Voorlopige editie
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid)
2 juli 2025 (*)
„ Mededinging – Concentraties – Markt voor de groothandel in dranken – Artikel 22 van verordening (EG) nr. 139/2004 – Verzoek om verwijzing naar de Commissie door een mededingingsautoriteit van een lidstaat die volgens de nationale wetgeving niet bevoegd is om de concentratie te onderzoeken – Besluit van de Commissie om de concentratie te onderzoeken – Termijn voor de indiening van het verwijzingsverzoek – Begrip ,kenbaarmaking’ – Kennisgeving van het verwijzingsverzoek aan de betrokken ondernemingen – Regeling van het taalgebruik – Termijn voor kennisgeving van het besluit van de Commissie om de concentratie te onderzoeken – Ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten – Dreiging van significante gevolgen voor de mededinging – Passendheid van de verwijzing ”
In zaak T‑289/24,
Brasserie Nationale (voorheen Brasserie Funck-Bricher en Brasserie Bofferding), gevestigd te Bascharage (Luxemburg),
Munhowen SA, gevestigd te Ehlerange (Luxemburg),
vertegenwoordigd door G. Parleani, advocaat,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Berghe en N. Cambien als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Autorité de concurrence du Grand-Duché de Luxembourg, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door P. Kinsch en V. Richard, advocaten,
en
Anheuser-Busch InBev, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door K. Veranneman en J.‑P. Roemen, advocaten,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, M. Kancheva, U. Öberg, P. Zilgalvis en E. Tichy-Fisslberger (rapporteur), rechters,
griffier: H. Eriksson, administrateur,
gezien de stukken, met name:
– de beslissing van het Gerecht van 24 juni 2024 om verzoeksters’ verzoek om versnelde behandeling toe te wijzen,
– de schriftelijke vraag van het Gerecht aan partijen en hun antwoorden op deze vraag, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 en 27 september 2024,
– de door verzoeksters en de Commissie ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 25 oktober en 4 november 2024,
na de terechtzitting op 6 maart 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoeken verzoeksters, Brasserie Nationale (voorheen Brasserie Funck-Bricher en Brasserie Bofferding) en Munhowen SA, om nietigverklaring van besluit C(2024) 1788 final van de Europese Commissie van 14 maart 2024, vastgesteld op grond van artikel 22, lid 3, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 2004, L 24, blz. 1) en artikel 57 van de EER‑Overeenkomst (hierna: „bestreden besluit”), waarbij de Commissie het verzoek van de Autorité de concurrence du Grand-Duché de Luxembourg (mededingingsautoriteit van het Groothertogdom Luxemburg; hierna: „ACL”) heeft ingewilligd om de verwerving van de uitsluitende zeggenschap over Boissons Heintz Sàrl door Brasserie Nationale (zaak M.11485 – Brasserie Nationale/Boissons Heintz) te onderzoeken.
Voorgeschiedenis van het geding
Betrokken entiteiten
2 Brasserie Nationale is een Luxemburgse onderneming die actief is in de productie van bier en mineraalwater.
3 Munhowen, een 100 % dochteronderneming van Brasserie Nationale, is een Luxemburgse onderneming die actief is in de groothandel in dranken in Luxemburg en de naburige regio’s in Frankrijk en België.
4 Boissons Heintz, waarvan de statutaire zetel in Luxemburg ligt, is actief in de groothandel in dranken in Luxemburg.
Aan de orde zijnde concentratie
5 In een persbericht van 31 januari 2024 heeft Brasserie Nationale de totstandbrenging aangekondigd van een concentratie waarbij zij de uitsluitende zeggenschap heeft verkregen over Boissons Heintz door middel van verwerving van alle aandelen van Boissons Heintz door Munhowen (hierna: „aan de orde zijnde concentratie” of „concentratie”).
6 Bij gebreke van relevante omzetcijfers had de concentratie geen Europese dimensie in de zin van artikel 1 van verordening nr. 139/2004 en hoefde zij dus niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze verordening bij de Europese Commissie te worden aangemeld.
7 Aangezien er in Luxemburg geen regeling voor concentratiecontrole bestaat, gold er in deze lidstaat geen aanmeldingsplicht. De concentratie hoefde evenmin te worden aangemeld in een andere lidstaat of in een van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER).
Verzoek om verwijzing naar de Commissie
8 Op 22 december 2023 heeft Brasserie Nationale contact opgenomen met de ACL om haar mee te delen dat haar dochteronderneming Munhowen voornemens was om Boissons Heintz over te nemen.
9 Op 10 januari 2024 heeft er een ontmoeting plaatsgevonden tussen verzoeksters en de ACL.
10 Na 17 januari 2024 hebben derden informatie over de aan de orde zijnde concentratie verstrekt aan de ACL.
11 Op 25 januari 2024 heeft een van deze derden de ACL formeel verzocht om indiening van een verzoek om verwijzing van de concentratie naar de Commissie op grond van artikel 22, lid 1, van verordening nr. 139/2004 en haar tegelijkertijd aanvullende informatie over deze concentratie verstrekt.
12 Op 7 februari 2024 heeft de ACL de Commissie op grond van artikel 22, lid 1, van verordening nr. 139/2004 verzocht om de concentratie te onderzoeken (hierna: „verwijzingsverzoek”). De Commissie heeft dit verzoek op dezelfde dag ontvangen.
13 Op 8 februari 2024 heeft de Commissie de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten en de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) overeenkomstig artikel 22, lid 2, van verordening nr. 139/2004 en artikel 6, lid 3, van Protocol nr. 24 bij de EER‑Overeenkomst van het verwijzingsverzoek in kennis gesteld. Bij brief van dezelfde datum heeft de Commissie Brasserie Nationale in kennis gesteld van het verwijzingsverzoek en haar verzocht om haar opmerkingen in te dienen (hierna: „kennisgevingsbrief”). Op 9 februari 2024 heeft de Commissie, nadat zij hun contactgegevens had verkregen, die brief per e‑mail toegezonden aan de wettelijke vertegenwoordigers van verzoeksters.
14 Op 12 februari 2024 heeft er een videoconferentie plaatsgevonden tussen de Commissie en verzoeksters.
15 Op 14 februari 2024 heeft de Commissie een Franse vertaling van de kennisgevingsbrief aan verzoeksters toegezonden.
16 Op 22 februari 2024 heeft Brasserie Nationale haar opmerkingen ingediend.
17 Tijdens een telefonische conferentie met de Commissie op 26 februari 2024 heeft Brasserie Nationale verzocht om inzage in het verwijzingsverzoek. Op dezelfde dag heeft de Commissie haar de niet-vertrouwelijke versie van dit verzoek en van de bijlagen erbij toegezonden. Nadat Brasserie Nationale daartoe door de Commissie was uitgenodigd, heeft zij op 29 februari 2024 haar aanvullende opmerkingen ingediend.
18 Bij het verstrijken van de termijn op 29 februari 2024 had geen enkele lidstaat of staat die partij is bij de EER‑Overeenkomst verzocht om zich bij het verwijzingsverzoek aan te sluiten.
19 Bij het bestreden besluit van 14 maart 2024 heeft de Commissie het verwijzingsverzoek ingewilligd. Op dezelfde dag heeft zij Brasserie Nationale hiervan in kennis gesteld.
Bestreden besluit
20 In de eerste plaats heeft de Commissie geoordeeld dat het verwijzingsverzoek van 7 februari 2024 binnen de in artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen was ingediend. In dit verband heeft de Commissie erop gewezen dat de aan de orde zijnde concentratie ten vroegste op 17 januari 2024 bij de ACL was aangemeld, namelijk de datum waarop de ACL voor het eerst relevante informatie had ontvangen over de concentratie en de gevolgen daarvan, op basis waarvan zij in staat was om vooraf te beoordelen of was voldaan aan de voorwaarden voor een verwijzingsverzoek overeenkomstig artikel 22, lid 1, eerste alinea, van deze verordening (punten 20 en 28‑30 van het bestreden besluit).
21 In de tweede plaats heeft de Commissie met betrekking tot de afbakening van de relevante markten overeenkomstig haar beslissingspraktijk enerzijds de markt voor de productie en de levering van bier aan het verkoopkanaal voor directe consumptie (hierna: „HORECA/on‑tradekanaal”) in Luxemburg en anderzijds de markt voor de groothandel in dranken via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg geïdentificeerd. Bovendien heeft de Commissie opgemerkt dat niet kon worden uitgesloten dat de groothandel in bier via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg een afzonderlijke markt vormde (punten 43, 52 en 56 van het bestreden besluit).
22 In de derde plaats heeft de Commissie geoordeeld dat de concentratie gevolgen kon hebben voor de handel tussen de lidstaten, aangezien zij in andere lidstaten gevestigde producenten van bier en dranken die niet over een distributienet via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg beschikken, de toegang tot de Luxemburgse markt zou kunnen ontzeggen (punten 63 en 69 van het bestreden besluit).
23 In de vierde plaats heeft de Commissie zich met betrekking tot de significante gevolgen die de concentratie dreigde te hebben voor de mededinging op het grondgebied van Luxemburg op het standpunt gesteld dat deze concentratie tot niet-gecoördineerde effecten zou kunnen leiden vanwege horizontale overlappingen op de Luxemburgse markten voor, enerzijds, de groothandel in dranken via het HORECA/on‑tradekanaal (punt 73 van het bestreden besluit) en, anderzijds, de groothandel in bier via datzelfde kanaal (punt 80 van het bestreden besluit).
24 Voorts heeft de Commissie geoordeeld dat de concentratie een risico van klantafscherming kon opleveren als gevolg van niet-horizontale overlappingen tussen, enerzijds, de Luxemburgse markt voor de productie en de levering van bier via het HORECA/on‑tradekanaal en, anderzijds, de Luxemburgse markten voor de groothandel in dranken (waaronder bier) via dit kanaal alsook de kleinere markt die beperkt is tot de groothandel in bier in Luxemburg via datzelfde kanaal (punt 84 van het bestreden besluit).
25 Op grond hiervan is de Commissie tot de slotsom gekomen dat de aan de orde zijnde concentratie significante gevolgen dreigde te hebben voor de mededinging op de bovenwaartse markt voor de productie en de levering van bier via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg, alsook op de benedenwaartse markten voor de groothandel in alle dranken via datzelfde kanaal in Luxemburg (punten 88 en 89 van het bestreden besluit).
26 In de vijfde plaats heeft de Commissie, onder nadrukkelijke verwijzing naar haar beoordelingsbevoegdheid inzake de inwilliging van een verwijzingsverzoek, geoordeeld dat de concentratie geschikt was voor een verwijzing. Ten eerste kon de concentratie namelijk gevolgen hebben voor de handel tussen de lidstaten en dreigde zij significante gevolgen te hebben voor de mededinging op het grondgebied van Luxemburg (punt 91 van het besteden besluit); ten tweede beschikte Luxemburg niet over een regeling voor concentratiecontrole en zouden deze concentratie en de gevolgen daarvan niet worden beoordeeld aan de hand van enige andere regeling voor concentratiecontrole (punt 92 van het besteden besluit); ten derde was de Commissie goed geplaatst om de relevante markten te beoordelen, gelet op de instrumenten en de ervaring waarover zij beschikt in de sectoren van de productie en de levering van dranken (punt 93 van het besteden besluit), en ten vierde was het verwijzingsverzoek pas enkele dagen na de tenuitvoerlegging van die concentratie ingediend (punt 94 van het besteden besluit).
Conclusies van partijen
27 Verzoeksters verzoeken het Gerecht in essentie om het bestreden besluit nietig te verklaren.
28 De Commissie, ondersteund door Anheuser-Busch InBev (hierna: „AB InBev”) en de ACL, verzoekt het Gerecht:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
29 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters acht middelen aan inzake, ten eerste, schending van de geldende taalregeling van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385); ten tweede, niet-inachtneming van de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen; ten derde, schending van de in artikel 22, lid 2, eerste alinea, van die verordening gestelde termijn; ten vierde, tardieve kennisgeving van het bestreden besluit; ten vijfde, schending van de beginselen van de rechten van de verdediging, wapengelijkheid, eerlijkheid van de procedure en gewettigd vertrouwen; ten zesde, het ontbreken van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten; ten zevende, het ontbreken van significante gevolgen voor de mededinging op het grondgebied van Luxemburg, en, ten achtste, de irrelevantie van de overwegingen met betrekking tot de passendheid van de verwijzing.
Vertegenwoordiging van verzoeksters door een onafhankelijk advocaat
30 De vertegenwoordiging van verzoeksters raakt de openbare orde en deze kwestie kan bijgevolg te allen tijde ambtshalve door het Gerecht worden onderzocht [zie in die zin beschikkingen van 5 september 2013, ClientEarth/Raad, C‑573/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:564, punt 20, en 30 mei 2018, PJ/EUIPO – Erdmann & Rossi (Erdmann & Rossi), T‑664/16, EU:T:2018:517, punt 47].
31 Artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „Statuut”), dat overeenkomstig artikel 53 van dit Statuut van toepassing is op de procedure bij het Gerecht, bepaalt dat andere partijen dan bedoeld in de eerste twee alinea’s door een advocaat moeten worden vertegenwoordigd.
32 De doelstelling van de vertegenwoordiging van andere partijen dan bedoeld in de eerste twee alinea’s van artikel 19 van het Statuut door een advocaat bestaat erin om, ten eerste, te verhinderen dat particuliere partijen zelf in rechte optreden zonder dat zij een beroep doen op een tussenpersoon en, ten tweede, te waarborgen dat rechtspersonen worden verdedigd door een vertegenwoordiger die voldoende afstand heeft tot de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt (arresten van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 61; 24 maart 2022, PJ en PC/EUIPO, C‑529/18 P en C‑531/18 P, EU:C:2022:218, punt 63, en 14 juli 2022, Universität Bremen/REA, C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 46).
33 De opvatting van de rol van een advocaat binnen de rechtsorde van de Unie, die een weerspiegeling is van de rechtstradities die de lidstaten gemeen hebben en waarop artikel 19 van het Statuut berust, is die van een medewerker bij de rechtspleging die geheel onafhankelijk en in het hogere belang van deze rechtspleging de door zijn cliënt benodigde rechtskundige bijstand verleent (zie beschikking van 3 juni 2024, Trasta Komercbanka/ECB, C‑103/23 P, niet gepubliceerd, EU:C:2024:483, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 In casu heeft Jean-Louis Schiltz, die het verzoekschrift heeft ondertekend, ter terechtzitting in antwoord op een mondelinge vraag van het Gerecht bevestigd dat hij de raad van commissarissen van Brasserie Nationale voorzit, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Een dergelijke functie is evenwel niet verenigbaar met de vertegenwoordiging van deze onderneming voor de rechterlijke instanties van de Unie (beschikking van 4 december 2014, ADR Center/Commissie, C‑259/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2417, punt 27; zie in die zin ook arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 65). Hetzelfde geldt voor de vertegenwoordiging van Munhowen, een 100 % dochteronderneming van Brasserie Nationale (zie punt 3 hierboven), waarvan de belangen dus grotendeels gelijklopen met die van Brasserie Nationale. Het gevaar bestaat namelijk dat de professionele mening van deze advocaat althans ten dele wordt beïnvloed door zijn functie van voorzitter van de raad van commissarissen van Brasserie Nationale (zie in die zin en naar analogie arrest van 6 september 2012, Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej en Polen/Commissie, C‑422/11 P en C‑423/11 P, EU:C:2012:553, punt 25).
35 Aangezien Schiltz niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 19, derde alinea, van het Statuut, zoals uitgelegd in de rechtspraak, kon hij verzoeksters niet vertegenwoordigen voor het Gerecht. Deze omstandigheid heeft evenwel geen gevolgen voor het onderhavige geding, aangezien verzoeksters tijdens de gehele procedure ook werden vertegenwoordigd door een andere advocaat die wel aan die voorwaarden voldeed.
Eerste middel: schending van de geldende taalregeling van verordening nr. 1
36 Verzoeksters hekelen het feit dat de kennisgevingsbrief met betrekking tot het verwijzingsverzoek in het Engels was opgesteld, hetgeen in strijd is met verordening nr. 1, waardoor de procedure ab initio ongeldig is. Verzoeksters zijn van mening dat het feit dat de Commissie vanaf een bepaald moment heeft aanvaard dat de procedure in het Frans moest worden gevoerd en uit hoffelijkheid een vertaling van deze kennisgevingsbrief heeft toegezonden, deze onregelmatigheid niet kan verhelpen, maar haar daarentegen heeft versterkt. Dat geldt temeer daar de Commissie zich op 14 mei 2024 opnieuw van het Engels heeft bediend voor de ontvangstbevestiging van een gewijzigde volmacht van een advocaat. Bovendien heeft het Hof gewezen op het belang van de te gebruiken taal in het arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie (C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677, punt 209).
37 De Commissie brengt hiertegen in dat de ACL het Engels als procestaal had aanvaard, zodat de eerste contacten met verzoeksters in deze taal hebben plaatsgevonden. Vanaf de videoconferentie van 12 februari 2024, waarin verzoeksters haar hebben laten weten dat zij in het Frans wensten te communiceren, is de verwijzingsprocedure volledig in het Frans gevoerd. Zo heeft de Commissie op 14 februari 2024 een Franse vertaling van de kennisgevingsbrief aan verzoeksters toegezonden. De Commissie wijst erop dat het bestreden besluit in het Frans is gesteld. Zij is van mening dat een eventuele vaststelling van een schending van artikel 3 van verordening nr. 1 niet kan leiden tot aantasting van de geldigheid van de procedure.
38 Er zij aan herinnerd dat artikel 3 van verordening nr. 1 bepaalt dat „[d]e stukken die door de instellingen aan een lidstaat of aan een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een lidstaat worden gezonden, [...] gesteld [worden] in de taal van die staat”.
39 Overeenkomstig artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 moet de Commissie de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de betrokken ondernemingen in kennis stellen van elk verwijzingsverzoek dat zij krachtens lid 1 van dit artikel ontvangt.
40 Dergelijke informatie in schriftelijke vorm geldt als een „stuk” in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1. Bijgevolg moet zij aan de betrokken ondernemingen worden toegezonden in de taal van de lidstaat onder de jurisdictie waarvan deze ondernemingen ressorteren, ook wanneer de mededingingsautoriteit van deze lidstaat heeft afgezien van haar recht om de processtukken in die taal te ontvangen.
41 In casu was de kennisgevingsbrief waarbij Brasserie Nationale door de Commissie in kennis is gesteld van het verwijzingsverzoek (zie punt 13 hierboven), evenwel opgesteld in het Engels, dat geen officiële taal is van het Groothertogdom Luxemburg, waar de statutaire zetel van deze onderneming is gevestigd.
42 Bijgevolg heeft de Commissie artikel 3 van verordening nr. 1 geschonden door de kennisgevingsbrief in het Engels aan Brasserie Nationale toe te zenden.
43 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat het gebruik van de taal in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1 geen wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 263 VWEU is waarvan de schending noodzakelijkerwijs consequenties heeft voor de regelmatigheid van een stuk dat in een andere taal aan een persoon wordt gezonden. Blijkens die rechtspraak is het zo dat wanneer een instelling aan een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een lidstaat een stuk zendt dat niet in de taal van die staat is gesteld, de procedure daardoor slechts ongeldig is indien dat voor die persoon in de administratieve procedure nadelige gevolgen heeft (arrest van 9 juni 2016, CEPSA/Commissie, C‑608/13 P, EU:C:2016:414, punt 36).
44 Hieruit volgt dat de regelmatigheid van de verzending van die brief, en daarmee die van de administratieve procedure, anders dan verzoeksters stellen, slechts ter discussie kan worden gesteld indien het gebruik van het Engels in de kennisgevingsbrief nadelige gevolgen voor verzoeksters heeft gehad (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, CEPSA/Commissie, C‑608/13 P, EU:C:2016:414, punt 37).
45 Wat die nadelige gevolgen aangaat, hebben verzoeksters ter terechtzitting enkel aangevoerd dat hun nadeel daarin was gelegen dat zij als kleine en middelgrote bedrijven die het Engels niet hanteren, te maken hebben gekregen met een in die taal gevoerde procedure, met als gevolg dat de in artikel 22 van verordening nr. 139/2004 gestelde termijnen niet zijn nageleefd.
46 Vanaf het moment dat verzoeksters de Commissie hebben laten weten dat zij in het Frans wensten te communiceren, is deze wens evenwel geëerbiedigd gedurende vrijwel de gehele administratieve procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid. Met name de videoconferentie van 12 februari 2024, die tot doel had verzoeksters in kennis te stellen van het verwijzingsverzoek, is in het Frans verlopen. Op 14 februari 2024, minder dan een week na toezending van de kennisgevingsbrief en 15 dagen voor het verstrijken van de in artikel 22, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn, heeft de Commissie een Franse vertaling van deze brief aan verzoeksters toegezonden (zie punt 15 hierboven). Bovendien heeft Brasserie Nationale haar opmerkingen in het Frans ingediend, zodat zij haar standpunt tijdens die administratieve procedure op nuttige en doeltreffende wijze kenbaar heeft kunnen maken. De enige uitzondering in dit opzicht wordt gevormd door de in het Engelse gestelde ontvangstbevestiging van 14 mei 2024 die evenwel naar haar aard geen wezenlijke informatie bevatte.
47 Gelet op het voorgaande hebben verzoeksters niet aangetoond dat de omstandigheid dat de Commissie tijdens de administratieve procedure een andere taal heeft gebruikt dan die van de lidstaat onder de jurisdictie waarvan zij ressorteren, voor hen in casu nadelige gevolgen heeft gehad in de zin van de in de punten 43 en 44 hierboven aangehaalde rechtspraak.
48 Bijgevolg levert het feit dat de kennisgevingsbrief en de ontvangstbevestiging van 14 mei 2024 in het Engels waren gesteld, geen grond op voor nietigverklaring van het bestreden besluit.
49 Derhalve moet het eerste middel worden afgewezen.
Tweede middel: niet-inachtneming van de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 neergelegde termijn van 15 werkdagen
50 Verzoeksters betogen dat het verwijzingsverzoek in strijd met artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 niet is ingediend binnen 15 werkdagen na de datum waarop de concentratie kenbaar is gemaakt. In wezen voeren zij aan dat, ten eerste, het begrip „kenbaarmaking” te ruim wordt uitgelegd door de Commissie en de ACL; ten tweede, de ACL vóór de in het bestreden besluit in aanmerking genomen datum voldoende was geïnformeerd over de concentratie; ten derde, de Commissie de inachtneming van deze termijn door de ACL niet met redelijke zorgvuldigheid heeft geverifieerd en, ten vierde, de inwilliging van het verwijzingsverzoek schending oplevert van het vertrouwens‑ en het rechtszekerheidsbeginsel en indruist tegen de wil van de Uniewetgever.
51 De Commissie, AB InBev en de ACL betwisten deze argumenten.
52 Volgens artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 moet een verwijzingsverzoek „uiterlijk binnen 15 werkdagen na de dag waarop de concentratie is aangemeld of, indien geen aanmelding vereist is, waarop de concentratie op andere wijze kenbaar is gemaakt aan de betrokken lidstaat, worden ingediend”.
53 Artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 stelt de aanvangsdatum van de termijn van 15 werkdagen dus op de datum van aanmelding van de concentratie waarop het verwijzingsverzoek betrekking heeft of, indien geen aanmelding vereist is, op de dag waarop deze concentratie aan de betrokken lidstaat „kenbaar is gemaakt”.
54 Bij gebreke van een regeling voor concentratiecontrole in Luxemburg hoefde de aan de orde zijnde concentratie in deze lidstaat niet te worden aangemeld. Bijgevolg valt de aanvangsdatum van de termijn van 15 werkdagen in casu samen met de datum waarop de concentratie aan de betrokken lidstaat kenbaar is gemaakt.
Uitlegging van het begrip „kenbaarmaking”
55 Verzoeksters betogen dat de tekst van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 in het geval dat geen aanmelding vereist is alleen een „kenbaarmaking” van de concentratie verlangt, en geen „aanmelding” ervan of de verstrekking van extra of aanvullende informatie. De ruime uitlegging die de Commissie en de ACL geven aan het begrip „kenbaarmaking” komt in wezen neer op een recht op stilzitten van de nationale mededingingsautoriteit.
56 Meer in het bijzonder betwisten verzoeksters de uitlegging dat de „kenbaarmaking” van een concentratie in de zin van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 impliceert dat op actieve wijze relevante informatie wordt verstrekt aan de hand waarvan de nationale mededingingsautoriteit vooraf kan beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden voor een verwijzingsverzoek. Zij zijn van mening dat deze uitlegging inhoudt dat de betrokken ondernemingen, ook al is in de betrokken lidstaat geen aanmelding vereist, uit voorzorg steeds actief stappen moeten nemen zodat de nationale mededingingsautoriteit deze voorafgaande beoordeling kan uitvoeren. Volgens verzoeksters komt dit neer op een aanmeldingsplicht die verder gaat dan de vereisten van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004. Het staat aan de ACL om de voorafgaande beoordeling uit te voeren. Zodra een concentratie aan haar kenbaar is gemaakt, mag zij niet stilzitten totdat de partijen haar alle noodzakelijke en nuttige informatie toezenden.
57 De Commissie, AB InBev en de ACL betwisten dit betoog.
58 Bij de uitlegging van het begrip „kenbaarmaking” in de zin van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 moet volgens vaste rechtspraak een letterlijke, contextuele, teleologische en historische uitlegging worden gegeven van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 [zie arrest van 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele), C‑24/19, EU:C:2020:503, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In dit verband moet er rekening mee worden gehouden dat de teksten van het Unierecht zijn opgesteld in meerdere talen en dat alle taalversies authentiek zijn, hetgeen een vergelijking van de taalversies noodzakelijk kan maken (zie in die zin arresten van 26 januari 2021, Hessischer Rundfunk, C‑422/19 en C‑423/19, EU:C:2021:63, punt 65, en 14 juli 2016, Letland/Commissie, T‑661/14, EU:T:2016:412, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Wat in de eerste plaats de letterlijke uitlegging betreft, zij opgemerkt dat de verschillende taalversies van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 niet overeenstemmen. Daar waar uit de bewoordingen van met name de Duitse, de Engelse, de Kroatische, de Spaanse, de Franse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Nederlandse en de Portugese taalversies van deze bepaling blijkt dat de „kenbaarmaking” moet bestaan in een „handeling”, met name een „verstrekking”, doet de Bulgaarse taalversie ervan vermoeden dat om het even welke vorm van kennis hebben van de betrokken concentratie volstaat. Dat onderlinge verschil tussen de taalversies betekent dat bij de uitlegging van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 moet worden gelet op de context en de doelstelling van de regeling waarvan die bepaling deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 28 april 2016, Borealis Polyolefine e.a., C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2016:311, punt 90, en 26 januari 2021, Hessischer Rundfunk, C‑422/19 en C‑423/19, EU:C:2021:63, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Wat in de tweede plaats de historische uitlegging betreft, zij eraan herinnerd dat het gebruik van de term „kenbaar” in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 noodzakelijk was om de lidstaten die niet over een nationale regeling voor concentratiecontrole beschikken in staat te stellen om de Commissie te verzoeken concentraties te controleren die negatieve gevolgen op hun grondgebied kunnen hebben, wanneer deze concentraties ook de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden (arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie, C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677, punt 164).
61 Los van deze historische beschouwing maakt ook deze uitlegging het niet mogelijk om de bewoordingen van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 nader te verduidelijken. Ten eerste correspondeert de uitdrukking „bij de lidstaat [...] aangemeld”, zoals gebruikt in artikel 22, lid 4, van de oorspronkelijke versie van verordening nr. 4064/89 (EEG) van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 1989, L 395, blz. 1), namelijk met de uitdrukking „kenbaar is gemaakt aan de [...] lidstaat” in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004. Ten tweede was de uitdrukking „bij de [...] lidstaat [...] is aangemeld”, zoals ingevoegd in artikel 22, lid 4, van verordening nr. 4064/89 bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 1997, L 180, blz. 1), even onnauwkeurig en dubbelzinnig als de uitdrukking „kenbaar is gemaakt aan de betrokken lidstaat” in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004. Bovendien is de mededeling van de Commissie betreffende de verwijzing van concentratiezaken (PB 2005, C 56, blz. 2; hierna: „mededeling betreffende de verwijzing”), waarvan voetnoot 43 een door verzoeksters betwiste uitlegging van het begrip „kenbaarmaking” bevat, irrelevant voor een historische uitlegging, aangezien deze mededeling is gepubliceerd na de vaststelling van verordening nr. 139/2004 en dus niet door de Uniewetgever in aanmerking kon worden genomen (zie in die zin arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie, C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677, punt 144).
62 Wat in de derde plaats de contextuele uitlegging betreft, moet worden opgemerkt dat in het eerste zinsdeel van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 wordt verwezen naar het „[verwijzings]verzoek”. Deze bepaling moet dus worden gelezen in het licht van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004, waarin de voorwaarden voor de indiening van een dergelijk verzoek zijn neergelegd. Dat houdt in dat de „kenbaarmaking” van een concentratie de betrokken lidstaat in staat moet stellen een voorlopige beoordeling te maken van deze voorwaarden en te bezien of het opportuun is een verwijzingsverzoek in te dienen. Het feit dat de aanmelding en de „kenbaarmaking” van de concentratie alternatieven vormen die volgens artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 dezelfde rechtsgevolgen hebben, te weten het starten van de termijn van 15 werkdagen (zie punt 53 hierboven), bevestigt deze uitlegging. Hetzelfde geldt voor de andere verwijzingsmechanismen van artikel 4, leden 4 en 5, alsmede van artikel 9 van verordening nr. 139/2004, die het starten van hun respectieve termijnen afhankelijk stellen van de overlegging van hetzij een afschrift van de aanmelding, hetzij een gemotiveerde kennisgeving, en dus van een actieve verstrekking van informatie aan de hand waarvan de toepassingsvoorwaarden ervan kunnen worden beoordeeld. Deze uitlegging vindt tevens bevestiging in het feit dat, ten eerste, de aanvang van de termijn van 15 werkdagen voor de indiening van een aansluitingsverzoek eveneens afhankelijk is van de actieve verstrekking van informatie aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig artikel 22, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 en, ten tweede, de Unieregeling voor concentratiecontrole in het algemeen gebaseerd is op het beginsel van actieve verstrekking van relevante informatie, zoals met name blijkt uit artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 10, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004.
63 Gelet op het voorgaande moet een „kenbaarmaking” in de zin van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 bestaan in een actieve verstrekking van relevante informatie aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat aan de hand waarvan deze een voorlopige beoordeling kan maken van de voorwaarden van de eerste alinea van dat lid.
64 In de vierde plaats wordt een en ander ook bevestigd door een teleologische uitlegging van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004.
65 Uit de overwegingen 11 en 14 van verordening nr. 139/2004 blijkt namelijk dat verwijzingen van concentraties doelmatig dienen te geschieden, wat uitsluit dat artikel 22, lid 1, tweede alinea, van deze verordening aldus wordt uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verplicht zijn om voortdurend te letten op aankondigingen met betrekking tot concentraties die krachtens deze regeling kunnen worden onderzocht. Aan deze doelmatigheidsdoelstelling zou tevens afbreuk worden gedaan indien deze autoriteiten, teneinde de termijn van 15 werkdagen in acht te nemen, uit voorzorg moeten overgaan tot een verwijzingsverzoek, ook al is het niet zeker of aan de voorwaarden van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van die verordening is voldaan. Bijgevolg houdt de in punt 63 hierboven gegeven uitlegging rekening met het feit dat de Uniewetgever heeft willen zorgen voor een controle op concentraties binnen termijnen die zowel verenigbaar zijn met de vereisten van behoorlijk bestuur als met die van het zakenleven (zie arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie, C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677, punt 204 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 In de vijfde plaats is de in punt 63 hierboven gegeven uitlegging eveneens geboden in het licht van het – door verzoeksters ingeroepen – rechtszekerheidsbeginsel dat vereist dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (zie arrest van 1 juli 2014, Ålands Vindkraft, C‑573/12, EU:C:2014:2037, punten 127 en 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Door deze uitlegging kan het aanvangstijdstip van de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn namelijk duidelijk worden bepaald. Door aan de bevoegde autoriteiten informatie te verstrekken aan de hand waarvan deze een voorlopige beoordeling kunnen maken van de voorwaarden van de eerste alinea van dat lid, kunnen de partijen bij een concentratie er zeker van zijn dat die termijn is ingegaan en dat na het verstrijken ervan geen verwijzingsverzoek meer kan worden ingediend. Op die wijze wordt gewaarborgd dat die termijn niet afhangt van onvoorzienbare en onzekere omstandigheden, zoals openbare informatie over een bepaalde concentratie.
68 Anders dan verzoeksters menen, hebben de nationale autoriteiten, die niet de indieners maar de adressaten zijn van de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 bedoelde kenbaarmaking, geen controle over de in deze bepaling gestelde termijn. Daartegenover staat dat de partijen bij een concentratie, door middel van een kenbaarmaking die aan de in punt 63 hierboven uiteengezette voorwaarden voldoet, deze termijn kunnen doen ingaan. Bij niet-naleving van die termijn door deze autoriteiten kunnen die partijen deze omstandigheid voor de Commissie inroepen in het kader van hun opmerkingen over het verwijzingsverzoek en, indien de Commissie dat verzoek inwilligt, bij de Unierechter een beroep instellen tot nietigverklaring van dit besluit tot inwilliging. Bijgevolg kunnen deze autoriteiten het aanvangstijdstip van de termijn niet naar eigen goeddunken vaststellen, maar zijn zij gebonden aan objectieve criteria die vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing.
69 Hieruit volgt dat een „kenbaarmaking” in de zin van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004, overeenkomstig de in punt 63 hierboven gegeven uitlegging, wat de vorm ervan betreft, moet bestaan in een actieve verstrekking van relevante informatie aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat en, wat de inhoud ervan betreft, informatie moet bevatten die toereikend is om die autoriteit in staat te stellen de voorwaarden van de eerste alinea van dat lid voorlopig te beoordelen.
70 Zoals de Commissie terecht aanvoert, gaat bijgevolg de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen in vanaf het tijdstip waarop al deze informatie is verstrekt. In dat verband is het irrelevant of die informatie afkomstig is van de betrokken ondernemingen, van derden of afkomstig is uit enige andere bron.
71 Anders dan verzoeksters betogen, kan informatie die betrekking heeft op het enkele bestaan van de concentratie dus niet leiden tot het ingaan van die termijn, aangezien het enkele kennis hebben van het bestaan van de concentratie de bevoegde autoriteit niet in staat stelt om de toepassingsvoorwaarden van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 voorlopig te beoordelen.
72 Voor zover verzoeksters bovendien kritiek leveren op een vermeend recht op stilzitten en van de betrokken bevoegde autoriteiten verlangen dat zij actief stappen nemen zodra zij van het bestaan van de concentratie op de hoogte zijn gebracht, verwijzen zij, zoals volgt uit punt 62 hierboven, naar een element dat vreemd is aan de Unieregeling voor concentratiecontrole in het algemeen en aan haar verwijzingsmechanismen in het bijzonder, waarin noch de Commissie noch de mededingingsautoriteiten van de lidstaten de verplichting wordt opgelegd om actief informatie op te sporen over concentraties die in het kader van die regeling kunnen worden onderzocht. Een dergelijke uitlegging zou, door de aanzienlijke administratieve last die zij met zich brengt, tevens indruisen tegen de in punt 65 hierboven genoemde doelmatigheidsdoelstelling en het nuttig effect ontnemen aan het in artikel 22 van verordening nr. 139/2004 bedoelde verwijzingsmechanisme.
73 Tot slot moet verzoeksters’ argument dat de in punt 63 hierboven gegeven uitlegging van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 neerkomt op een aanmeldingsplicht worden afgewezen.
74 Anders dan in artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 139/2004 met betrekking tot een niet-aanmelding wordt bepaald, wordt een niet-kenbaarmaking namelijk niet met een geldboete bestraft. Bovendien worden er geen vormvereisten aan een degelijke kenbaarmaking gesteld, zoals de Commissie opmerkt. Deze kunnen bijvoorbeeld bestaan uit een eenvoudig schrijven en zich beperken tot een bondige beschrijving van de informatie aan de hand waarvan de voorwaarden van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 kunnen worden beoordeeld, zoals de betrokken concentratie, de partijen bij die concentratie, de betrokken markten, de gevolgen voor de handel tussen de lidstaten en de gevolgen voor de mededinging op het grondgebied van de betrokken lidstaat.
75 Bijgevolg kan een kenbaarmaking naar vorm, inhoud noch voorwerp ervan worden gelijkgesteld aan een verplichte aanmelding die krachtens artikel 4 van uitvoeringsverordening (EU) 2023/914 van de Commissie van 20 april 2023 tot uitvoering van verordening [nr. 139/2004] en tot intrekking van verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie (PB 2023, L 119, blz. 22) vereist dat er volledige informatie wordt verstrekt, zoals die is aangegeven in het in de bijlagen I en II bij die verordening opgenomen formulier CO en verkorte formulier CO, aan de hand waarvan de Commissie definitief kan beoordelen of de concentratie verenigbaar is met de interne markt.
76 Bovendien doelt het begrip „kenbaarmaking” in de zin van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 hoofdzakelijk op concentraties die negatieve gevolgen kunnen hebben op het grondgebied van een lidstaat die niet over een nationale regeling voor concentratiecontrole beschikt (zie in die zin arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie, C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677, punt 164), wat thans uitsluitend het geval is voor het Groothertogdom Luxemburg. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de draagwijdte van dit begrip beperkt blijft.
Aanvangstijdstip van de termijn van 15 werkdagen in deze zaak
77 Verzoeksters zijn van mening dat de ACL vóór 17 januari 2024, de in het bestreden besluit in aanmerking genomen datum, voldoende op de hoogte was van de concentratie. Zij betogen dat de ACL in werkelijkheid vanaf 10 januari 2024 op de hoogte was van de concentratie en in staat was om een voorlopige beoordeling te verrichten.
78 Ten eerste betreft het hier een weinig ingewikkelde concentratie. Ten tweede is het zo dat de ACL enerzijds de sector van de groothandel in Luxemburg sinds 2015, de sector van brouwerijen en drankgelegenheden sinds 2017 alsook de betrekkingen tussen brouwerijen en beroepsbeoefenaren uit de horecasector sinds 2019 onderzoekt, met daarbij specifieke aandacht voor verzoeksters en een dochteronderneming van AB InBev, en zij anderzijds in het kader van sinds 2015 verrichte onderzoeken heel wat nuttige informatie van verzoeksters en andere marktdeelnemers heeft ontvangen. Aan de hand van deze informatie had de ACL begin 2024 de concentratie voorlopig kunnen beoordelen. Ten derde erkent de ACL dat zij op 22 december 2023 op de hoogte is gebracht van de concentratie. Ten vierde zijn er al op 9 januari 2024 artikelen in de pers verschenen over de concentratie. Ten vijfde heeft Brasserie Nationale de ACL tijdens een bijeenkomst op 10 januari 2024 ervan op de hoogte gebracht dat haar dochteronderneming Munhowen op het punt stond Boissons Heintz over te nemen.
79 Verzoeksters preciseren dat de ACL tijdens deze bijeenkomst ervan in kennis is gesteld dat de aan de orde zijnde concentratie eind januari 2024 tot stand zou worden gebracht. Zij laken het feit dat deze autoriteit nauwelijks vragen over de concentratie heeft gesteld en geen concrete follow-up heeft aangekondigd, maar slechts heeft geantwoord dat zij „in contact zou blijven” met de advocaten van Munhowen. Bij uitblijven van een reactie van de ACL hebben de partijen bij de concentratie 3 weken later, te weten op 31 januari 2024, de concentratie tot stand gebracht door middel van overdracht van aandelen en betaling van de koopprijs. Volgens verzoeksters zou het eenvoudig, oordeelkundig en in overeenstemming met de beginselen van rechtszekerheid en doeltreffendheid zijn geweest indien de ACL zich tussen 10 en 30 januari 2024 tot de advocaten van Munhowen had gewend om de contacten voort te zetten of om uit te leggen dat er een probleem was.
80 De ACL is passief gebleven en heeft geen enkele stap genomen noch verzoeken ingediend om aanvullende informatie te verkrijgen bovenop de informatie die reeds in haar bezit was, maar is stil blijven zitten totdat derden zich hebben gemeld. Volgens verzoeksters blijkt uit de informatie van de ACL dat het initiatief van een concurrent van Brasserie Nationale doorslaggevend is geweest voor de indiening van het verwijzingsverzoek. De ACL heeft de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen dus laten verstrijken zonder te reageren.
81 De Commissie, AB InBev en de ACL betwisten dit betoog.
82 In de eerste plaats blijkt uit punt 22 van het bestreden besluit en uit punt 16 van het verwijzingsverzoek dat Brasserie Nationale de ACL op 22 december 2023 en vervolgens op 10 januari 2024 ervan in kennis heeft gesteld dat haar dochteronderneming Munhowen voornemens was om Boissons Heintz over te nemen. Verzoeksters hebben evenwel niet aangetoond dat de door Brasserie Nationale op die data aan de ACL verstrekte informatie over het bestaan van de concentratie overeenkomstig de in punt 69 hierboven gegeven uitlegging voldoende elementen bevatte aan de hand waarvan voorlopig kon worden beoordeeld of was voldaan aan de in artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde voorwaarden voor de indiening van een verwijzingsverzoek. Uit de notulen van de bijeenkomst van 10 januari 2024, die zijn opgenomen in bijlage B.8 bij het verweerschrift van de Commissie, blijkt daarentegen dat de vertegenwoordiger van verzoeksters geen nadere bijzonderheden heeft verstrekt over de concentratie en dat de ACL hem te kennen heeft gegeven dat zij niet over voldoende informatie beschikte om een beslissing te nemen over een verwijzingsverzoek op grond van artikel 22 van verordening nr. 139/2004 of over de toepassing van artikel 102 VWEU.
83 In de tweede plaats hebben verzoeksters evenmin aangetoond dat de ACL vóór 17 januari 2024 van derden of enige andere bron informatie heeft verkregen aan de hand waarvan voorlopig kon worden beoordeeld of was voldaan aan de voorwaarden van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 om een verwijzingsverzoek in te dienen. Verzoeksters’ betoog berust veeleer op de onjuiste premisse dat het aan de ACL stond om onderzoek te verrichten ter verkrijging van de noodzakelijke informatie voor een dergelijke voorlopige beoordeling. Zoals aangegeven in de punten 71 en 72 hierboven was dat echter niet het geval.
84 Aangezien de ACL slechts van het enkele bestaan van de concentratie op de hoogte was gebracht en geen verplichting had om actief informatie in te winnen over die concentratie en over de betrokken ondernemingen, kunnen verzoeksters deze autoriteit niet verwijten dat zij niet actief stappen heeft genomen. In die omstandigheden zijn de door verzoeksters ingeroepen artikelen in de pers en de gestelde eenvoud van de concentratie irrelevant.
85 Hoewel de eindverslagen van de door de ACL gevoerde onderzoeken in de sector van de groothandel en in de sectoren van brouwerijen en drankgelegenheden ongetwijfeld van nut konden zijn voor de beoordeling van bepaalde mogelijke gevolgen van de concentratie voor de mededinging in Luxemburg, moet echter worden opgemerkt dat deze eindverslagen ten eerste dateerden uit 2019 en bijgevolg aan actualiteitswaarde hadden ingeboet, en ten tweede niet alle in punt 21 hierboven beschreven relevante markten bestreken, waaronder met name de markt voor de groothandel in dranken via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg. Juist die markt was echter bijzonder relevant voor een voorlopige beoordeling van de concentratie, aangezien zowel Munhowen als Boissons Heintz actief is in de groothandel in dranken in Luxemburg (zie de punten 3 en 4 hierboven). Ook de informatie die de ACL had verkregen in het kader van andere na 2015 gevoerde onderzoeken, zoals die naar de betrekkingen tussen brouwerijen en horecagelegenheden in Luxemburg, was niet volledig up‑to‑date en had slechts in beperkte mate betrekking op deze markt. Aangezien die sectorale onderzoeken en navorsingen geen betrekking hadden op deze concentratie, zouden zij hoe dan ook zonder het inwinnen van aanvullende informatie niet hebben volstaan voor een voorlopige beoordeling van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een verwijzingsverzoek op grond van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 in te dienen.
86 Bijgevolg kan de Commissie, bij gebreke van bewijs dat alle relevante informatie voor een voorlopige beoordeling van de voorwaarden van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 vóór 17 januari 2024 aan de ACL was verstrekt, niet worden verweten dat zij deze datum in punt 28 van het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen als aanvangstijdstip van de in de tweede alinea van dat lid bedoelde termijn van 15 werkdagen.
Verificatie door de Commissie van de inachtneming van de termijn van 15 werkdagen
87 Verzoeksters betogen dat de Commissie het verwijzingsverzoek heeft ingewilligd zonder met redelijke zorgvuldigheid te zijn nagegaan of de ACL de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen in acht heeft genomen.
88 De Commissie betwist dit betoog.
89 Opgemerkt zij dat de Commissie in de punten 20 tot en met 30 van het bestreden besluit heeft onderzocht of het verwijzingsverzoek binnen de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen was ingediend.
90 Meer in het bijzonder heeft de Commissie rekening gehouden met de opmerkingen van Brasserie Nationale (punt 23 van het bestreden besluit) en heeft zij onderzocht of uit bewijsmateriaal kon worden opgemaakt dat Brasserie Nationale op 10 januari 2024 aan de ACL relevante en toereikende informatie had verstrekt aan de hand waarvan deze autoriteit een voorlopige beoordeling kon maken van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een verwijzingsverzoek op grond van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 in te dienen (punt 24 van het bestreden besluit). De Commissie heeft ook met de ACL gecorrespondeerd over de informatie die de partijen bij de concentratie hebben verstrekt. Zij heeft vastgesteld dat verzoeksters geen concrete informatie hadden verstrekt aan de hand waarvan de concentratie en de gevolgen daarvan op het grondgebied van Luxemburg konden worden beoordeeld (punt 25 en voetnoot 23 van het bestreden besluit). De Commissie heeft erop gewezen dat dergelijke informatie op 17 en 25 januari 2024 door derden was verstrekt (punt 27 van het betrokken besluit). Op basis daarvan is zij tot de slotsom gekomen dat deze concentratie ten vroegste op 17 januari 2024 aan de ACL kenbaar was gemaakt (punt 28 van het bestreden besluit), zodat het verwijzingsverzoek van 7 februari 2024 binnen de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen was ingediend (punt 29 van het bestreden besluit).
91 Bijgevolg heeft de Commissie, anders dan verzoeksters stellen, wel degelijk geverifieerd of de ACL het verwijzingsverzoek binnen de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen had ingediend, zonder dat de exacte aanvangsdatum van deze termijn hoefde te worden vastgesteld.
Gestelde schending van het vertrouwens‑ en het rechtszekerheidsbeginsel
92 Volgens verzoeksters levert de inwilliging van het verwijzingsverzoek schending op van het vertrouwens‑ en het rechtszekerheidsbeginsel en druist zij in tegen het streven van de Uniewetgever naar een snelle behandeling, dat tot uitdrukking komt in de korte termijn voor de indiening van een verwijzingsverzoek. Door de verwijzing wordt de geldigheid van de aan de orde zijnde concentratie ex post ter discussie gesteld. Overeenkomstig het arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie (C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677, punten 206 en 207), moet elke uitlegging van artikel 22 van verordening nr. 139/2004 stroken met de beginselen van doeltreffendheid, voorspelbaarheid en rechtszekerheid en levert de niet-inachtneming van de daarin gestelde termijn schending op van de beginselen van doeltreffendheid en rechtszekerheid.
93 De Commissie betwist dit betoog.
94 Vooraf zij opgemerkt dat uit artikel 22, lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 volgt dat een concentratie na de totstandbrenging ervan naar de Commissie kan worden verwezen. Bij gebreke van een exceptie van onwettigheid tegen deze bepaling kunnen verzoeksters de Commissie dan ook niet verwijten dat die bepaling op de concentratie toepassing vindt om reden dat die concentratie reeds tot stand is gebracht en op grond van het nationale recht niet langer ter discussie kan worden gesteld.
95 Voor zover verzoeksters zich beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel en de wil van de Uniewetgever volgt uit de punten 65 tot en met 68 en 72 hierboven dat de in het bestreden besluit alsook in punt 69 hierboven gegeven uitlegging ten eerste geboden is in het licht van dat beginsel alsook van de doelmatigheidsdoelstelling en het nuttig effect van artikel 22 van verordening nr. 139/2004, en ten tweede zorgt voor een controle op concentraties binnen termijnen die verenigbaar zijn zowel met de vereisten van behoorlijk bestuur als met die van het zakenleven.
96 Met betrekking tot het vertrouwensbeginsel volstaat het eraan te herinneren dat voor de vaststelling van een schending van dit beginsel vereist is dat een instelling van de Unie bij een justitiabele gegronde verwachtingen heeft gewekt door hem nauwkeurige toezeggingen te doen. Nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende inlichtingen zijn als dergelijke toezeggingen aan te merken, ongeacht de vorm waarin zij worden meegedeeld (zie arrest van 16 september 2021, FVE Holýšov I e.a./Commissie, C‑850/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:740, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Verzoeksters hebben echter niet aangetoond dat de Commissie hun enige toezegging had gedaan. De inwilliging van het verwijzingsverzoek bij het bestreden besluit van de Commissie kan dan ook geen schending van dat beginsel opleveren.
97 Bijgevolg moeten de argumenten inzake de gestelde schending van het vertrouwens‑ en het rechtszekerheidsbeginsel, alsook inzake de strijdigheid met de wil van de Uniewetgever en de geldigheidstoetsing ex post van de concentratie worden afgewezen.
98 In het licht van het voorgaande moet het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.
Derde middel: schending van de in artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 neergelegde termijn
99 Volgens verzoeksters levert het feit dat de betrokken ondernemingen pas op 14 februari 2024 – in het Frans – in kennis zijn gesteld van het verwijzingsverzoek en dat dit verzoek pas op 26 februari 2024 aan hen is toegezonden, schending op van artikel 22, lid 2, van verordening nr. 139/2004. Zij zijn van mening dat de kennisgeving van dat verzoek op 7 februari 2014 of op de daaropvolgende dag had moeten plaatsvinden. Alleen een kennisgeving van het verzoek in het Frans kan als nuttig en geldig worden aangemerkt.
100 De Commissie betwist dit betoog.
101 Artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 bepaalt dat „[d]e Commissie [...] de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de betrokken ondernemingen onverwijld in kennis [stelt] van elk [verwijzings]verzoek krachtens lid 1 [van dat artikel] dat zij ontvangt”.
102 Om de precieze draagwijdte van deze verplichting te begrijpen moet er worden gekeken naar de inhoud en de vorm van de kennisgeving die de Commissie aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de betrokken ondernemingen moet toezenden, alsook naar het vereiste dat deze informatie „onverwijld” moet worden toegezonden.
103 Wat ten eerste de inhoud van de kennisgeving betreft, moet er rekening worden gehouden met de context waarvan die verplichting deel uitmaakt door het verband tussen de eerste en de tweede alinea van artikel 22, lid 2, van verordening nr. 139/2004 te onderzoeken. Deze tweede alinea bepaalt dat „[e]lke andere lidstaat [...] het recht [heeft] zich binnen 15 werkdagen na de dag waarop hij door de Commissie in kennis is gesteld van het oorspronkelijke verzoek, bij het oorspronkelijke verzoek aan te sluiten”. De in de eerste alinea van dat lid vermelde kennisgeving beoogt dus om de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten in staat te stellen een aansluitingsverzoek in te dienen. Voor een dergelijk verzoek moeten deze autoriteiten, net als die van de verzoekende lidstaat, aan de hand van een kenbaarmaking op grond van artikel 22, lid 1, tweede alinea, van deze verordening (zie punt 69 hierboven) in staat zijn om de toepassingsvoorwaarden van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van die verordening voorlopig te beoordelen. Daarvoor beschikken zij, net als de autoriteiten van de verzoekende lidstaat, over een termijn van 15 werkdagen. Hieruit volgt dat de in artikel 22, lid 2, eerste alinea, van die verordening vermelde kennisgeving alle essentiële elementen van het verwijzingsverzoek moet bevatten zodat de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten kunnen beoordelen of het opportuun is om een aansluitingsverzoek in te dienen.
104 Aangezien artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 de „betrokken ondernemingen” op gelijke voet plaatst met de „bevoegde autoriteiten van de [andere] lidstaten”, moet de Commissie dezelfde kennisgevingen aan deze ondernemingen toezenden teneinde hen in de gelegenheid te stellen om hun opmerkingen kenbaar te maken.
105 Wat ten tweede de vorm van de kennisgeving van een verwijzingsverzoek betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 geen enkel bijzonder vormvereiste stelt aan een dergelijke kennisgeving. Zoals de Commissie aanvoert, verlangt deze bepaling dus niet dat de Commissie een afschrift van het verwijzingsverzoek toezendt aan de nationale autoriteiten of aan de betrokken ondernemingen, ook al kan zij op deze wijze voldoen aan haar informatieverplichting op grond van die bepaling.
106 Wat ten derde de in artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde tijdseis betreft, moet „onverwijld” worden begrepen als „onmiddellijk”, „spoedig” en „zonder uitstel” (arrest van 28 september 2022, Grieger/Commissie, T‑517/21, niet-gepubliceerd, EU:T:2022:588, punt 39).
107 In casu heeft de Commissie de kennisgevingsbrief op 8 februari 2024, daags na de ontvangst van het verwijzingsverzoek van 7 februari 2024, aan Brasserie Nationale toegezonden (zie de punten 12 en 13 hierboven). Deze brief, die als bijlage A.6 bij het verzoekschrift is gevoegd, bevatte een samenvatting van de redenen waarom de ACL van mening was dat de aan de orde zijnde concentratie de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedde en significante gevolgen dreigde te hebben voor de mededinging op het grondgebied van Luxemburg, en bijgevolg voldeed aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004.
108 Het betreft een onverwijld toegezonden kennisgeving van het verwijzingsverzoek, die zowel naar vorm als naar inhoud voldoet aan de voorwaarden van artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004, zoals die in de punten 103 tot en met 106 hierboven zijn uiteengezet.
109 Bijgevolg is het irrelevant dat het verwijzingsverzoek, waarvan de toezending niet is vereist om aan die voorwaarden te voldoen (zie punt 105 hierboven), pas op 26 februari 2024 aan Brasserie Nationale is toegezonden, zoals de Commissie stelt. Evenmin behoeft te worden onderzocht of op basis van de videoconferentie van 12 februari 2024 (zie punt 14 hierboven), bezien in samenhang met de contacten van 8 en 9 februari 2024 (zie punt 13 hierboven), aan die voorwaarden kan worden voldaan.
110 De kennisgevingsbrief was weliswaar in het Engels, wat schending van artikel 3 van verordening nr. 1 oplevert (zie de punten 39‑42 hierboven), maar de regelmatigheid van de verzending van die brief, en daarmee die van de administratieve procedure, kan volgens de in de punten 43 en 44 hierboven aangehaalde rechtspraak alleen ter discussie worden gesteld indien het gebruik van het Engels in de kennisgevingsbrief nadelige gevolgen voor verzoeksters heeft gehad. Zoals volgt uit de punten 45 tot en met 47 hierboven hebben verzoeksters evenwel niet aangetoond dat dit gebruik van het Engels tijdens de administratieve procedure voor hen nadelige gevolgen heeft gehad.
111 Derhalve moet het derde middel worden afgewezen.
Vierde middel: tardieve kennisgeving van het bestreden besluit
112 Verzoeksters betogen dat de kennisgeving van het bestreden besluit aan Brasserie Nationale op 12 april 2024 te laat heeft plaatsgevonden.
113 Ten eerste strookt dit niet met het uit artikel 22 van verordening nr. 139/2004 voortvloeiende vereiste van een snelle behandeling, dat inhoudt dat een kennisgeving van dien aard moet zijn dat de betrokken ondernemingen hun standpunt kunnen bepalen en weerwoord kunnen bieden. Ten tweede heeft deze kennisgeving bijna een maand na de uiterste datum voor de vaststelling van het bestreden besluit plaatsgevonden, wat in strijd is met deze bepaling en met name met lid 3 ervan, waarin termijnen van respectievelijk 15 en 10 werkdagen zijn gesteld. Volgens verzoeksters is het de Commissie niet toegestaan om deze termijnen met 20 werkdagen te verlengen voor de tardieve kennisgeving van het bestreden besluit.
114 De Commissie betwist dit betoog.
115 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat artikel 22, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 bepaalt dat „[d]e Commissie [...] alle lidstaten en de betrokken ondernemingen in kennis [stelt] van haar besluit”. Volgens deze bepaling kan zij „verlangen dat een aanmelding overeenkomstig artikel 4 [van die verordening] wordt ingediend”.
116 Gelet op deze bepaling was de Commissie, zoals zij terecht aanvoert, enkel verplicht om de partijen bij de concentratie in kennis te stellen van de vaststelling van het bestreden besluit. Volgens punt 79 van de kennisgeving van de verwijzing, waarmee de Commissie zelf de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt (zie arrest van 16 februari 2017, H&R ChemPharm/Commissie, C‑95/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:125, punt 57), wordt deze kennisgeving „verstrekt door middel van een aan de betrokken ondernemingen gericht schrijven”.
117 In casu heeft de Commissie verzoeksters bij schrijven van 14 maart 2024, op de dag zelf van de vaststelling ervan, van het bestreden besluit in kennis gesteld (zie ook punt 19 hierboven). Gelet op deze onverwijlde kennisgeving heeft de Commissie voldaan aan de krachtens artikel 22, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 op haar rustende verplichting.
118 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het bestreden besluit gericht is tot de ACL en dat verzoeksters niet de adressaten van dit besluit zijn.
119 Dat is te verklaren door het feit dat de verwijzingsprocedure op grond van artikel 22 van verordening nr. 139/2004 een procedure tussen de lidstaten en de Commissie is. Anders dan bij de verwijzingsmechanismen van artikel 4, leden 4 en 5, van deze verordening leiden de lidstaten, en niet de betrokken ondernemingen, deze procedure in door de indiening van een verwijzingsverzoek overeenkomstig artikel 22, lid 1, van deze verordening. Indien dat verzoek wordt ingewilligd, eindigt die procedure met de vaststelling van een besluit op grond van lid 3 van dat artikel, waarbij de bevoegdheid voor het onderzoek van de concentratie waarop dat verzoek betrekking heeft, aan de Commissie wordt overgedragen.
120 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat het begrip verzoek van een „lidstaat” in de zin van artikel 22, lid 1, van verordening nr. 139/2004 niet beperkt is tot verzoeken afkomstig van een regering of een ministerie, maar ook verzoeken van een nationale mededingingsautoriteit omvat (zie in die zin arrest van 15 december 1999, Kesko/Commissie, T‑22/97, EU:T:1999:327, punt 86).
121 Overeenkomstig artikel 297, lid 2, derde alinea, VWEU wordt van de besluiten die de adressaten vermelden, kennisgegeven aan hen tot wie zij zijn gericht en worden zij door deze kennisgeving van kracht.
122 Gezien het feit dat het bestreden besluit uitsluitend was gericht tot de ACL en niet tot de partijen bij de concentratie, was de Commissie bijgevolg niet verplicht om die partijen kennis te geven van het bestreden besluit.
123 Aangezien verzoeksters onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de vaststelling van het bestreden besluit en zij niet de adressaten ervan waren, kunnen zij bijgevolg niet stellen dat de Commissie verplicht was om hen vóór 12 april 2024 van dit besluit in kennis te stellen.
124 Derhalve moet het vierde middel worden afgewezen.
Vijfde middel: schending van de rechten van de verdediging alsook van de beginselen van wapengelijkheid, eerlijke procedure en gewettigd vertrouwen
125 Verzoeksters zijn van mening dat de in het kader van het eerste tot en met het vierde middel aangevoerde elementen eveneens schending opleveren van de rechten van de verdediging alsook van de beginselen van wapengelijkheid, eerlijke procedure en gewettigd vertrouwen. Meer in het bijzonder voeren zij, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Emiliou in de gevoegde zaken Illumina en Grail/Commissie (C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:264, punt 210) aan dat de ACL hen na 10 januari 2024 opnieuw had kunnen en moeten horen, met name nadat zij zich op de bijeenkomst van die dag beschikbaar hadden verklaard voor toekomstige contacten. Bovendien had de ACL tussen 10 en 31 januari 2024 de totstandbrenging van de concentratie kunnen verhinderen of Brasserie Nationale kunnen waarschuwen.
126 De Commissie betwist dit betoog.
127 Vooraf dient te worden verduidelijkt dat de grieven waarmee verzoeksters de ACL verwijten dat zij hen niet heeft gecontacteerd en opnieuw heeft gehoord en dat zij de totstandbrenging van de aan de orde zijnde concentratie vóór de indiening van het verwijzingsverzoek niet heeft verhinderd, gericht zijn tegen de opstelling van de ACL in het kader van de inwilliging van dat verzoek en niet tegen die van de Commissie.
128 De Unierechter is echter niet bevoegd zich krachtens artikel 263 VWEU uit te spreken over de wettigheid van een handeling van een nationale autoriteit (arresten van 3 december 1992, Oleificio Borelli/Commissie, C‑97/91, EU:C:1992:491, punt 9, en 15 december 1999, Kesko/Commissie, T‑22/97, EU:T:1999:327, punt 83).
129 Er zij tevens aan herinnerd dat de Commissie, wanneer zij wordt aangezocht met een verwijzingsverzoek op grond van artikel 22, lid 1, van verordening nr. 139/2004, enkel dient na te gaan of dit verzoek op het eerste gezicht een verwijzingsverzoek in de zin van deze bepaling is (zie in die zin arrest van 15 december 1999, Kesko/Commissie, T‑22/97, EU:T:1999:327, punt 84). De Commissie dient zich derhalve te houden aan het door een lidstaat ingediende verwijzingsverzoek en het is niet aan haar om te na gaan of dit verzoek is ingediend overeenkomstig de geldende procedurevoorschriften, waarvan de schending bij de nationale rechter moet worden aangevochten.
130 In die omstandigheden kunnen mogelijke door de ACL begane onregelmatigheden in de procedure die tot de inwilliging van het verwijzingsverzoek heeft geleid, de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantasten. Bijgevolg moeten verzoeksters’ argumenten met betrekking tot dergelijke onregelmatigheden als niet ter zake doende worden afgewezen.
131 In navolging van de Commissie moet bovendien worden opgemerkt dat artikel 22 van verordening nr. 139/2004 geen verplichting voor de ACL inhoudt om verzoeksters vóór de indiening van het verwijzingsverzoek opnieuw te horen of te informeren, en dat een dergelijke verplichting evenmin voortvloeit uit de door verzoeksters aangehaalde conclusie van advocaat-generaal Emiliou in de gevoegde zaken Illumina en Grail/Commissie (C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:264, punt 210).
132 Daartegenover staat dat de betrokken ondernemingen, aangezien zij overeenkomstig artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 in kennis moeten worden gesteld van een verwijzingsverzoek op grond van lid 1 van dit artikel, wel het recht hebben om te worden gehoord tijdens de administratieve procedure die leidt tot de vaststelling krachtens artikel 22, lid 3, eerste alinea, van de verordening van een besluit op dat verzoek.
133 In casu staat vast dat Brasserie Nationale op 8 februari 2024 van het verwijzingsverzoek in kennis is gesteld (zie punt 13 hierboven) en dat zij op 22 en 29 februari 2024 haar opmerkingen heeft ingediend (zie de punten 16 en 17 hierboven). Brasserie Nationale was dus vóór de vaststelling van het bestreden besluit op 14 maart 2024 van het verwijzingsverzoek in kennis gesteld en heeft tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van dat besluit heeft geleid, verschillende malen de gelegenheid gehad om haar standpunt kenbaar te maken.
134 Met betrekking tot de grief dat de ACL de totstandbrenging van de concentratie had kunnen verhinderen moet worden opgemerkt dat deze grief niet ter zake doende is (zie de punten 127‑129 hierboven). Indien die grief echter aldus moet worden begrepen dat verzoeksters hiermee aanvoeren dat de ACL het verwijzingsverzoek eerder had moeten indienen teneinde overeenkomstig artikel 22, lid 4, van verordening nr. 139/2004 de in artikel 7 van deze verordening bedoelde opschortingsverplichting in het leven te roepen, volstaat het op te merken dat de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 gestelde termijn van 15 werkdagen op zijn vroegst is ingegaan op 17 januari 2024 en dat de ACL dus gerechtigd was om dit verzoek op 7 februari 2024 in te dienen (zie punt 86 hierboven).
135 Wat het beginsel van gewettigd vertrouwen betreft, volgt uit punt 96 hierboven dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat de Commissie hun nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan die bij hen gegronde verwachtingen hebben gewekt. Wat de verklaringen van de ACL betreft, deze kunnen de rechtmatigheid van het bestreden besluit hoe dan ook niet aantasten (zie punt 129 hierboven).
136 Wat de overige grieven betreft, leggen verzoeksters niet uit hoe de in het eerste tot en met het vierde middel aangevoerde argumenten relevant zijn voor het vijfde middel. Gelet op deze vage en niet-onderbouwde beweringen moeten deze grieven bijgevolg worden afgewezen.
137 Bijgevolg hebben verzoeksters niet aangetoond dat de rechten van de verdediging, de beginselen van wapengelijkheid, een eerlijke procedure of gewettigd vertrouwen zijn geschonden.
138 Derhalve moet het vijfde middel worden afgewezen.
Zesde middel: ontbreken van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten
139 Verzoeksters verwijten de Commissie dat zij niet heeft onderzocht of de aan de orde zijnde concentratie de handel tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. De Commissie heeft zich enkel gebaseerd op de voorheen bestaande mededingingssituatie en niet op de mogelijke nadelige gevolgen van deze concentratie. Volgens de rechtspraak moet de beoordeling van deze gevolgen plausibel zijn en uitgaan van de meest waarschijnlijke economische gevolgen van de concentratie. Een beoordeling van dit causale verband is ook vereist op grond van de handvatten van de Commissie voor de toepassing van het verwijzingsmechanisme van artikel 22 van verordening nr. 139/2004 op bepaalde categorieën zaken (PB 2021, C 113, blz. 1; hierna: „handvatten voor artikel 22”).
140 Met name in hun kritiek op de punten 58 tot en met 61 van het bestreden besluit voeren verzoeksters aan dat niet kan worden verlangd dat een concentratie leidt tot een verbetering van een onbevredigende mededingingssituatie. Punt 60 van het bestreden besluit is irrelevant, aangezien daarin enkel wordt verwezen naar actuele statistische gegevens zonder dat daaraan gevolgen worden verbonden. Met betrekking tot punt 62 van het bestreden besluit zijn verzoeksters van mening dat, ten eerste, het aandeel van de import alleen maar inhoudt dat de „Euregio SaarLorLux” (het gebied tussen de Rijn, Saar, Maas en Moezel) als geografische markt in aanmerking moet worden genomen en, ten tweede, de Commissie haar bewering inzake het te grote marktaandeel van de uit de concentratie voortgekomen nieuwe entiteit niet heeft onderbouwd. Verzoeksters verwijten de Commissie dat zij in het bestreden besluit geen onderscheid heeft gemaakt tussen het verleden en de toekomst. In de punten 64 tot en met 66 van het bestreden besluit wordt het hoge aandeel van de import herhaald, zonder daaraan gevolgen te verbinden. De bewering in punt 67 van het bestreden besluit dat internationale producenten sterk afhankelijk zijn van het distributienetwerk en de lokale activa van de groothandelaren om elk verkooppunt van het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg te bereiken, is onnauwkeurig en is niet onbetwist. De Commissie heeft niet geantwoord op het argument van Brasserie Nationale dat er geen sprake is van een belemmering voor de toegang van internationale producenten tot de lokale horecamarkt in Luxemburg. Volgens verzoeksters wordt dit bevestigd door het feit dat AB InBev sinds de totstandbrenging van de concentratie de commerciële overeenkomsten tussen haar en Boissons Heintz heeft kunnen beëindigen en zonder enig probleem toegang tot deze markt heeft gekregen. De Commissie, die zich al geruime tijd toelegt op het onderzoek van de markt voor de distributie van dranken en bier, is verplicht om te antwoorden op de door de betrokken ondernemingen ingeroepen argumenten. Tot slot voeren verzoeksters aan dat de punten 68 en 69 van het bestreden besluit alleen betrekking hebben op de bestaande mededingingssituatie.
141 In antwoord op de vraag van het Gerecht van 6 september 2024 betogen verzoeksters dat uit het arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie (C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677), duidelijk blijkt dat een concentratie een Europese dimensie moet hebben om binnen de werkingssfeer van artikel 22 van verordening nr. 139/2004 te vallen.
142 De Commissie en AB InBev betwisten verzoeksters’ argumenten.
143 Vooraf zij erop gewezen dat een concentratie enkel door een of meer lidstaten naar de Commissie kan worden verwezen en de Commissie met het onderzoek daarvan kan instemmen indien aan twee materiële voorwaarden is voldaan. Overeenkomstig artikel 22, leden 2 en 3, van verordening nr. 139/2004 moet de betrokken concentratie ten eerste „de handel tussen de lidstaten beïnvloed[en]” en ten tweede „in significante mate gevolgen dreig[en] te hebben voor de mededinging op het grondgebied van de lidstaat of de lidstaten die het [verwijzings]verzoek doet respectievelijk doen”.
144 Anders dan verzoeksters menen, hoeft een concentratie echter geen Europese dimensie te hebben om binnen de werkingssfeer van deze bepaling te vallen. Overeenkomstig artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 kan een verwijzingsverzoek namelijk betrekking hebben op „een concentratie zoals omschreven in artikel 3[] [van deze verordening], die geen [Europese] dimensie heeft in de zin van artikel 1 [van deze verordening]”.
145 Wat de eerste materiële voorwaarde in punt 143 hierboven betreft, waarvan de toepassing door de Commissie in het bestreden besluit het voorwerp van het onderhavige middel vormt, moet aan deze voorwaarde een uitlegging worden gegeven die strookt met de uitlegging die in het kader van de artikelen 101 en 102 VWEU aan deze voorwaarde wordt gegeven (arrest van 15 december 1999, Kesko/Commissie, T‑22/97, EU:T:1999:327, punt 106).
146 Zo is in punt 43 van de kennisgeving van het verwijzingsverzoek, alsook in punt 14 van de handvatten voor artikel 22, ingetrokken bij mededeling van de Commissie van 2 december 2024 (PB C, C/2024/7190, blz. 1) in het licht van het arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie (C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677), aangegeven dat een concentratie aan de voorwaarde van beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten voldoet indien zij enige merkbare invloed op de handelsstromen tussen lidstaten kan hebben.
147 Uit de rechtspraak volgt dat de Commissie, gelet op de aard van de bij verordening nr. 139/2004 ingestelde controle op concentraties, een op de toekomst gerichte analyse van de gevolgen van de betrokken concentratie dient te verrichten, en dus in het kader van artikel 22 van die verordening dient te onderzoeken welke gevolgen die concentratie in de toekomst zal hebben voor de handel tussen lidstaten (zie in die zin arrest van 15 december 1999, Kesko/Commissie, T‑22/97, EU:T:1999:327, punt 107).
148 Meer bepaald moet een concentratie om de handel tussen lidstaten ongunstig te kunnen beïnvloeden op grond van de objectieve bestanddelen feitelijk en rechtens ervan met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel op de handelsstromen tussen lidstaten een zodanige invloed kan uitoefenen dat de verwezenlijking van de doelstelling van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten wordt geschaad (zie in die zin arrest van 15 december 1999, Kesko/Commissie, T‑22/97, EU:T:1999:327, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
149 Uit de rechtspraak volgt ook dat de handel tussen lidstaten onder meer ongunstig wordt beïnvloed door een concentratie die het optreden of binnendringen van producenten of verkopers van andere lidstaten op de nationale markt bemoeilijkt, of die concurrenten uit andere lidstaten de toegang tot die markt belet. Wanneer een onderneming met een machtspositie de toegang tot de markt voor concurrenten afsluit, doet het immers niet ter zake dat dit gedrag slechts op het grondgebied van één enkele lidstaat is gesitueerd, zodra het gevolgen kan hebben voor de handelsstromen en de mededinging op de interne markt (zie in die zin arrest van 15 december 1999, Kesko/Commissie, T‑22/97, EU:T:1999:327, punten 104 en 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
150 In het kader van de uitoefening van deze voorafgaande controle op concentraties beschikt de Commissie, wat economische vraagstukken betreft, over een beoordelingsmarge bij de toepassing van de materiële regels van verordening nr. 139/2004, aangezien zij prospectieve economische analysen verricht om vast te stellen of het waarschijnlijk is dat er zich binnen afzienbare tijd bepaalde ontwikkelingen op de relevante markt zullen voordoen (zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
151 Deze prospectieve analyse, die noodzakelijk is voor de controle op concentraties, valt onder de beoordelingsmarge in economische vraagstukken waar de Commissie over beschikt bij de toepassing van de materiële regels van verordening nr. 139/2004, als gevolg waarvan de Unierechter bij de toetsing van een besluit van de Commissie inzake concentraties enkel mag nagaan of de feiten materieel juist zijn en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling (zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Met name mag het Gerecht zijn economische beoordeling niet in de plaats stellen van de beoordeling van de Commissie (zie arrest van 23 mei 2019, KPN/Commissie, T‑370/17, EU:T:2019:354, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
152 Met betrekking tot de analyse van de in artikel 22, lid 3, van verordening nr. 139/2004 genoemde materiële voorwaarden moet worden opgemerkt dat de uitdrukking „indien zij van oordeel is”, die nog niet voorkwam in artikel 22, lid 3, van verordening nr. 4064/89, eveneens aangeeft dat de Commissie over een beoordelingsmarge beschikt bij deze analyse, die zij binnen een beperkte termijn van 10 werkdagen moet verrichten op basis van de beschikbare informatie. Artikel 22, lid 3, van verordening nr. 139/2004 bepaalt namelijk ten eerste dat de Commissie geacht wordt een besluit tot inwilliging van de verwijzing te hebben genomen indien zij niet binnen die termijn een besluit neemt. Ten tweede moet de Commissie, aangezien zij niet verplicht is om actief informatie in te winnen over de betrokken concentratie (zie punt 72 hierboven), haar analyse voornamelijk baseren op de beschikbare elementen, namelijk de in het verwijzingsverzoek opgenomen informatie, die op haar beurt is gebaseerd op de voorlopige beoordeling door de verzoekende lidstaat (zie punt 69 hierboven) en, in voorkomend geval, de informatie vervat in de door andere lidstaten op grond van artikel 22, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 ingediende aansluitingsverzoeken alsook in de eventuele door de betrokken ondernemingen ingediende opmerkingen.
153 In het licht van deze overwegingen moeten de door verzoeksters aangevoerde argumenten worden onderzocht teneinde na te gaan of daaruit blijkt dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt in haar analyse van de voorwaarde van beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten die is gesteld in artikel 22, leden 1 en 3, van verordening nr. 139/2004.
154 Met betrekking tot, in de eerste plaats, de argumenten inzake het gestelde ontbreken van een prospectieve analyse van de toekomstige gevolgen van de aan de orde zijnde concentratie voor de handel tussen de lidstaten zij opgemerkt dat de Commissie, na in de punten 57 tot en met 62 van het bestreden besluit te zijn ingegaan op de vaststellingen van de ACL en de opmerkingen van Brasserie Nationale met betrekking tot de in artikel 22, leden 1 en 3, van verordening nr. 139/2004 gestelde voorwaarde van beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten, in de punten 63 tot en met 69 van het bestreden besluit is overgegaan tot haar eigen onderzoek van deze voorwaarde.
155 Om te beginnen heeft de Commissie de structuur en de kenmerken van de relevante markten onderzocht. Ten eerste heeft zij in punt 64 van het bestreden besluit, daarbij rekening houdend met de door de ACL verstrekte informatie, vastgesteld dat de import uit andere lidstaten goed was voor een aanzienlijk deel van de via de groothandel in Luxemburg verkochte dranken, met name via het HORECA/on‑tradekanaal en voor bier. Ten tweede is zij in de punten 65 en 66 van het bestreden besluit tot de bevinding gekomen dat de omvang van de invoer via dit kanaal, althans voor bier, tevens voortkwam uit het feit dat de partijen bij de concentratie internationale en Europese biermerken in Luxemburg distribueerden. Vervolgens heeft de Commissie de marktmacht van die partijen onderzocht. In punt 67 van het bestreden besluit heeft zij vastgesteld dat het gezamenlijke marktaandeel van deze partijen op de markt voor de groothandel in dranken via dat kanaal ongeveer 80 % en, meer specifiek voor de groothandel in bier via datzelfde kanaal, meer dan 70 % bedroeg. In dat punt 67 van het bestreden besluit heeft zij daar tevens aan toegevoegd dat Brasserie Nationale op de bovenwaartse markt voor de productie en levering van bier verticaal was geïntegreerd, in die mate dat zij op die markt een marktaandeel bezat van ongeveer 40 tot 50 %. Nog steeds in dat punt 67 van het bestreden besluit heeft de Commissie daaruit afgeleid dat de daaruit voortvloeiende marktmacht op de verticaal gerelateerde markt zou kunnen leiden tot afschermingsproblemen, met name met betrekking tot de markttoegang van buiten Luxemburg gevestigde drankenproducenten zonder distributiecapaciteit in Luxemburg, die aangewezen waren op het distributienetwerk en de lokale activa van groothandelaren. Tot slot is de Commissie in de punten 63 en 69 van het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat de concentratie de handel tussen de lidstaten mogelijkerwijs kon beïnvloeden, aangezien zij in andere lidstaten gevestigde drankenproducenten, en met name bierproducenten, die in Luxemburg niet over een distributienetwerk via het HORECA/on‑tradekanaal beschikten, de toegang tot de Luxemburgse markt zou kunnen ontzeggen.
156 Hieruit volgt dat de Commissie overeenkomstig de in de punten 147 en 148 hierboven aangehaalde rechtspraak een prospectieve analyse heeft verricht van de toekomstige gevolgen die de concentratie zou kunnen hebben voor de handel tussen de lidstaten. Deze gevolgen worden benadrukt met de in de punten 67 en 69 van het bestreden besluit gebruikte bewoordingen „zou kunnen leiden” en „mogelijkerwijs”. Zoals in die punten wordt uiteengezet, hebben die gevolgen betrekking op afschermingsproblemen die met name de toegang tot de – in hoge mate importgerichte – Luxemburgse markt bemoeilijken voor in andere lidstaten gevestigde drankproducenten zonder distributiecapaciteit via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg, en vloeien zij voort uit de aanzienlijke gezamenlijke marktmacht die de partijen bij de aan de orde zijnde concentratie via dat kanaal hebben op de markt voor de groothandel in dranken, alsook uit hun verticale integratie op de bovenwaartse markt voor de productie en levering van bier.
157 In de tweede plaats moeten de argumenten worden onderzocht waarmee verzoeksters trachten de juistheid in twijfel te trekken van de door de Commissie verrichte analyse met betrekking tot de beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten, zoals die in punt 155 hierboven is samengevat.
158 Ten eerste moet worden opgemerkt dat de Commissie, anders dan verzoeksters aanvoeren, in de punten 58 tot en met 61 van het bestreden besluit niet heeft verlangd dat de concentratie de bestaande mededingingssituatie zou verbeteren, maar zich daarin heeft beperkt tot een uiteenzetting van de bevindingen van de ACL over de structuur en de kenmerken van de relevante markten.
159 Ten tweede moet erop worden gewezen dat verzoeksters de Commissie weliswaar verwijten geen gevolgen te hebben verbonden aan het in de punten 64 tot en met 66 van het bestreden besluit vermelde hoge aandeel van de import, maar dat deze omstandigheid, die verband houdt met de structuur en de kenmerken van de markt voor de groothandel in dranken via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg, tezamen met de gezamenlijke marktmacht van de partijen bij concentratie op deze markt en hun verticale integratie, impliciet maar noodzakelijkerwijs in aanmerking is genomen bij de vaststelling, in punt 67 van het bestreden besluit, van afschermingsproblemen die de toegang tot deze markt zouden bemoeilijken voor in andere lidstaten gevestigde drankproducenten zonder distributiecapaciteit via dit kanaal. Deze omstandigheid is eveneens meegenomen in de omvattende beoordeling van de Commissie in punt 69 van het bestreden besluit, zoals blijkt uit de eerste zinssnede van dit punt, namelijk „In het licht van het voorgaande”.
160 Ten derde heeft de Commissie, anders dan verzoeksters menen, wel degelijk een onderscheid gemaakt tussen de bestaande en de toekomstige mededingingssituatie, aangezien de in de punten 67 en 69 gebruikte bewoordingen „zou kunnen leiden” en „mogelijkerwijs” verwijzen naar de toekomstige gevolgen die volgens de Commissie uit de concentratie zouden kunnen voortvloeien (zie ook punt 156 hierboven).
161 Ten vierde betogen verzoeksters weliswaar dat de in punt 67 van het bestreden besluit gedane vaststelling dat internationale producenten sterk afhankelijk zijn van het distributienetwerk en de lokale activa van de groothandelaren om elk verkooppunt van het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg te bereiken, onjuist en weersproken is, maar moet worden vastgesteld dat het hier om een bewering gaat die niet is onderbouwd. Met betrekking tot de door Brasserie Nationale aan de Commissie toegezonden brief van 22 februari 2024, waarnaar verzoeksters verwijzen, moet worden vastgesteld dat in punt III.1 daarvan enkel het bestaan wordt betwist van „elk mogelijk risico, hoe indirect ook, op afscherming van de markt voor Munhowen of de groep Brasserie Nationale”, zonder dat evenwel de concrete redenen worden verduidelijkt waarom Brasserie Nationale van mening is dat er geen risico bestaat op afscherming van de markt. Verzoeksters kunnen de Commissie dan ook niet verwijten dat zij niet op alle argumenten van Brasserie Nationale heeft geantwoord. De Commissie hoefde hoe dan ook niet op elk door Brasserie Nationale in die brief aangevoerd argument te antwoorden, aangezien één enkel omvattend antwoord kan volstaan ter vervulling van de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht [zie in die zin arrest van 9 november 2022, Feralpi/Commissie, T‑657/19, EU:T:2022:691, punt 533 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
162 Ten vijfde zegt het argument dat AB InBev haar commerciële relaties met Boissons Heintz na de totstandkoming van de concentratie heeft kunnen vervangen, niets over de moeilijkheden die deze concentratie mogelijkerwijs kan opleveren voor andere producenten die toegang wensen te verkrijgen tot de markt voor de groothandel in dranken – en inzonderheid bier – via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg.
163 Ten zesde kunnen verzoeksters de Commissie niet verwijten dat zij haar conclusies over de marktmacht van de uit deze concentratie voortgekomen entiteit niet heeft gemotiveerd, aangezien de Commissie in punt 67 van het bestreden besluit heeft aangegeven dat het gezamenlijke marktaandeel van de partijen bij de concentratie ongeveer 80 % bedroeg op de Luxemburgse markt voor de groothandel in dranken via het HORECA/on‑tradekanaal en meer dan 70 % op de markt voor de groothandel in bier via datzelfde kanaal. Bovendien moet in navolging van de Commissie worden opgemerkt dat zij niet heeft beweerd dat die entiteit „te grote marktaandelen” heeft.
164 Met betrekking tot, ten zevende, het argument dat het hoge aandeel van de import erop wijst dat de Euregio SaarLorLux – namelijk Luxemburg en de aangrenzende regio’s in Duitsland, België en Frankrijk – als de geografische markt in aanmerking moet worden genomen, wordt in punt 42 van de door de Commissie aangehaalde bekendmaking van de Commissie betreffende de afbakening van de relevante markt ten behoeve van het mededingingsrecht van de Unie van 22 februari 2024 (PB C, C/2024/1645, blz. 1) aangegeven dat „louter het bestaan van invoer of de mogelijkheid om over te schakelen op invoer in een bepaald geografisch gebied niet noodzakelijk leidt tot een verruiming van de geografische markt tot het gebied vanwaar de goederen werden of kunnen worden uitgevoerd. Het is mogelijk dat afnemers in het gebied vanwaar de goederen werden of kunnen worden uitgevoerd met andere mededingingsvoorwaarden worden geconfronteerd dan afnemers in het gebied waar de goederen worden ingevoerd. In die omstandigheden zou het feit dat geografische markten zo ruim worden afgebakend dat zij ook de gebieden van uitvoer en levering van ingevoerde goederen omvatten, er ten onrechte toe kunnen leiden dat in de relevante markt gebieden worden opgenomen waar afnemers waarschijnlijk op een andere manier door de betrokken gedraging of concentratie zullen worden geraakt.”
165 De Commissie heeft het bestaan van andere mededingingsvoorwaarden aangetoond door in punt 68 van het bestreden besluit vast te stellen dat de structuur van het aanbod in Luxemburg verschillend was van die in de aangrenzende landen en dat de vraag in Luxemburg andere kenmerken vertoonde dan in de buurlanden. Verzoeksters kunnen geen afbreuk doen aan deze vaststelling door louter zonder onderbouwing te beweren dat zij niet strookt met de werkelijkheid.
166 Voor zover verzoeksters’ betoog moet worden opgevat als een betwisting van een mogelijke ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten, in geval de relevante geografische markt nationaal van omvang is, zoals in casu is vastgesteld, volstaat het te herinneren aan de in punt 149 hierboven aangehaalde rechtspraak, volgens welke de handel tussen de lidstaten zelfs ongunstig kan worden beïnvloed door een concentratie die het optreden of binnendringen van producenten of verkopers van andere lidstaten op de nationale markt bemoeilijkt, of die concurrenten uit andere lidstaten de toegang tot die markt belet.
167 Bovendien geeft Brasserie Nationale in punt III.2 van haar schrijven aan de Commissie van 22 februari 2024 zelf toe dat „het handelsverkeer tussen de lidstaten [door de concentratie] kan worden beïnvloed” doordat de relevante geografische markt samenvalt met die van de Euregio SaarLorLux. Zoals blijkt uit punt III.1 van dit schrijven is Brasserie Nationale dus de mening toegedaan dat de beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten uitsluitend moet worden toegeschreven aan andere redenen dan de ACL in haar verwijzingsverzoek in aanmerking heeft genomen.
168 Hieruit volgt dat de door verzoeksters aangevoerde argumenten niet aantonen dat de Commissie in haar analyse de beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten, zoals die is uiteengezet in punt 155 hierboven, kennelijk onjuist heeft beoordeeld.
169 Verzoeksters zijn er met name niet in geslaagd om de bevindingen in twijfel te trekken dat, ten eerste, de import goed was voor een aanzienlijk deel van de via de groothandel in Luxemburg verkochte dranken, met name via het HORECA/on‑tradekanaal en voornamelijk van bier (punten 64-66 van het bestreden besluit) en, ten tweede, het gezamenlijke marktaandeel van de partijen bij de concentratie op de Luxemburgse markt voor de groothandel in dranken via dat kanaal ongeveer 80 % en, meer specifiek voor de groothandel in bier via datzelfde kanaal, meer dan 70 % bedroeg. Bovendien betwisten verzoeksters niet dat Brasserie Nationale verticaal was geïntegreerd op de bovenwaartse markt voor de productie en levering van bier, waar zij een marktaandeel van ongeveer 40 tot 50 % had (punt 67 van het bestreden besluit).
170 In het licht van die omstandigheden, waaronder met name de aanzienlijke gezamenlijke marktmacht van de partijen bij de concentratie en hun verticale integratie op de bovenwaartse markt voor de productie en levering van bier, heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door in punt 67 van het bestreden besluit te oordelen dat de concentratie de toegang tot de Luxemburgse markt voor de groothandel in dranken – en met name bier – via het HORECA/on‑tradekanaal zou kunnen bemoeilijken voor in andere lidstaten gevestigde drankproducenten zonder distributiecapaciteit via dat kanaal in Luxemburg. Bijgevolg heeft de Commissie, gelet op de in punt 149 hierboven genoemde rechtspraak, evenmin een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door in punt 69 van het bestreden besluit te oordelen dat de concentratie de handel tussen de lidstaten ongunstig zou kunnen beïnvloeden.
171 Derhalve moet het zesde middel worden afgewezen.
Zevende middel: ontbreken van significante gevolgen voor de mededinging op het grondgebied van Luxemburg
172 Verzoeksters voeren aan dat de analyse van de Commissie met betrekking tot het bestaan van significante gevolgen voor de mededinging op het grondgebied van Luxemburg niet geloofwaardig is.
173 Met betrekking tot, ten eerste, de horizontale effecten op de markt voor de groothandel in dranken via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg, erkennen verzoeksters weliswaar het kennelijk grote marktaandeel van de uit de concentratie voortgekomen nieuwe entiteit, maar volgens hen is de relevante vraag of dit marktaandeel tot niet-gecoördineerde effecten kan leiden. Aangezien internationale groothandelaren niet in Luxemburg actief zijn geweest, brengt de concentratie geen verandering in deze situatie teweeg en kan zij bijgevolg geen nieuwe belemmeringen voor de markttoegang in het leven roepen. Weliswaar is er sprake van exclusieve banden tussen horecabedrijven en bierbrouwerijen, maar volgens verzoeksters heeft AB InBev de nieuwe entiteit na de totstandbrenging van de concentratie probleemloos weten te omzeilen. De overlapping van het merkenassortiment van de partijen bij de aan de orde zijnde concentratie is irrelevant, aangezien elke andere distributeur dezelfde merken moet kunnen aanbieden om op de markt te overleven. Wat het ontbreken van compenserende afnemersmacht van de horecabedrijven betreft, zijn verzoeksters de mening toegedaan dat de concentratie de bestaande situatie niet verergert. Zij voeren aan dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de kosten van een opslagplaats [500 000 US-dollar (USD), ongeveer 435 248 EUR] een drempel voor markttoetreding vormt voor een groothandelaar in dranken. Zij heeft geen winstgevendheidsanalyse verricht en evenmin rekening gehouden met de mogelijkheid om vanuit opslagplaatsen in België of Frankrijk te leveren.
174 Met betrekking tot, ten tweede, de horizontale effecten op de markt voor de distributie van bier via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg, betwist Brasserie Nationale de afbakening van deze markt, al is zij van mening dat de Commissie a priori het recht heeft om deze afbakening in het kader van haar eerste analyse te hanteren. In overeenstemming met hun eerder geuite kritiek voeren verzoeksters aan dat bij de controle op concentraties niet de vraag moet worden gesteld of de mededingingssituatie kan worden verbeterd, maar of de concentratie de mededinging in Luxemburg ongunstig beïnvloedt. Deze controle kan bijgevolg niet de mededingingssituatie verbeteren die vóór deze concentratie op de markt bestond.
175 Wat ten derde de niet-horizontale effecten betreft, betwisten verzoeksters de vaststelling van de Commissie dat de concentratie een belangrijke afzetmarkt voor producenten en leveranciers dreigt af te sluiten. De Commissie heeft geen rekening gehouden met bestaande alternatieven, met de mogelijkheid dat een nieuwe distributeur zich in Luxemburg vestigt en met het feit dat distributeurs uit de Euregio SaarLorLux rechtstreeks in Luxemburg kunnen leveren vanuit dicht bij de grens gelegen opslagplaatsen. Dat wordt bevestigd doordat AB InBev na de beëindiging van haar commerciële overeenkomsten met Boissons Heintz een alternatief distributienetwerk heeft kunnen vinden. Verzoeksters voeren aan dat AB InBev de persoon is die marktmacht heeft en met haar gedrag in significante mate de mededinging kan beïnvloeden, maar niet de hypothetische productietoename van Brasserie Nationale, een onderneming die tot het midden- en kleinbedrijf behoort. Volgens verzoeksters is het niet aannemelijk dat Brasserie Nationale haar prijzen kan verhogen zonder rekening te houden met de bovenwaartse concurrenten voor de levering van bier, waaronder internationale groepen zoals AB InBev, Heineken en Carlsberg Group. Bovendien betogen verzoeksters dat AB InBev zich niet mag beklagen over een moeilijke toegang tot distributeurs, aangezien zij dankzij haar voorkooprecht alle aandelen heeft kunnen verwerven van Boissons Heintz, waarvan zij tot en met 7 februari 2024 10 % van het kapitaal bezat.
176 De Commissie en AB InBev betwisten verzoeksters’ argumenten.
177 Het onderhavige middel betreft de tweede materiële voorwaarde van artikel 22, leden 1 en 3, van verordening nr. 139/2004, die inhoudt dat de concentratie „in significante mate gevolgen dreigt te hebben voor de mededinging op het grondgebied van de lidstaat of de lidstaten van welke het [verwijzings]verzoek uitgaat” (zie punt 143 hierboven).
178 In dit verband moet erop worden gewezen dat deze materiële voorwaarde, gezien de bewoordingen ervan, verschilt van het relevante criterium voor onverenigbaarverklaring van een concentratie met de interne markt dat is neergelegd in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 139/2004. Meer bepaald berust deze materiële voorwaarde, anders dan die bepaling, niet op een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging maar enkel op een „dreiging” van significante gevolgen voor de mededinging.
179 Dit verschil valt te verklaren door het feit dat een besluit op grond van artikel 22 van verordening nr. 139/2004 er enkel toe strekt om, op basis van de beschikbare informatie en binnen een beperkte termijn van 10 werkdagen, uitspraak te doen over de verwijzing van een concentratie naar de Commissie (zie ook punt 152 hierboven). Het is dus niet vergelijkbaar met een op grond van artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 139/2004 genomen besluit over de verenigbaarheid van een concentratie met de interne markt, en evenmin loopt het vooruit op een dergelijk besluit.
180 Zoals volgt uit punt 44 van de kennisgeving van het verwijzingsverzoek voldoet een concentratie aan de tweede materiële voorwaarde van artikel 22, leden 1 en 3, van verordening nr. 139/2004 wanneer uit een voorlopige beoordeling blijkt dat deze concentratie in significante mate een ongunstige invloed kan hebben op de mededinging op het grondgebied van de lidstaat of de lidstaten van welke het verwijzingsverzoek uitgaat, en dus nader onderzoek verdient. Zoals eveneens in punt 44 wordt vermeld, kunnen dergelijke voorlopige aanwijzingen besloten liggen in de aard van wat op het eerste gezicht bewijzen voor een dergelijke mogelijk in significante mate ongunstige invloed kunnen zijn, maar laten de uitkomst van een volledig onderzoek onverlet.
181 Overeenkomstig de in de punten 150 en 151 hierboven vermelde rechtspraak beschikt de Commissie, wat economische vraagstukken betreft, over een beoordelingsmarge bij de toepassing van de materiële regels van verordening nr. 139/2004, aangezien zij prospectieve economische analysen verricht om vast te stellen of het waarschijnlijk is dat er zich binnen afzienbare tijd bepaalde ontwikkelingen op de relevante markt zullen voordoen. De toetsing door de Unierechter blijft dus beperkt tot het onderzoek of de feiten materieel juist zijn en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling. Het Gerecht mag zijn economische beoordeling niet in de plaats stellen van de beoordeling van de Commissie.
182 Zoals is aangegeven in punt 152 hierboven beschikt de Commissie over een beoordelingsmarge bij de analyse van de in artikel 22, lid 3, van verordening nr. 139/2004 genoemde materiële voorwaarden, aangezien zij deze analyse op basis van de beschikbare informatie binnen een beperkte termijn van 10 werkdagen moet verrichten.
183 In het licht van deze overwegingen moeten de argumenten worden onderzocht waarmee verzoeksters de door de Commissie verrichte analyse van de voorwaarde van dreiging van significante gevolgen voor de mededinging in twijfel trachten te trekken en moet worden nagegaan of deze argumenten aantonen dat er sprake was van een kennelijke beoordelingsfout.
Analyse van de horizontale effecten
184 Vooraf zij opgemerkt dat uit punt 12 van de richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies op grond van de verordening van de Raad inzake de controle op concentraties van ondernemingen (PB 2004, C 31, blz. 5; hierna: „richtsnoeren inzake horizontale concentraties”), waaraan de Commissie gebonden is, voor zover deze niet afwijken van de bepalingen van het Verdrag en van verordening nr. 139/2004 (zie arrest van 7 juni 2013, Spar Österreichische Warenhandels/Commissie, T‑405/08, niet gepubliceerd, EU:T:2013:306, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak), volgt dat de Commissie, om de voorzienbare gevolgen van een fusie voor de relevante markten te beoordelen, de mogelijke concurrentieverstorende gevolgen ervan analyseert, zoals de gecoördineerde en de niet-gecoördineerde effecten, alsook de relevante factoren die voor tegenwicht zorgen, zoals afnemersmacht, de omvang van de toetredingsbarrières en de eventuele efficiëntieverbeteringen die door de partijen naar voren worden gebracht.
185 Met betrekking tot, in de eerste plaats, de markt voor de groothandel in dranken via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg, is de Commissie in punt 73 van het bestreden besluit tot de slotsom gekomen dat de aan de orde zijnde concentratie niet-gecoördineerde effecten dreigde teweeg te brengen als gevolg van horizontale overlappingen op deze markt.
186 Ten eerste heeft de Commissie in punt 74 van het bestreden besluit erop gewezen dat de concentratie leek te resulteren in een hoog gezamenlijk marktaandeel van de partijen bij deze concentratie van 70 tot 80 %. Hoewel verzoeksters erkennen dat de uit de concentratie voortgekomen entiteit een kennelijk groot marktaandeel heeft, zijn zij van mening dat de vraag moet worden gesteld of dat marktaandeel niet-gecoördineerde effecten mee kan brengen. Zoals evenwel volgt uit de punten 26 en 27 van de richtsnoeren inzake horizontale concentraties, vormen de samengevoegde marktaandelen een belangrijke factor om te bepalen of een concentratie vermoedelijk aanleiding zal geven tot dergelijke effecten. Bovendien volgt uit punt 17 van deze richtsnoeren dat een marktaandeel van 50 % of meer op zichzelf een voldoende bewijs vormt voor het bestaan van een machtspositie op de markt.
187 Ten tweede betwisten verzoeksters niet de in punt 75 van het bestreden besluit gedane vaststelling dat hun concurrenten, die elk beperkte marktaandelen van minder dan 5 % bezaten, niet bij machte bleken om concurrentiedruk uit te oefenen op de uit de concentratie voortgekomen entiteit en de markt waarschijnlijk een voor een zouden verlaten. Evenmin betwisten verzoeksters dat internationale marktdeelnemers niet in Luxemburg actief waren, zoals de Commissie in dat punt heeft opgemerkt. Deze vaststellingen wijzen erop dat die entiteit een aanzienlijk groter marktaandeel heeft dan haar eerstvolgende concurrent en dat het risico bestaat dat de concurrentiedruk wordt uitgeschakeld. Overeenkomstig punt 25 van de richtsnoeren inzake horizontale concentraties zijn dit factoren waarmee rekening moet worden gehouden en waaraan niet kan worden afgedaan met de bewering dat de afwezigheid van internationale marktdeelnemers in Luxemburg een situatie vormt die na de totstandbrenging van deze concentratie ongewijzigd blijft.
188 Aangezien de Commissie in de punten 76 en 77 van het bestreden besluit heeft vastgesteld dat de partijen bij de concentratie naaste concurrenten waren met een aanzienlijke marktmacht en waarvan het merkenassortiment grote overlappingen vertoonde, moet er ten derde op worden gewezen dat dit element overeenkomstig punt 28 van de richtsnoeren inzake horizontale concentraties moet worden meegenomen. Het is inderdaad minder waarschijnlijk dat een concentratie de daadwerkelijke mededinging op significante wijze zal belemmeren wanneer er een hoge mate van inwisselbaarheid bestaat tussen de producten van de partijen bij de concentratie en die van rivaliserende producenten, zoals uit dat punt volgt. De vage en niet-onderbouwde bewering van verzoeksters dat alle distributeurs in staat zijn om grote internationale drankmerken te distribueren, is echter niet toereikend om een dergelijke hoge mate van inwisselbaarheid aan te tonen en doet evenmin af aan de overlappingen tussen de merkenassortimenten van Boissons Heintz en Munhowen die, zoals in punt 76 van het bestreden besluit is uiteengezet, betrekking hadden op 31 merken, waaronder vooral Luxemburgse bier‑ en mineraalwatermerken.
189 Ten vierde heeft de Commissie in punt 78 van het bestreden besluit opgemerkt dat de afnemers – ongeveer 2 700 bars, hotels en restaurants – niet over voldoende afnemersmacht leken te beschikken om tegenwicht te bieden aan de marktmacht van de uit de concentratie voortgekomen nieuwe entiteit. Verzoeksters kunnen aan deze vaststelling niet afdoen door te stellen dat deze situatie niet nieuw is en door de concentratie niet zal verergeren. Op grond van punt 65 van de richtsnoeren inzake horizontale concentraties was de Commissie namelijk verplicht om na te gaan in hoeverre de afnemers van deze entiteit in een positie verkeerden om tegenwicht te bieden aan de toegenomen marktmacht waartoe deze concentratie vermoedelijk zou leiden, een toename die overigens niet door verzoeksters wordt betwist (zie punt 186 hierboven). Volgens dit punt 65 valt dit soort compenserende afnemersmacht eerder te verwachten van grote en geavanceerde afnemers dan van kleinere ondernemingen in een gefragmenteerde bedrijfstak. In punt 67 van deze richtsnoeren wordt gepreciseerd dat een concentratie van twee aanbieders de afnemersmacht kan reduceren wanneer daarmee een geloofwaardig alternatief wordt weggenomen. In casu kan dit het geval zijn, aangezien uit het bestreden besluit volgt dat deze zelfde concentratie leidt tot een samenvoeging van de marktaandelen van de twee grootste distributeurs op de relevante markt (punten 73 en 74 van het bestreden besluit), die voordien naaste concurrenten waren met een overlappend merkenassortiment (punten 76 en 77 van het bestreden besluit).
190 Ten vijfde heeft de Commissie in punt 79 van het bestreden besluit geoordeeld dat potentiële nieuwe marktdeelnemers kennelijk te maken hadden met aanzienlijke drempels voor toetreding tot de groothandelsmarkt in Luxemburg vanwege de noodzaak aan aanzienlijke investeringen, en wel in, ten eerste, opslagruimte in pakhuizen waaraan in Luxemburg een grote schaarste heerste en waarvan de bouwkosten tot 500 000 USD (ongeveer 435 248 EUR) per jaar konden oplopen voor een capaciteit van ongeveer 17 000 hectoliter (hl) en, ten tweede, het noodzakelijke vrachtwagenpark.
191 In dit verband merkt het Gerecht op dat verzoeksters erkennen dat de kosten van 500 000 USD (ongeveer 435 248 EUR) voor opslagruimte aannemelijk zijn. Voor zover zij van mening zijn dat de Commissie had moeten nagaan of dit bedrag op zichzelf een toetredingsdrempel vormde, volstaat het op te merken dat zij de noodzaak aan andere investeringen, zoals in een vrachtwagenpark, niet betwisten. Als gevolg van deze noodzakelijke kosten lijken de gevestigde distributeurs in Luxemburg te beschikken over voordelen ten opzichte van hun potentiële concurrenten, die overeenkomstig punt 70 van de richtsnoeren inzake horizontale concentraties toetredingsdrempels kunnen vormen.
192 Het is juist dat in de Euregio SaarLorLux gelegen pakhuizen voor markttoetreding kunnen worden gebruikt, zoals verzoeksters aanvoeren. Niettemin zijn er in de afgelopen periode geen nieuwe concurrenten tot de markt toegetreden, zoals de Commissie in punt 79 van het bestreden besluit heeft vastgesteld, wat volgens punt 70 van deze richtsnoeren eveneens kan wijzen op het bestaan van toetredingsdrempels.
193 In ieder geval moet eraan worden herinnerd dat, wil toetreding in voldoende mate concurrentiedruk op de partijen bij de concentratie leggen, moet worden aangetoond dat de toetreding waarschijnlijk, tijdig en in voldoende mate zal plaatsvinden om de eventuele concurrentiebeperkende gevolgen van de concentratie te voorkomen of te neutraliseren, zoals volgt uit punt 68 van die richtsnoeren. Verzoeksters hebben dergelijk bewijs echter niet geleverd. Zij hebben daarentegen zelf toegegeven dat er sprake is van exclusieve banden tussen horecabedrijven en bierbrouwerijen, wat de toetreding van een nieuwe concurrent verder kan bemoeilijken, zoals volgt uit punt 69 van die richtsnoeren. Hieraan wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat AB InBev haar commerciële relaties heeft kunnen vervangen, aangezien die omstandigheid niet aantoont dat er nieuwe concurrenten tot de markt zijn toegetreden, en evenmin dat er in voldoende mate concurrentiedruk is gelegd op de partijen bij de concentratie.
194 Met betrekking tot, in de tweede plaats, de markt voor de groothandel in bier via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg, is de Commissie in punt 80 van het bestreden besluit tot de slotsom gekomen dat de concentratie niet-gecoördineerde effecten dreigde teweeg te brengen als gevolg van horizontale overlappingen op deze markt.
195 Meer in het bijzonder heeft zij geoordeeld dat de concentratie zou kunnen leiden tot hoge gezamenlijke marktaandelen (punt 81 van het bestreden besluit) en dat de overwegingen met betrekking tot de groothandel in alle dranken via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg van overeenkomstige toepassing waren op de markt in kwestie, met name de overwegingen met betrekking tot het beperkte aantal concurrenten met slechts marginale marktaandelen, het feit dat de partijen bij deze concentratie naaste concurrenten waren, het ontbreken van compenserende afnemersmacht bij de afnemers en het bestaan van hoge toetredingsdrempels (punt 83 van het bestreden besluit).
196 Ten eerste bekritiseren verzoeksters de begrenzing van de markt van de bierdistributie tot het HORECA/on‑tradekanaal. In dit verband heeft de Commissie in punt 52 van het bestreden besluit aangegeven dat zij tijdens de voorfase van de procedure niet kon uitsluiten dat deze markt een afzonderlijke markt vormde, maar heeft zij daarbij tegelijkertijd opgemerkt dat haar analyse de uitkomst van het volledige onderzoek naar de verenigbaarheid van de aan de orde zijnde concentratie met de interne markt onverlet liet, een onderzoek dat zij na de inwilliging van het verwijzingsverzoek zou voeren. Aangezien verzoeksters zelf erkennen dat de Commissie a priori het recht heeft om deze afbakening van de relevante markt in het kader van een eerste analyse te hanteren en gelet op het feit dat zij geen argumenten aanvoeren ten gunste van een alternatieve afbakening van deze markt, kan hun kritiek niet slagen.
197 Ten tweede zijn verzoeksters van mening dat het bestreden besluit alleen de situatie beschrijft die vóór de concentratie bestond en dat daarin niet wordt nagegaan of die situatie de mededinging in Luxemburg ongunstig beïnvloedde. Indien een van de partijen bij deze concentratie reeds vóór de concentratie over een dominante machtspositie op de relevante markt beschikte, kan deze situatie inderdaad buiten het onderzoek naar de gevolgen van de concentratie voor de mededinging blijven. Dat geldt echter niet wanneer de machtspositie op een relevante markt voortvloeit uit de concentratie of daardoor wordt versterkt (zie in die zin arrest van 23 mei 2019, KPN/Commissie, T‑370/17, EU:T:2019:354, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het is met name die laatste situatie die de Commissie in casu voor ogen heeft gehad. De toekomstige en potentiële gevolgen van de concentratie worden benadrukt met de formulering „lijkt te leiden tot hoge samengevoegde marktaandelen van de partijen”, zoals gebruikt in punt 81 van het bestreden besluit. Zoals bovendien is uiteengezet in punt 186 hierboven vormen de samengevoegde marktaandelen een belangrijke factor om te bepalen of een concentratie vermoedelijk aanleiding zal geven tot niet-gecoördineerde effecten.
198 Hieruit volgt dat de door verzoeksters aangevoerde argumenten niet aantonen dat de Commissie in haar analyse de horizontale effecten van de concentratie kennelijk onjuist heeft beoordeeld.
199 Meer in het bijzonder wordt niet betwist dat, ten eerste, de concentratie resulteert in een hoog gezamenlijk marktaandeel van de partijen bij deze concentratie op de Luxemburgse markten voor de groothandel in dranken en bier via het HORECA/on‑tradekanaal (zie de punten 186 en 195 hierboven) en, ten tweede, de concurrenten van deze partijen zeer geringe marktaandelen hebben (zie de punten 187 en 195 hierboven). Het hebben van omvangrijke marktaandelen is echter zeer significant en de verhouding tussen de marktaandelen van de bij de concentratie betrokken ondernemingen en die van hun concurrenten, met name die van de eerstvolgende concurrenten, is een bruikbare indicatie voor het bestaan van een machtspositie of van een aanzienlijke belemmering van de daadwerkelijke mededinging (zie in die zin arrest van 20 december 2023, Naturstrom/Commissie, T‑60/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:839, punt 342).
200 Bovendien zijn de partijen bij de aan de orde zijnde concentratie naaste concurrenten met een grotendeels overlappend merkenassortiment (zie de punten 188 en 195 hierboven) en beschikken hun afnemers niet over voldoende compenserende afnemersmacht (zie de punten 189 en 195 hierboven). Daarenboven is niet aangetoond dat het waarschijnlijk is dat er nieuwe concurrenten tot de markt zullen toetreden (zie de punten 190‑193 en 195 hierboven).
201 In die omstandigheden heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door in de punten 73 en 80 van het bestreden besluit te oordelen dat de concentratie niet-gecoördineerde effecten dreigde teweeg te brengen als gevolg van horizontale overlappingen op de Luxemburgse markten voor de groothandel in dranken en bier via het HORECA/on‑tradekanaal.
Analyse van de niet-horizontale effecten
202 In punt 84 van het bestreden besluit is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de concentratie een risico van klantafscherming in zich droeg als gevolg van niet-horizontale overlappingen tussen enerzijds de markt voor de productie en de levering van bier via het HORECA/on‑tradekanaal, en anderzijds de Luxemburgse markten voor de groothandel in dranken (waaronder bier) en de kleinere markt die uitsluitend beperkt is tot de groothandel in bier via datzelfde kanaal.
203 Overeenkomstig punt 59 van de richtsnoeren voor de beoordeling van niet-horizontale fusies op grond van de verordening van de Raad inzake de controle op concentraties van ondernemingen (PB 2008, C 265, blz. 6; hierna: „richtsnoeren inzake niet-horizontale concentraties”), waaraan de Commissie op grond van de in punt 184 hierboven aangehaalde rechtspraak gebonden is, dient de Commissie bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid dat een concurrentieverstorende vorm van klantafscherming zich voordoet ten eerste te onderzoeken of de gefuseerde entiteit na de fusie de mogelijkheid zou hebben om de toegang tot benedenwaartse markten te belemmeren door haar aankopen bij bovenwaartse concurrenten te beperken, ten tweede of zij de prikkel zou hebben om dit te doen en ten derde of een afschermingsstrategie de verbruikers op de benedenwaartse markt aanzienlijk zou schaden.
204 Uit de punten 85 tot en met 87 van het bestreden besluit blijkt dat de Commissie deze drie cumulatieve voorwaarden in casu heeft onderzocht, zonder dat deze werkwijze door verzoeksters is bekritiseerd.
205 Ten eerste heeft de Commissie in punt 85 van het bestreden besluit geoordeeld dat de uit de concentratie voortgekomen entiteit de mogelijkheid zou hebben om de toegang van haar bovenwaartse concurrenten voor de productie en de levering van bier via het HORECA/on‑tradekanaal tot een voldoende groot klantenbestand in Luxemburg te beperken. In dit verband betwisten verzoeksters niet dat het samengevoegde marktaandeel van de partijen bij deze concentratie tussen 70 en 80 % bedroeg op de benedenwaartse markten, namelijk de Luxemburgse markten voor de groothandel in alle dranken en de groothandel in bier via dit kanaal. Evenmin betwisten zij dat de in Luxemburg en andere lidstaten gevestigde producenten en leveranciers van bier op deze partijen een beroep doen als distributiekanaal. Deze factoren wijzen erop dat die entiteit een aanzienlijke mate van marktmacht op de benedenwaartse markten heeft in de zin van punt 61 van de richtsnoeren inzake niet-horizontale concentraties en een belangrijke afzetmogelijkheid vormt voor die producenten en leveranciers, zoals de Commissie in punt 85 van het bestreden besluit heeft opgemerkt.
206 Voor zover verzoeksters stellen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met bestaande alternatieven in Luxemburg, volgt uit punt 85 van het bestreden besluit eveneens, zonder dat dit door verzoeksters wordt betwist, dat geen van de concurrerende distributeurs en groothandelaren over een marktaandeel van meer dan 5 % beschikt en dat zij dus geen geloofwaardig alternatief vormen wegens hun relatief beperkte omvang. Om de in de punten 192 en 193 hierboven aangegeven redenen kunnen in de Euregio SaarLorLux gevestigde distribiteurs, anders dan verzoeksters menen, niet worden geacht een toereikende concurrentiedruk uit te oefenen. Bijgevolg komt geen relevantie toe aan het feit dat AB InBev haar commerciële relaties heeft kunnen vervangen. Evenmin is het relevant dat AB InBev de vennootschap Boissons Heintz niet zelf heeft overgenomen door gebruikmaking van haar voorkooprecht, aangezien het hier om een zelfstandig genomen economische beslissing van deze onderneming gaat. Een onderneming op de bovenwaartse markt kan namelijk niet worden verplicht om zelf de benedenwaartse markt te betreden om de toegangsvoorwaarden daartoe te verbeteren.
207 Ten tweede heeft de Commissie in punt 86 van het bestreden besluit geoordeeld dat de uit de concentratie voortgekomen entiteit de prikkel zou hebben om de toegang van haar bovenwaartse concurrenten voor de productie en de levering van bier via het HORECA/on‑tradekanaal tot een voldoende groot klantenbestand in Luxemburg te beperken. In dat punt heeft zij erop gewezen dat Brasserie Nationale een marktaandeel van 40 tot 50 % bezat en over een jaarlijkse productiecapaciteit van 240 000 hl beschikte, terwijl haar bierproductie in 2022 slechts 155 000 hl bedroeg. Verzoeksters betwisten deze vaststelling met het argument dat de verdubbeling van hun productie ten opzichte van de grote internationale groepen onrealistisch zou zijn en dat een verhoging van de productie van Brasserie Nationale de mededinging niet ongunstig zou beïnvloeden. Zij voegen daaraan toe dat Brasserie Nationale slechts een klein of middelgroot bedrijf is en dat AB InBev alle marktmacht heeft.
208 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie niet heeft geoordeeld dat Brasserie Nationale haar productie zou kunnen verdubbelen, aangezien zij in punt 86 van het bestreden besluit de productie van deze onderneming in 2022, die 155 000 hl bedroeg, heeft vergeleken met haar potentiële jaarlijkse productiecapaciteit van 240 000 hl. Aangezien deze cijfers door verzoeksters niet zijn betwist, volgt hieruit dat Brasserie Nationale over een onbenutte extra productiecapaciteit van 85 000 hl beschikte die haar in staat stelde om haar productie met die hoeveelheid te verhogen.
209 Bovendien moet erop worden gewezen dat de prikkel tot afscherming afhangt van de rentabiliteit, zodat de uit de concentratie voortgekomen entiteit een afweging moet maken tussen de mogelijke kosten in verband met de afscherming van de benedenwaartse markt voor haar bovenwaartse concurrenten en de eventuele winst die zij hiermee kan behalen, zoals is aangegeven in punt 68 van de richtsnoeren inzake niet-horizontale concentraties. De andere argumenten waarmee verzoeksters opkomen tegen de in punt 86 van het bestreden besluit opgenomen conclusies van de Commissie met betrekking tot de prikkel om de toegang tot de benedenwaartse markt te beperken, hebben evenwel geen betrekking op de rentabiliteit van een dergelijke afschermingsstrategie, maar alleen op de mededingingsgevolgen daarvan. Deze argumenten zullen derhalve worden onderzocht in het kader van het onderzoek van de mededingingsgevolgen van een afschermingsstrategie in de navolgende punten 211 en 212.
210 In die omstandigheden kunnen verzoeksters, gelet op de in punt 208 hierboven vermelde extra productiecapaciteit en het in punt 207 hierboven vermelde marktaandeel van Brasserie Nationale, dat niet door hen is betwist, de Commissie niet verwijten dat zij in punt 86 van het bestreden besluit heeft geoordeeld dat niet kon worden uitgesloten dat de uit de concentratie voortgekomen entiteit de prikkel zou hebben om de distributie van haar eigen bierproductie te bevoordelen en de behaalde winst uit haar hogere marktaandeel op de benedenwaartse markt te vergroten ten koste van afgeschermde concurrenten.
211 Ten derde heeft de Commissie in punt 87 van het bestreden besluit geoordeeld dat elke klantafschermingsstrategie significante gevolgen dreigde te hebben voor de bovenwaartse markt voor de productie en de levering van bier via het HORECA/on‑tradekanaal en voor de biersector in zijn geheel. Meer in het bijzonder heeft zij geoordeeld dat niet kon worden uitgesloten dat Brasserie Nationale, gelet op haar belangrijke positie op deze markt, extra verkoopvolumen zou kunnen binnenhalen als gevolg van de afscherming van bovenwaartse concurrenten en dat elke klantafschermingsstrategie zou kunnen uitmonden in hogere prijzen of in een beperktere keuze voor afnemers, met name als gevolg van het ontbreken van toegang tot de benedenwaartse markt voor bovenwaartse concurrenten of een stijging van de kosten voor benedenwaartse concurrenten. Verzoeksters betwisten deze redenering met het argument dat het niet aannemelijk is dat Brasserie Nationale haar prijzen kan verhogen zonder dat haar afnemers zich tot de concurrentie wenden, aangezien de bovenwaartse concurrenten grote internationale groepen als AB InBev, Carlsberg Group of Heineken zijn.
212 Er wordt niet betwist dat Brasserie Nationale, zoals de Commissie in punt 87 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, een geschat marktaandeel van 40 tot 50 % heeft op de bovenwaartse markt voor de productie en de levering van bier via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg en dat het samengevoegde marktaandeel van de partijen bij de concentratie ongeveer 70 tot 80 % bedraagt op de Luxemburgse markten voor de groothandel in alle dranken en de groothandel in bier via dit kanaal, zoals blijkt uit punt 85 van het bestreden besluit. Gelet op de belangrijke positie die de uit deze concentratie voortgekomen entiteit inneemt op die markten, kan zonder aanvullend bewijsmateriaal niet worden vastgesteld dat internationale groepen bij machte zijn om in voldoende mate concurrentiedruk uit te oefenen op deze entiteit. Zelfs indien kan worden aangenomen dat een verhoging van de productie door Brasserie Nationale hoegenaamd geen nadelige gevolgen voor deze internationale marktdeelnemers zou hebben, zou dit, zoals de Commissie aanvoert, niet het geval zijn voor andere en kleinere concurrenten op de bovenwaartse markt.
213 Hieruit volgt dat de door verzoeksters aangevoerde argumenten niet aantonen dat de Commissie een kennelijk onjuiste beoordeling heeft gemaakt in de door haar verrichte analyse van de niet-horizontale effecten van de concentratie.
214 Met name gelet op, ten eerste, de aanzienlijke macht en de belangrijke rol als distributiekanaal van de partijen bij de concentratie op de benedenwaartse markten (zie de punten 205 en 206 hierboven) en, ten tweede, het hoge marktaandeel van Brasserie Nationale op de bovenwaartse markt (zie de punten 207 en 208 hierboven), heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door in de punten 85 en 86 van het bestreden besluit te oordelen dat de uit de concentratie voortgekomen entiteit zowel de mogelijkheid zou hebben om de toegang van haar bovenwaartse concurrenten tot een voldoende groot klantenbestand in Luxemburg te beperken alsook de prikkel zou hebben om dit te doen. Evenzo heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door in punt 87 van het bestreden besluit te oordelen dat een dergelijke klantafschermingsstrategie significante gevolgen dreigde te hebben voor de daadwerkelijke mededinging op de bovenwaartse markt en op de biermarkt in zijn geheel, met name wegens de negatieve effecten als gevolg van het ontbreken van toegang tot de benedenwaartse markt voor bovenwaartse concurrenten (zie punt 211 hierboven).
215 In het licht van bovenstaande overwegingen moet worden geconcludeerd dat verzoeksters er niet in zijn geslaagd om de voorlopige analysen van de horizontale en niet-horizontale effecten van de concentratie in twijfel te trekken en dat de Commissie, zonder blijk te geven van een kennelijk onjuiste beoordeling, in punt 88 van het bestreden besluit tot de conclusie kon komen dat deze concentratie „significante gevolgen dreigde te hebben voor de mededinging op de bovenwaartse markt voor de productie en de levering van bier via het HORECA/on‑tradekanaal in Luxemburg, alsook op de benedenwaartse markten voor de groothandel in alle dranken via dat kanaal in Luxemburg en voor de groothandel in bier via dat kanaal in Luxemburg”.
216 Derhalve moet het zevende middel worden afgewezen.
Achtste middel: irrelevantie van de overwegingen met betrekking tot de passendheid van de verwijzing
217 Verzoeksters betwisten de overweging van de Commissie dat, bij gebreke van een regeling voor concentratiecontrole in Luxemburg, de inwilliging van het verwijzingsverzoek passend is en binnen haar beoordelingsbevoegdheid valt. Zij benadrukken dat de toepassingsvoorwaarden voor de regeling in artikel 22 van verordening nr. 139/2004 in lid 3 van dat artikel zijn neergelegd. Een dergelijke regeling laat geen ruimte voor opportuniteitsoverwegingen, zodat de vraag of die inwilliging passend is, niet aan de orde is. Dat geldt temeer daar het om een uitzonderingsregeling gaat.
218 Verzoeksters zijn van mening dat dit artikel historisch gezien weliswaar het ontbreken van concentratiecontrole in bepaalde lidstaten zoals Luxemburg heeft kunnen compenseren, maar dat dat 20 jaar na de vaststelling van verordening nr. 139/2004 niet langer rechtens toelaatbaar is. Volgens hen hebben de Raad van de Europese Unie, de Commissie en het Europees Parlement, indien zij concentratiecontrole in elke lidstaat verplicht hadden willen stellen, daarvoor 20 jaar de tijd gehad. In antwoord op een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde mondelinge vraag hebben verzoeksters gepreciseerd dat zij met hun betoog als zodanig niet wilden afdoen aan de algemene mogelijkheid waarover het Groothertogdom Luxemburg beschikt om een verwijzingsverzoek op grond van artikel 22, lid 1, van de verordening in te dienen.
219 De Commissie en AB InBev betwisten verzoeksters’ argumenten.
220 Vooraf moet erop worden gewezen dat artikel 22 van verordening nr. 139/2004 de lidstaten die niet over een nationale regeling voor concentratiecontrole beschikken, in staat stelt om de Commissie te verzoeken concentraties te controleren die negatieve gevolgen op hun grondgebied kunnen hebben, wanneer deze concentraties ook de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden (zie in die zin arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie, C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677, punten 147, 164 en 199).
221 Bijgevolg stelt artikel 22 van verordening nr. 139/2004 het Groothertogdom Luxemburg in staat om het onderzoek van een concentratie naar de Commissie te verwijzen, ook al beschikt deze lidstaat niet over een nationale regeling voor concentratiecontrole.
222 Overeenkomstig artikel 22, lid 3, van verordening nr. 139/2004 „kan” de Commissie besluiten om een concentratie te onderzoeken waarop een dergelijk verwijzingsverzoek betrekking heeft, indien is voldaan aan de in deze bepaling gestelde formele en materiële voorwaarden.
223 Hoewel hieruit volgt dat voor de inwilliging van een verwijzingsverzoek aan deze voorwaarden moet zijn voldaan, wordt met het gebruik van het woord „kan” aangegeven dat de Commissie niet verplicht is om een dergelijk verzoek in te willigen, maar over een beoordelingsmarge ter zake beschikt. Zoals in punt 7 van de kennisgeving van het verwijzingsverzoek is uiteengezet, behoudt de Commissie dan ook een aanzienlijke beoordelingsmarge bij het besluit om overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 139/2004 in te stemmen met het onderzoek van concentraties die op grond van die verordening niet binnen haar oorspronkelijke bevoegdheid vallen.
224 De Commissie had dus het recht om met inachtneming van de gegevens van de situatie in het hoofdgeding te beoordelen of de verwijzing van de concentratie passend was. Meer in het bijzonder kunnen verzoeksters de Commissie niet verwijten dat zij in punt 92 van het bestreden besluit rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het Groothertogdom Luxemburg niet beschikte over een regeling voor concentratiecontrole en dat de aan de orde zijnde concentratie en de gevolgen daarvan, bij niet-inwilliging van het verwijzingsverzoek, niet zouden worden beoordeeld aan de hand van enige andere regeling voor concentratiecontrole.
225 Derhalve moet het achtste middel worden afgewezen.
Kosten
226 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie.
227 Overeenkomstig artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering dragen AB InBev en de ACL elk hun eigen kosten.
HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Brasserie Nationale (voorheen Brasserie Funck-Bricher en Brasserie Bofferding) en Munhowen SA worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.
3) Anheuser-Busch InBev en de Autorité de concurrence du Grand-Duché de Luxembourg dragen elk hun eigen kosten.
|
Costeira |
Kancheva |
Öberg |
|
Zilgalvis |
Tichy-Fisslberger |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 juli 2025.
ondertekeningen
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
Betrokken entiteiten
Aan de orde zijnde concentratie
Verzoek om verwijzing naar de Commissie
Bestreden besluit
Conclusies van partijen
In rechte
Vertegenwoordiging van verzoeksters door een onafhankelijk advocaat
Eerste middel: schending van de geldende taalregeling van verordening nr. 1
Tweede middel: niet-inachtneming van de in artikel 22, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004 neergelegde termijn van 15 werkdagen
Uitlegging van het begrip „kenbaarmaking”
Aanvangstijdstip van de termijn van 15 werkdagen in deze zaak
Verificatie door de Commissie van de inachtneming van de termijn van 15 werkdagen
Gestelde schending van het vertrouwens en het rechtszekerheidsbeginsel
Derde middel: schending van de in artikel 22, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 neergelegde termijn
Vierde middel: tardieve kennisgeving van het bestreden besluit
Vijfde middel: schending van de rechten van de verdediging alsook van de beginselen van wapengelijkheid, eerlijke procedure en gewettigd vertrouwen
Zesde middel: ontbreken van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten
Zevende middel: ontbreken van significante gevolgen voor de mededinging op het grondgebied van Luxemburg
Analyse van de horizontale effecten
Analyse van de niet-horizontale effecten
Achtste middel: irrelevantie van de overwegingen met betrekking tot de passendheid van de verwijzing
Kosten
* Procestaal: Frans.