Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. RANTOS
van 5 maart 2026 (1)
Zaak C‑70/25 [Tukowiecka](i)
N.O.
tegen
PKO BP S.A.
[verzoek van de Sąd Rejonowy w Koszalinie (rechter in eerste aanleg Koszalin, Polen) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Betalingsdiensten in de interne markt – Richtlijn (EU) 2015/2366 – Artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1 – Niet-toegestane betalingstransacties – Recht op onmiddellijke terugbetaling – Grove nalatigheid – Weigering van de aanbieder van betalingsdiensten om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie onverwijld terug te betalen in geval van een verlies dat is veroorzaakt doordat de betaler door grove nalatigheid de verplichtingen van artikel 69 niet is nagekomen – Reikwijdte van de uitzondering op het recht op onmiddellijke terugbetaling ”
I. Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend door de Sąd Rejonowy w Koszalinie (rechter in eerste aanleg Koszalin, Polen), betreft de uitlegging van artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van richtlijn (EU) 2015/2366(2) betreffende de aansprakelijkheidsregeling in geval van niet-toegestane betalingstransacties. In het bijzonder gaat het om de vraag onder welke voorwaarden een aanbieder van betalingsdiensten mag weigeren om dergelijke transacties onmiddellijk terug te betalen indien hij van mening is dat de betaler door grove nalatigheid niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 69 van die richtlijn, tegen de achtergrond van fraude door phishing, een fenomeen dat steeds vaker voorkomt.
2. Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid om de verhouding tussen de belangen van de betaler en die van de aanbieder van betalingsdiensten nader af te bakenen. Het Hof wordt derhalve uitgenodigd om zich uit te spreken over aspecten die significante gevolgen kunnen hebben zowel voor de verdeling van de risico’s tussen de aanbieders van betalingsdiensten en de betalers als voor het beschermingsniveau dat aan de gebruikers van die diensten moet worden geboden.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
3. De overwegingen 6 en 71 van richtlijn 2015/2366 luiden als volgt:
„(6) Nieuwe voorschriften moeten worden vastgesteld om de leemten in de regelgeving te dichten en tegelijkertijd de juridische duidelijkheid te vergroten en overal in de Unie een consistente toepassing van het wetgevingsraamwerk te garanderen [...] zodat [...] er in de hele Unie bij het gebruik van deze betalingsdiensten een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gegarandeerd. Dit moet leiden tot efficiëntieverbeteringen in het betalingssysteem in zijn geheel en tot een ruimere keuze en meer transparantie op het gebied van betalingsdiensten, en moet tegelijk het vertrouwen van consumenten in een geharmoniseerde betaalmarkt versterken.
[...]
(71) In het geval van een niet-toegestane betalingstransactie dient de betalingsdienstaanbieder het bedrag van die transactie onmiddellijk aan de betaler terug te betalen. Indien er echter een sterk vermoeden bestaat dat een niet-toegestane transactie het resultaat is van frauduleus gedrag van de betalingsdienstgebruiker en indien dat vermoeden gebaseerd is op aan de betrokken nationale autoriteit gemelde objectieve gronden, dient de betalingsdienstaanbieder de mogelijkheid te hebben binnen een redelijke termijn een onderzoek in te stellen alvorens de betaler terug te betalen. Om de betaler te beschermen tegen enig nadeel, mag de valutadatum van de creditering niet later zijn dan de datum waarop het bedrag werd afgeschreven. Om de betalingsdienstgebruiker ertoe aan te sporen de betalingsdienstaanbieder onverwijld van een eventuele diefstal of een eventueel verlies van een betaalinstrument in kennis te stellen en aldus het risico van niet-toegestane betalingstransacties te verminderen, dient de gebruiker slechts voor een zeer beperkt bedrag aansprakelijk te zijn, tenzij de betalingsdienstgebruiker frauduleus of ernstig nalatig heeft gehandeld. In dit verband lijkt een bedrag van 50 EUR passend om een geharmoniseerd en hoog niveau van gebruikersbescherming binnen de Unie te waarborgen. Indien de betaler zich niet van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument bewust kon zijn, mag er geen aansprakelijkheid zijn. Zodra gebruikers een betalingsdienstaanbieder ervan in kennis hebben gesteld dat hun betaalinstrument gecompromitteerd kan zijn, mag van de betalingsdienstgebruikers bovendien niet worden verlangd dat zij verdere verliezen dekken die uit een niet-toegestaan gebruik van dat instrument voortvloeien. [...]”
4. Artikel 69 van deze richtlijn, met als opschrift „Plichten van de betalingsdienstgebruiker met betrekking tot betaalinstrumenten en persoonlijke beveiligingsgegevens”, luidt als volgt:
„1. De betalingsdienstgebruiker die gemachtigd is een betaalinstrument te gebruiken:
a) gebruikt het betaalinstrument overeenkomstig de voorwaarden die op de uitgifte en het gebruik van het betaalinstrument van toepassing zijn; deze voorwaarden moeten objectief, niet-discriminerend en evenredig zijn;
b) stelt, wanneer hij zich rekenschap geeft van het verlies, de diefstal, het onrechtmatig gebruik of het niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument, de betalingsdienstaanbieder of de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit daarvan onverwijld in kennis.
2. Voor de toepassing van lid 1, onder a), neemt de betalingsdienstgebruiker, zodra hij een betaalinstrument ontvangt, in het bijzonder alle redelijke maatregelen om de veiligheid van de persoonlijke beveiligingsgegevens ervan te waarborgen.”
5. Artikel 71 van die richtlijn, met als opschrift „Kennisgeving en rectificatie van niet-toegestane of onjuist uitgevoerde betalingstransacties”, bepaalt in lid 1:
„De betalingsdienstgebruiker die zich rekenschap geeft van een niet-toegestane of onjuist uitgevoerde betalingstransactie welke aanleiding geeft tot een vordering, met inbegrip van een vordering krachtens artikel 89, verkrijgt van de betalingsdienstaanbieder alleen rectificatie van zulke transactie indien de betalingsdienstgebruiker de betalingsdienstaanbieder onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennisgeeft van de bewuste transactie.
[...]”
6. Artikel 72 van die richtlijn, met als opschrift „Bewijs inzake authenticatie en uitvoering van betalingstransacties”, bepaalt in lid 2:
„Wanneer een betalingsdienstgebruiker ontkent dat hij een uitgevoerde betalingstransactie heeft toegestaan, vormt het feit dat het gebruik van een betaalinstrument door de betalingsdienstaanbieder, daaronder in voorkomend geval de betalingsinitiatiedienstaanbieder begrepen, is geregistreerd, op zichzelf niet noodzakelijkerwijze afdoende bewijs dat de betalingstransactie door de betaler is toegestaan of dat de betaler frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer van de verplichtingen uit hoofde van artikel 69 niet is nagekomen. De betalingsdienstaanbieder, daaronder in voorkomend geval de betalingsinitiatiedienstaanbieder begrepen, verstrekt ondersteunend bewijs om fraude of grove nalatigheid van de zijde van de betaler te bewijzen.”
7. Artikel 73 van richtlijn 2015/2366, met als opschrift „Aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder voor niet-toegestane betalingstransacties”, bepaalt in lid 1:
„De lidstaten zorgen ervoor dat, onverminderd artikel 71, de betalingsdienstaanbieder van de betaler, in geval van een niet-toegestane betalingstransactie, de betaler onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terugbetaalt en in elk geval uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag, nadat hij zich rekenschap heeft gegeven van de transactie of daarvan in kennis is gesteld; uitgezonderd indien de betalingsdienstaanbieder van de betaler redelijke gronden heeft om fraude te vermoeden en deze gronden schriftelijk aan de relevante nationale autoriteit meedeelt. In voorkomend geval herstelt de betalingsdienstaanbieder van de betaler de betaalrekening die met dat bedrag is gedebiteerd in de toestand zoals die geweest zou zijn mocht de niet-toegestane betalingstransactie niet hebben plaatsgevonden. In dit verband wordt er ook voor gezorgd dat de valutadatum van de creditering van de betaalrekening van de betaler uiterlijk de datum is waarop het bedrag was gedebiteerd.”
8. Artikel 74 van die richtlijn, met als opschrift „Aansprakelijkheid van de betaler voor niet-toegestane betalingstransacties”, bepaalt in lid 1:
„In afwijking van artikel 73 kan de betaler worden verplicht om tot een bedrag van 50 EUR het verlies in verband met een niet-toegestane betalingstransactie te dragen dat uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument voortvloeit.
De eerste alinea geldt niet indien:
a) het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument niet kon worden vastgesteld door de betaler voordat een betaling plaatsvond, tenzij de betaler zelf frauduleus heeft gehandeld, of
b) het verlies is veroorzaakt door het handelen of nalaten van een werknemer, agent of bijkantoor van een betalingsdienstaanbieder of van een entiteit waaraan diens activiteiten waren uitbesteed.
De betaler draagt alle verliezen in verband met niet-toegestane betalingstransacties indien de betaler deze heeft geleden doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of door grove nalatigheid een of meer van de in artikel 69 genoemde verplichtingen niet is nagekomen. In die gevallen is het in de eerste alinea bedoelde maximumbedrag niet van toepassing.
Wanneer de betaler niet frauduleus heeft gehandeld, noch opzettelijk zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 69 heeft verzaakt, kunnen de lidstaten de in dit lid bedoelde aansprakelijkheid beperken, met name rekening houdend met de aard van de persoonlijke beveiligingsgegevens en met de specifieke omstandigheden waarin het betaalinstrument is verloren, gestolen of onrechtmatig is gebruikt.”
B. Pools recht
9. Artikel 46, leden 1 en 3, van de ustawa o usługach płatniczych (wet op de betalingsdiensten) van 19 augustus 2011(3), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, luidt als volgt:
„1. Onverminderd artikel 44, lid 2, betaalt de betalingsdienstaanbieder van de betaler hem, in het geval van een niet-toegestane betalingstransactie, onmiddellijk en in elk geval uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag nadat hij zich rekenschap heeft gegeven van de transactie of daarvan in kennis is gesteld, het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terug behalve wanneer de betalingsdienstaanbieder van de betaler redelijke gronden heeft om fraude te vermoeden en deze gronden schriftelijk aan de bevoegde opsporingsautoriteiten meedeelt. Indien de betaler gebruikmaakt van een betaalrekening, herstelt de betalingsdienstaanbieder van de betaler de rekening die met dat bedrag is gedebiteerd in de toestand zoals die zou zijn geweest indien de niet-toegestane betalingstransactie niet had plaatsgevonden. De valutadatum van de creditering van de betaalrekening van de betaler is uiterlijk de datum waarop het bedrag was gedebiteerd.
[...]
3. De betaler is volledig aansprakelijk voor een niet-toegestane betalingstransactie indien hij er opzettelijk aanleiding toe heeft gegeven of dat heeft gedaan als gevolg van een opzettelijke schending of een schending als gevolg van grove nalatigheid van een of meer van de op hem rustende verplichtingen van artikel 42.”
III. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
10. N.O. (hierna: „verzoekster”), een natuurlijke persoon die een bankrekening heeft bij PKO BP S.A. (hierna: „bank”), is het slachtoffer geworden van phishing toen zij op een veilingplatform een voorwerp te koop aanbood. Een derde, die zich voordeed als een koper, stuurde haar een frauduleuze link waarin de interface van het platform was nagebootst. Vervolgens is verzoekster misleid en heeft zij haar inloggegevens ingevuld waardoor de fraudeur aldus een niet-toegestane betalingstransactie kon verrichten vanaf haar bankrekening. Toen zij de volgende dag de fraude ontdekte, heeft zij niettemin onmiddellijk de bank en de politie daarvan in kennis gesteld, zonder dat de dader is geïdentificeerd. De bank heeft echter geweigerd om het bedrag van de litigieuze transactie terug te betalen op grond dat verzoekster, door grove nalatigheid, niet had voldaan aan haar verplichting om bij het gebruik van het betaalinstrument de nodige zorgvuldigheid te betrachten en om dat instrument niet beschikbaar te stellen aan onbevoegden.
11. Naar aanleiding van deze weigering heeft verzoekster bij de Sąd Rejonowy w Koszalinie, de verwijzende rechter, een vordering tegen de bank ingesteld tot betaling van een bedrag van 3 000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 705 EUR).
12. Ter ondersteuning van haar vordering heeft verzoekster aangevoerd dat de toepassing van het beginsel van onmiddellijke terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane transactie alleen kan worden uitgesloten in de situatie van artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366, namelijk wanneer de aanbieder van betalingsdiensten redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de betaler zich schuldig heeft gemaakt aan fraude en hij de bevoegde nationale autoriteit van die gronden in kennis stelt. Wanneer er geen sprake is van dergelijke gronden, zoals in de onderhavige zaak, moet die aanbieder het bedrag van de niet-toegestane transactie onmiddellijk en uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag aan de betaler terugbetalen. Pas na die terugbetaling en na een onderzoek van de relevante omstandigheden kan die aanbieder de betaler verzoeken om de verliezen te dragen die het gevolg zijn van zijn grove nalatigheid. Indien de betaler weigert om het bedrag van de transactie terug te betalen, moet de betrokken bank een rechtsvordering instellen om betaling te verkrijgen.
13. De bank heeft aangevoerd dat de Poolse wetgeving tot omzetting van artikel 74, lid 1, van richtlijn 2015/2366 de aanbieder van betalingsdiensten vrijstelt van de in artikel 73, lid 1, van die richtlijn neergelegde verplichting om het bedrag van niet-toegestane betalingstransacties onmiddellijk terug te betalen wanneer hij vaststelt dat de betaler met grove nalatigheid heeft gehandeld. De bank heeft ook betoogd dat zij alle relevante voorwaarden voor de aansprakelijkheid in geval van niet-toegestane betalingstransacties zelf kan beoordelen en dat zij van haar verplichting tot onmiddellijke terugbetaling is vrijgesteld wanneer zij aantoont dat de betaler nalatig is geweest.
14. In deze omstandigheden merkt de verwijzende rechter op dat, aangezien in de procedure is vastgesteld dat de litigieuze transactie niet was toegestaan, hij een analyse moet verrichten van artikel 46 van de wet op de betalingsdiensten – dat is vastgesteld ter omzetting van de artikelen 73 en 74 van richtlijn 2015/2366 – om het bij hem aanhangige geding tussen verzoekster en de bank te kunnen beslechten ter zake van de omvang van de verplichting van de betalingsdienstaanbieder om het bedrag van een niet-toegestane transactie onmiddellijk terug te betalen.
15. In dit verband is deze rechter van oordeel dat richtlijn 2015/2366 en de nationale bepalingen tot omzetting daarvan voorzien in de algemene regel dat het risico van aansprakelijkheid uit hoofde van een niet-toegestane betalingstransactie volledig bij de aanbieders van betalingsdiensten ligt. Bovendien merkt deze rechter op dat de in deze richtlijn en in de Poolse wetgeving neergelegde bepalingen aan de betalers een recht verlenen op restitutie van niet-toegestane transacties, hetgeen betekent dat zij recht hebben op de onmiddellijke terugbetaling van aldus verloren gegane middelen. Dit recht geldt niet indien op redelijke gronden wordt vermoed dat de betaler fraude heeft gepleegd en de bevoegde nationale autoriteiten daarvan in kennis zijn gesteld.
16. Voorts wijst deze rechter erop dat er bij de Poolse rechterlijke instanties geen procedures zijn ingesteld door banken tegen consumenten met betrekking tot de verplichting tot terugbetaling van niet-toegestane betalingstransacties als gevolg van grove nalatigheid van de betaler. Daarentegen worden er veel vorderingen door consumenten tegen banken ingediend uit hoofde van de niet-restitutie van niet-toegestane betalingstransacties. Volgens de verwijzende rechter wijst dit erop dat het in het geval van niet-toegestane betalingstransacties de regel is geworden dat de aanbieders van betalingsdiensten zich beroepen op de uitzonderingen van het recht op terugbetaling. De aanbieders betalen de bedragen van de niet-toegestane transacties over het algemeen niet terug, zodat het erop neerkomt dat de betalers, die veelal consumenten zijn, een rechtsvordering moeten instellen.
17. Aangezien de door de bank voorgestelde uitlegging van richtlijn 2015/2366 niet strekt tot het bieden van bescherming aan de betaler overeenkomstig de algemene regel van terugbetaling van niet-toegestane transacties, leidt de verwijzende rechter hieruit af dat de bepalingen van deze richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de mogelijkheid voor een aanbieder van betalingsdiensten om te weigeren om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk terug te betalen indien de betaler in verband met de niet-toegestane transactie een verlies heeft geleden doordat hij door grove nalatigheid zijn verplichtingen niet is nagekomen. Deze rechter voegt daaraan toe dat die uitlegging ertoe leidt dat de last die gepaard gaat met het aanhangig maken van een proces, de inleiding van de procedure, de betaling van griffierechten, het overleggen van bewijsstukken en het opstellen van documenten wordt verschoven van de betaler, die veelal een consument is, naar de professionele dienstverlener, te weten de aanbieder van betalingsdiensten.
18. In deze omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy w Koszalinie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 73, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 74, lid 1, van richtlijn [2015/2366] aldus worden opgevat dat een aanbieder van betalingsdiensten mag weigeren om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk terug te betalen aan de betaler indien deze in verband met de niet-toegestane transactie een verlies heeft geleden doordat hij door grove nalatigheid de in artikel 69 genoemde verplichtingen niet is nagekomen?”
19. Schriftelijke opmerkingen zijn bij het Hof ingediend door de bank, de Poolse, de Tsjechische en de Italiaanse regering en de Europese Commissie.
IV. Prejudiciële vraag
20. Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van richtlijn 2015/2366 aldus moeten worden uitgelegd dat een aanbieder van betalingsdiensten mag weigeren om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk terug te betalen aan de betaler indien deze laatste door grove nalatigheid de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 69 van die richtlijn.
21. Om deze vraag te beantwoorden moet het Hof vaststellen of artikel 74, lid 1, derde alinea, van die richtlijn een uitzondering vormt op de verplichting van de aanbieder van betalingsdiensten om de betaler terug te betalen, zodat op grond daarvan de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling van artikel 73, lid 1, van die richtlijn kan komen te vervallen of kan worden opgeschort, of dat het veeleer gaat om een afzonderlijk recht waarop die aanbieder zich later kan beroepen jegens de betaler.
22. In dit verband moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof, bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(4)
23. Wat in de eerste plaats de bewoordingen van de uit te leggen bepalingen betreft, merk ik op dat de opschriften ervan aangeven dat die bepalingen betrekking hebben op de aansprakelijkheid van respectievelijk de aanbieder van betalingsdiensten en de betaler in geval van niet-toegestane betalingstransacties. Artikel 73 van richtlijn 2015/2366 heeft namelijk als opschrift „Aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder voor niet-toegestane betalingstransacties”, terwijl artikel 74 van die richtlijn als opschrift „Aansprakelijkheid van de betaler voor niet-toegestane betalingstransacties” heeft.
24. Artikel 73, lid 1, van die richtlijn voorziet in beginsel in de onmiddellijke terugbetaling van de betaler in geval van niet-toegestane betalingstransacties waarbij een dwingende termijn is genoemd waarbinnen de aanbieder van betalingsdiensten deze terugbetaling moet verrichten(5). Voorts is een uitzondering op de regel van de onmiddellijke terugbetaling ingevoerd, namelijk wanneer die aanbieder „redelijke gronden heeft om fraude te vermoeden”. Zo vereist deze uitzondering ten eerste dat er gegronde vermoedens bestaan ten aanzien van een eventuele fraude en ten tweede dat die aanbieder een formele voorwaarde vervult, namelijk dat hij zijn vermoedens schriftelijk aan de bevoegde nationale autoriteit meedeelt.(6)
25. Ook is het van belang om vast te stellen dat artikel 74, lid 1, van die richtlijn is opgesteld als uitzondering op artikel 73.(7) Voorts regelt artikel 74, lid 1, van richtlijn 2015/2366 in de eerste en de tweede alinea de aansprakelijkheid van de zorgvuldige betaler, die beperkt is, terwijl uit de derde alinea volgt dat de aansprakelijkheid van de nalatige betaler in beginsel een onbeperkt karakter heeft. Meer in het bijzonder bepaalt deze bepaling dat de betaler aansprakelijk is tot een maximumbedrag van 50 EUR of onbeperkt indien hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of door grove nalatigheid niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten uit hoofde van artikel 69 van die richtlijn met betrekking tot de hem ter beschikking gestelde betaalinstrumenten.
26. Wat meer in het bijzonder de kwestie van de onmiddellijke terugbetaling in geval van niet-toegestane betalingstransacties betreft, merk ik op dat artikel 73, lid 1, van die richtlijn geen andere uitzondering kent waarop de aanbieder van betalingsdiensten zich kan beroepen, zoals bijvoorbeeld het vermoeden of de mogelijkheid dat de betaler een of meer van de in artikel 69 genoemde verplichtingen niet is nagekomen, ook door grove nalatigheid. Voorts is het zo, wat artikel 74, lid 1, van die richtlijn betreft, dat deze bepaling niet ziet op de onmiddellijke terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie, maar zich toespitst op de verdeling van de aansprakelijkheid tussen de betaler en de aanbieder van betalingsdiensten, om vast te stellen wie later, in het kader van een procedure, aansprakelijk is en derhalve de door die transacties ontstane verliezen moet dragen.
27. Op het eerste gezicht volgt dus uit de letterlijke uitlegging van artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366 dat, door uitdrukkelijk te voorzien in uitzonderingen op de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie, dit artikel niet toestaat dat de lijst van uitzonderingen wordt uitgebreid tot andere gevallen die daarin niet zijn opgenomen, waaronder het geval van niet-nakoming „door grove nalatigheid [...] van de in artikel 69 genoemde verplichtingen [van de betaler]”, zoals vermeld in artikel 74, lid 1, derde alinea, van die richtlijn.
28. Vast staat echter dat, wat artikel 74, lid 1, van die richtlijn betreft, met name louter op basis van de bewoordingen ervan niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de in deze bepaling genoemde „uitzondering” uitsluitend betrekking heeft op de inhoud van de verplichting of dat die zich ook uitstrekt tot het beginsel van onmiddellijke terugbetaling. Bijgevolg zijn er twee verschillende uitleggingen mogelijk, zoals blijkt uit de tegenovergestelde standpunten van partijen in het hoofdgeding.(8) Volgens de eerste uitlegging is de aanbieder van betalingsdiensten niet verplicht om de betaler terug te betalen wanneer deze nalatig is geweest, zodat de aanbieder zich kan beroepen op de aansprakelijkheid van de betaler wegens grove nalatigheid overeenkomstig de uitzondering van artikel 74 van richtlijn 2015/2366 en hij niet langer gehouden is aan zijn verplichting tot onmiddellijke terugbetaling uit hoofde van artikel 73, lid 1, van die richtlijn. Daarentegen berust de tweede uitlegging op het uitgangspunt dat artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van die richtlijn voorzien in twee verschillende stappen van de procedure tot terugbetaling van een niet-toegestane betalingstransactie. Volgens deze lezing heeft de „uitzondering” van artikel 74, lid 1, ab initio geen gevolgen, hetgeen inhoudt dat de aanbieder van betalingsdiensten de betaler in eerste instantie moet terugbetalen en vervolgens, na deze terugbetaling, in tweede instantie een recht op vergoeding kan doen gelden jegens de betaler die aansprakelijkheid is wegens nalatigheid.
29. Om redenen die ik in de volgende punten van deze conclusie zal uiteenzetten, ben ik van mening dat moet worden uitgegaan van deze tweede lezing van artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van richtlijn 2015/2366.
30. Deze uitlegging wordt, in de tweede plaats, bevestigd door de context van de bepalingen waarop de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter betrekking heeft.
31. In dit verband merk ik op dat overweging 71 van richtlijn 2015/2366 slechts één geval noemt waarin de aanbieder van betalingsdiensten – zodra de betaler hem de niet-toegestane transactie heeft meegedeeld – de onmiddellijke terugbetaling aan de betaler mag uitstellen, namelijk wanneer er „een sterk vermoeden bestaat dat een niet-toegestane transactie het resultaat is van frauduleus gedrag van de betalingsdienstgebruiker en indien dat vermoeden gebaseerd is op aan de betrokken nationale autoriteit gemelde objectieve gronden”. Net als artikel 73, lid 1, van die richtlijn, noemt overweging 71 geen enkele andere uitzondering waarop de aanbieder van betalingsdiensten zich kan beroepen, zoals het vermoeden of de vaststelling dat de gebruiker van betalingsdiensten, door zijn handelen, een of meer van de verplichtingen uit hoofde van artikel 69 van die richtlijn niet is nagekomen, met name door grove nalatigheid.
32. Voorts moet erop worden gewezen dat de analyse van de voorbereidende werkzaamheden die hebben geleid tot de vaststelling van artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366, deze uitlegging lijkt te ondersteunen. De vorige versie ervan, richtlijn 2007/64/EG(9), die is ingetrokken bij richtlijn 2015/2366, voorzag niet in een uitzondering op de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling van een niet-toegestane betalingstransactie. De Uniewetgever achtte het echter noodzakelijk om de procedure van onmiddellijke terugbetaling in geval van niet-toegestane transacties concreter af te bakenen door de relevante bepaling, in dit geval artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366, te wijzigen, in die zin dat dit artikel uitdrukkelijk een specifieke uitzondering maakt op de verplichting tot terugbetaling, namelijk wanneer de aanbieder van betalingsdiensten redelijke gronden heeft om fraude te vermoeden.(10)
33. Ook merk ik op dat artikel 107, lid 1, van richtlijn 2015/2366 bepaalt dat de door de Uniewetgever verwezenlijkte harmonisatie op het gebied waarop de in deze zaak relevante bepalingen betrekking hebben, volledig is en dat er geen andere nationale maatregelen mogen worden getroffen dan die welke deze wetgever heeft vastgesteld.(11) Meer in het bijzonder behoren artikel 73 en artikel 74 van die richtlijn niet tot de bepalingen ten aanzien waarvan de Uniewetgever de lidstaten een beoordelingsmarge heeft willen laten. Bovendien verwijst artikel 107, lid 3, van die richtlijn uitdrukkelijk naar de verplichtingen van de aanbieders van betalingsdiensten, door te bepalen dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat betalingsdienstaanbieders niet ten nadele van betalingsdienstgebruikers afwijken van de bepalingen van nationaal recht ter omzetting van richtlijn 2015/2366, tenzij laatstgenoemde bepalingen daarin uitdrukkelijk voorzien.
34. Een dergelijk uitlegging wordt, in de derde plaats, bevestigd door de met richtlijn 2015/2366 nagestreefde doelstellingen.
35. In dit verband breng ik in herinnering dat richtlijn 2015/2366 tot doel heeft, zoals blijkt uit overweging 6, om de regels inzake het aanbieden van betalingsdiensten te harmoniseren door de „juridische duidelijkheid” te vergroten en „overal in de Unie een consistente toepassing van het wetgevingsraamwerk” te garanderen, zodat er in de hele Unie bij het gebruik van betalingsdiensten een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gegarandeerd.
36. Hoewel het hoofddoel van deze richtlijn bestaat in de harmonisatie van de regels inzake betalingsdiensten en de goede werking van de interne markt voor die diensten(12), zoals blijkt uit het feit dat deze richtlijn is gebaseerd op artikel 114 VWEU, neemt dit niet weg dat de noodzaak om bij het gebruik van die diensten een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen ook een doelstelling is die met deze richtlijn wordt nagestreefd.(13)
37. Op grond van het voorgaande kan volgens mij worden geconcludeerd dat, hoewel artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van richtlijn 2015/2366 nauw verbonden zijn, deze bepalingen toch voorzien in verschillende aspecten van de procedure tot terugbetaling van de bedragen van niet-toegestane betalingstransacties, in die zin dat de eerste de onmiddellijke terugbetaling in geval van een niet-toegestane transactie regelt, terwijl de tweede voorziet in de verdeling van de aansprakelijkheid tussen de aanbieder en de betaler in een later stadium.
38. Bijgevolg is de aanbieder van betalingsdiensten, overeenkomstig artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366, in eerste instantie gehouden om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk terug te betalen, tenzij er een sterk vermoeden bestaat dat die transactie het resultaat is van frauduleus gedrag van de gebruiker van betalingsdiensten. Deze terugbetaling heeft echter geen definitief karakter. Indien de aanbieder van betalingsdiensten in tweede instantie, na het verrichten van die tijdelijke terugbetaling, vaststelt dat de betaler opzettelijk of met grove nalatigheid een van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 69 van die richtlijn niet is nagekomen, kan de aanbieder van hem eisen dat hij de verliezen draagt die het gevolg zijn van zijn grove nalatigheid. Wanneer de betaler weigert om het bedrag van de niet-toegestane transactie terug te betalen, is het aan die aanbieder om beroep in te stellen tegen de betaler, die aansprakelijk is uit hoofde van artikel 74, lid 1, derde alinea, van die richtlijn.
39. Een tegenovergestelde uitlegging, waarbij de aanbieder van betalingsdiensten de terugbetaling mag weigeren of uitstellen bij het enkele vermoeden dat de betaler, door grove nalatigheid, de verplichtingen van artikel 69 van die richtlijn niet is nagekomen, maakt het voor die aanbieder mogelijk om de in artikel 73, lid 1, neergelegde verplichting tot onmiddellijke terugbetaling van een niet-toegestane transactie te omzeilen. Een dergelijke lezing zou de hypotheses waarin die aanbieder van die verplichting kan worden vrijgesteld, uitbreiden tot buiten de gevallen waar de bewoordingen van deze bepaling uitdrukkelijk in voorziet en zou ingaan tegen het beginsel dat uitzonderingen in Unierechtelijke handelingen beperkt moeten worden uitgelegd. Daarmee zou rechtstreeks afbreuk worden gedaan aan het recht van de consument op die terugbetaling en zou aan deze bepaling derhalve de inhoud en de nuttige werking ervan worden ontnomen.
40. In dit verband moet de keuze van de Uniewetgever om aan de opschorting van de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling strikte voorwaarden te verbinden, ervoor zorgen dat die terugbetaling de regel blijft en geen uitzondering wordt. Een dergelijke regeling verliest alle doeltreffendheid indien de enkele buitengerechtelijke verklaring, van de aanbieder van betalingsdiensten, dat de verplichtingen uit hoofde van artikel 69 van richtlijn 2015/2366 niet zijn nagekomen, volstaat om zijn verplichting tot onmiddellijke terugbetaling op te schorten. Bovendien zou het op zijn minst paradoxaal zijn om voor de opschorting van de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling in geval van fraude te vereisen dat er sprake is van gegronde redenen en dat een formele procedure bij de bevoegde nationale autoriteit wordt ingesteld, terwijl deze verplichting bij het handelen of nalaten als gevolg van grove nalatigheid wel kan worden opgeschort, met dezelfde gevolgen, zonder andere formele vereisten.
41. Door ervan uit te gaan dat de aanbieder van betalingsdiensten de onmiddellijke terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane transactie kan weigeren of uitstellen indien hij van mening is dat de betaler met grove nalatigheid heeft gehandeld, wordt ook afbreuk gedaan aan de met richtlijn 2015/2366 nagestreefde doelstelling om een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen. Afgezien van het feit dat de betaler in dat geval geen onmiddellijke terugbetaling van het betrokken bedrag verkrijgt, is hij ook verplicht om een gerechtelijke procedure in te stellen tegen de aanbieder van betalingsdiensten indien deze laatste de terugbetaling heeft geweigerd op grond van de niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 69 van die richtlijn wegens grove nalatigheid. Door de mogelijkheid voor die aanbieder om af te zien van de onmiddellijke terugbetaling van een niet-toegestane betalingstransactie, alleen voor te behouden aan gevallen van fraude, heeft de Uniewetgever willen optreden tegen de praktijk waarbij de aanbieders van betalingsdiensten zich beroepen op de nalatigheid van de betaler om die terugbetaling te weigeren, een praktijk die laatstgenoemde verplicht om gerechtelijke stappen te ondernemen om restitutie te verkrijgen van de bedragen van de niet-toegestane transacties.(14) Uit de wijziging die is aangebracht in artikel 73, lid 1, van die richtlijn blijkt immers dat het niet aan de betaler is, maar aan de aanbieder van betalingsdiensten, om vergoeding te vorderen van de verliezen als gevolg van een niet-toegestane betalingstransactie die te wijten is aan de grove nalatigheid van de betaler en om in voorkomend geval een rechtsvordering in te stellen om terugbetaling van de betrokken bedragen te verkrijgen. Voorts is een dergelijke benadering ook in overeenstemming met artikel 72, lid 2, van die richtlijn, op grond waarvan de bewijslast, om aan te tonen dat de betaler met grove nalatigheid heeft gehandeld, bij de aanbieder van betalingsdiensten ligt.
42. Ter aanvulling lijkt het mij zinvol om nader in te gaan op bepaalde aspecten met betrekking tot de voorgaande analyse van de relevante bepalingen van richtlijn 2015/2366 in het licht van de onderhavige zaak.
43. In de eerste plaats wil ik erop wijzen dat de onderhavige zaak zich onderscheidt van een aantal zaken die bij het Hof aanhangig zijn gemaakt met betrekking tot de verhouding tussen de verschillende bepalingen die voorzien in de verdeling van de aansprakelijkheid tussen de betaler en de aanbieder van betalingsdiensten in geval van niet-toegestane transacties, zoals opgenomen in eerdere versies van richtlijn 2015/2366(15), en met name de zaak die heeft geleid tot het arrest Veracash(16).
44. Ik wijs er in dit verband op dat, in tegenstelling tot de onderhavige zaak waarin niet wordt betwist dat de betaler de aanbieder van betalingsdiensten onmiddellijk in kennis heeft gesteld van het feit dat een niet-toegestane betalingstransactie had plaatsgevonden, de zaak die heeft geleid tot het arrest Veracash betrekking had op de gevolgen van de niet-naleving door de betaler van zijn verplichting om direct na de vaststelling van de transactie de aanbieder van betalingsdiensten daarover te informeren.
45. Het is juist dat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat op de verplichting van de aanbieder van betalingsdiensten om het bedrag van een niet-toegestane transactie onmiddellijk terug te betalen overeenkomstig artikel 60, lid 1, van richtlijn 2007/64, de uitzonderingen van artikel 61, lid 2, van die richtlijn van toepassing zijn, zodat de betaler in beginsel aansprakelijk moet worden gehouden voor alle verliezen in verband met niet-toegestane betalingstransacties indien hij deze heeft geleden doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of door grove nalatigheid een of meer van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 van die richtlijn niet is nagekomen.(17) Een dergelijke lezing kan inderdaad de suggestie wekken dat artikel 61, lid 2, van die richtlijn een uitzondering vormt op de verplichting van de aanbieder van betalingsdiensten om het bedrag van de niet-toegestane transactie onmiddellijk terug te betalen aan de betaler zoals is bepaald in artikel 60, lid 1, ervan, zodat die aanbieder zich aan deze verplichting kan onttrekken indien hij zich beroept op de aansprakelijkheid van de betaler wegens fraude of grove nalatigheid.
46. Vastgesteld moet echter worden dat een dergelijke uitlegging niet kan worden aanvaard met betrekking tot artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van richtlijn 2015/2366, die artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 hebben vervangen. Zoals in punt 32 van deze conclusie is opgemerkt, voorzag artikel 60, lid 1, van richtlijn 2007/64 weliswaar niet in een uitzondering op de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling van de niet-toegestane betalingstransactie, maar heeft de Uniewetgever het noodzakelijk geacht om deze bepaling te wijzigen door in artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366 een uitdrukkelijke uitzondering op de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling op te nemen, die beperkt is tot het geval waarin de aanbieder van betalingsdiensten gegronde redenen heeft om fraude te vermoeden. Met die wijziging heeft de Uniewetgever dus duidelijk willen maken dat artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van die richtlijn voorzien in twee verschillende stappen van de procedure tot terugbetaling van niet-toegestane betalingstransacties, in die zin dat de eerste de onmiddellijke terugbetaling in geval van een niet-toegestane transactie regelt, terwijl de tweede voorziet in de verdeling van de aansprakelijkheid tussen de aanbieder en de betaler in een later stadium.(18)
47. In de tweede plaats merk ik op dat de Italiaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft gepleit voor een uitlegging van artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366 volgens welke het de aanbieder van betalingsdiensten op grond van deze bepaling, ondanks de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling, toch is toegestaan om later, en rechtstreeks, het bedrag dat aan de gebruiker is terugbetaald in verband met een niet-toegestane betalingstransactie terug te vorderen, zonder dat gerechtelijke stappen nodig zijn, voor zover de beoordeling van alle relevante omstandigheden hem gegronde redenen verschaft om aan te nemen dat de niet-toegestane transactie het gevolg was van opzettelijk handelen of een ernstige fout van de betaler.(19)
48. Hoewel de door de Italiaanse regering voorgestane uitlegging beoogt om de belangen van de betrokken partijen in evenwicht te brengen, neemt dit niet weg dat die uitlegging ertoe leidt dat de terugbetaling uit hoofde van artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366 wordt onderworpen aan beperkingen en aanvullende voorwaarden die geen grondslag vinden in de bewoordingen van die bepaling, waardoor van het strikte kader van die richtlijn wordt afgeweken. Bovendien zou de situatie van de betaler praktisch gezien dezelfde zijn als zonder terugbetaling en is hij dus verplicht om gerechtelijke stappen tegen de aanbieder van betalingsdiensten te ondernemen om het betrokken bedrag terug te krijgen. Zoals in de punten 37 en 38 van deze conclusie is opgemerkt, kan een dergelijke uitlegging ertoe leiden dat deze bepaling wordt omzeild en dat daaraan de nuttige werking wordt ontnomen, terwijl ook afbreuk wordt gedaan aan de consumentenbescherming.
49. Voorts stel ik vast, zoals is opgemerkt in punt 33 van deze conclusie, dat artikel 73, lid 1, van die richtlijn behoort tot de bepalingen die volledig zijn geharmoniseerd. Hieruit volgt dat de aansprakelijkheid van een aanbieder van betalingsdiensten voor niet-toegestane betalingstransacties niet kan worden verminderd door de toepassing van nationale bepalingen waarbij een beperktere aansprakelijkheidsregeling is ingevoerd. Bijgevolg kunnen de lidstaten niet afwijken van de bij richtlijn 2015/2366 ingestelde regeling met betrekking tot de verplichting voor de aanbieders van betalingsdiensten om het bedrag van een niet-toegestane transactie onmiddellijk terug te betalen door andere uitzonderingen in te voeren dan die welke uitdrukkelijk zijn opgenomen in artikel 73, lid 1, van die richtlijn.
50. In de derde plaats wijs ik erop dat, anders dan de Tsjechische en de Italiaanse regering betogen, de voorgestelde uitlegging er niet toe leidt dat de regeling inzake alternatieve geschillenbeslechting (ADR) van artikel 102 van richtlijn 2015/2366 wordt omzeild.(20)
51. In dit verband breng ik in herinnering dat artikel 102 van die richtlijn voorziet in een ADR-procedure waarbij de gebruiker van betalingsdiensten bij een orgaan voor alternatieve geschillenbeslechting een klacht kan indienen tegen aanbieders van betalingsdiensten. Aangezien de aldus ingestelde regeling beoogt om de beslechting van geschillen tussen gebruikers en aanbieders van betalingsdiensten te vergemakkelijken, beperkt de werkingssfeer ervan zich niet uitsluitend tot de onmiddellijke terugbetaling uit hoofde van artikel 73 van die richtlijn, maar strekt die zich uit tot alle geschillen die betrekking hebben op de uit titel III en IV van deze richtlijn voortvloeiende rechten en plichten.
52. Tot slot, hoewel de gekozen oplossing aanleiding kan geven tot een aantal bezwaren en niet vrij is van praktische problemen(21), neemt dit niet weg dat een tegenovergestelde uitlegging grotere nadelen met zich meebrengt, met name voor de gebruikers van betalingsdiensten(22). Het is overigens met het oog op de belangen van deze laatsten dat de Uniewetgever artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366 heeft gewijzigd. Mochten de huidige bewoordingen van deze bepaling ontoereikend zijn, staat het evenwel aan de Uniewetgever om die te wijzigen.
53. Gelet op het voorgaande stel ik voor om op de gestelde vraag te antwoorden dat artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van richtlijn 2015/2366 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een aanbieder van betalingsdiensten mag weigeren om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk terug te betalen aan de betaler indien deze in verband met die transactie een verlies heeft geleden doordat hij door grove nalatigheid de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 69 van die richtlijn.
V. Conclusie
54. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de door de Sąd Rejonowy w Koszalinie gestelde prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
„Artikel 73, lid 1, en artikel 74, lid 1, van richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich ertegen verzetten dat een aanbieder van betalingsdiensten mag weigeren om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk terug te betalen aan de betaler indien deze in verband met die transactie een verlies heeft geleden doordat hij door grove nalatigheid de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 69 van die richtlijn.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
2 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (PB 2015, L 337, blz. 35).
3 Dz. U. 2024, volgnr. 30.
4 Arrest van 1 augustus 2025, Veracash (C‑665/23, EU:C:2025:598, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
5 Artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366 bepaalt in dit verband dat die terugbetaling „uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag” moet plaatsvinden.
6 Hoewel dit aspect in casu niet relevant is, wijs ik erop dat er een tweede geval bestaat waarin de aanbieder van betalingsdiensten het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie niet onmiddellijk aan de betaler hoeft terug te betalen, namelijk wanneer deze laatste nalaat om hem te informeren of dit te laat doet. Meer in het bijzonder voorziet artikel 71 van richtlijn 2015/2366, waarnaar artikel 73, lid 1, verwijst, in een termijn voor de kennisgeving van een niet-toegestane transactie, door te bepalen dat de betalingsdienstgebruiker die zich rekenschap geeft van een niet-toegestane of onjuist uitgevoerde betalingstransactie welke aanleiding geeft tot een vordering, met inbegrip van een vordering krachtens artikel 89, van de betalingsdienstaanbieder alleen rectificatie van zo’n transactie verkrijgt indien de betalingsdienstgebruiker de betalingsdienstaanbieder onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis geeft van de bewuste transactie. Zie in dit verband arrest van 1 augustus 2025, Veracash (C‑665/23, EU:C:2025:598, punt 48).
7 Artikel 74 van richtlijn 2015/2366 bevat immers de volgende zinsnede: „[i]n afwijking van artikel 73”.
8 Zie punten 12 en 13 van deze conclusie.
9 Artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366 verving artikel 60, lid 1, van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1). Deze laatste bepaling luidde als volgt: „De lidstaten zorgen ervoor dat, onverminderd artikel 58, de betalingsdienstaanbieder van de betaler, in geval van een niet-toegestane betalingstransactie, de betaler onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terugbetaalt en, in voorkomend geval, de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, herstelt in de toestand zoals die geweest zou zijn mocht de niet-toegestane betalingstransactie niet hebben plaatsgevonden.”
10 Zo blijkt uit die voorbereidende werkzaamheden dat, hoewel het oorspronkelijke voorstel van de Commissie geen uitzondering op de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling bevatte ingeval de aanbieder redelijke gronden had om fraude te vermoeden, deze wijziging tijdens de interinstitutionele onderhandelingen naar voren is gebracht en daarna is geïntegreerd in de definitieve tekst van richtlijn 2015/2366. Zie in dit verband het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2013/36/EU en 2009/110/EG en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG [COM(2013) 0547 definitief], in het bijzonder blz. 13; Europees Parlement, tekst die is overeengekomen tijdens interinstitutionele onderhandelingen, PE 604.827 [gewone wetgevende procedure dossier 2013/0264 (COD), goedgekeurd op 16 juni 2015], in het bijzonder artikel 65, alsmede het aanvullend verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2013/36/EU en 2009/110/EG en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG, A8‑0266/2015 (aangenomen op 28 september 2015), in het bijzonder artikel 73. De Commissie heeft dezelfde benadering gekozen in haar voorstel voor een verordening betreffende betalingsdiensten in de interne markt. In de bepaling die betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de aanbieder in geval van niet-toegestane betalingstransacties, staat dat de aanbieder de terugbetaling alleen mag weigeren indien hij redelijke gronden heeft om te vermoeden dat de betaler fraude heeft gepleegd. In dat geval moet die aanbieder motiveren waarom hij de terugbetaling weigert en vermelden tot welke instanties de betaler zich kan wenden. Zie in dit verband voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en houdende wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010, COM(2023) 367 final – 2023/0210 (COD), van 28 juni 2023, in het bijzonder blz. 11, artikel 56, leden 1 en 2.
11 Zie, wat richtlijn 2007/64 betreft, arrest van 2 september 2021, CRCAM (C‑337/20, EU:C:2021:671, punt 42).
12 Zie, wat richtlijn 2007/64 betreft, arrest van 2 september 2021, CRCAM (C‑337/20, EU:C:2021:671, punt 44).
13 Zie in die zin arrest van 11 november 2020, DenizBank (C‑287/19, EU:C:2020:897, punten 56 en 102). Zie ook, wat richtlijn 2007/64 betreft, arrest van 11 juli 2024, Eurobank Bulgarije (C‑409/22, EU:C:2024:600, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
14 Zie in dit verband Guimarães, M. R., en Steennot, R., „Allocation of liability in case of payment fraud: who bears the risk of innovation? A comparison of Belgian and Portuguese law in the context of PSD2”, European review of private law, Kluwer Law International, deel 30, nr. 1, 2022, blz. 29‑72, in het bijzonder blz. 47.
15 Zie bijvoorbeeld arrest van 2 september 2021, CRCAM (C‑337/20, EU:C:2021:671).
16 Arrest van 1 augustus 2025, Veracash (C‑665/23, EU:C:2025:598).
17 Arrest van 1 augustus 2025, Veracash (C‑665/23, EU:C:2025:598, punt 63).
18 Zie de punten 37 en 38 van deze conclusie.
19 Volgens deze regering zou een uitlegging waarbij de aanbieder van betalingsdiensten niet de mogelijkheid heeft om een correctie uit te voeren waardoor hij verplicht is om in rechte op te treden om de terugbetaalde bedragen terug te vorderen in geval van grove nalatigheid van de gebruiker, geen grondslag vinden in de tekst van richtlijn 2015/2366 en leiden tot een onredelijke verstoring van het betalingssysteem. Zij betoogt met name dat – aangezien geen enkele bepaling van deze richtlijn de aanbieders van betalingsdiensten verbiedt om het bedrag dat is terugbetaald in verband met een niet-toegestane betalingstransactie die het gevolg is van opzettelijke handelen of een ernstige fout van de cliënt, rechtstreeks op zijn betaalrekening te innen – de vraag of een dergelijke directe afschrijving al dan niet moet worden toegestaan, aan de beoordeling van de nationale wetgevers moet worden overgelaten.
20 Volgens die regeringen zorgt deze procedure ervoor dat gebruikers van betalingsdiensten het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie efficiënter, sneller en goedkoper terug kunnen krijgen dan via het traditionele rechtssysteem. Zij betogen in dit verband dat deze regeling haar relevantie verliest indien de aanbieder van betalingsdiensten verplicht is om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie terug te betalen zelfs in geval van grove nalatigheid van de gebruiker van betalingsdiensten.
21 Gelet op de verplichting die op de aanbieder van betalingsdiensten rust om de terugbetaling „in elk geval uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag” te verrichten nadat de betaler hem in kennis heeft gesteld van de niet-toegestane betalingstransactie, kan terecht de vraag worden gesteld of het voor een aanbieder mogelijk is om in zo’n korte tijd alle elementen te verzamelen die een ernstig vermoeden van fraude kunnen staven. Ook is het van belang om vast te stellen dat, hoewel het onderscheid tussen frauduleus handelen en nalatig gedrag vanuit theoretisch oogpunt geen probleem oplevert, dit verschil in de praktijk minder duidelijk blijkt te zijn, vooral wanneer die aanbieder de frauduleuze handeling (of in elk geval het vermoeden van een dergelijke handeling) in een zeer kort tijdsbestek moet vaststellen om te kunnen worden vrijgesteld van de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling. Eveneens kan men zich afvragen of de aanbieders van betalingsdiensten, wanneer zij het risico lopen om die terugbetalingen te moeten verrichten, niet geneigd zijn om het beschikbaar stellen van bepaalde betaalmiddelen te beperken of aan het gebruik ervan striktere en duurdere voorwaarden te verbinden voor de gebruikers, hetgeen zou indruisen tegen de met richtlijn 2015/2366 nagestreefde algemene doelstelling om een geïntegreerde markt voor elektronisch betalingsverkeer te ontwikkelen. Zoals de Italiaanse regering heeft aangegeven, kan deze regeling er ook toe leiden dat de betaler de zorgvuldigheidsplichten van artikel 69 van die richtlijn veronachtzaamt.
22 Het blijkt immers dat de aanbieders van betalingsdiensten in een aantal lidstaten ten onrechte een praktijk hebben ingevoerd die erin bestaat dat de betalers de onmiddellijke terugbetaling wordt geweigerd op grond dat zij door hun nalatige gedrag hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de niet-toegestane betalingstransactie. Juist om dergelijke praktijken te voorkomen, heeft de Uniewetgever de bescherming van de consumenten willen versterken door artikel 73, lid 1, van richtlijn 2015/2366 zodanig te wijzigen dat de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling, die op de aanbieders van betalingsdiensten rust in het geval van niet-toegestane betalingstransacties, alleen kan worden beperkt door uitdrukkelijke en strikt geformuleerde uitzonderingen. Zie in dit verband de opmerking van de verwijzende rechter in punt 16 van deze conclusie. Zie ook in de doctrine Guimarães, M. R., en Steennot, R., „Allocation of liability in case of payment fraud: who bears the risk of innovation? A comparison of Belgian and Portuguese law in the context of PSD2”, European review of private law, Kluwer Law International, deel 30, nr. 1, 2022, blz. 29‑72, in het bijzonder blz. 47.