BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
11 februari 2025 ( *1 )
„Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Documenten betreffende de productie van vaccins tegen COVID-19 – Impliciete weigering van toegang – Uitdrukkelijk besluit vastgesteld na de instelling van het beroep – Afdoening zonder beslissing”
In zaak T‑178/24,
Corinne Reverbel, wonende te Dému (Frankrijk), vertegenwoordigd door D. Protat, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Burón Pérez en K. Herrmann als gemachtigden,
verweerster,
geeft
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: P. Škvařilová-Pelzl (rapporteur), president, G. Steinfatt en R. Meyer, rechters,
griffier: V. Di Bucci,
de navolgende
Beschikking
|
1 |
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Corinne Reverbel, nietigverklaring van het impliciete besluit van de Europese Commissie van 7 februari 2024 tot afwijzing van haar confirmatief verzoek om toegang tot verschillende documenten van 15 december 2023 (hierna: „bestreden besluit”). |
Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan
|
2 |
Op 1 maart 2023 heeft verzoekster op grond van artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43) een verzoek om toegang tot verschillende documenten betreffende de productie van vaccins tegen COVID-19 ingediend. |
|
3 |
De Commissie heeft op dit verzoek geantwoord op 30 november 2023. |
|
4 |
In dat besluit heeft de Commissie om te beginnen verzoekster ervan in kennis gesteld dat zij een document had geïdentificeerd dat binnen de werkingssfeer van haar verzoek viel. Het ging om een evaluatierapport van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) van 25 november 2021 (hierna: „EMA-rapport”). |
|
5 |
Vervolgens heeft de Commissie gedeeltelijke toegang tot het EMA-rapport verleend, aangezien het rapport volgens haar niet in zijn geheel openbaar gemaakt kon worden wegens de uitzonderingen op het recht van toegang, zoals vervat, in de eerste plaats, in artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001, in de tweede plaats, in artikel 4, lid 2, eerste streepje, van deze verordening en, in de derde plaats, in artikel 4, lid 2, derde streepje, van deze verordening. Deze uitzonderingen betreffen ten eerste de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de Uniewetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens, ten tweede de bescherming van de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom, en ten derde de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits. |
|
6 |
Bij brief van 15 december 2023, geregistreerd door de Commissie op 18 december 2023, heeft verzoekster overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 een confirmatief verzoek ingediend, dat ertoe strekt dat de Commissie haar standpunt herziet. |
|
7 |
Bij brief van 17 januari 2024 heeft de Commissie verzoekster laten weten dat een antwoord op haar confirmatief verzoek haar niet binnen de termijn van 15 dagen, zoals bepaald in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1049/2001, kon worden gegeven, welke termijn dezelfde dag zou verstrijken. Volgens de Commissie waren de gegevens die noodzakelijk waren voor een volledige analyse op die datum namelijk nog niet verzameld. |
|
8 |
Bij brief van 7 februari 2024 heeft de Commissie verzoekster ervan in kennis gesteld dat het antwoord op haar confirmatief verzoek niet kon worden verstrekt, aangezien intern overleg gaande was en zij, gelet op de oorsprong van het gevraagde document, op grond van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 ook derden moest raadplegen. |
|
9 |
Op 2 april 2024 heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. |
|
10 |
Op 4 juni 2024 heeft de Commissie in antwoord op het confirmatief verzoek van verzoekster een uitdrukkelijk besluit vastgesteld op grond van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 (hierna: „uitdrukkelijk confirmatief besluit”). In dit besluit heeft zij verzoekster een ruimere gedeeltelijke toegang verleend tot het EMA-rapport. |
|
11 |
In het uitdrukkelijk confirmatief besluit heeft de Commissie uiteengezet dat een volledige toegang tot het EMA-rapport niet mogelijk was, gelet op de uitzonderingen op het recht van toegang die zijn vervat in artikel 4, lid 1, onder a), derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 en artikel 4, lid 1, onder b), van deze verordening. Die uitzonderingen hebben betrekking op, enerzijds, de bescherming van het openbaar belang wat de internationale betrekkingen betreft en, anderzijds, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu. Bovendien heeft de Commissie in dit besluit bevestigd geen enkel ander document te bezitten dat voldeed aan de beschrijving in het verzoek van 1 maart 2023 (zie punt 2 hierboven). |
|
12 |
Op 17 juni 2024 heeft de Commissie een verzoek tot afdoening zonder beslissing ingediend. |
Conclusies van partijen
|
13 |
In haar verzoekschrift vordert verzoekster dat het Gerecht het bestreden besluit nietig verklaart. |
|
14 |
In haar verzoek tot afdoening zonder beslissing verzoekt de Commissie het Gerecht:
|
|
15 |
In haar opmerkingen over het verzoek van de Commissie tot afdoening zonder beslissing vordert verzoekster dat het Gerecht dit verzoek afwijst en bevestigt zij haar vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit. |
In rechte
|
16 |
Op grond van artikel 130, leden 2 en 7, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het Gerecht vaststellen dat het beroep zonder voorwerp is geraakt en dat er niet meer op hoeft te worden beslist. |
|
17 |
Aangezien de Commissie heeft verzocht vast te stellen dat het beroep zonder voorwerp is geraakt en dat er niet meer op hoeft te worden beslist, doet het Gerecht – dat zich voldoende geïnformeerd acht door de stukken van het dossier – uitspraak op dit verzoek zonder de procedure voort te zetten. |
|
18 |
Er zij aan herinnerd dat overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof het voorwerp van het geding, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing moet blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing. Dit veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie,C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 43). |
|
19 |
In het onderhavige geval heeft de Commissie bij het in punt 3 hierboven vermelde besluit van 30 november 2023 het door verzoekster op 1 maart 2023 ingediende verzoek om toegang tot de documenten gedeeltelijk afgewezen. Na dit besluit heeft verzoekster een confirmatief verzoek ingediend. |
|
20 |
Vast staat dat de Commissie het uitdrukkelijk confirmatief besluit heeft vastgesteld na de instelling van het onderhavige beroep. Bij dit besluit heeft zij een ruimere gedeeltelijke toegang verleend tot het EMA-rapport en voor het overige de afwijzing van het confirmatief verzoek van verzoekster uitdrukkelijk bevestigd. |
|
21 |
In de eerste plaats moet er met betrekking tot de uitdrukkelijke afwijzing van het confirmatief verzoek op worden gewezen dat een instelling met het vaststellen van een uitdrukkelijk besluit waarbij een confirmatief verzoek om toegang tot documenten wordt afgewezen, het impliciete besluit tot afwijzing van dit verzoek intrekt (zie in die zin arresten van 2 oktober 2014, Strack/Commissie,C‑127/13 P, EU:C:2014:2250, punten 88 en 89; 2 juli 2015, Typke/Commissie,T‑214/13, EU:T:2015:448, punt 37; 26 maart 2020, ViaSat/Commissie, T‑734/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:123, punten 16 en 17, en 29 september 2021, AlzChem Group/Commissie,T‑569/19, EU:T:2021:628, punt 27). |
|
22 |
Deze intrekking van de bestreden handeling heeft, gelet op de terugwerkende kracht ervan (zie in die zin arrest van 17 april 1997, de Compte/Parlement,C‑90/95 P, EU:C:1997:198, punt 35), als gevolg dat het voorwerp van het geding wegvalt (zie in die zin arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie,C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punten 48 en 49; 4 september 2018, ClientEarth/Commissie,C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 45, en 21 januari 2021, Leino-Sandberg/Parlement,C‑761/18 P, EU:C:2021:52, punt 33). |
|
23 |
In een dergelijk geval kan het onderzoek van een beroep tegen een impliciet besluit niet worden gerechtvaardigd door de doelstelling een herhaling van de verweten onrechtmatigheid te voorkomen of door de doelstelling een eventueel beroep tot schadevergoeding te vergemakkelijken, aangezien deze doelstellingen kunnen worden bereikt door het onderzoek van een beroep tegen het uitdrukkelijke besluit (zie in die zin, arrest van 10 december 2010, Ryanair/Commissie,T‑494/08–T‑500/08 en T‑509/08, EU:T:2010:511, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
24 |
In casu heeft de vaststelling van het uitdrukkelijk confirmatief besluit, voor zover daarbij het verzoek van verzoekster werd afgewezen, als gevolg gehad dat het bestreden besluit gedeeltelijk werd ingetrokken en dat daarmee dus in dit opzicht het voorwerp van het onderhavige beroep, dat strekte tot nietigverklaring van laatstgenoemd besluit, is weggevallen. |
|
25 |
Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door de argumenten van verzoekster die betrekking hebben op de uitdrukkelijke afwijzing van haar verzoek. |
|
26 |
Zo stelt verzoekster dat de uitdrukkelijke afwijzing van haar confirmatief verzoek wegens de daaraan voorafgaande abnormaal lange termijn voor de behandeling ervan, nietig is en geen effect sorteert en daarom haar niet „kan worden tegengeworpen”. |
|
27 |
Op dit punt moet worden opgemerkt dat de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van verzoekster noodzakelijkerwijs gevolgen heeft voor haar situatie, aangezien zij door die weigering geen toegang heeft tot de documenten in kwestie. |
|
28 |
Daarnaast dient het betoog van verzoekster hoe dan ook te worden afgewezen, zelfs al zou zij daarmee de rechtmatigheid van de uitdrukkelijke afwijzing van haar confirmatief verzoek bestrijden en zou deze eventuele onrechtmatigheid van invloed kunnen zijn op de tegenwerpbaarheid van die afwijzing. |
|
29 |
Ten eerste heeft het Hof immers met betrekking tot een uitdrukkelijk confirmatief afwijzingsbesluit dat is vastgesteld buiten de in artikel 8 van verordening nr. 1049/2001 gestelde antwoordtermijnen geoordeeld dat bij niet-naleving door een instelling van de in die bepaling gestelde antwoordtermijnen, deze instelling verplicht blijft om op het verzoek van de belanghebbende een gemotiveerd antwoord te geven, ook al wordt dit te laat verstrekt. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat de belanghebbende in dat geval overeenkomstig artikel 8, leden 1 en 3, van verordening nr. 1049/2001 gebruik kan maken van twee procedures. Hij kan, enerzijds, overeenkomstig artikel 228 VWEU, een klacht indienen bij de Europese ombudsman of, anderzijds, op grond van artikel 340 VWEU bij het Gerecht een schadevordering instellen ter vergoeding van eventuele schade als gevolg van de niet-naleving van de antwoordtermijnen (arrest van 14 juli 2016, Sea Handling/Commissie, C‑271/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:557, punten 85‑87). |
|
30 |
Derhalve moet worden vastgesteld dat de niet-naleving van de in artikel 8 van verordening nr. 1049/2001 bepaalde termijnen geen uitwerking heeft op de rechtmatigheid van het uitdrukkelijk confirmatief besluit. |
|
31 |
Wat ten tweede de vaststelling van een besluit tot intrekking na een onredelijk lange periode betreft, is het juist dat volgens de rechtspraak de intrekking met terugwerkende kracht van een onrechtmatige administratieve handeling die rechten in het leven roept, binnen een redelijke termijn moet plaatsvinden (zie arrest van 16 december 2010, Athinaïki Techniki/Commissie,C‑362/09 P, EU:C:2010:783, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
32 |
Het bestreden besluit, waarbij het verzoek van verzoekster wordt afgewezen, vormt voor haar echter geen rechtscheppende handeling. De in punt 31 hierboven aangehaalde rechtspraak is in casu dan ook irrelevant (zie in die zin arrest van 16 december 2010, Athinaïki Techniki/Commissie,C‑362/09 P, EU:C:2010:783, punt 60). |
|
33 |
Bovendien is de voor het intrekken van een handeling geldende voorwaarde van onrechtmatigheid van die handeling van toepassing op gebieden waar moet worden voorkomen dat een instelling door een handeling in te trekken aan elke rechterlijke toetsing van haar handelen kan ontkomen (zie in die zin arresten van 16 december 2010, Athinaïki Techniki/Commissie,C‑362/09 P, EU:C:2010:783, punten 68‑71, en 11 juli 2013, BVGD/Commissie, T‑104/07 en T‑339/08, niet gepubliceerd, EU:T:2013:366, punt 80). De vaststelling van een uitdrukkelijk confirmatief besluit houdt echter niet dat risico in. Integendeel, hierdoor kan verzoeker de redenen te weten komen waarom de instelling haar verzoek afwijst. |
|
34 |
Bijgevolg heeft verzoekster geen belang meer bij nietigverklaring van de impliciete afwijzing van haar confirmatief verzoek om toegang tot de documenten, aangezien dit impliciet besluit later is bevestigd door een uitdrukkelijk afwijzingsbesluit. |
|
35 |
In de tweede plaats moet met betrekking tot de door de Commissie verleende ruimere gedeeltelijke toegang tot het EMA-rapport eraan worden herinnerd dat het louter verlenen van toegang tot de litigieuze documenten na afwijzing van een verzoek daartoe, zonder dat de instelling haar fout erkent door deze afwijzing uitdrukkelijk in te trekken, niet kan worden aangemerkt als een intrekking (zie in die zin arresten van 30 april 2020, Izba Gospodarcza Producentów i Operatorów Urządzeń Rozrywkowych/Commissie,C‑560/18 P, EU:C:2020:330, punten 72‑75, en 22 maart 2018, De Capitani/Parlement,T‑540/15, EU:T:2018:167, punten 31‑33). |
|
36 |
In dit verband betekent het verval van bestreden besluiten dat zich voordoet nadat beroep is ingesteld, op zich niet dat het Gerecht verplicht is de zaak zonder beslissing af te doen omdat op de datum van uitspraak van het arrest het geding zonder voorwerp is geraakt of procesbelang ontbreekt (zie in die zin arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie,C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 47; 4 september 2018, ClientEarth/Commissie,C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 45; 21 januari 2021, Leino-Sandberg/Parlement,C‑761/18 P, EU:C:2021:52, punt 33, en 20 juni 2024, EUIPO/Indo European Foods,C‑801/21 P, EU:C:2024:528, punt 59). |
|
37 |
Verzoekster kan dus een belang bij nietigverklaring van het bestreden besluit behouden met het oog op een eventueel beroep tot schadevergoeding, aangezien de ruimere gedeeltelijke toegang tot het EMA-rapport haar pas is verleend toen het uitdrukkelijk confirmatief besluit werd vastgesteld. |
|
38 |
Verzoekster kan echter geen procesbelang rechtvaardigen door louter de mogelijkheid in te roepen om in de toekomst een beroep tot schadevergoeding in te stellen zonder concrete elementen aan te dragen betreffende de gevolgen van de vermeende onrechtmatigheid voor haar situatie en de aard van de schade die zij stelt te hebben geleden en tot vergoeding waarvan dat beroep tot schadevergoeding zou strekken (zie in die zin arrest van 30 april 2020, Izba Gospodarcza Producentów i Operatorów Urządzeń Rozrywkowych/Commissie,C‑560/18 P, EU:C:2020:330, punt 74, en beschikking van 28 september 2021, Airoldi Metalli/Commissie, T‑611/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:641, punten 68 en 69). |
|
39 |
In casu heeft verzoekster geen enkel concreet element aangevoerd. |
|
40 |
Bijgevolg kan zij zich niet tegen de afdoening zonder beslissing verzetten op grond dat zij bij eventuele vaststelling van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit daarna een schadevordering zou kunnen instellen ter vergoeding van de door haar als gevolg van dat besluit geleden schade. |
|
41 |
Gelet op het bovenstaande moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep zonder voorwerp is geraakt en dat er niet meer op hoeft te worden beslist. |
Kosten
|
42 |
Artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Gerecht in geval van afdoening zonder beslissing vrijelijk over de kosten beslist. |
|
43 |
Gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak dient te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen. |
|
HET GERECHT (Derde kamer) beschikt: |
|
|
|
Luxemburg, 11 februari 2025. De griffier V. Di Bucci De president P. Škvařilová-Pelzl |
( *1 ) Procestaal: Frans.