CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. MEDINA
van 30 april 2025 ( 1 )
Zaak C‑135/25 PPU [Kachev] ( i )
M. S. T.
in aanwezigheid van:
Varhovna kasatsionna prokuratura na Republika Bulgaria
[verzoek van de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikel 8 – Recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn – Kennisgeving van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid – Onmogelijkheid om de beklaagde te lokaliseren – Redelijke inspanningen van de bevoegde autoriteiten – Evenredigheid – Mogelijkheid van een verstekprocedure en een verstekvonnis – Artikel 9 – Recht op een nieuw proces – Geen recht daarop wanneer de betrokkene zich aan de berechting onttrekt – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”
|
1. |
Nu het grondbeginsel dat niemand kan worden veroordeeld zonder zich te hebben kunnen verdedigen in het recht is verankerd, wordt de verantwoordelijkheid van de rechter, die de nodige waarborgen moet bieden om de toepassing ervan te garanderen, teneinde het evenwicht te bewaken tussen de eisen van rechtvaardigheid en de praktische vereisten van het proces, in al haar omvang en complexiteit duidelijk. |
|
2. |
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn ( 2 ) en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Dit verzoek is voorgelegd in het kader van een verzoek tot heropening van de strafzaak dat door M. S. T. werd ingediend nadat hij bij verstek was veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar wegens gekwalificeerde diefstal, een straf die hij thans uitzit in de gevangenis in Bulgarije. |
|
3. |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft dezelfde problematiek in verband met bij verstek gevoerde strafprocedures als die welke aan bod is gekomen in recente rechtspraak van het Hof. ( 3 ) De verwijzende rechter geeft namelijk aan dat hij moeilijkheden ondervindt om deze rechtspraak van het Hof te interpreteren en toe te passen. Deze moeilijkheden zouden zich met name voordoen in gevallen waarin de beklaagde, nadat de aanklacht hem in het kader van het strafrechtelijk vooronderzoek reeds was meegedeeld, opzettelijk is ondergedoken, waardoor hij niet ter terechtzitting kon verschijnen. |
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 2016/343
|
4. |
Overweging 35 van richtlijn 2016/343 luidt als volgt: „Het recht van verdachten en beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, is niet absoluut. Onder bepaalde voorwaarden dienen verdachten en beklaagden de mogelijkheid te hebben om, uitdrukkelijk of stilzwijgend maar op ondubbelzinnige wijze, afstand te doen van dat recht.” |
|
5. |
Overweging 37 van deze richtlijn luidt: „Het moet ook mogelijk zijn om in afwezigheid van een verdachte of beklaagde een proces te voeren dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld, wanneer die persoon van de terechtzitting in kennis is gesteld en een door hemzelf of door de staat aangestelde advocaat heeft gemachtigd om hem tijdens die terechtzitting te vertegenwoordigen, en die advocaat namens de verdachte of beklaagde ter terechtzitting verschijnt.” |
|
6. |
Artikel 8 van deze richtlijn, „Recht op aanwezigheid bij proces”, bepaalt in de leden 1 en 4: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting. 2. De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat:
3. Een overeenkomstig lid 2 genomen beslissing kan jegens de verdachte of beklaagde ten uitvoer worden gelegd. 4. Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9.” |
|
7. |
Artikel 9 van richtlijn 2016/343 heeft als opschrift „Recht op een nieuw proces” en is als volgt verwoord: „De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer verdachten of beklaagden niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, lid 2, gestelde voorwaarden, zij recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. In dit verband waarborgen de lidstaten dat die verdachten of beklaagden het recht hebben aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel te nemen, en hun recht op verdediging uit te oefenen.” |
2. Verordening 2018/1862
|
8. |
In artikel 34, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad en besluit 2010/261/EU van de Commissie ( 4 ) is het volgende bepaald: „1. Ten behoeve van de mededeling van de woon‑ of verblijfplaats van een persoon voeren de lidstaten op verzoek van een bevoegde autoriteit in SIS signaleringen in van: […]
|
B. Bulgaars recht
|
9. |
Artikel 219, lid 3, punt 3, van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) ( 5 ), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „NPK”), luidt als volgt: „In het besluit tot inbeschuldigingstelling moeten de feiten waarvoor [de betrokkene] in beschuldiging wordt gesteld en de juridische kwalificatie van deze feiten worden vermeld.” |
|
10. |
Artikel 247 c, lid 1, NPK luidt als volgt: „Op bevel van de rapporterende rechter wordt aan de beklaagde een afschrift van de tenlastelegging betekend. Door de betekening van de tenlastelegging wordt de beklaagde in kennis gesteld van de voor de preliminaire zitting vastgestelde datum en van het feit dat de zaak onder de in artikel 269 bepaalde voorwaarden kan worden onderzocht en berecht in zijn afwezigheid.” |
|
11. |
Artikel 269 NPK luidt als volgt: „1. Wanneer de beklaagde wordt beschuldigd van een ernstig strafbaar feit, is zijn aanwezigheid bij de terechtzitting verplicht. […] 3. Indien dit niet in de weg staat aan het onderzoek naar de objectieve waarheid, kan de zaak in afwezigheid van de beklaagde worden behandeld, mits:
[…]
|
|
12. |
Artikel 423, lid 1, NPK bepaalt: „Binnen zes maanden nadat hij kennis heeft genomen van de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, kan de bij verstek veroordeelde persoon verzoeken om heropening van de strafprocedure door zich te beroepen op zijn afwezigheid in [die strafprocedure]. Het verzoek wordt ingewilligd, tenzij de veroordeelde na de mededeling van de tenlastelegging in het kader van het onderzoek is ondergedoken, met als gevolg dat de procedure van artikel 247 c, lid 1, niet kon worden uitgevoerd, of dat de veroordeelde na de uitvoering van de procedure zonder geldige reden niet ter terechtzitting is verschenen.” |
II. Aan het geding ten grondslag liggende feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
13. |
Bij beschikking van de officier van justitie van 5 februari 2024 zijn M. S. T. en zijn ambtshalve toegevoegde advocaat in kennis gesteld van de overeenkomstig artikel 219 NPK vastgestelde voorlopige tenlastelegging (hierna: „voorlopige tenlastelegging”) met betrekking tot een in oktober 2023 gepleegde gekwalificeerde diefstal. Bij deze tenlastelegging werd M. S. T. verplicht om periodiek een handtekening te plaatsen in een door de politie van zijn woonplaats bijgehouden register. Met de voorlopige tenlastelegging werd M. S. T. er onder meer van in kennis gesteld dat hij deze woonplaats niet mocht verlaten en dat hij zich bij de bevoegde autoriteiten moest melden wanneer hij daartoe zou worden opgeroepen. |
|
14. |
Na de tenlastelegging werd M. S. T. ondervraagd en heeft hij een adres verstrekt waar de bevoegde autoriteiten hem konden bereiken. Hij heeft tevens verklaard te zijn geïnformeerd over zijn verplichting om de kosten voor de hem ambtshalve toegevoegde advocaat te dragen indien hij zou worden veroordeeld. |
|
15. |
Op 28 februari 2024 heeft de openbare aanklager op grond van artikel 246 NPK een tenlastelegging opgesteld en heeft hij de zaak ingeleid bij de Rayonen sad Montana (rechter in eerste aanleg Montana, Bulgarije). De in dat document vermelde beschuldiging kwam feitelijk en juridisch overeen met de beschuldiging in de voorlopige tenlastelegging die in de onderzoeksfase aan M. S. T. was overhandigd. |
|
16. |
Nadat de Rayonen sad Montana er niet in was geslaagd om deze tenlastelegging aan M. S. T. te betekenen op het door hem opgegeven adres, heeft deze rechter getracht om M. S. T. persoonlijk te dagvaarden, met name door te gelasten hem telefonisch op te roepen, door zijn reizen naar het buitenland na te trekken en door een ambtenaar van de veiligheidsdienst van het Ministerie van Justitie te gelasten hem op te sporen. Deze inspanningen leverden evenwel niets op. |
|
17. |
In deze omstandigheden heeft de Rayonen sad Montana de aanklacht tegen M. S. T. in diens afwezigheid onderzocht. De ambtshalve toegevoegde advocaat die M. S. T. in de onderzoeksfase had bijgestaan, heeft deelgenomen aan de procedure bij deze rechter. |
|
18. |
Op 8 mei 2024 heeft deze rechter M. S. T. veroordeeld tot een vrijheidsstraf van een jaar. Dit vonnis is op 24 mei 2024 definitief geworden en M. S. T. is op 16 juni 2024 begonnen zijn straf uit te zitten. |
|
19. |
M. S. T. heeft bij de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) – de verwijzende rechter – een verzoek ingediend tot heropening van de strafprocedure die tot zijn veroordeling bij verstek had geleid. |
|
20. |
Deze rechter geeft aan dat iemand die bij verstek is veroordeeld volgens zijn eigen rechtspraak niet om heropening van zijn proces kan verzoeken indien zijn afwezigheid het gevolg is van zijn onderduiken, waardoor het onmogelijk was om de tenlastelegging te betekenen en deze persoon in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid op de terechtzitting. In dat geval wordt het verzoek tot heropening afgewezen wegens kwade trouw van de betrokkene, aangezien hij geen voordeel mag halen uit zijn onrechtmatige gedrag. Op basis hiervan is de verwijzende rechter van oordeel dat artikel 423, lid 1, NPK in overeenstemming is met het Unierecht, en met name met de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343. |
|
21. |
Hij vraagt zich evenwel af of deze oplossing verenigbaar is met de uitlegging die het Hof aan deze bepalingen heeft gegeven in de arresten Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) en Stangalov. Met zijn verzoek wenst hij meer in het bijzonder te vernemen of de ontvangst van een voorlopige tenlastelegging kan worden gelijkgesteld met kennisname, door de persoon op wie die tenlastelegging betrekking heeft, van het feit dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd en van de rechtsgevolgen van zijn onderduiken voordat hij aan de rechter wordt voorgeleid. |
|
22. |
Derhalve heeft de Varhoven kasatsionen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
III. Spoedprocedure bij het Hof
|
23. |
De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft hij aangevoerd dat de zaak betrekking heeft op de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen die onder het derde deel, titel V, van het VWEU vallen. |
|
24. |
Wat het spoedeisendheidscriterium betreft, heeft de verwijzende rechter erop gewezen dat M. S. T. zich momenteel in hechtenis bevindt, dat de heropening van de strafprocedure zou kunnen leiden tot zijn invrijheidstelling in afwachting van een nieuw proces en dat de gestelde vragen juist bedoeld zijn om te bepalen of een dergelijke heropening moet worden bevolen. |
|
25. |
In die omstandigheden heeft de Derde kamer van het Hof op 26 februari 2025 besloten om het verzoek van deze rechter om de onderhavige zaak te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure, in te willigen. |
|
26. |
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Varhovna kasatsionna prokuratura na Republika Bulgaria (parket van de cassatierechter van de Republiek Bulgarije) en de Europese Commissie. De Commissie heeft mondelinge opmerkingen gemaakt tijdens de pleitzitting van 3 april 2025. |
IV. Analyse
A. Herformulering van de prejudiciële vragen
|
27. |
Aangezien de twee prejudiciële vragen intrinsiek met elkaar verband houden, geef ik het Hof allereerst in overweging deze te herformuleren en ze gezamenlijk te onderzoeken, ook al wordt de tweede vraag alleen gesteld ingeval de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord. |
|
28. |
Vervolgens moet ik erop wijzen dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces grondbeginselen van het Unierecht vormen, die zijn verankerd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Richtlijn 2016/343 geeft concreet gestalte aan het recht op een eerlijk proces door gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen betreffende met name het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn. Deze richtlijn moet derhalve worden uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest. ( 6 ) |
|
29. |
In het kader van strafprocedures behelst het recht op een eerlijk proces het recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn en, indien dat recht wordt geschonden, het recht op een nieuw proces. Deze twee rechten worden respectievelijk geconcretiseerd in de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343. In dit artikel 9 is overigens in wezen bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat, wanneer verdachten of beklaagden geen afstand hebben gedaan van hun recht om bij hun terechtzitting aanwezig te zijn, zij „recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing”. Wat artikel 47 van het Handvest betreft, wordt in artikel 9 van richtlijn 2016/343 naast het recht op een eerlijk proces dus ook het recht op een doeltreffende voorziening in rechte geconcretiseerd, dat de lidstaten verplicht om in rechtsmiddelen te voorzien waarmee het recht op een nieuw proces daadwerkelijk kan worden uitgeoefend. |
|
30. |
Met een nationale regeling tot omzetting van de gemeenschappelijke minimumvoorschriften van richtlijn 2016/343 wordt het Unierecht ten uitvoer gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. ( 7 ) Aangezien richtlijn 2016/343 niet in een uniform beschermingsniveau voorziet, kunnen de lidstaten nationale beschermingsnormen toepassen, „op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht” ( 8 ). |
|
31. |
Daaruit volgt dat nationale normen die niet voldoen aan de vereisten die worden opgelegd door de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343, een ontoereikende of onjuiste tenuitvoerlegging van artikel 47 van het Handvest vormen. |
|
32. |
Wat betreft de verwijzing naar de procedurele autonomie om de prejudiciële vragen te beantwoorden, waarop de Commissie ter terechtzitting ook is ingegaan, ben ik van oordeel dat aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling uitvoering geeft aan artikel 9 van richtlijn 2016/343, waarin is voorzien in het recht op een nieuw proces indien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die richtlijn, moeilijk kan worden gesteld dat hier sprake is van een geval waarin er geen Unierechtelijke regeling bestaat, waardoor de rechtspraak van het Hof betreffende deze autonomie van toepassing zou worden. ( 9 ) Voor zover artikel 47 van het Handvest in de onderhavige zaak van toepassing is, lijkt een onderzoek van de prejudiciële vragen op basis van het doeltreffendheidsbeginsel mij overigens overbodig. Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, ben ik bovendien van oordeel dat dit in casu niet relevant is, aangezien niets in het dossier erop wijst dat er een verschil in behandeling zou bestaan tussen vorderingen op grond van het Unierecht en vorderingen op grond van het nationale recht die eenzelfde voorwerp en grondslag hebben. |
|
33. |
Ik ben derhalve van mening dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest. |
|
34. |
Tot slot uit de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing twijfels over de juiste uitlegging gelet op de verduidelijkingen die het Hof in de punten 37 tot en met 43 van het arrest Stangalov heeft gegeven en die een inherente tegenstrijdigheid zouden bevatten. Deze rechter wenst meer in het bijzonder van het Hof te vernemen of het feit dat de beklaagde de aanklacht in de onderzoeksfase persoonlijk heeft ontvangen, kan worden gelijkgesteld met kennisname door deze persoon van het feit dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, en van de rechtsgevolgen van het onderduiken van de betrokkene vóór zijn dagvaarding. |
|
35. |
Met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest, zich verzetten tegen een nationale regeling en een nationale praktijk die een bij verstek veroordeelde zijn recht op een nieuw proces ontzeggen omdat deze persoon is ondergedoken nadat hij een tegen hem opgestelde voorlopige tenlastelegging had ontvangen en gedurende de onderzoeksfase van de strafprocedure die tot deze veroordeling heeft geleid, waardoor de bevoegde autoriteiten hem niet persoonlijk in kennis konden stellen van de definitieve tenlastelegging, en evenmin van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting of van de gevolgen van zijn afwezigheid op de terechtzitting. De verwijzende rechter wenst voorts duidelijkheid over het begrip „redelijke inspanningen” in de zin van artikel 8, lid 4, van richtlijn 2016/343, in verband met de beoordeling of de betrokkene voldoende is ingelicht over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, en het begrip „gemachtigde advocaat” in de zin van artikel 8, lid 2, onder b), van die richtlijn, teneinde te bepalen of de vertegenwoordiging door een door de orde van advocaten ambtshalve toegevoegde advocaat gedurende de gehele gerechtelijke procedure volstaat om te voldoen aan de verplichting van vertegenwoordiging van de bij verstek veroordeelde persoon. |
B. Algemene beginselen betreffende het recht van beklaagden om bij hun terechtzitting aanwezig te zijn
|
36. |
Er zij aan herinnerd dat richtlijn 2016/343 volgens artikel 1 ervan beoogt gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen inzake bepaalde aspecten van strafprocedures, waaronder het „recht bij de terechtzitting aanwezig te zijn”. Zoals uitdrukkelijk wordt bevestigd in overweging 33 van deze richtlijn, maakt dit recht integrerend deel uit van het grondrecht op een eerlijk proces ( 10 ), zoals verankerd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat op 4 november 1950 te Rome is ondertekend (EVRM). Met deze bepaling corresponderen, zoals in de toelichtingen bij het Handvest ( 11 ) is verduidelijkt, artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van dat Handvest. Het Hof dient er derhalve op toe te zien dat de uitlegging die het aan die bepalingen geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). ( 12 ) |
|
37. |
Bij de toepassing van deze bepalingen van het Handvest heeft het Hof in zijn arrest van 26 februari 2013 in de zaak Melloni ( 13 ) geoordeeld dat het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen op het proces weliswaar een wezenlijk onderdeel van het recht op een eerlijk proces is, maar niet absoluut is. De verdachte kan uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand doen van dat recht, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat, gepaard gaat met minimale waarborgen die evenredig zijn met het belang ervan, en niet in strijd is met een belangrijk publiek belang. Meer in het bijzonder is geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces, ook al is de verdachte niet in persoon verschenen, wanneer hij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces of is verdedigd door een raadsman die hij daartoe heeft gemachtigd. |
|
38. |
Artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343, waarbij de uit dat arrest voortvloeiende rechtspraak is gecodificeerd en wordt toegepast in het kader van strafprocedures verplicht de lidstaten om ervoor te zorgen dat het recht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting wordt geëerbiedigd. Krachtens artikel 8, leden 2 en 4, van deze richtlijn kunnen de lidstaten evenwel onder bepaalde voorwaarden bepalen dat een verstekprocedure kan plaatsvinden. ( 14 ) |
|
39. |
Ingeval aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van voornoemde richtlijn is voldaan, kan er overeenkomstig artikel 8, lid 3, van die richtlijn een beslissing over de schuld of onschuld van de verdachte of beklaagde jegens hem ten uitvoer worden gelegd. |
|
40. |
Indien deze voorwaarden daarentegen niet zijn vervuld, kan jegens verdachten of beklaagden een uitvoerbaar verstekvonnis worden uitgesproken, maar moeten zij, wanneer zij van dat vonnis in kennis worden gesteld, „in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen”, eveneens worden geïnformeerd over alle voorzieningen in rechte waarover zij met betrekking tot dat vonnis beschikken. In dat verband heeft de betrokkene krachtens artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn 2016/343 – die rechtstreekse werking hebben – recht op „een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld […] en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing” (hierna: „recht op een nieuw proces”). ( 15 ) |
|
41. |
Hieruit volgt dat een bij verstek veroordeelde persoon slechts het recht op een nieuw proces kan worden ontzegd indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343. ( 16 ) Gelet op de rechtspraak van het Hof zoals die voortvloeit uit de arresten Melloni ( 17 ) en Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) ( 18 ), moet deze volzin evenwel aldus worden uitgelegd dat deze tevens het vereiste van vrijwillige en ondubbelzinnige afstand inhoudt, ook al blijkt dit vereiste niet uit de bewoordingen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343. Hoewel in deze bepaling niet expliciet wordt gesproken van afstand doen, heeft het Hof dit afstand doen immers uitgelegd als onderliggend vereiste voor de criteria die in deze bepaling zijn geformuleerd. Mijns inziens zou dit vereiste gebaseerd kunnen zijn op het recht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting, zoals vastgelegd in artikel 8, lid 1, van deze richtlijn, dat niet absoluut is. ( 19 ) |
C. Drie uit de rechtspraak voortvloeiende vereisten
|
42. |
Uit het onderzoek van de punten 37 tot en met 43 van het arrest Stangalov, die op hun beurt verwijzen naar het arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), blijkt dat de nationale rechter, om te beslissen of een persoon die bij verstek is berecht recht heeft op een nieuw proces, moet bepalen of tijdens de procedure die tot zijn veroordeling bij verstek heeft geleid de waarborgen voor een eerlijk proces zijn geëerbiedigd. |
|
43. |
Zo dient erop te worden gewezen dat het Hof in zijn arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) ( 20 ) heeft beklemtoond dat de aan de lidstaten geboden mogelijkheid om een verstekprocedure te voeren en de beslissing ten uitvoer te leggen zonder te voorzien in het recht op een nieuw proces, op drie cumulatieve vereisten berust. Ten eerste moet de betrokkene naar behoren zijn ingelicht (vereiste van informatie). Ten tweede moet hij vrijwillig en op ondubbelzinnige wijze hebben afgezien van de uitoefening van het recht om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn (vereiste dat afstand is gedaan). Ten derde moet een proces bij verstek voldoen aan het vereiste dat volgt uit de bewoordingen van artikel 8, lid 2, richtlijn 2016/343, dat twee alternatieve voorwaarden stelt, te weten dat de betrokkene ofwel terdege in kennis is gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid [artikel 8, lid 2, onder a), van deze richtlijn], ofwel wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat [artikel 8, lid 2, onder b), van deze richtlijn]. |
|
44. |
In de volgende punten zal ik nader ingaan op deze drie cumulatieve vereisten. |
1. Vereiste van informatie over de terechtzitting
|
45. |
Om te beginnen volgt het vereiste van informatie uit de feitelijke bewoordingen van artikel 8, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2016/343. |
|
46. |
Bovendien blijkt uit overweging 36 van richtlijn 2016/343 dat de betrokkene naar behoren is geïnformeerd indien hij tijdig „in persoon [is gedagvaard]” of er hem „anderszins […] officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting [is verstrekt], op een wijze die het hem mogelijk maakt [er] kennis [van] te krijgen”. Volgens de wetgever betekent het informeren van de betrokkene over de gevolgen van zijn afwezigheid met name dat hij er tijdig van in kennis wordt gesteld „dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt”. ( 21 ) |
|
47. |
Het Hof heeft er met name op gewezen dat wanneer de betrokkene niet tijdig in kennis is gesteld van zijn terechtzitting, hij in beginsel recht heeft op een nieuw proces. ( 22 ) Daartoe heeft het Hof een dubbele voorwaarde ingevoerd om te bepalen of iemand in kennis is gesteld van zijn terechtzitting, te weten de zorgvuldigheid die de bevoegde autoriteiten hebben betracht en de zorgvuldigheid die de betrokkene heeft betracht. ( 23 ) De vraag is immers ten eerste of de autoriteiten redelijke maatregelen hebben getroffen om de beklaagde te waarschuwen en ten tweede of deze beklaagde heeft geprobeerd om deze informatie te ontvangen dan wel de ontvangst ervan te ontlopen. |
|
48. |
Wat de eerste voorwaarde betreft, heeft het Hof in het arrest Stangalov opgemerkt dat de betrokkene, ondanks dat hij na ontvangst van de voorlopige tenlastelegging is ondergedoken, wordt geacht op geldige wijze te zijn geïnformeerd indien de bevoegde autoriteiten het officiële document met daarin het tijdstip en de plaats van de terechtzitting naar het adres hebben verzonden dat de betrokkene tijdens het onderzoek van de zaak zelf had meegedeeld, en het bewijs is geleverd dat dit document daadwerkelijk op dat adres is afgegeven. Deze persoon wordt echter alleen geacht te zijn geïnformeerd over de terechtzitting indien die autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de betrokkene te lokaliseren en hem persoonlijk op te roepen of hem anderszins in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. ( 24 ) |
|
49. |
In dat verband moet het begrip „redelijke inspanningen” in de zin van artikel 8, lid 4, van richtlijn 2016/343 mijns inziens ten eerste worden uitgelegd in het licht van het evenredigheidsbeginsel ( 25 ), zodat de intensiteit en de omvang van de opsporingsinspanningen moeten worden aangepast naargelang van de ernst van de gevolgen voor de betrokkene, met name de opgelegde straf. Met andere woorden, hoe zwaarder de opgelegde straf (in het bijzonder hoe langer de periode van vrijheidsbeneming), des te meer inspanningen de bevoegde autoriteiten moeten leveren om zich ervan te vergewissen dat de betrokkene zorgvuldig is opgespoord alvorens een verstekvonnis toe te staan. Ten tweede moet het begrip „redelijke inspanningen” worden beoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden van elke zaak, met inbegrip van de mate waarin de bevoegde autoriteiten ervan op de hoogte zijn waar de betrokkene zich bevindt, alsmede de concrete en actuele informatie waarover zij beschikken. Alle ingezette middelen moeten dus zijn aangepast aan de daadwerkelijk beschikbare informatie en aan de feitelijke situatie van het dossier. Alleen op basis van de combinatie van de ernst van de gevolgen en de omstandigheden van het specifieke geval kan dus worden bepaald of de inspanningen van de bevoegde autoriteiten als „redelijk” kunnen worden beschouwd. |
|
50. |
De tweede voorwaarde heeft tot doel te bepalen of de betrokkene met opzet heeft vermeden in kennis te worden gesteld. Daartoe heeft het Hof verduidelijkt dat nauwkeurige en objectieve aanwijzingen kunnen aantonen dat de betrokkene aan de kennisgeving heeft willen ontkomen, met name wanneer de betrokkene een onjuist adres aan de bevoegde autoriteiten heeft meegedeeld of het door hem meegedeelde adres heeft verlaten. Indien de betrokkene bewust heeft vermeden in kennis te worden gesteld (bijvoorbeeld door vrijwillig een onjuist adres aan de bevoegde nationale autoriteiten mee te delen of zich niet meer op het door hem meegedeelde adres te bevinden), kan hij immers geen aanspraak maken op het recht op een nieuw proces. ( 26 ) |
|
51. |
Voorts heeft het Hof in de punten 40 en 41 van het arrest Stangalov bedoeld een argument af te wijzen dat de informatieplicht ter discussie zou kunnen stellen. Dat argument bestaat erin te stellen dat aangezien de definitieve tenlastelegging en het proces in de onderzoeksfase nog niet zeker zijn, niet kan worden aangenomen dat de beklaagde volledig is geïnformeerd. Een dergelijk argument zou de beklaagden in werkelijkheid de mogelijkheid bieden om aan de rechtspleging te ontkomen door eenvoudigweg te stellen dat zij niet wisten of er daadwerkelijk een terechtzitting zou plaatsvinden. In dat verband heeft het Hof vastgesteld dat het feit dat de beklaagde kennis heeft genomen van de voorlopige tenlastelegging volstaat om aan te tonen dat hij wist dat er een procedure tegen hem liep, met de mogelijkheid van een terechtzitting. Anders gezegd, zelfs indien het verdere verloop van de procedure nog niet volledig vaststond op het tijdstip waarop de beklaagde deze tenlastelegging heeft ontvangen, belette dit hem niet om te begrijpen dat hij werd vervolgd en dat er mogelijk een nieuwe fase in de procedure zou plaatsvinden. |
|
52. |
Wanneer de betrokkene is ondergedoken nadat hij de voorlopige tenlastelegging officieel heeft ontvangen, maar vóórdat de definitieve tenlastelegging is betekend, kunnen de lidstaten er derhalve van uitgaan dat hij op geldige wijze in kennis is gesteld van de terechtzitting. Daartoe moet in de eerste plaats aan drie voorwaarden zijn voldaan: de beklaagde heeft aan de autoriteiten een adres meegedeeld, de definitieve tenlastelegging en de dagvaarding zijn tijdig verzonden en er is bewijs dat deze documenten op het desbetreffende adres zijn afgegeven. ( 27 ) In de tweede plaats moeten de bevoegde autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de betrokkene te lokaliseren en hem persoonlijk te dagvaarden of hem anderszins officieel in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. |
|
53. |
In het arrest HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) ( 28 ) heeft het Hof evenwel onderstreept dat de lidstaten alleen het recht hebben om iemand bij verstek te veroordelen in situaties waarin die persoon het proces daadwerkelijk heeft kunnen bijwonen en vrijwillig en ondubbelzinnig afstand van dat recht heeft gedaan. Hieruit volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de omstandigheden waarin ervan uit kan worden gegaan dat de betrokkene in kennis is gesteld van de terechtzitting en anderzijds de omstandigheden waarin ervan uit kan worden gegaan dat deze persoon vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om op die terechtzitting aanwezig te zijn. ( 29 ) Daarmee voegt het Hof een aanvullend vereiste toe, dat bovenop het vereiste van informatie komt, te weten het vereiste dat afstand is gedaan. |
2. Vereiste dat afstand is gedaan van het recht om te verschijnen
|
54. |
Hoewel in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 niet expliciet wordt gesproken van het begrip „afstand doen”, heeft het Hof zich op de rechtspraak van het EHRM betreffende het recht op een eerlijk proces gebaseerd om voor recht te verklaren dat dit begrip een essentiële voorwaarde is om te rechtvaardigen dat er geen nieuw proces plaatsvindt. Het vereiste dat afstand is gedaan is aldus bedoeld om het recht op een eerlijk proces te beschermen, door ervoor te zorgen dat de beklaagde niet bij verstek wordt veroordeeld zonder dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te verdedigen. |
|
55. |
Wat dat betreft belet noch de letter noch de geest van artikel 6 EVRM volgens de rechtspraak van het EHRM dat een persoon – uitdrukkelijk of stilzwijgend – vrijwillig afstand doet van de waarborgen van een eerlijk proces. De afstand van het recht om deel te nemen aan de terechtzitting moet echter ondubbelzinnig zijn aangetoond en gepaard gaan met een minimum aan waarborgen die in verhouding staan tot de ernst ervan. ( 30 ) In het arrest van 12 februari 1985, Colozza tegen Italië ( 31 ), heeft het EHRM drie belangrijke beginselen geformuleerd. Ten eerste kan een beklaagde alleen worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te verschijnen als deze afstand vrijwillig en ondubbelzinnig is gedaan en gepaard gaat met waarborgen. Ten tweede kan de staat niet veronderstellen dat afstand is gedaan van dat recht op de enkele grond dat de beklaagde niet op het proces is verschenen, zonder vooraf actief te hebben geprobeerd om de beklaagde te lokaliseren en hem in kennis te stellen van de rechtsvervolging die tegen hem is ingesteld. Ten derde moet de beklaagde, indien hij nooit in kennis is gesteld van de vervolging en er geen inspanningen zijn geleverd om zijn recht op verdediging te waarborgen, de mogelijkheid hebben om een nieuw proces te verkrijgen. |
|
56. |
Mijns inziens zijn de vereisten van informatie en van afstand nauw met elkaar verbonden en overlappen zij elkaar. In het arrest van 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) ( 32 ), heeft het Hof immers duidelijk gemaakt dat een proces bij verstek alleen kan worden georganiseerd als de betrokkene een reële mogelijkheid heeft gehad om dat proces bij te wonen en vrijwillig afstand van dat recht heeft gedaan. Om te oordelen dat een persoon afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, moeten de autoriteiten al het mogelijke hebben gedaan om hem in kennis te stellen van de terechtzitting. Dat betekent dat zij de passende middelen moeten inzetten om hem op de hoogte te stellen van het plaatsvinden van de terechtzitting. Pas wanneer aan deze informatieplicht is voldaan, kunnen de bevoegde autoriteiten ervan uitgaan dat de beklaagde afstand heeft gedaan van zijn recht. |
|
57. |
Zo heeft het Hof, steunend op de rechtspraak van het EHRM, in het arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) ( 33 ) geoordeeld dat kan worden vastgesteld dat afstand is gedaan wanneer vaststaat dat de beklaagde op de hoogte is gesteld van het feit dat er tegen hem een strafprocedure wordt aangespannen, dat hij de aard en de reden van de beschuldiging kent en dat hij niet voornemens is om aan de terechtzitting deel te nemen dan wel zich aan de vervolging wil onttrekken ( 34 ). |
|
58. |
Tot slot wil ik opmerken dat advocaat-generaal Richard de la Tour in zijn conclusie in de zaak HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C‑420/20, EU:C:2022:157) volledigheidshalve is ingegaan op de vraag of afstand in een vroeg stadium van de strafprocedure waarin de bevoegde autoriteit de zaak onderzoekt, is op te vatten als het verlenen van toestemming om in zijn afwezigheid te worden berecht. Volgens hem moet artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat een dergelijke afstand ( 35 ), aangezien deze met name in strijd zou zijn met de vaste rechtspraak van het EHRM ( 36 ), waaruit volgt dat de afstand van het recht om te verschijnen moet blijken uit nauwkeurige, objectieve en relevante feiten ( 37 ). |
3. Vereiste van informatie over de gevolgen van het niet aanwezig zijn bij de terechtzitting en van vertegenwoordiging door een gemachtigde advocaat
|
59. |
Zelfs wanneer de beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en heeft afgezien van de uitoefening van zijn recht om daar aanwezig te zijn, moet hij uit hoofde van artikel 8, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2016/343 ook nog tijdig in kennis zijn gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid (eerste voorwaarde) of moet hij vertegenwoordigd zijn door een gemachtigde advocaat (tweede voorwaarde). Zoals vermeld in punt 43 van deze conclusie, bestaat het derde vereiste uit twee alternatieve voorwaarden. |
|
60. |
De eerste voorwaarde, bedoeld in artikel 8, lid 2, onder a), van richtlijn 2016/343, betreft de inhoud van de informatie die aan de verdachte of beklaagde wordt verstrekt. Met andere woorden, deze persoon moet ervan op de hoogte zijn geweest dat een beslissing over schuld en onschuld tegen hem kan worden genomen en ten uitvoer kan worden gelegd indien hij niet op de terechtzitting verschijnt. Gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, is het duidelijk dat deze voorwaarde in casu niet van toepassing is, aangezien M. S. T. niet in kennis is gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid. |
|
61. |
De tweede voorwaarde, bedoeld in artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343, heeft betrekking op het feit dat de verdachte of beklaagde wordt vertegenwoordigd door een advocaat. Daarbij gaat het om het geval waarin deze persoon, die in kennis is gesteld van de terechtzitting, bewust ervoor heeft gekozen vertegenwoordigd te worden door een raadsman in plaats van in persoon op de terechtzitting te verschijnen. Daarmee kan in beginsel worden aangetoond dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting, terwijl zijn recht om zich te verdedigen wordt gewaarborgd. Zoals blijkt uit overweging 37 van deze richtlijn, is een advocaat immers „gemachtigd” in de zin van deze richtlijn indien de betrokkene zelf aan een advocaat, in voorkomend geval die welke hem ambtshalve is toegewezen, de taak heeft toevertrouwd om hem te vertegenwoordigen. |
|
62. |
Het EHRM heeft in dat verband geoordeeld dat het recht van iedere beklaagde om daadwerkelijk te worden verdedigd door een (zo nodig ambtshalve toegewezen) advocaat, een van de fundamentele elementen is van een eerlijk proces. Een beklaagde verliest dit recht niet louter doordat hij niet aanwezig is bij de behandeling op de terechtzitting. Voor de rechtvaardigheid van het strafrechtstelsel is het derhalve van cruciaal belang dat de afwezigheid van de beklaagde op de terechtzitting niet wordt afgestraft door af te wijken van het recht op bijstand door een advocaat, en dat de beklaagde zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar behoren wordt verdedigd. ( 38 ) |
|
63. |
Afstand doen van het recht van de verdachte of beklaagde om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343, impliceert dat wordt nagegaan op welke wijze de beklaagde, die van het grondgebied is verwijderd, wordt vertegenwoordigd door een advocaat. ( 39 ) De mijlpaalarresten Kromback tegen Frankrijk ( 40 ) en Sejdovic tegen Italië ( 41 ) bekrachtigen immers de vaste opvatting van het EHRM dat de daadwerkelijke vertegenwoordiging door een advocaat van essentieel belang is om een eerlijk proces te garanderen, ook wanneer de beklaagde bij verstek wordt berecht. In het tweede arrest is meer in het bijzonder benadrukt dat de afwezigheid van de beklaagde niet in de weg mag staan aan een echte, doeltreffende verdediging. ( 42 ) |
|
64. |
Hieruit volgt mijns inziens dat de ambtshalve toegevoegde advocaat een werkelijke vertegenwoordigende functie moet hebben, om zo een daadwerkelijke verdediging van de belangen van de beklaagde te verzekeren, zelfs in diens afwezigheid. Het volstaat niet dat de advocaat formeel is aangewezen, hij moet een actieve rol kunnen spelen in de procedure en de beklaagde op significante wijze kunnen verdedigen opdat het recht op verdediging wordt geëerbiedigd. Voor zover ik weet, is de procedure voor het machtigen van een advocaat in deze arresten echter niet precies gedefinieerd. |
|
65. |
In dit verband heeft het Hof in het arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) ( 43 ) opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing bleek dat de ambtshalve toegewezen advocaat van de beklaagde op geen enkel moment contact met hem had gehad en dat deze beklaagde zich evenmin over de aanwijzing van die advocaat had uitgesproken. Het Hof heeft geoordeeld dat deze advocaat in die omstandigheden niet kon worden geacht door deze persoon te zijn „gemachtigd” in de zin van voornoemde bepaling, hetgeen de verwijzende rechter diende na te gaan in het licht van de in het nationale recht gestelde voorwaarden. Opdat wordt voldaan aan het begrip „gemachtigde advocaat” in de zin van artikel 8, lid 2, onder b), en overweging 37 van richtlijn 2016/343, moet de verwijzende rechter zich er bijgevolg van vergewissen dat „de betrokkene zelf aan een advocaat, in voorkomend geval die welke hem ambtshalve is toegewezen, de taak heeft toevertrouwd om hem te vertegenwoordigen”, wat een daadwerkelijke en significante interactie tussen de betrokkene en zijn advocaat impliceert. |
|
66. |
Wat dat betreft, wil ik erop wijzen dat artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343 vereist dat de beklaagde wordt vertegenwoordigd door een advocaat die hij heeft gemachtigd, wat betekent dat de advocaat door de beklaagde zelf of met diens instemming werd aangesteld met het oog op het proces. Het feit dat een advocaat de beklaagde heeft bijgestaan tijdens de onderzoeksfase, betekent niet noodzakelijkerwijs dat deze advocaat uitdrukkelijk was gemachtigd om hem in zijn afwezigheid te vertegenwoordigen tijdens het proces. Er is dus duidelijke expliciete of impliciete instemming van de beklaagde nodig om tijdens het proces in zijn afwezigheid door de desbetreffende advocaat te worden vertegenwoordigd. Hieruit volgt dat het feit dat de advocaat de beklaagde reeds heeft bijgestaan tijdens de onderzoeksfase, relevant kan zijn, aangezien dit kan wijzen op een continuïteit van de verdediging. Deze enkele omstandigheid volstaat echter niet om de voorwaarde van artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343 te vervullen, aangezien moet komen vast te staan dat de beklaagde deze advocaat daadwerkelijk heeft gemachtigd om hem tijdens zijn proces te vertegenwoordigen. |
|
67. |
Wat betreft de vraag wanneer dit contact moet plaatsvinden, legt noch de rechtspraak van het EHRM, noch die van het Hof een specifiek tijdstip op waarop het contact tussen de advocaat en zijn cliënt moet plaatsvinden, maar is in beide wel voorzien in grondbeginselen op basis waarvan kan worden beoordeeld of dit contact daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en of het voldoende was om een eerlijk proces te waarborgen. Het staat dus aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de door de advocaat verleende bijstand reeds in de eerste fasen van de procedure en tijdens de verstekprocedure doeltreffend is. ( 44 ) Indien de beklaagde een advocaat heeft die hij nooit heeft ontmoet of die niet met hem communiceert op een manier die een effectieve verdediging mogelijk maakt, kan dit in dit verband worden beschouwd als een schending van artikel 6, lid 3, onder c), EVRM, waarin met name is voorzien in het recht om door een advocaat te worden bijgestaan. Zelfs in het geval van een verdediging bij verstek, eist het EHRM daarom dat de nodige inspanningen zijn geleverd om een effectief contact te waarborgen. ( 45 ) |
D. Toepassing op onderhavige zaak
|
68. |
In de onderhavige zaak blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter zich afvraagt of een bij verstek veroordeelde persoon het recht op een nieuw proces kan worden ontzegd omdat deze persoon is ondergedoken nadat hij een voorlopige tenlastelegging had ontvangen, waardoor de bevoegde autoriteiten hem niet persoonlijk in kennis konden stellen van de definitieve tenlastelegging, noch van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting of van de gevolgen van zijn afwezigheid op de terechtzitting. In dat verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het recht op een nieuw proces volgens de Bulgaarse rechtspraak betreffende artikel 423, lid 1, tweede volzin, NPK niet wordt toegekend aan een persoon die is ondergedoken na de tenlastelegging in het kader van het vooronderzoek. |
|
69. |
De verwijzende rechter vraagt zich derhalve vooral af of de beslissing van deze rechter om de bij verstek veroordeelde een nieuw proces te ontzeggen wanneer het voor de bevoegde autoriteiten niet mogelijk was om de beklaagde persoonlijk in kennis te stellen, verenigbaar is artikel 8, leden 2 en 4, en artikel 9, van richtlijn 2016/343. |
|
70. |
In casu staat het aan de verwijzende rechter om aan de hand van de bovenstaande preciseringen te beoordelen of de door de Bulgaarse wetgever ingevoerde procedurele regeling verenigbaar is met richtlijn 2016/343. Het Hof kan niettemin nuttige aanwijzingen geven voor die beoordeling. ( 46 ) |
|
71. |
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen benadrukt, blijft artikel 423, lid 1, NPK op het eerste gezicht problematisch voor zover deze bepaling niet voldoende duidelijk alle voorwaarden voor het weigeren van een nieuw proces, zoals vastgesteld bij richtlijn 2016/343, bevat. Zowel voornoemde bepaling als de rechtspraak die de verwijzende rechter met betrekking tot deze bepaling heeft ontwikkeld, lijkt immers onverenigbaar met artikel 8, lid 4, en artikel 9, van richtlijn 2016/343, voor zover zij een persoon die bij verstek is berecht het recht op een nieuw proces ontzeggen op de enkele grond dat hij is ondergedoken nadat hij in de loop van het vooronderzoek in verdenking is gesteld, maar vóórdat hij naar behoren in kennis is gesteld van de terechtzitting (met name van het tijdstip en de plaats daarvan), overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder a) en b), van deze richtlijn. ( 47 ) |
|
72. |
Wat de omstandigheden van het hoofdgeding betreft, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat M. S. T., door de ontvangst van de voorlopige tenlastelegging op 5 februari 2024, in het kader van het vooronderzoek persoonlijk in kennis is gesteld van de beschuldiging die tegen hem is ingebracht. Hij heeft Bulgarije op 16 februari 2024 verlaten, ondanks de verplichting om zich periodiek te melden bij de politie van zijn woonplaats. Daar M. S. T. de tenlastelegging niet heeft ontvangen, lijkt hij evenwel niet uitdrukkelijk in kennis te zijn gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting of van de gevolgen van zijn afwezigheid, wat de toepassing van een artikel 8, lid 2, onder a), van richtlijn 2016/343 zou kunnen uitsluiten. Aangezien de beklaagde mogelijk niet in kennis is gesteld van de terechtzitting overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 4, van deze richtlijn, kan hij krachtens artikel 9 van de richtlijn recht hebben op een nieuw proces. |
|
73. |
Wat betreft de omstandigheden die de verwijzende rechter in zijn tweede prejudiciële vraag aan de orde heeft gesteld, moet worden onderzocht of het feit dat de beklaagde, hoewel hij officieel in kennis was gesteld van de tegen hem ingebrachte feiten en van de opening van een onderzoek, ondanks de redelijke inspanningen van de Rayonen sad Montana om hem in kennis te stellen van de tenlastelegging, bewust de ontvangst van de dagvaarding heeft vermeden door het adres te verlaten waar hij aan zijn huisarrest moest voldoen, kan rechtvaardigen dat hem na een veroordeling bij verstek het recht op een nieuw proces wordt ontzegd. |
|
74. |
In dat verband is de belangrijkste vraag of het gedrag van M. S. T. kan worden opgevat als vrijwillige afstand van zijn recht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting. In dat verband moet worden bekeken of de rechtshandhavingsautoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om M. S. T. op te roepen. Zoals ik hierboven heb aangegeven ( 48 ), moeten de bevoegde autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om deze persoon te lokaliseren en hem persoonlijk te dagvaarden of hem anderszins in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. ( 49 ) Alleen dan kan de betrokkene worden geacht vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te hebben gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting. |
|
75. |
Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de autoriteiten dergelijke redelijke inspanningen hebben geleverd. In dat verband kan het merkwaardig lijken dat de bevoegde rechter er blijkbaar niet in is geslaagd M. S. T. te lokaliseren om hem in kennis te stellen van het verloop van zijn proces en van de gevolgen van zijn afwezigheid, terwijl hij relatief kort na zijn veroordeling werd gevonden, aangezien hij minder dan een maand nadat deze definitief was geworden is begonnen zijn straf uit te zitten. Het staat dus aan de verwijzende rechter om zich ervan te vergewissen dat de vóór het proces ondernomen stappen toereikend en evenredig waren, gelet op de ernst van de inbreuk en de opgelegde straf. ( 50 ) |
|
76. |
Meer in het bijzonder kan het, zoals de Commissie heeft gesuggereerd, in omstandigheden waarin de bevoegde autoriteiten over informatie beschikken waaruit blijkt dat de persoon zich naar het grondgebied van een andere lidstaat heeft begeven en daar verblijft, redelijk worden geacht dat deze autoriteiten op grond van artikel 34, lid 1, onder c), van verordening 2018/1862 een signalering in SIS invoeren, waarmee personen die door de justitiële autoriteiten in het kader van een strafprocedure zijn opgeroepen, kunnen worden gelokaliseerd. ( 51 ) |
|
77. |
In de omstandigheden van het hoofdgeding blijkt ten eerste uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de aanklacht betrekking had op een ernstig opzettelijk misdrijf waarop een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur staat. ( 52 ) Ten tweede leken de nationale autoriteiten op de hoogte te zijn van het feit dat M. S. T. in Duitsland werkte en hebben zij in de nationale bestanden geregistreerd dat hij Bulgarije op 16 februari 2024 had verlaten. Zij leken derhalve op de hoogte te zijn van het vertrek van M. S. T. naar het buitenland. In die omstandigheden rijst de vraag of zij verplicht waren de betrokkene via het SIS op te sporen alvorens bij verstek uitspraak te doen. Wanneer het desbetreffende misdrijf ernstig is en de opgelegde straf aanzienlijk is, vormen signalering en controle in het SIS in dat verband noodzakelijke elementen om te kunnen oordelen dat de bevoegde autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de betrokken beklaagde persoonlijk in kennis te stellen, vooral indien zij reeds over serieuze aanwijzingen beschikten dat hij zich in het buitenland bevond. In het licht van deze omstandigheden lijkt het feit dat de bevoegde autoriteiten enkel via intern onderzoek naar de beklaagde zijn blijven zoeken en hebben gelast dat de tenlastelegging en de informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting hem door een ambtenaar van de regionale eenheid zouden worden overhandigd, niet toereikend om te kunnen stellen dat deze autoriteiten redelijke inspanningen hebben betracht. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om te beoordelen of dat het geval is. |
|
78. |
Wat voorts de voorwaarde betreft dat de beklaagde, op grond van het vereiste van vertegenwoordiging door een gemachtigde advocaat, moet worden vertegenwoordigd door een advocaat [de tweede voorwaarde als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343], blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat M. S. T. heeft verklaard dat hij vertegenwoordigd wilde worden door de ambtshalve toegevoegde advocaat, die aanwezig was bij de verstekprocedure. Een tijdens het vooronderzoek gegeven mandaat is echter niet automatisch geldig voor de verstekprocedure. Zoals ik in punt 66 van deze conclusie reeds heb opgemerkt, moet komen vast te staan dat de beklaagde die advocaat daadwerkelijk heeft gemachtigd om hem tijdens zijn proces te verdedigen. Het staat eveneens aan de verwijzende rechter om na te gaan of die advocaat voldoende contact heeft gehad met M. S. T. en of hij zijn cliënt op de hoogte heeft gehouden van het verloop van het proces. |
|
79. |
Wat ten slotte het doeltreffendheidsbeginsel betreft, heeft het Hof reeds opgemerkt dat moet worden gewaarborgd dat de procedure voor het verzoek tot heropening van de strafprocedure resulteert in de erkenning van het recht op een nieuw proces in alle gevallen waarin niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343. ( 53 ) Zoals ik reeds heb uitgelegd, ben ik van oordeel dat deze volzin aldus moet worden uitgelegd dat hij in werkelijkheid de drie bovengenoemde cumulatieve vereisten omvat. ( 54 ) Tevens heeft het Hof in punt 44 van het arrest Stangalov onderstreept dat een procedure voor een verzoek tot heropening van de strafprocedure als aan de orde in die zaak, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, een dergelijke waarborg niet leek te bieden. Bovendien zij erop gewezen dat het Hof in het arrest van 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces) ( 55 ), met het oog op de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel, de verwijzende rechter heeft verzocht om na te gaan of het Bulgaarse procesrecht waarborgt dat de bij verstek veroordeelde persoon, wanneer hij in kennis wordt gesteld van het bestaan van die veroordeling of snel daarna, een afschrift ontvangt van de volledige bij verstek gegeven beslissing en wordt geïnformeerd over zijn procedurele rechten, met inbegrip van de mogelijkheid om een verzoek tot heropening van de strafprocedure in te dienen, en over de rechter bij wie en de termijn waarbinnen dat verzoek moet worden ingediend. ( 56 ) |
|
80. |
In de onderhavige zaak kan worden betwijfeld of het recht op heropening van het proces daadwerkelijk is gewaarborgd, gelet op de tijd die is verstreken tussen de vrijheidsontneming en de eventuele beslissing over de heropening. Hoewel M. S. T. op 16 juni 2024 is begonnen zijn straf uit te zitten, vond de terechtzitting over de heropening pas plaats op 24 januari 2025, te weten zeven maanden na aanvang van de uitvoering van de straf. Indien de betrokkene geen rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden vóór of gedurende een aanzienlijk deel van zijn detentie, is er een probleem met de doeltreffendheid van het recht op heropening in de zin van artikel 9 van richtlijn 2016/343, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest. In omstandigheden waarin de betrokkene reeds een straf (of het grootste deel daarvan) heeft uitgezeten zonder de onmiddellijke mogelijkheid om de veroordeling bij verstek aan te vechten, wordt het recht op heropening immers ondoeltreffend. In een dergelijke situatie dient de verwijzende rechter te waarborgen dat de Bulgaarse procedure daadwerkelijk een effectief recht op heropening verzekert. |
|
81. |
Hieruit volgt dat de doeltreffendheid van het recht op heropening eraan in de weg staat dat een bij verstek veroordeelde die is begonnen zijn straf uit te zitten, wordt verplicht om lang te wachten voordat wordt beslist op zijn verzoek om een nieuw proces in de zin van artikel 9 van richtlijn 2016/343, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest. |
V. Conclusie
|
82. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Varhoven kasatsionen sad te beantwoorden als volgt:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
( 2 ) PB 2016, L 65, blz. 1.
( 3 ) Zie arresten van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) [C‑569/20, EU:C:2022:401; hierna: „arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde)”]; 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces) (C‑400/23, EU:C:2025:14), en 16 januari 2025, Stangalov (C‑644/23, EU:C:2025:16; hierna: „arrest Stangalov”).
( 4 ) PB 2018, L 312, blz. 56.
( 5 ) DV nr. 86 van 28 oktober 2005.
( 6 ) Zie met name de punten 10, 11 en 17 van de toelichting bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn [COM(2013) 821 final]. Zie bijvoorbeeld ook Mitsilegas, V., EU Criminal Law, 2e druk, Hart, Oxford, 2022, met name blz. 254‑295.
( 7 ) Uit vaste rechtspraak volgt dat de erkenning van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in een bepaald geval veronderstelt dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden, of wordt vervolgd in het kader van een tenuitvoerlegging van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest [zie arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof),C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
( 8 ) Arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson (C‑617/10, ECLI:EU:C:2013:105, punt 29).
( 9 ) Zie arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco (C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 10 ) Arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (punt 25).
( 11 ) PB 2007, C 303, blz. 17.
( 12 ) Zie in dit verband arrest van 8 december 2022, HYA e.a. (Onmogelijkheid om de getuigen à charge te ondervragen) (C‑348/21, EU:C:2022:965, punt 40).
( 13 ) C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 49.
( 14 ) Arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (punt 26).
( 15 ) Arrest Stangalov (punt 35), waarin wordt verwezen naar de punten 26 tot en met 28 van het arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde).
( 16 ) Arrest Stangalov (punt 36).
( 17 ) Arrest van 26 februari 2013 (C‑399/11, EU:C:2013:107).
( 18 ) Punt 31.
( 19 ) Zie in dit verband overweging 35 van richtlijn 2016/343, waarin staat dat het recht van verdachten en beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn niet absoluut is en dat verdachten en beklaagden onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid dienen te hebben om, uitdrukkelijk of stilzwijgend maar op ondubbelzinnige wijze, afstand te doen van dat recht [zie arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (punt 26)].
( 20 ) Punten 33 en 34.
( 21 ) Zie overweging 36 van richtlijn 2016/343. Zie eveneens arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (punten 39 en 40).
( 22 ) Arrest Stangalov (punt 37). In dit punt wordt overigens nog een tweede, andere hypothese aangereikt waarin de betrokkene in kennis is gesteld van de terechtzitting, maar niet van de gevolgen van zijn afwezigheid, en niet is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat. Deze hypothese betreft in feite het derde vereiste, dat ik hierna zal analyseren (zie de punten 59‑67 van de onderhavige conclusie).
( 23 ) Arrest Stangalov (punt 37).
( 24 ) Arrest Stangalov (punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 25 ) Zie naar analogie de rechtspraak betreffende het Europees aanhoudingsbevel, waarin het Hof heeft geëist dat de rechterlijke autoriteit die bevoegd is voor de uitvaardiging van een dergelijk bevel, in het bijzonder controleert of de voor de uitvaardiging noodzakelijke voorwaarden aanwezig zijn en onderzoekt of – gelet op de specifieke kenmerken van elk geval – de uitvaardiging evenredig is [zie in dit verband arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbare ministeries van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
( 26 ) Zie de punten 38 en 39 van het arrest Stangalov.
( 27 ) Arrest Stangalov (punt 42).
( 28 ) Arrest van 15 september 2022 (C‑420/20, EU:C:2022:679, punt 58).
( 29 ) Zie eveneens de formulering in punt 43 van het arrest Stangalov, waarin tegelijkertijd wordt verwezen naar het feit dat de betrokkene in kennis is gesteld van de terechtzitting en het feit dat hij vrijwillig en ondubbelzinnig heeft afgezien van de uitoefening van zijn recht om daar aanwezig te zijn.
( 30 ) EHRM, 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië, CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, § 86, en EHRM, 13 maart 2018, Vilches Coronado e.a. tegen Spanje, CE:ECHR:2018:0313JUD005551714, § 36.
( 31 ) EHRM, 12 februari 1985, CE:ECHR:1985:0212JUD000902480, §§ 27‑32.
( 32 ) C‑420/20, EU:C:2022:679, punt 58.
( 33 ) Punt 53.
( 34 ) Conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C‑420/20, EU:C:2022:157, punt 108). Zie met name EHRM, 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië, CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, § 99, en EHRM, 23 mei 2006, Kounov tegen Bulgarije, CE:ECHR:2006:0523JUD002437902, § 48. Het Hof heeft tevens de rechtspraak van het EHRM aangehaald waarin is geoordeeld dat een voornemen om afstand te doen van het recht om te verschijnen onder meer kan worden vastgesteld wanneer de dagvaarding niet kon worden overhandigd wegens een adreswijziging die de verdachte niet aan de bevoegde autoriteiten heeft meegedeeld. In een dergelijk geval kan de betrokkene geen aanspraak maken op een nieuw proces (zie in die zin EHRM, 26 januari 2017, Lena Atanasova tegen Bulgarije, CE:ECHR:2017:0126JUD005200907, § 52).
( 35 ) Zie conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C‑420/20, EU:C:2022:157, punt 108).
( 36 ) Zie conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C‑420/20, EU:C:2022:157, punt 106) en met name de aldaar aangehaalde arresten EHRM van 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië, CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, §§ 98 en 99; 23 mei 2006, Kounov tegen Bulgarije, CE:ECHR:2006:0523JUD002437902, § 47; 26 januari 2017, Lena Atanasova tegen Bulgarije, CE:ECHR:2017:0126JUD005200907, § 52, en 2 februari 2017, Ait Abbou tegen Frankrijk, CE:ECHR:2017:0202JUD004492113, §§ 62‑65.
( 37 ) Uit deze rechtspraak volgt dat uit deze elementen moet blijken dat deze persoon ervan in kennis is gesteld dat tegen hem een strafprocedure was ingeleid, dat hij op de hoogte was van de aard en de reden van de beschuldiging en dat hij op duidelijke en ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen. De advocaat-generaal onderstreept in dat verband dat het EHRM heeft geoordeeld dat het niet voldoende was dat de beklaagde louter vaag of indirect had gehoord dat er tegen hem vervolging was ingesteld. Hij moet daadwerkelijk formeel en nauwkeurig op de hoogte zijn gebracht.
( 38 ) Zie in dit verband arresten EHRM van 13 februari 2001, Krombach tegen Frankrijk, CE:ECHR:2001:0213JUD002973196, § 89, en 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, § 91.
( 39 ) Conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C‑420/20, EU:C:2022:157, punt 99).
( 40 ) EHRM, 13 februari 2001, CE:ECHR:2001:0213JUD002973196, § 89.
( 41 ) EHRM, 1 maart 2006, CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, §§ 91‑94.
( 42 ) In zijn arrest van 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië, CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, § 94, herinnert het EHRM eraan dat louter de aanstelling van een advocaat niet automatisch daadwerkelijke bijstand aan de beklaagde garandeert.
( 43 ) Punt 56.
( 44 ) In het arrest van 2 november 2010, Sakhnovski tegen Rusland, CE:ECHR:2010:1102JUD002127203, § 98, heeft het EHRM geoordeeld dat een ambtshalve toegevoegde advocaat die geen voorafgaand contact heeft met zijn cliënt, en dus geen daadwerkelijke verdediging kan verzekeren, niet voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces.
( 45 ) Zie in dit verband arresten EHRM van 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië, CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, § 86, en 12 februari 1985, Colozza tegen Italië CE:ECHR:1985:0212JUD000902480, §§ 27‑32.
( 46 ) Zie naar analogie arrest van 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces) (C‑400/23, EU:C:2025:14, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 47 ) De Commissie geeft aan dat zij tegen de betrokken lidstaat een niet-nakomingsprocedure heeft ingeleid wegens onjuiste omzetting van artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn 2016/343.
( 48 ) Zie punt 48 van deze conclusie.
( 49 ) Arrest Stangalov (punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 50 ) Zie punt 49 van deze conclusie.
( 51 ) Niettemin impliceert de uitdrukking „op verzoek van een bevoegde autoriteit” in artikel 34 van verordening 2018/1862 dat de verplichting afhangt van de wil van de nationale bevoegde autoriteit.
( 52 ) De verwijzende rechter merkt op dat de ambtshalve toegevoegde advocaat voor deze rechter een argument aanvoert in verband met de gegrondheid van het verzoek, te weten dat „de aanklacht betrekking had op een ernstig opzettelijk misdrijf waarop een vrijheidsstraf van meer dan vijf jaar staat, zodat de veroordeelde aanwezig had moeten zijn bij de behandeling van de zaak”.
( 53 ) Zie in die zin arrest Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (punt 31).
( 54 ) Zie punt 43 van deze conclusie.
( 55 ) C‑400/23, EU:C:2025:14.
( 56 ) Zie in die zin arrest van 16 januari 2025, VB II (Informatie over het recht op een nieuw proces) (C‑400/23, EU:C:2025:14, punt 61).