrokken ondernemingen vergelijkbaar zijn, alsmede de stabiliteit van de voorwaarden voor vraag en aanbod.


31      Dit soort markt onderscheidt zich van markten met homogene producten, zoals de bananenmarkt, waar de uitwisseling van meer algemeen geldende informatie een meer bepalende impact kan hebben. Ik benadruk evenwel dat zelfs op een dergelijke markt de Commissie, in haar besluit C(2008) 5955 definitief van 15 oktober 2008 betreffende een procedure tot toepassing van artikel 81 [EG] (zaak COMP/39 188 – Bananen), het bestaan van onderling afgestemde feitelijke gedragingen had vastgesteld op basis van de uitwisseling van veel preciezere informatie dan de enkele wil om de prijzen te verhogen, te weten gegevens betreffende de prijsstelling, alsmede de prijstendensen en de aanwijzingen over de referentieprijzen vóór de vaststelling ervan [zie in die zin het arrest Dole Food (punt 96)].


32      Zie met name Ordinu CSA nr. 3/2013 (besluit van de CSA nr. 3/2013), waarbij voor de prijsstelling van de premies een hoge kostendekking werd opgelegd, die van invloed kan zijn op de rentabiliteit, en Norma ASF 20/2014 (ASF-norm 20/2014), die het percentage van de bijdrage aan het verzekeringswaarborgfonds heeft verhoogd, alsmede Norma ASF 17/2015 (ASF-norm 17/2015), betreffende de door de verzekeraars aan dit fonds verschuldigde bijdragen.


33      Zie het arrest Banco BPN (punten 49 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


34      Zie in die zin punt 386 van de richtsnoeren inzake horizontale overeenkomsten. Dat de uitgewisselde informatie betrekking had op regelgeving blijkt des te duidelijker uit het feit dat de bijeenkomst van 3 december 2012 heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de regelgever zelf, te weten de CSA (punt 8 van deze conclusie).


35      Zie in die zin arrest van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie (C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 71; hierna: „arrest E.ON Energie”), alsook artikel 2 en overweging 5 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102] [VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1). Deze verordening bevat evenwel geen bepaling inzake de beginselen die de beoordeling van bewijsmiddelen en de verlangde bewijsstandaard regelen in het kader van een nationale procedure tot toepassing van artikel 101 VWEU [zie arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a. (C‑74/14, EU:C:2016:42, punten 30 en 31; hierna: „arrest Eturas”)].


36      In het jargon van het mededingingsrecht verwijst het begrip „alternatieve verklaring” immers doorgaans naar het geval van parallelle gedragingen.


37      Zie het Houtslijparrest (punten 70, 71 en 126).


38      Zie in die zin arrest van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie (C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


39      Zie arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie (C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C:2013:866, punten 220‑224). Het Hof heeft geoordeeld dat het Gerecht anders een alternatieve verklaring zou moeten onderzoeken telkens wanneer een inbreuk lijkt te worden vastgesteld door middel van afleiding uit andere feiten, indirecte bewijzen of niet-schriftelijke bewijzen.


40      Zie de arresten Dole Food (punten 126‑128) en Eturas (punt 42).


41      Zie in die zin ook arrest van 8 juli 1999, Hüls/Commissie (C‑199/92 P, EU:C:1999:358, punten 162 en 167).


42      Meer in het bijzonder gaat het om het economisch verslag over de periode 2012‑2016 en de marktanalyse die Deloitte op verzoek van de UNSAR heeft opgesteld.


43      Zie naar analogie het arrest Eturas (punten 46 en 49), waarin het Hof heeft verduidelijkt dat, in een geval waarin geen sprake is van een heimelijke bijeenkomst, publieke distantiëring of aangifte bij administratieve autoriteiten niet de enige middelen zijn om het vermoeden te weerleggen dat een onderneming aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging heeft deelgenomen; ook andere bewijselementen kunnen daartoe worden aangevoerd. In die zaak heeft het Hof aldus geoordeeld dat het vermoeden van causaal verband tussen de afstemming en het marktgedrag van de ondernemingen die aan die afstemming deelnamen, kon worden weerlegd door te bewijzen dat systematisch een korting is toegepast die de betrokken bovengrens overschrijdt. Hoewel deze oplossing nauw verband houdt met de bijzondere omstandigheden van die zaak, opent dit arrest naar mijn mening, buiten de klassieke gevallen van heimelijke bijeenkomsten – met name wanneer de uitwisseling van informatie plaatsvindt in aanwezigheid van de toezichthouder, een omstandigheid die de vereiste van een aangifte bij de administratieve instanties op zijn minst overbodig maakt –, de mogelijkheid om het vermoeden van deelname te weerleggen door objectief bewijs te leveren van autonoom marktgedrag. Een dergelijk bewijs zou met name kunnen voortvloeien uit de vaststelling, vóór de inbreukperiode, van een bindend prijsbeleid dat deze periode bestrijkt.