Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 25 juni 2026 (1)

Zaak C196/25

Europese Commissie

tegen

Ierland

„ Niet-nakomingsprocedure – Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna – Turfwinning in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van habitats van hoogveen en bedekkingsveen – Verslechtering van beschermde veenhabitats – Verplichting tot herstel van aangetaste habitats – Passende beoordeling van de gevolgen van turfwinning voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden ”






I.      Inleiding

1.        Aangezien er in Ierland tal van veengebieden zijn, wordt er van oudsher intensief aan turfwinning gedaan. Thans schrijft de habitatrichtlijn(2) echter voor dat er voor bepaalde veenhabitats beschermingszones of zogenoemde Natura 2000-gebieden moeten worden ingesteld. In die gebieden moet turfwinning bijgevolg worden stopgezet.

2.        In de onderhavige niet-nakomingsprocedure verwijt de Europese Commissie Ierland dat het geen toereikende maatregelen heeft getroffen om turfwinning in Natura 2000-gebieden te beletten. Bovendien is de Commissie van mening dat Ierland de door de voortgezette turfwinning aangetaste gebieden had moeten herstellen. Met name dat standpunt biedt het Hof de gelegenheid om de uit een schending van het Unierecht voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten verder te verduidelijken. Tot slot heeft Ierland met betrekking tot turfwinning ook de bepalingen inzake de beoordeling van de gevolgen van plannen en projecten voor Natura 2000-gebieden onjuist uitgevoerd en onvoldoende gehandhaafd.

II.    Toepasselijke bepalingen

3.        Artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn bepaalt dat de lidstaten uiterlijk op 10 juni 1995 mogelijke beschermingszones aan de Europese Commissie voorstellen:

„1.      Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. [...]

De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn [(die op 10 juni 1992 werd gedaan)] aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. [...]”

4.        Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de habitatrichtlijn werkt de Commissie op basis daarvan een ontwerplijst van de gebieden van communautair belang (Natura 2000-gebieden) uit. Zodra de Commissie een gebied in deze lijst heeft opgenomen, wijst de betrokken lidstaat dat gebied overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de habitatrichtlijn zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone. Bovendien is in artikel 4, lid 5, bepaald dat zodra een gebied op voornoemde lijst is geplaatst, voor dat gebied de bepalingen gelden van artikel 6, leden 2, 3 en 4.

5.        Artikel 6, leden 2 tot en met 4, regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden:

„2.      De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.

3.      Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

4.      Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.

[...]”

6.        Bijlage I bij de habitatrichtlijn bevat onder meer de habitattypen „*Actief hoogveen” (Natura 2000-code 7110, prioritair habitattype), „Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is” (Natura 2000-code 7120) en „Bedekkingsveen (*voor actief veen)” (Natura 2000-code 7130).

III. Feiten en precontentieuze procedure

7.        In Ierland zijn er tal van Natura 2000-gebieden aangewezen voor de bescherming van veenhabitats, waaronder met name hoogveengebieden (Natura 2000-codes 7110 en 7120) en bedekkingsveengebieden (Natura 2000-code 7130).

8.        Hoogveengebieden zijn voedselarme, zure veengebieden die voornamelijk door regenwater worden gevoed. Het waterpeil ligt doorgaans boven de omringende grondwaterspiegel. De vegetatie is het hele jaar door aanwezig en wordt gekenmerkt door kleurrijke veenmosheuvels, die de groei van het veen mogelijk maken.(3) Actieve hoogveengebieden zijn prioritaire habitattypen, maar ook aangetaste hoogveengebieden waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is, behoren tot de te beschermen habitattypen in Natura 2000-gebieden.

9.        In 2004 heeft de Commissie 48 gebieden van communautair belang, waar actieve en aangetaste hoogveengebieden worden beschermd, onder bescherming geplaatst.(4) In 2008 en 2018 volgden respectievelijk 5(5) en 9(6) extra gebieden. In totaal zijn er thans in Ierland 55 gebieden van communautair belang, waar actieve en aangetaste hoogveengebieden worden beschermd, alsook 7 gebieden met alleen aangetaste hoogveengebieden.

10.      Bedekkingsveengebieden zijn uitgestrekte veengebieden of -landschappen op vlak of glooiend terrein met slechte afwatering aan de oppervlakte, in een zeeklimaat met veel regenval, kenmerkend voor het westen en noorden van Groot-Brittannië en Ierland. Veenmossen vervullen ook hier een belangrijke rol, maar het aandeel zeggeachtigen is groter dan in hoogveengebieden.(7) Actieve bedekkingsvenen behoren tot de prioritaire habitattypen.

11.      In 2004(8) heeft de Commissie 54 Ierse gebieden van communautair belang, waar bedekkingsveengebieden worden beschermd, onder bescherming geplaatst, en in 2008(9) een extra gebied daaraan toegevoegd.

12.      Sinds 2008 onderzoekt de Commissie de turfwinning in deze gebieden. Uit een beoordeling van de staat van instandhouding van het habitattype „actief hoogveen” was destijds gebleken dat de oppervlakte van dit prioritaire habitattype in Ierland in de loop van ongeveer tien jaar aanzienlijk was afgenomen.

13.      De Commissie heeft Ierland daarom op 28 januari 2011 overeenkomstig artikel 258 VWEU verzocht om opmerkingen te maken en heeft op 17 juni 2011 een met redenen omkleed advies aan deze lidstaat gestuurd.

14.      Vervolgens vond er regelmatig contact plaats tussen de Commissie en Ierland. Aangezien de Commissie echter niet tevreden was met de Ierse maatregelen, heeft zij op 29 september 2022 een aanvullend met redenen omkleed advies aan deze lidstaat gestuurd, waarin zij een laatste termijn van twee maanden, namelijk tot en met 29 november 2022, heeft gesteld om de verweten schending van het Unierecht te beëindigen.

15.      Op 10 maart 2025, tot slot, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld waarmee zij het Hof in wezen verzoekt:

1)      te verklaren dat Ierland zijn verplichtingen niet is nagekomen krachtens de habitatrichtlijn, aangezien die lidstaat

a)      niet heeft voldaan aan artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn door niet de passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de kwaliteit van beschermde(10) habitats van hoogveen en aangetast hoogveen verslechtert ten gevolge van activiteiten die verband houden met de nog steeds voortdurende turfwinning, zoals laatst vastgesteld in het turfwinningsseizoen van 2023 in de in bijlage I genoemde gebieden;

b)      niet heeft voldaan aan artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn door niet de passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de kwaliteit van beschermde habitats van bedekkingsveen en aangetast bedekkingsveen verslechtert ten gevolge van activiteiten die verband houden met turfwinning in de in bijlage II genoemde gebieden tijdens de daarin vermelde tijdvakken;

c)      niet heeft voldaan aan artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn door niet de passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de kwaliteit van beschermde habitats van bedekkingsveen verslechtert ten gevolge van activiteiten die verband houden met turfwinning in de in bijlage III-A genoemde gebieden;

d)      niet heeft voldaan aan de habitatrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof, door niet te hebben gezorgd voor het herstel van de gebieden door de schade die is toegebracht aan alle bestaande gebieden van communautair belang die zijn aangewezen voor de bescherming van habitats van hoogveen, aangetast hoogveen en bedekkingsveen in de periode sinds zij moesten worden voorgesteld voor aanwijzing op 10 juni 1995 of, subsidiair, sinds de datum waarop Ierland elk aan te wijzen gebied formeel aan de Commissie heeft voorgesteld;

e)      de vereisten niet is nagekomen die zijn opgenomen in artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn, door niet te voorzien in de controle van turfwinning binnen de termijn die was vastgesteld in het aanvullend gemotiveerd advies, voor de in bijlage IV genoemde hoogveengebieden en aangetaste hoogveengebieden van communautair belang;

f)      niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn met betrekking tot de controle op activiteiten in verband met het steken van turf voor huishoudelijk gebruik voor alle in bijlage V genoemde bedekkingsveengebieden van communautair belang;

g)      niet binnen de termijn die was vastgesteld in het aanvullend gemotiveerd advies een controleregeling heeft ingevoerd in overeenstemming met artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn met betrekking tot de controle op activiteiten in verband met het steken van turf, ook voor niet-huishoudelijk gebruik, voor de in bijlage VI genoemde bedekkingsveengebieden; alsook

2)      Ierland te verwijzen in de kosten.

16.      Ierland verzoekt:

1)      het beroep te verwerpen, en

2)      de Commissie te verwijzen in de kosten.

17.      Partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Overeenkomstig artikel 76, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Hof beslist om geen pleitzitting te houden, aangezien het zich voldoende voorgelicht acht.

IV.    Juridische beoordeling

18.      De Commissie verwijt Ierland dat het met betrekking tot een groot aantal Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van habitats van hoogveen en bedekkingsveen, drie verplichtingen heeft geschonden die voortvloeien uit artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de habitatrichtlijn. Het gaat daarbij ten eerste om het verslechteringsverbod in de zin van artikel 6, lid 2 (onder A), ten tweede om de verplichting tot herstel van aangetaste habitats (onder B) en ten derde om het nemen van compenserende maatregelen in samenhang met het verlenen van toestemming voor projecten overeenkomstig artikel 6, leden 3 en 4 (onder C).

A.      Verslechteringsverbod in de zin van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn

19.      De opsomming van een groot aantal Natura 2000-gebieden in punt 1, onder a), b), en c), van de conclusies van het verzoekschrift wekt op het eerste gezicht de indruk dat de Commissie de verslechtering van deze gebieden toeschrijft aan activiteiten die verband houden met turfwinning. Deze indruk is echter misleidend.

20.      De Commissie somt deze gebieden veeleer op als bewijs dat Ierland geen passende maatregelen heeft genomen om de aantasting van habitats van hoogveen en bedekkingsveen door turfwinning te voorkomen.

21.      Daarom rijst ook niet de vraag of de Commissie in punt 1, onder b), van de conclusies van haar verzoekschrift bezwaar kan maken tegen turfwinning in bepaalde gebieden die vóór het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn werd stopgezet. Ook deze activiteiten voert de Commissie slechts aan als bewijs dat de beschermingsmaatregelen in Ierland ontoereikend zijn.

1.      Ontvankelijkheid

22.      Vanuit dit oogpunt kunnen de bezwaren van Ierland tegen de ontvankelijkheid van de in punt 1, onder a), b), en c), van de conclusies van het verzoekschrift geformuleerde grieven niet slagen.

23.      Ierland is namelijk van mening dat het betoog van de Commissie dubbelzinnig is en de vermeende tekortkomingen van Ierland niet op samenhangende en nauwkeurige wijze onderbouwt. Het is niet duidelijk om welke gebieden het gaat en om welke redenen er geen passende maatregelen zijn genomen om een verslechtering van de toestand van afzonderlijke locaties te voorkomen. Er is sprake van „meerdere” locaties, waarvan het aantal varieert en waarvan de beschrijving onnauwkeurig is. In het verzoekschrift wordt niet met de vereiste nauwkeurigheid uiteengezet in hoeverre de door de Commissie aangevoerde redenen verband houden met de in haar conclusies genoemde concrete locaties en deze conclusies onderbouwen.

24.      Afzonderlijk bekeken blijkt uit de motivering van het beroep inderdaad niet op welke gebieden de Commissie doelt. Uit een gezamenlijke lezing van deze motivering met de in punt 1, onder a), b), en c), van de conclusies van het verzoekschrift geformuleerde grieven en de desbetreffende bijlagen daarbij, komt echter naar voren dat de gebieden en het tijdvak van de vermeende schendingen ondubbelzinnig zijn omschreven. In bijlage A.2 bij het verzoekschrift worden de gebiedsgerelateerde bezwaren nader geconcretiseerd.

25.      Dat volstaat om dit betoog van de Commissie te beoordelen.

26.      Of en in hoeverre de Commissie moet uiteenzetten welke maatregelen passend zijn om aantastingen van voornoemde gebieden te voorkomen is geen kwestie van ontvankelijkheid, maar van gegrondheid van het beroep.

27.      Ierland acht het bovendien onaanvaardbaar dat de Commissie het beroep ook uitbreidt tot feiten uit het jaar 2023, dat wil zeggen tot een tijdvak na het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn.

28.      Het is juist dat bij de beoordeling van het beroep moet worden aangeknoopt bij de situatie aan het einde van de in het met redenen omkleed advies van de Commissie gestelde termijn.(11) Niettemin maken ook latere feiten het mogelijk om conclusies te verbinden aan de situatie aan het einde van deze termijn(12), met name wanneer deze van dezelfde aard zijn als die waarin in dat advies op wordt gedoeld, en eenzelfde gedraging opleveren.(13) Aangezien de Commissie voor alle genoemde tijdvakken Ierland verwijt dat het de turfwinning in de betrokken Natura 2000-gebieden niet heeft voorkomen, gaat het om feiten van dezelfde aard.

29.      De bezwaren tegen de ontvankelijkheid van de in punt 1, onder a), b), en c), van de conclusies van het verzoekschrift geformuleerde grieven moeten bijgevolg worden afgewezen.

2.      Gegrondheid

30.      Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn treffen de lidstaten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones, dat wil zeggen Natura 2000-gebieden, niet verslechtert.

31.      Volgens artikel 4, lid 5, van de habitatrichtlijn geldt deze verplichting zodra de Commissie een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang heeft geplaatst. Voor de meeste van de in het verzoekschrift genoemde gebieden is deze datum 7 december 2004, maar sommige ervan zijn pas op 12 december 2008 of op 14 december 2018 op deze lijst geplaatst.

a)      Verslechtering van veenhabitats door turfwinning

32.      Ierland erkent dat turfwinning en de daarmee gepaard gaande drainagemaatregelen de integriteit kunnen aantasten van de Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogveenhabitats.

33.      De Commissie licht in dit verband toe dat het voor de instandhouding van actieve hoogvenen vereist is dat het gemiddelde waterpeil het grootste deel van het jaar dicht bij of boven het oppervlak ligt. In aanloop naar de turfwinning worden hoogvenen echter gedraineerd. De turfwinning zelf veroorzaakt vervolgens extra schade. Deze activiteiten tasten de hydrologische integriteit van de hoogvenen aan en leiden tot een daling van het grondwaterpeil, wat op zijn beurt scheuren, degradatie, instorting en het openbreken van de turflaag veroorzaakt. Dergelijke maatregelen kunnen ertoe leiden dat de turf bij een dalende waterstand aan de lucht wordt blootgesteld. Als gevolg daarvan beginnen afgestorven planten in de turf te rotten en komen daarbij kooldioxide en andere gassen vrij in de atmosfeer. Deze veranderingen in de structuur en functie van hoogvenen leiden tot het verlies van de unieke ecologie ervan.

34.      Hoewel partijen niet expliciet hebben gediscussieerd over de verslechtering van bedekkingsvenen door turfwinning, gelden voor dit habitattype in beginsel gelijksoortige overwegingen. Bijgevolg ligt deze vorm van verslechtering impliciet ten grondslag aan het meningsverschil over toereikende beschermingsmaatregelen voor bedekkingsvenen en staat deze eveneens buiten kijf. Zij is overigens ook vastgesteld in de verslagen die Ierland overeenkomstig artikel 17 van de habitatrichtlijn heeft bekendgemaakt.(14)

35.      Bijgevolg is Ierland op grond van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn verplicht om passende maatregelen te treffen ter voorkoming van turfwinning in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogvenen én bedekkingsvenen.

b)      Door Ierland getroffen beschermingsmaatregelen

36.      Ierland stelt dat het voldoende maatregelen heeft getroffen om aan deze verplichting te voldoen. Daartoe zijn financiële prikkels ter compensatie van traditionele turfstekers gecombineerd met een vergunningplicht voor turfwinning, actieve handhaving en controle op de naleving van winningsverboden, wetenschappelijke begeleiding en natuurherstelprojecten.

37.      Dat deze maatregelen passend zijn, blijkt uit het feit dat aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, namelijk op 29 november 2022, de turfwinning in 73 % van de voor hoogvenen geselecteerde speciale beschermingszones (45 van de 62) volledig is stopgezet en het aantal ontgonnen percelen in de 19 jaar sinds 2003 met 82 % is gedaald. Het feit dat een klein aantal personen, ondanks de inspanningen van de Ierse autoriteiten, op enkele locaties nog steeds illegaal turf wint, betekent niet dat de maatregelen ontoereikend zijn. Anders dan in eerdere Ierse verslagen is de staat van instandhouding van deze beide hoogveenhabitattypen in het overeenkomstig artikel 17 van de habitatrichtlijn opgestelde verslag voor 2025 dan ook niet langer beoordeeld als „ongunstig, slecht en verslechterend”, maar als „ongunstig, slecht en verbeterend”.(15)

c)      Reikwijdte van het verslechteringsverbod

38.      Ierland heeft gelijk dat de lidstaten op grond van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn niet verplicht zijn om elke verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen.

39.      De lidstaten moeten namelijk slechts „passende” beschermingsmaatregelen nemen en beschikken dienaangaande over een beoordelingsmarge.(16) Volgens het Hof houdt artikel 6, lid 2, dan ook een „algemene verplichting” in om verslechteringen te voorkomen(17), maar geen resultaatsverplichting(18).

40.      De criteria voor een milieueffectbeoordeling in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn gelden echter ook voor het verslechteringsverbod van artikel 6, lid 2, ervan aangezien beide leden hetzelfde beschermingsniveau waarborgen.(19)

41.      Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn is een plan of project alleen toegestaan indien de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied niet worden aangetast. Om dit te waarborgen moet overeenkomstig artikel 6, lid 3, eerste volzin, in de eerste fase een ex ante beoordeling worden verricht van de verenigbaarheid van plannen of projecten met een beschermd gebied, wanneer het waarschijnlijk is of het risico bestaat dat deze plannen of projecten significante gevolgen hebben voor het betreffende gebied.(20) Overeenkomstig artikel 6, lid 3, tweede volzin, kunnen dergelijke plannen of projecten bijgevolg alleen worden vergund wanneer het op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake niet valt uit te sluiten dat het gebied al zodanig niet wordt aangetast.(21)

42.      Indien er geen milieueffectbeoordeling met deze uitkomst beschikbaar is, volstaat het voor de vaststelling van een schending van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn dan ook dat wordt aangetoond dat het waarschijnlijk is of dat het risico bestaat dat door een activiteit dergelijke storende factoren optreden.(22)

43.      In dat geval zijn de lidstaten op grond van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn verplicht passende maatregelen te treffen om deze activiteit te voorkomen. In een desbetreffende niet-nakomingsprocedure dienen zij daarvoor dan ook bewijzen te overleggen.(23)

44.      Hieruit volgt dat er geen sprake kan zijn van schending van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn wanneer lidstaten onvoorzienbare verslechteringen niet voorkomen. In dat geval zijn er immers geen aanwijzingen van een waarschijnlijkheid van of risico op een verslechtering.

d)      Toepassing op de onderhavige zaak

45.      In de onderhavige zaak waren er aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, namelijk op 29 november 2022, echter duidelijke aanwijzingen van een waarschijnlijkheid van of risico op een verdere verslechtering van de door Ierland aangewezen Natura 2000-gebieden voor de bescherming van veenhabitats tegen turfwinning, ondanks de door de Ierse autoriteiten getroffen maatregelen.

46.      Ierland geeft namelijk zelf toe dat er op die datum nog steeds turf werd gewonnen in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogvenen en bedekkingsvenen. Deze winning was ook geen verrassende of onvoorzienbare ontwikkeling, maar het uitvloeisel van een al lang bestaande traditie. Ierland verdedigt zich zelfs met het argument dat deze winning in de loop der jaren is afgenomen en geeft daarmee toe dat de eerder genomen beschermingsmaatregelen nog aanzienlijk minder doeltreffend waren.

47.      Deze bevinding wordt ook niet weerlegd in het recentste verslag dat Ierland overeenkomstig artikel 17 van de habitatrichtlijn heeft opgesteld.

48.      Ierland weerspreekt de bewijskracht van zijn eigen verslagen die het overeenkomstig artikel 17 van de habitatrichtlijn in 2013 en 2019 had opgesteld. Daarin werd vastgesteld dat de staat van instandhouding van hoogveen- en bedekkingsveenhabitats slecht was en een tendens van verslechtering vertoonde.(24) Ierland benadrukt echter dat deze beoordeling niet is gebaseerd op een onderzoek van alle Ierse Natura 2000-gebieden. Tegelijkertijd voert deze lidstaat aan dat het verslag voor 2025 weliswaar nog steeds een slechte staat van instandhouding heeft vastgesteld, maar in ieder geval wijst op een tendens van verbetering in het geval van hoogveenhabitats.(25)

49.      In de eerste twee verslagen wordt vooral benadrukt dat Ierland in 2019 zelf tot de conclusie is gekomen dat zijn beschermingsmaatregelen ter voorkoming van verdere verslechtering niet toereikend waren. Het nieuwe verslag kan een aanwijzing vormen voor een verbetering van de toestand aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Deze aanwijzing houdt echter alleen in dat de beschermingsmaatregelen, in combinatie met de herstelmaatregelen, naar de opvatting van Ierland verdere verslechtering van de algehele toestand van hoogveenhabitats voorkomen. In de praktijk betekent dit echter dat bepaalde hoogveengebieden nog steeds worden aangetast door turfwinning, terwijl herstelmaatregelen op andere locaties deze verliezen compenseren. Compenserende maatregelen kunnen echter geen rechtvaardiging zijn voor ontoereikende beschermingsmaatregelen.

50.      Anders dan bij de hoogveengebieden blijft de staat van instandhouding van de bedekkingsveengebieden volgens het verslag voor 2025 bovendien slecht en vertoont hij een tendens van verslechtering.(26) Dit is weliswaar niet alleen toe te schrijven aan turfwinning, maar het verslag citeert een door Ierland overgelegde studie waaruit blijkt dat tussen 2012 en 2023 meer dan 200 hectare (ha) bedekkingsveen door turfwinning is aangetast.(27)

51.      Hieruit blijkt dus dat Ierland de turfwinning weliswaar heeft kunnen afbouwen in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoog- en bedekkingsveen, maar niet volledig heeft kunnen stopzetten. Dit verdient zeker de voorkeur boven een ongewijzigde voortzetting van deze activiteit, aangezien de te beschermen veenhabitats hierdoor minder ernstig worden aangetast. Dit volstaat echter niet om volledig te voldoen aan het in artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn neergelegde verslechteringsverbod.

52.      Ierland heeft evenmin aangetoond dat doeltreffendere beschermingsmaatregelen niet haalbaar zijn.

53.      Een strengere handhaving van de bescherming van veenhabitats tegen turfwinning lijkt in de praktijk integendeel heel goed mogelijk te zijn. Het is weliswaar zo dat een intensiever toezicht op de betrokken Natura 2000-gebieden en strengere sancties voor illegale turfwinning moeilijk haalbaar zijn, maar het lijdt geen twijfel dat er andere beschermingsmaatregelen denkbaar zijn die wel praktisch haalbaar zijn. Zo zou het systematisch voorkomen van drainage, bijvoorbeeld door het afsluiten en/of dempen van sloten, niet alleen de waterhuishouding van de betrokken veengebieden verbeteren en daarmee bijdragen aan het herstel van deze habitats, maar ook verdere turfwinning aanzienlijk bemoeilijken, zo niet onmogelijk maken.

54.      Voor zover Ierland aanvoert dat de turfwinning het voorwerp kan zijn van rechten die vergelijkbaar zijn met het eigendomsrecht moeten deze rechten worden afgewogen tegen de beschermingsverplichtingen ten aanzien van de beschermde veenhabitattypen. Deze beschermingsverplichtingen maken deel uit van het Unierecht en hebben bijgevolg voorrang boven nationale rechtsposities. Zo aldus eigendomsrechten worden beperkt of opgeheven, hebben de betrokkenen mogelijkerwijs recht op schadevergoeding, maar dat neemt niet weg dat de lidstaat voornoemde beschermingsverplichtingen moet doen naleven.

e)      Voorlopige conclusie met betrekking tot het verslechteringsverbod

55.      Bijgevolg moet met betrekking tot de in punt 1, onder a), b), en c), van de conclusies van het verzoekschrift geformuleerde grieven worden vastgesteld dat Ierland geen toereikende maatregelen in de zin van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn heeft getroffen om te voorkomen dat de kwaliteit van beschermde habitats van hoogveen (Natura 2000-codes 7110 en 7120) en bedekkingsveen (Natura 2000-code 7130) verslechtert ten gevolge van activiteiten die verband houden met turfwinning in de Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van deze habitattypen.

B.      Herstelverplichting

56.      Met de in punt 1, onder d), van de conclusies van haar verzoekschrift opgeworpen grief betoogt de Commissie dat Ierland niet heeft voldaan aan de habitatrichtlijn door niet te hebben gezorgd voor het herstel van aangetaste habitats van hoogveen en bedekkingsveen in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van deze habitats.

57.      Het voorwerp van deze grief is, volgens de bewoordingen ervan, het herstel van gebieden na niet nader omschreven toegebrachte „schade”. In het onderhavige beroep gaat de Commissie echter uitsluitend in op schade die toe te schrijven is aan turfwinning en de daartoe uitgevoerde drainage. Andere vormen van schade komen bijgevolg niet in aanmerking.

58.      Vanuit temporeel oogpunt eist de Commissie herstel van de schade die is toegebracht aan gebieden sinds de datum waarop Ierland deze overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea, van de habitatrichtlijn had moeten voorstellen voor aanwijzing, dat wil zeggen sinds 10 juni 1995. Alleen subsidiair vordert zij herstel van de schade die is toegebracht sinds de datum waarop Ierland deze gebieden formeel heeft voorgesteld.

59.      Ierland brengt daartegen in dat het voldoende herstelmaatregelen heeft genomen. Met name zijn er tot eind 2022 over een oppervlakte van 4 766 ha herstelmaatregelen uitgevoerd in 38 voor de bescherming van hoogveenhabitats aangewezen Natura 2000-gebieden. Voor bedekkingsveengebieden zijn er herstelmaatregelen in voorbereiding.

60.      Bijgevolg moet eerst worden ingegaan op de herstelverplichting (onder 1) en vervolgens op de schade die ratione temporis moet worden hersteld (onder 2). Op basis daarvan kunnen de door deze schade getroffen Natura 2000-gebieden worden geïdentificeerd (onder 3) en kan worden onderzocht of Ierland voldoende herstelmaatregelen heeft genomen (onder 4).

1.      Verplichting tot herstel van aangetaste Natura 2000-gebieden

61.      Op grond van het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking zijn de lidstaten verplicht de onwettige gevolgen van een schending van het gemeenschapsrecht ongedaan te maken.(28) Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat de betrokken lidstaat alle schade dient te vergoeden die het gevolg is van het verzuim om een beoordeling te maken van de gevolgen van een plan of project voor het milieu(29), waaronder met name in Natura 2000-gebieden toegebrachte milieuschade.(30)

62.      Dit is niet anders wanneer er schade aan beschermde habitats in Natura 2000-gebieden ontstaat door het verzuim van een lidstaat om overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn toereikende beschermingsmaatregelen te treffen. Deze habitats behoren immers tot het gemeenschappelijke erfgoed van de Europese Unie.(31) Bijgevolg is het in beginsel aan die lidstaat om deze aangetaste habitats te herstellen.

63.      Ierland heeft langdurig en op kennelijke en ernstige wijze niet voldaan aan zijn beschermingsverplichtingen.

64.      Turfwinning kwam niet als een verrassing, maar vond al geruime tijd plaats. Er zijn geen aanwijzingen dat de Ierse maatregelen er van meet af aan op gericht waren deze praktijk onmiddellijk te beëindigen. Ierland heeft de beschermingsmaatregelen veeleer stapsgewijs ingevoerd en in bedekkingsveengebieden gelden er thans nog steeds uitzonderingen voor turfwinning voor huishoudelijk gebruik.(32) Bijgevolg waren en zijn deze maatregelen kennelijk ontoereikend. Het gaat dus om een voldoende gekwalificeerde schending van de in artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn neergelegde verplichtingen.

65.      In de onderhavige zaak moet Ierland de door turfwinning aangetaste veenhabitats dan ook herstellen, aangezien het geen toereikende beschermingsmaatregelen in de zin van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn heeft genomen.

2.      Aanvangsdatum van de verplichting tot bescherming van veenhabitats

66.      Partijen zijn het echter oneens over de aanvangsdatum van de op Ierland rustende verplichting tot bescherming van veenhabitats, aangezien Ierland alleen de sinds die datum aangetaste habitats moet herstellen.

67.      Dit meningsverschil vindt zijn oorsprong in de in artikel 4 van de habitatrichtlijn vervatte regeling tot vaststelling van Natura 2000-gebieden. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn moeten de lidstaten binnen drie jaar en uiterlijk op 10 juni 1995 aan de Commissie gebieden voorstellen die op basis van wetenschappelijke criteria in aanmerking komen als Natura 2000-gebieden. Uit deze voorstellen moet de Commissie binnen nog eens drie jaar een lijst van gebieden van communautair belang samenstellen. Pas vanaf die datum geldt voor de op die lijst geplaatste gebieden de door artikel 6, leden 2, 3 en 4, geboden bescherming.

68.      Vanuit temporeel oogpunt eist de Commissie echter herstel van de schade die is toegebracht sinds de datum waarop Ierland de gebieden had moeten voorstellen, dat wil zeggen sinds 10 juni 1995. Alleen subsidiair vordert zij herstel van de schade die is toegebracht sinds de datum waarop Ierland deze gebieden formeel heeft voorgesteld.(33)

69.      Ierland is daarentegen van mening dat zijn beschermingsverplichting volgens de relevante rechtspraak pas is ontstaan op de datum waarop het betreffende gebied formeel is voorgesteld. De herstelverplichting geldt bijgevolg alleen voor schade die sinds die datum is ontstaan.

70.      Het Hof heeft geoordeeld dat de lidstaten reeds vóór de aanvang van de toepasselijkheid van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de habitatrichtlijn verplicht zijn om beschermingsmaatregelen vast te stellen die het relevante ecologisch belang kunnen waarborgen dat deze gebieden op nationaal niveau toekomt ter verwezenlijking van de door de richtlijn beoogde instandhoudingsdoelstelling.

71.      Deze verplichting gold aanvankelijk vanaf het moment waarop de lidstaat het gebied krachtens artikel 4, lid 1, aan de Commissie heeft voorgesteld als Natura 2000-gebied.(34) Het Hof rechtvaardigde dit met name op grond dat anders afbreuk zou worden gedaan aan de feitelijke grondslag voor het besluit van de Commissie over de opname van gebieden in de communautaire lijst(35), maar ook door erop te wijzen dat anders natuurlijke habitats en wilde fauna en flora, die krachtens de habitatrichtlijn moeten worden beschermd(36), in gevaar zouden komen. Ierland beroept zich op deze rechtspraak.

72.      Later heeft het Hof deze beschermingsverplichting evenwel uitgebreid tot gebieden die de lidstaat weliswaar (nog) niet heeft voorgesteld, maar waarvan hij niet betwist dat zij voldoen aan de in artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn bedoelde ecologische criteria. Deze gebieden had de lidstaat bijgevolg ook al aan de Commissie moeten voorstellen. Derhalve is het niet aanvaardbaar dat deze gebieden geen enkele bescherming genieten.(37)

73.      In dit verband refereert het Hof weliswaar aan de aantasting van de grondslag voor het besluit van de Commissie(38), maar zolang een gebied niet is voorgesteld, kan het nog geen deel uitmaken van die grondslag. Bij deze rechtspraak gaat het dus integendeel terecht om de instandhouding van habitats en soorten die krachtens de habitatrichtlijn moeten worden beschermd.(39) Deze conclusie vindt bovendien steun in de door de Commissie benadrukte idee dat een lidstaat geen voordeel mag halen uit een te late nakoming van zijn verplichtingen.(40)

74.      Door de litigieuze gebieden voor te stellen heeft Ierland erkend dat deze voldoen aan de ecologische criteria van artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn. . Anders had het deze gebieden niet mogen voorstellen.

75.      Hoewel Ierland deze kenmerken van de voorgestelde gebieden pas op het moment van het voorstel heeft erkend, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat deze gebieden reeds sinds 10 juni 1995 voldoen aan de in artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn gestelde ecologische criteria.

76.      Bij wijze van uitzondering kan er sprake zijn van gebieden waar deze criteria pas in de loop van de tijd worden vervuld, bijvoorbeeld als gevolg van herstelmaatregelen. Ook kan niet worden uitgesloten dat een lidstaat, ondanks serieuze inspanningen om de voor te stellen gebieden te identificeren, op 10 juni 1995 niet kon weten dat een gebied aan voornoemde criteria voldeed. Dergelijke gebieden hoefde de lidstaat daarom op die datum wellicht nog niet voor te stellen.

77.       Veenhabitats zijn echter duidelijk herkenbaar en ontwikkelen zich over zulke lange perioden dat de verplichting om de desbetreffende gebieden voor te stellen al in 1995 moet hebben bestaan.

78.      Overigens had de lidstaat moeten aantonen dat hij gerechtigd was om een gebied bij wijze van uitzondering pas later voor te stellen. In de onderhavige zaak zijn er daarvoor echter geen aanwijzingen.

79.      Daarom had Ierland de door hem tussen 1996 en 2016 voorgestelde beschermingszones voor hoogveen en bedekkingsveen al vanaf 10 juni 1995 moeten beschermen. De schade die sinds die datum aan deze veenhabitats is toegebracht als gevolg van turfwinning, moet Ierland bijgevolg – althans voor zover mogelijk – ongedaan maken door het herstel van deze habitats.

3.      Welke gebieden zijn sinds 10 juni 1995 aangetast?

80.      Vast staat dat de Ierse Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van veenhabitats al sinds 10 juni 1995 door turfwinning zijn aangetast.

81.      Ierland levert weliswaar felle kritiek op de bewijsvoering van de Commissie, maar betwist uiteindelijk niet dat er sinds 10 juni 1995 turf werd gewonnen in de voor de bescherming van hoogveengebieden aangewezen Natura 2000-gebieden, als genoemd in punt 1, onder a) en b), van de conclusies van het verzoekschrift alsook in de bijlagen I en II bij deze conclusie. Deze gegevens van de Commissie zijn gebaseerd op door Ierland zelf meegedeelde informatie.(41)

82.      Wat betreft de 50 in de in punt 1, onder c), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveengebieden (bijlage III-A), weerspreekt Ierland evenwel het verwijt dat er sinds 1995 in al deze gebieden aan turfwinning werd gedaan. De lidstaat legt echter een studie uit 2024 voor, waarin wordt geconcludeerd dat er sinds dat jaar turfwinning heeft plaatsgevonden in ten minste 37 van deze gebieden(42), waarvan een lijst is opgenomen in bijlage III-B bij deze conclusie. Overigens staat ook in het door Ierland overeenkomstig artikel 17 van de habitatrichtlijn opgestelde verslag voor 2025 te lezen dat de staat van instandhouding van het habitattype bedekkingsveen nog steeds „ongunstig, slecht en verslechterend”(43) is, waarvoor onder meer de voortdurende turfwinning als oorzaak wordt aangewezen(44).

83.      Tegen deze studie uit 2024 brengt de Commissie evenwel een oudere studie uit 2017 in stelling, waaruit blijkt dat er in ieder geval tot in 2012 in alle 50 gebieden aan turfwinning werd gedaan.(45) Zij gaat daarbij echter voorbij aan het feit dat de recentere studie de bevindingen van de oudere studie aan de hand van betere satellietbeelden heeft getoetst en herzien.(46) Volgens deze studie is er in 13 van deze gebieden, waarvan een lijst is opgenomen in bijlage III-C, sinds 1995 geen meetbare aantasting door turfwinning.

84.      Weliswaar heeft de Commissie gelijk wanneer zij stelt dat de nieuwe studie aantastingen ook niet definitief uitsluit, maar dat neemt niet weg dat deze studie de bewijskracht van de oudere studie ondermijnt. Bovendien brengt de Commissie geen andere bewijzen aan waaruit blijkt dat deze 13 gebieden sinds 1995 door turfwinning zijn aangetast.

85.      Drie andere gebieden waar volgens de recentere studie sinds 1995 aan turfwinning werd gedaan(47), worden daarentegen niet genoemd in punt 1, onder c), van de conclusies van het verzoekschrift en vallen bijgevolg buiten het voorwerp van het onderhavige punt 1, onder d), daarvan.

86.      Derhalve moet worden vastgesteld dat in de Natura 2000-gebieden, als genoemd in de bijlagen I, II en III-B bij deze conclusie, beschermde veenhabitats sinds 10 juni 1995 door turfwinning werden aangetast en bijgevolg door Ierland moeten worden hersteld.

4.      Heeft Ierland toereikende herstelmaatregelen getroffen?

87.      Ierland is evenwel de opvatting toegedaan dat het voldoende herstelmaatregelen heeft getroffen. Ter onderbouwing daarvan verwijst het naar meerdere maatregelen voor herstel van met name hoogveenhabitats, alsook naar maatregelen ter voorbereiding van het herstel van andere hoogveen- en bedekkingsveenhabitats.

88.      Deze maatregelen zijn ongetwijfeld lovenswaardig. Ze zijn echter ontoereikend.

89.      Volgens de onweersproken gegevens in bijlage A.2 bij het verzoekschrift heeft Ierland namelijk nog niet voldoende maatregelen getroffen voor het herstel van alle in de bijlagen I en II bij deze conclusie genoemde Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogveenhabitats. Alleen voor het gebied Carrownagappul Bog (IE0001242) erkent de Commissie dat er herstel heeft plaatsgevonden.(48)

90.      Bovendien heeft Ierland vrijwel geen maatregelen getroffen voor het herstel van de in bijlage III-B bij deze conclusie genoemde Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveenhabitats. Ierland verwijst weliswaar nadrukkelijk naar herstelmaatregelen in de gebieden Ox Mountains Bogs (IE0002006) en Wicklow Mountains (IE0002122), maar deze dateren deels van vele jaren geleden en het is niet duidelijk of daarmee alle schade is hersteld.

5.      Voorlopige conclusie met betrekking tot de herstelverplichting

91.      Derhalve is Ierland zijn verplichtingen krachtens artikel 4, lid 3, VEU en artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn niet nagekomen door niet de noodzakelijke maatregelen te treffen voor het herstel van de sinds 10 juni 1995 door turfwinning aangetaste habitats van hoogveen (Natura 2000-codes 7110 en 7120) en bedekkingsveen (Natura 2000-code 7130) binnen de in de bijlagen I, II en III-B bij deze conclusie genoemde Natura 2000-gebieden, met uitzondering van het gebied Carrownagappul Bog (IE0001242).

C.      Naleving van artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn

92.      In punt 1, onder e), f), en g), van de conclusies van haar verzoekschrift laakt de Commissie een schending van de bepalingen inzake de zogenoemde milieueffectbeoordeling, dat wil zeggen van de in artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn vastgestelde procedure voor de vergunning van projecten in verband met turfwinning in Natura 2000-gebieden.

93.      Overeenkomstig artikel 6, lid 3, tweede volzin, van de habitatrichtlijn geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor een plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Hiertoe bepaalt artikel 6, lid 3, eerste volzin, dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

94.      Artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn staat bij wijze van uitzondering de vergunning van een project toe indien daarvoor op grond van artikel 6, lid 3, geen toestemming kan worden verleend. Aangezien de milieueffectbeoordeling een voorwaarde is voor de toepassing van deze uitzonderingsbepaling(49), levert een gebrekkige uitvoering van de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling ook schending op van artikel 6, lid 4.

95.      Tussen partijen is onbetwist dat de winning van turf in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van habitats van hoogveen en bedekkingsveen, vanwege de waarschijnlijk aanzienlijke nadelige milieueffecten voor deze habitats moet worden beschouwd als een project in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn.

96.      Punt 1, onder e), van de conclusies van het verzoekschrift heeft betrekking op Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogveenhabitats (onder 1), terwijl punt 1, onder f) en g), van de conclusies van het verzoekschrift Natura 2000-gebieden betreft die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveenhabitats (onder 2 en 3).

1.      Voor de bescherming van hoogveenhabitats aangewezen Natura 2000-gebieden

97.      In punt 1, onder e), van de conclusies van haar verzoekschrift betoogt de Commissie dat Ierland de vereisten niet is nagekomen die zijn opgenomen in artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn, door binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn niet te voorzien in de controle van turfwinning in de 13 in bijlage IV genoemde Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogveenhabitats.

98.      Voor turfwinning in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogveenhabitats geldt naar Iers recht een vergunningplicht, die in beginsel gepaard hoort te gaan met de toepassing van artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn op turfwinningsprojecten. De Commissie acht deze regeling voor formeel aangewezen gebieden in beginsel toereikend, maar stelt dat er in de praktijk vrijwel geen vergunning is aangevraagd, onderzocht, verleend of geweigerd.

99.      Met dit betoog werpt de Commissie in feite dezelfde grief op als in punt 1, onder a), van de conclusies van haar verzoekschrift, namelijk dat Ierland onvoldoende beschermingsmaatregelen heeft getroffen in hoogveengebieden. Doordat zij zich op artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn beroept, verwijt zij Ierland echter ook schending van een tweede regeling, waardoor zij dus een dubbele niet-nakoming aanvoert.

100. Er zou dan ook kunnen worden verwacht dat de Commissie op dezelfde gebieden doelt als die welke zijn genoemd in haar grief in punt 1, onder a), en waarvan een lijst is opgenomen in bijlage I bij deze conclusie. Alleen voor deze Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogveenhabitats voert de Commissie aan dat er aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog turfwinning plaatsvond en dat deze activiteit dus onvoldoende werd gecontroleerd.

101. De bezwaren van de Commissie zijn echter slechts gericht tegen twee van de in bijlage I opgenomen gebieden. Wat deze beide gebieden betreft, is het verwijt van een onjuiste toepassing van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn echter in tegenspraak met de eigen gegevens van de Commissie in bijlage A.2 bij haar verzoekschrift, volgens welke Ierland heeft meegedeeld dat de turfwinning in die gebieden overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn wordt gecontroleerd.(50) De Commissie spreekt deze gegevens niet tegen.

102. Zij legt evenmin uit hoe zij tot de conclusie komt dat de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling in de andere in bijlage IV genoemde gebieden onvoldoende worden gehandhaafd.

103. Het argument dat artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn in de 13 in bijlage IV genoemde gebieden in de praktijk onvoldoende wordt gehandhaafd, is bijgevolg onvoldoende gestaafd. In zoverre moet de in punt 1, onder e), van de conclusies van het verzoekschrift geformuleerde grief worden afgewezen.

104. Uit het betoog van Ierland blijkt echter duidelijk dat de 13 in bijlage IV genoemde gebieden aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog niet formeel als speciale beschermingszones waren aangewezen overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de habitatrichtlijn. Daarop zal hieronder worden ingegaan bij de behandeling van punt 1, onder g), van de conclusies van het verzoekschrift (onder 3).

2.      Uitzonderingsregeling voor turfwinning voor huishoudelijk gebruik in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveengebieden

105. In punt 1, onder f), van de conclusies van haar verzoekschrift laakt de Commissie de regeling inzake turfwinning in de in bijlage V genoemde Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveengebieden. In beginsel wordt turfwinning in deze gebieden aangemerkt als een vergunningplichtige activiteit, wat de toepassing van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn met zich brengt. De voortgezette turfwinning voor huishoudelijk gebruik uit bestaande turfbanken is daarvan echter expliciet uitgezonderd.

106. Ierland erkent dit verwijt en geeft te kennen dat het deze uitzonderingsregeling zal opheffen.

107. Bijgevolg staat onweerlegbaar vast dat Ierland artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn heeft geschonden doordat het geen vergunningplicht heeft ingesteld voor de voortgezette turfwinning voor huishoudelijk gebruik uit bestaande turfbanken in de in bijlage V bij deze conclusie genoemde Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveengebieden.

3.      Onvoldoende handhaving in Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveengebieden 

108. In punt 1, onder g), van de conclusies van haar verzoekschrift verwijt de Commissie Ierland tot slot, voor de 14 in bijlage VI genoemde Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveengebieden geen controleregeling te hebben ingesteld die voldoet aan de vereisten van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn. Ierland had deze 14 gebieden aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog niet formeel aangewezen als speciale beschermingszones overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de habitatrichtlijn.

109. De Commissie erkent dat turfwinning ook in deze gebieden in beginsel onderworpen was aan een vergunningplicht. Ten eerste zijn echter alleen de perceeleigenaren hiervan in kennis gesteld, hoewel ook andere personen aan turfwinning doen. Ten tweede is deze verplichting nooit gehandhaafd.

a)      Kennisgeving van de controleregelingen

110. Ierland benadrukt weliswaar dat Natura 2000-gebieden reeds vóór de formele aanwijzing ervan overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de habitatrichtlijn naar Iers recht de door artikel 6, leden 3 en 4, geboden volledige bescherming genieten, maar de lidstaat gaat niet in op de grief dat deze bescherming niet ter kennis is gebracht van alle personen die in deze gebieden turf winnen.

111. In zoverre is deze grief dan ook gegrond.

112. Hetzelfde moet bijgevolg ook gelden voor de in punt 1, onder e), van de conclusies van het verzoekschrift geformuleerde grief, voor zover deze eveneens berust op het feit dat de in bijlage IV genoemde gebieden nog niet formeel waren aangewezen overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de habitatrichtlijn.

b)      Onvoldoende handhaving

113. Anders dan voor de Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van hoogveengebieden het geval is, heeft de Commissie de gegrondheid aangetoond van haar grief inzake de onvoldoende handhaving van de bestaande beschermingsmaatregelen in beschermingszones voor bedekkingsveen.

114. De Commissie legt echter niet uit waarom zij deze grief alleen aanvoert met betrekking tot de 14 Natura 2000-gebieden die in bijlage VI worden opgesomd, terwijl ten minste 13 van die gebieden voorkomen op de lijst van gebieden die in bijlage III-B zijn opgenomen, waar er sinds 1995 aan turfwinning werd gedaan. Met betrekking tot het 14e gebied, Comeragh Mountains (IE0001952), blijkt uit de recentere door Ierland overgelegde studie dat er ook daar sindsdien sprake is van turfwinning. Dit vormt een sterke aanwijzing dat Ierland de vergunningplicht onvoldoende heeft gehandhaafd.

115. Bijgevolg is het aan Ierland om aan te tonen dat het toereikende maatregelen heeft getroffen om artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn te doen naleven. Daarin slaagt het echter evenmin als met betrekking tot de schending van de beschermingsverplichting van artikel 6, lid 2, van deze richtlijn.(51)

c)      Voorlopige conclusie met betrekking tot ontoereikende handhaving

116. Derhalve heeft Ierland artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn eveneens geschonden doordat het de vergunningplicht voor turfwinning in de in de bijlagen IV en VI bij deze conclusie genoemde Natura 2000-gebieden niet ter kennis heeft gebracht van alle personen die in deze gebieden turf winnen en deze vergunningplicht onvoldoende heeft gehandhaafd in de in bijlage VI genoemde Natura 2000-gebieden.

V.      Kosten

117. Krachtens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering draagt elke partij haar eigen kosten, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. In de onderhavige zaak wordt de Commissie weliswaar op de meeste punten in het gelijk gesteld, maar met betrekking tot het herstel van enkele Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van bedekkingsveenhabitats en met betrekking tot een deel van de in punt 1, onder e), van de conclusies van het verzoekschrift geformuleerde grief wordt Ierland in het gelijk gesteld. Derhalve dient elke partij haar eigen kosten te dragen.

VI.    Conclusie

118. Ik geef het Hof dan ook in overweging om te beslissen als volgt:

„1)      Ierland heeft geen toereikende maatregelen in de zin van artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna getroffen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats van hoogveen (Natura 2000-codes 7110 en 7120) en bedekkingsveen (Natura 2000-code 7130) verslechtert ten gevolge van activiteiten die verband houden met turfwinning in de Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van deze habitattypen.

2)      Ierland is zijn verplichtingen krachtens artikel 4, lid 3, VEU en artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 niet nagekomen door niet de noodzakelijke maatregelen te treffen voor het herstel van de sinds 10 juni 1995 door turfwinning aangetaste habitats van hoogveen en bedekkingsveen in de in de bijlagen I, II en III-B bij deze conclusie genoemde Natura 2000-gebieden, met uitzondering van het gebied Carrownagappul Bog (IE0001242).

3)      Ierland heeft artikel 6, leden 3 en 4, van richtlijn 92/43 geschonden doordat het

a)      geen vergunningplicht heeft ingesteld voor de voortgezette turfwinning voor huishoudelijk gebruik uit bestaande turfbanken in de in bijlage V bij deze conclusie genoemde Natura 2000-gebieden;

b)      de vergunningplicht voor turfwinning in de in de bijlagen IV en VI bij deze conclusie genoemde Natura 2000-gebieden niet ter kennis heeft gebracht van alle personen die in deze gebieden turf winnen, en

c)      de vergunningplicht voor turfwinning in de in bijlage VI genoemde Natura 2000-gebieden onvoldoende heeft gehandhaafd.

4)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

5)      De Europese Commissie en Ierland zullen hun eigen kosten dragen.”

 Bijlage I [in punt 1, onder a), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde gebieden]

–        Cloonmoylan Bog (IE0000248),

–        Lough Lurgeen Bog/Glenamaddy Turlough (IE0000301),

–        Lough Ree (IE0000440),

–        Bellanagare Bog (0000592),

–        Callow Bog (IE0000595),

–        Cloonchambers Bog (IE0000600),

–        Corliskea/Trien/Cloonfelliv Bog (IE0002110),

–        River Moy (IE0002298),

–        Mouds Bog (0002331),

–        Coolrain Bog (0002332),

–        Clooneen Bog (IE0002348),

–        Corbo Bog (IE0002349),

–        Monivea Bog (IE0002352),

–        Ardgraigue Bog (E0002356).


 Bijlage II [in punt 1, onder b), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde gebieden en tijdvakken]

2012‑2016

–        Lough Corrib (IE0000297),

–        Camderry Bog (IE0002347),

–        Curraghlehanagh Bog (IE0002350),

–        Moanveanlagh Bog (IE0002351);

2012‑2017

–        Carrownagappul Bog (IE0001242);

2012‑2018

–        Kilsallagh Bog (IE0000285),

–        Crosswood Bog (IE0002337);

2012‑2019

–        Moneybeg and Clareisland Bogs (IE0002340);

tot en met 2021

–        Lisnageeragh Bog and Ballinastack Turlough (IE0000296);

tot en met 2022

–        Barroughter Bog (IE0000231),

–        Flughany Bog (IE0000497),

–        Ballynamona Bog and Corkip Lough (IE0002339),

–        Redwood Bog (IE0002353).

 Bijlage III-A [in punt 1, onder c), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde gebieden]

–        Caha Mountains (IE000093),

–        Croaghanagh Bog (IE0000129),

–        Fawnboy Bog/Lough Nacung (IE0000140),

–        Gannivegil Bog (IE0000142),

–        Lough Nillan Bog (Carrickatlieve) (IE0000165),

–        Magheradrumman Bog (IE0000168),

–        Meenaguse/Ardbane Bog (IE0000172),

–        Meentygrannagh Bog (IE0000173),

–        Slieve League Bog (IE0000189),

–        Slieve Tooney/Tormore Island/Loughros Beg Bog (IE0000190),

–        West of Ardara/Maas Road (IE0000197),

–        Loughatorick South Bog (IE0000308),

–        Rosroe Bog (IE0000324),

–        Killarney National Park (IE0000365),

–        Mount Brandon (IE0000375),

–        Slieve Bloom Mountains (IE0000412),

–        Carrowmore Lake Complex (IE0000476),

–        Glenamoy Bog Complex (IE0000500),

–        Lough Gall Bog (SiteCode IE0000522),

–        Owenduff/Nephin Complex (IE0000534),

–        Slieve Fyagh Bog (IE0000542),

–        Cuilcagh – Anierin Uplands (IE0000584),

–        Lough Hoe Bog (IE0000633),

–        Lough Nabrickkeagh Bog (IE0000634),

–        Galtee Mountains (IE0000646),

–        Coolvoy Bog (IE001107),

–        Dunragh Loughs/Pettigo Plateau (IE0001125),

–        Keeper Hill (IE001197),

–        Arroo Mountain (IE0001403),

–        Derryclogher (Knockboy) Bog (IE0001873),

–        Glanmore Bog (IE0001879),

–        Maulagowna Bog (IE0001881),

–        Glendree Bog (IE0001912),

–        Sonnagh Bog (IE0001913),

–        Bellacorick Bog Complex (IE0001922),

–        Mweelrea/Sheeffry/Erriff Complex (IE0001932),

–        Croaghaun/Slievemore (IE0001955),

–        Tamur Bog (IE0001992),

–        Ox Mountains Bogs (IE0002006),

–        Maumturk Mountains (IE0002008),

–        The Twelve Bens/Garraun Complex (IE0002031),

–        Boleybrack Mountain (IE0002032),

–        Connemara Bog Complex (IE0002034),

–        Ballyhoura Mountains (IE0002036),

–        Cloghernagore Bog and Glenveagh National Park (IE0002047),

–        Wicklow Mountains (IE0002122),

–        Lough Golagh and Breesy Hill (IE0002164),

–        Slieve Mish Mountains (IE0002185),

–        River Finn (IE0002301),

–        Slieve Bernagh Bog (IE0002312).

 Bijlage III-B [sinds 1995 aangetaste en in punt 1, onder c), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde gebieden]

–        Caha Mountains (IE000093),

–        Croaghanagh Bog (IE0000129),

–        Fawnboy Bog/Lough Nacung (IE0000140),

–        Gannivegil Bog (IE0000142),

–        Lough Nillan Bog (Carrickatlieve) (IE0000165),

–        Magheradrumman Bog (IE0000168),

–        Meenaguse/Ardbane Bog (IE0000172),

–        Slieve League Bog (IE0000189),

–        Slieve Tooney/Tormore Island/Loughros Beg Bog (IE0000190),

–        West of Ardara/Maas Road (IE0000197),

–        Killarney National Park (IE0000365),

–        Mount Brandon (IE0000375),

–        Carrowmore Lake Complex (IE0000476),

–        Glenamoy Bog Complex (IE0000500),

–        Lough Gall Bog (SiteCode IE0000522),

–        Owenduff/Nephin Complex (IE0000534),

–        Slieve Fyagh Bog (IE0000542),

–        Cuilcagh – Anierin Uplands (IE0000584),

–        Lough Hoe Bog (IE0000633),

–        Lough Nabrickkeagh Bog (IE0000634),

–        Dunragh Loughs/Pettigo Plateau (IE0001125),

–        Arroo Mountain (IE0001403),

–        Glanmore Bog (IE0001879),

–        Bellacorick Bog Complex (IE0001922),

–        Mweelrea/Sheeffry/Erriff Complex (IE0001932),

–        Croaghaun/Slievemore (IE0001955),

–        Tamur Bog (IE0001992),

–        Ox Mountains Bogs (IE0002006),

–        Maumturk Mountains (IE0002008),

–        The Twelve Bens/Garraun Complex (IE0002031),

–        Boleybrack Mountain (IE0002032),

–        Connemara Bog Complex (IE0002034),

–        Cloghernagore Bog and Glenveagh National Park (IE0002047),

–        Wicklow Mountains (IE0002122),

–        Slieve Mish Mountains (IE0002185),

–        River Finn (IE0002301),

–        Slieve Bernagh Bog (IE0002312).


 Bijlage III-C [sinds 1995 niet-aangetaste en in punt 1, onder c), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde gebieden]

–        Meentygrannagh Bog (IE0000173),

–        Loughatorick South Bog (IE0000308),

–        Rosroe Bog (IE0000324),

–        Slieve Bloom Mountains (IE0000412),

–        Galtee Mountains (IE0000646),

–        Coolvoy Bog (IE001107),

–        Keeper Hill (IE001197),

–        Derryclogher (Knockboy) Bog (IE0001873),

–        Maulagowna Bog (IE0001881),

–        Glendree Bog (IE0001912),

–        Sonnagh Bog (IE0001913),

–        Ballyhoura Mountains (IE0002036),

–        Lough Golagh and Breesy Hill (IE0002164).


 Bijlage IV [in punt 1, onder e), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde gebieden]

–        Barroughter Bog (IE0000231),

–        Lough Ree (IE0000440),

–        Ballygar (Aghrane) Bog (0002199),

–        Derragh Bog (0002201),

–        River Moy (IE0002298),

–        Tullaher Lough and Bog (IE0002343),

–        Derrinlough (Cloonkeenleananode) Bog (IE0002197),

–        Aughrim (Aghrane) Bog (IE0002200),

–        Mount Jessop Bog (IE0002202),

–        Girley (Drewstown) Bog (IE0002205),

–        Wooddown Bog (IE0002205),

–        Scohaboy (Sopwell) Bog (IE0002206),

–        Arragh More (Derrybreen) Bog (IE0002207).


 Bijlage V [in punt 1, onder f), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde gebieden]

–        Caha Mountains (IE000093),

–        Croaghanagh Bog (IE0000129),

–        Fawnboy Bog/Lough Nacung (IE0000140),

–        Gannivegil Bog (IE0000142),

–        Lough Nillan Bog (Carrickatlieve) (IE0000165),

–        Magheradrumman Bog (IE0000168),

–        Meenaguse/Ardbane Bog (IE0000172),

–        Meentygrannagh Bog (IE0000173),

–        Slieve League (IE0000189),

–        Slieve Tooney/Tormore Island/Loughros Beg Bog (IE0000190),

–        West of Ardara/Maas Road (IE0000197),

–        Loughatorick South Bog (IE0000308),

–        Rosroe Bog (IE0000324),

–        Killarney National Park (IE0000365),

–        Mount Brandon (IE0000375),

–        Slieve Bloom Mountains (IE0000412),

–        Carlingford Mountain (IE0000453),

–        Carrowmore Lake Complex (IE0000476),

–        Glenamoy Bog Complex (IE0000500),

–        Lough Gall Bog (IE0000522),

–        Owenduff/Nephin Complex (IE0000534),

–        Slieve Fyagh Bog (IE0000542),

–        Cuilcagh – Anierin Uplands (IE0000584),

–        Ben Bulben, Gleniff and Glenade Complex (IE0000623),

–        Lough Hoe Bog (IE0000633),

–        Lough Nabrickkeagh Bog (IE0000634),

–        Galtee Mountains (IE0000646),

–        Coolvoy Bog (IE001107),

–        Dunragh Loughs/Pettigo Plateau (IE0001125),

–        Keeper Hill (IE001197),

–        Arroo Mountain (IE0001403),

–        Derryclogher (Knockboy) Bog (IE0001873),

–        Glanmore Bog (IE0001879),

–        Maulagowna Bog (IE0001881),

–        Mullaghanish Bog (IE0001890),

–        Glendree Bog (IE0001912),

–        Sonnagh Bog (IE0001913),

–        Bellacorick Bog Complex (IE0001922),

–        Mweelrea/Sheeffry/Erriff Complex (IE0001932),

–        Comeragh Mountains (IE0001952),

–        Croaghaun/Slievemore (IE0001955),

–        Tamur Bog (IE0001992),

–        Ox Mountains Bogs (IE0002006),

–        Maumturk Mountains (IE0002008),

–        The Twelve Bens/Garraun Complex (IE0002031),

–        Boleybrack Mountain (IE0002032),

–        Connemara Bog Complex (IE0002034),

–        Ballyhoura Mountains (IE0002036),

–        Cloghernagore Bog and Glenveagh National Park (IE0002047),

–        Wicklow Mountains (IE0002122),

–        Polllangoona Bog (IE0002126),

–        Lough Golagh and Breesy Hill (IE0002164),

–        Slieve Mish Mountains (IE0002185),

–        River Finn (IE0002301),

–        Slieve Bernagh Bog (IE0002312).


 Bijlage VI [in punt 1, onder g), van de conclusies van het verzoekschrift genoemde gebieden]

–        Magheradrumman Bog (IE0000168),

–        West Ardara/Maas Road (IE0000197),

–        Killarney National Park (IE0000365),

–        Mount Brandon (IE0000375),

–        Glenamoy Bog Complex (IE0000500),

–        Owenduff/Nephin Complex (IE0000534),

–        Bellacorick Bog Complex (IE0001922),

–        Mweelrea/Sheeffry/Erriff Complex (IE0001932),

–        Comeragh Mountains (IE0001952),

–        The Twelve Bens/Garraun Complex (IE0002031),

–        Connemara Bog Complex (IE0002034),

–        Cloghernagore Bog and Glenveagh National Park (IE0002047),

–        Wicklow Mountains (IE0002122),

–        River Finn (IE0002301).


1      Oorspronkelijke taal: Duits.


2      Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het milieu, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB 2013, L 158, blz. 193).


3      Europese Commissie, directoraat-generaal Milieu, afdeling Natuur en Biodiversiteit (ENV B.3), Interpretation Manual of European Union Habitats – EUR 28, april 2013, blz. 82.


4      Beschikking 2004/813/EG van de Commissie van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PB 2004, L 387, blz. 1).


5      Beschikking 2009/96/EG van de Commissie van 12 december 2008 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van een tweede bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PB 2009, L 43, blz. 466).


6      Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/19 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van een twaalfde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PB 2019, L 7, blz. 287).


7      Europese Commissie, directoraat-generaal Milieu, afdeling Natuur en Biodiversiteit (ENV B.3), Interpretation Manual of European Union Habitats – EUR 28, april 2013, blz. 83.


8      Beschikking 2004/813.


9      Beschikking 2009/96.


10      Dit gebruik van de term „beschermd” („protect”) in punt 1, onder a) en b), van de conclusies van het verzoekschrift is verwarrend, aangezien ook aangetaste hoogveenhabitats in Natura 2000-gebieden beschermd kunnen zijn. Gedoeld wordt op het desbetreffende beschermde habitattype, in dit geval 7110 „actief hoogveen”.


11      Arrest van 22 juni 2022, Commissie/Slowakije (Bescherming van het auerhoen) (C‑661/20, EU:C:2022:496, punt 44).


12      Arresten van 26 april 2005, Commissie/Ierland (C-494/01, EU:C:2005:250, punt 37), en 5 april 2017, Commissie/Bulgarije (C-488/15, EU:C:2017:267, punt 42).


13      Zie arrest van 5 april 2017, Commissie/Bulgarije (C‑488/15, EU:C:2017:267, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


14      Department of Culture, Heritage and the Gaeltacht, The Status of EU Protected Habitats and Species in Ireland 2019 (bijlage A.7a bij het verzoekschrift, blz. 33). Zie ook National Parks and Wildlife Service, The Status of EU Protected Habitats and Species in Ireland, Habitat Assessments, deel 2 (2025, blz. 950, uittreksels in bijlage D.4 bij de dupliek).


15      National Parks and Wildlife Service, The Status of EU Protected Habitats and Species in Ireland, Habitat Assessments, deel 2 (2025, blz. 898 en 925, uittreksels in bijlage D.4 bij de dupliek).


16      Arresten van 14 januari 2016, Grüne Liga Sachsen e.a. (C‑399/14, EU:C:2016:10, punten 36, 37 en 40), en 14 november 2024, Commissie/Duitsland (Verslechtering van de kwaliteit van schraal hooiland) (C‑47/23, EU:C:2024:954, punt 92).


17      Arresten van 11 april 2013, Sweetman e.a. (C‑258/11, EU:C:2013:220, punt 33); 16 juli 2020, WWF Italia Onlus e.a. (C‑411/19, EU:C:2020:580, punt 32); 24 juni 2021, Commissie/Spanje (Achteruitgang van het natuurgebied Doñana) (C‑559/19, EU:C:2021:512, punt 153), en 14 november 2024, Commissie/Duitsland (Verslechtering van de kwaliteit van schraal hooiland) (C‑47/23, EU:C:2024:954, punt 86).


18      Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Emiliou in de zaak Commissie/Duitsland (Verslechtering van de kwaliteit van schraal hooiland) (C‑47/23, EU:C:2024:708, punt 29).


19      Arresten van 24 november 2011, Commissie/Spanje (C‑404/09, EU:C:2011:768, punt 142), en 24 juni 2021, Commissie/Spanje (Achteruitgang van het natuurgebied Doñana) (C‑559/19, EU:C:2021:512, punt 156).


20      Arresten van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C‑127/02, EU:C:2004:482, punt 43); 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C‑441/17, EU:C:2018:255, punt 111), en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C‑411/17, EU:C:2019:622, punt 134).


21      Arresten van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C‑127/02, EU:C:2004:482, punt 59); 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C‑441/17, EU:C:2018:255, punt 114), en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C‑411/17, EU:C:2019:622, punt 120).


22      Arresten van 24 november 2011, Commissie/Spanje (C‑404/09, EU:C:2011:768, punt 142); 14 januari 2016, Commissie/Bulgarije (C‑141/14, EU:C:2016:8, punt 58), en 10 november 2016, Commissie/Griekenland (C‑504/14, EU:C:2016:847, punt 29). Zie ook arresten van 14 januari 2016, Grüne Liga Sachsen e.a. (C‑399/14, EU:C:2016:10, punt 42); 7 november 2018, Coöperatie Mobilisation for the Environment e.a. (C‑293/17 en C‑294/17, EU:C:2018:882, punt 85), en 14 november 2024, Commissie/Duitsland (Verslechtering van de kwaliteit van schraal hooiland) (C‑47/23, EU:C:2024:954, punt 87).


23      Zie arrest van 14 november 2024, Commissie/Duitsland (Verslechtering van de kwaliteit van schraal hooiland) (C‑47/23, EU:C:2024:954, punten 89, 93 en 108).


24      Bijlage A.7a bij het verzoekschrift, blz. 32 en 33.


25      Dit verslag is inmiddels beschikbaar en bevat inderdaad voornoemde vaststelling: National Parks and Wildlife Service, The Status of EU Protected Habitats and Species in Ireland, Habitat Assessments, deel 2 (2025, blz. 898, uittreksels in bijlage D.4 bij de dupliek).


26      National Parks and Wildlife Service, The Status of EU Protected Habitats and Species in Ireland, Habitat Assessments, deel 2 (2025, blz. 966, uittreksels in bijlage D.4 bij de dupliek).


27      National Parks and Wildlife Service, The Status of EU Protected Habitats and Species in Ireland, Habitat Assessments, deel 2 (2025, blz. 953, uittreksels in bijlage D.4 bij de dupliek), waarin wordt geciteerd uit Compass Informatics (August 2024). Overarching Report – GIS Review – turbary areas – Blanket bog SACs. Commissioned by National Parks & Wildlife Service, Dept. Housing, Local Government and Heritage, Dublin, Ierland  (niet gepubliceerd), blz. 11 (bijlage B.12a bij het verweerschrift).


28      Arresten van 16 december 1960, Humblet/Belgische Staat (6/60-IMM, EU:C:1960:48, blz. 1185); 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (C‑41/11, EU:C:2012:103, punt 43), en 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele) (C‑24/19, EU:C:2020:503, punt 83).


29      Arresten van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 66); 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882, punt 45), en 7 december 2023, Latvijas valsts meži (C‑434/22, EU:C:2023:966, punt 82).


30      Arrest van 7 december 2023, Latvijas valsts meži (C‑434/22, EU:C:2023:966, punt 88). Zie ook advies van het Internationaal Gerechtshof van 23 juli 2025, Obligations of States in Respect of Climate Change (punt 452).


31      Vierde overweging van de habitatrichtlijn en arresten van 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑6/04, EU:C:2005:626, punt 25), en 10 januari 2006, Commissie/Duitsland (C‑98/03, EU:C:2006:3, punt 59). Zie ook beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 59).


32      Zie de punten 105‑107 hieronder.


33      Volgens bijlage A.2 bij het verzoekschrift heeft Ierland het eerste gebied in oktober 1996 voorgesteld en de laatste drie gebieden in april 2016.


34      Arresten van 13 januari 2005, Dragaggi e.a. (C‑117/03, EU:C:2005:16, punten 26 en 29), en 14 september 2006, Bund Naturschutz in Bayern e.a. (C‑244/05, EU:C:2006:579, punten 37 en 38).


35      Arrest van 14 september 2006, Bund Naturschutz in Bayern e.a. (C‑244/05, EU:C:2006:579, punten 41 en 42).


36      Arrest van 13 januari 2005, Dragaggi e.a. (C‑117/03, EU:C:2005:16, punten 27 en 28).


37      Arrest van 15 maart 2012, Commissie/Cyprus (C‑340/10, EU:C:2012:143, punten 43, 46 en 47).


38      Arrest van 15 maart 2012, Commissie/Cyprus (C‑340/10, EU:C:2012:143, punt 45).


39      Arrest van 13 januari 2005, Dragaggi e.a. (C‑117/03, EU:C:2005:16, punten 27 en 28).


40      Zie in het bijzonder met betrekking tot de habitatrichtlijn arrest van 7 december 2000, Commissie/Frankrijk (C‑374/98, EU:C:2000:670, punt 51).


41      Antwoord op het aanvullende met redenen omkleed advies, bijlage A.17 bij het verzoekschrift, blz. 20 e.v.


42      Compass Informatics (August 2024). Overarching Report – GIS Review – turbary areas – Blanket bog SACs. Commissioned by National Parks & Wildlife Service, Dept. Housing, Local Government and Heritage, Dublin, Ierland (niet gepubliceerd), tabel 4, blz. 17 (bijlage B.12a bij het verweerschrift).


43      National Parks and Wildlife Service, The Status of EU Protected Habitats and Species in Ireland, Habitat Assessments, deel 2 (2025, blz. 966, uittreksels in bijlage D.4 bij de dupliek).


44      National Parks and Wildlife Service, The Status of EU Protected Habitats and Species in Ireland, Habitat Assessments, deel 2 (2025, blz. 950, uittreksels in bijlage D.4 bij de dupliek).


45      Simon J. Barron, Botanical, Environmental and Conservation Consultants Ltd., (BEC Consultants) (March 2017) Turf-cutting GIS Review VOLUME 1 – DRAFT. Prepared for the Department of Arts, Heritage, Regional, Rural and Gaeltacht Affairs (bijlage A.31 bij het verzoekschrift).


46      Studie uit 2024 (reeds aangehaald in punt 42), met name blz. 9.


47      Carlingford Bog SAC (IE0000453), Ben Bulben, Gleniff and Glenade Complex SAC* (IE000623) en Comeragh Mountains SAC* (IE001952).


48      Voetnoot 17 van de repliek. De overige daarin genoemde gebieden waar voldoende herstelmaatregelen zijn getroffen, heeft de Commissie niet tot voorwerp van haar beroep gemaakt.


49      Arresten van 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C‑441/17, EU:C:2018:255, punten 189 en 190), en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C‑411/17, EU:C:2019:622, punten 147 en 148).


50      Het betreft de gebieden Lough Ree (IE0000440) en River Moy (IE0002298).


51      Zie de punten 46‑54 hierboven.