ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
9 juli 2025 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Administratieve procedure – Besluit waarbij een inspectie wordt gelast – Artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 – Voorwerp en doel van de inspectie – Motiveringsplicht – Voldoende ernstige aanwijzingen – Bescherming van persoonlijke levenssfeer – Rechterlijke toetsing”
In zaak T‑188/24,
Compagnie générale des établissements Michelin, gevestigd te Clermont-Ferrand (Frankrijk), vertegenwoordigd door E. Sarrazin, J. Brousseau en J.‑P. Gunther, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Baumé, N. Cambien en M. Domecq als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Marcoulli, president, V. Tomljenović en L. Spangsberg Grønfeldt (rapporteur), rechters,
griffier: L. Ramette, administrateur,
gezien de stukken, met name:
|
– |
het op 8 april 2024 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift; |
|
– |
de eerste maatregelen tot organisatie van de procesgang van 16 december 2024 en de door verzoekster en de Commissie op respectievelijk 16 en 20 januari 2025 ter griffie van het Gerecht ingediende antwoorden; |
|
– |
de tweede maatregelen tot organisatie van de procesgang van 4 februari 2025 en de door verzoekster en de Commissie op respectievelijk 21 en 19 februari 2025 ter griffie van het Gerecht ingediende antwoorden, |
na de terechtzitting op 5 maart 2025,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Met haar krachtens artikel 263 VWEU ingestelde beroep verzoekt verzoekster, Compagnie générale des établissements Michelin, om nietigverklaring van besluit C(2024) 243 final van de Commissie van 10 januari 2024, waarbij zijzelf en alle direct of indirect onder haar zeggenschap staande vennootschappen worden gelast om zich te onderwerpen aan een inspectie overeenkomstig artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (zaak AT.40863 – Hoops) (hierna: „bestreden besluit”). |
I. Voorgeschiedenis van het geding
|
2 |
Verzoekster is onder meer actief in de productie en de verkoop van banden voor personenauto’s en vrachtwagens in de Europese Economische Ruimte (EER) en wereldwijd. |
|
3 |
Op 10 januari 2024 heeft de Europese Commissie, in het kader van een ambtshalve ingeleid onderzoek, het bestreden besluit vastgesteld, waarbij verzoekster werd gelast zich aan een inspectie te onderwerpen overeenkomstig artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1). |
|
4 |
Artikel 1 van het bestreden besluit luidt als volgt: „[Verzoekster dient] zich aan een inspectie te onderwerpen met betrekking tot [haar] eventuele deelname aan overeenkomsten of gedragingen die in strijd zijn met artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De vermoedelijke overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen hebben betrekking op de coördinatie tussen de belangrijkste bandenfabrikanten van de prijzen (met name de groothandelsprijzen) van nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens binnen de EER. De vermoedelijke overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen bestaan uit de opzettelijke gebruikmaking van de openbare mededelingen van de ondernemingen om elkaar onderling te informeren over hun respectieve toekomstige voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling teneinde op die manier hun respectieve prijsbeleid te beïnvloeden. Deze inspectie kan plaatsvinden in alle lokalen van [verzoekster] en in het bijzonder de lokalen [in] Frankrijk.” |
|
5 |
In artikel 2, lid 2, van het bestreden besluit herinnert de Commissie eraan dat haar inspecteurs tijdens de inspectie bevoegd zijn om documenten in beslag te nemen. Artikel 3 van het bestreden besluit preciseert dat de inspectie een aanvang kan nemen op of kort na 30 januari 2024. |
|
6 |
De relevante motivering van het bestreden besluit is te vinden in de volgende overwegingen:
[...]
|
|
7 |
Op 30 januari 2024 hebben inspecteurs van de Commissie, vergezeld van vertegenwoordigers van de Autorité de la Concurrence (Frankrijk), zich in de lokalen van verzoekster begeven teneinde haar in kennis te stellen van het bestreden besluit en over te gaan tot de inspectie. In het kader van deze inspectie heeft de Commissie de kantoren bezocht, materiaal verzameld (laptops, mobiele telefoons, tablets, opslagapparatuur), verschillende personen ondervraagd en de inhoud van het verzamelde materiaal gekopieerd. |
|
8 |
Op 2 februari 2024 is de inspectie opgeschort. |
|
9 |
Nadat de inspectie was opgeschort, heeft verzoekster de Commissie een op 2 februari 2024 gedateerd document toegezonden. Daarin heeft zij een aantal bedenkingen tegen de inhoud van het bestreden besluit en het verloop van de inspectie geuit, waarbij zij zowel de materiële en temporele omvang van de vermoedelijke inbreuk als een aantal verzoeken die de inspecteurs van de Commissie tijdens de inspectie hadden gedaan, bekritiseerde. |
|
10 |
Op 4 maart 2024 werd de inspectie in de lokalen van de Commissie te Brussel (België) hervat. De inspectie is afgerond op 7 maart 2024. |
II. Conclusies van partijen
|
11 |
In de laatste versie van haar memories verzoekt verzoekster het Gerecht in wezen:
|
|
12 |
De Commissie verzoekt het Gerecht:
|
III. In rechte
|
13 |
Op procedureel vlak moet vooraf worden opgemerkt dat de Commissie in het stadium van het verweerschrift toelichtingen en feitelijke gegevens heeft verstrekt teneinde het Gerecht in staat te stellen te bepalen of de Commissie over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte om een inbreuk op de mededingingsregels te vermoeden en dus haar besluit te rechtvaardigen om haar inspectiebevoegdheden in de lokalen van verzoekster aan te wenden. |
|
14 |
Naar aanleiding hiervan heeft het Gerecht twee reeksen maatregelen tot organisatie van de procesgang vastgesteld, zodat verzoekster haar opmerkingen over deze toelichtingen en feitelijke gegevens kenbaar kon maken en de Commissie bepaalde stellingen in het bestreden besluit kon verduidelijken. |
|
15 |
In het kader van de eerste maatregelen tot organisatie van de procesgang is verzoekster in de gelegenheid gesteld om het betoog in haar verzoekschrift schriftelijk af te stemmen op de ontwikkelingen waarvan zij pas na lezing van het verweerschrift en de bijbehorende bijlagen kennis zou hebben genomen. In het kader van de tweede reeks maatregelen tot organisatie van de procesgang is verzoekster de mogelijkheid geboden om schriftelijk te reageren op de toelichtingen en de feitelijke gegevens die de Commissie naar aanleiding van de eerste maatregelen tot organisatie van de procesgang had verstrekt. Ook ter terechtzitting is verzoekster in de gelegenheid gesteld om te reageren op de opmerkingen die de Commissie in het kader van de tweede reeks maatregelen tot organisatie van de procesgang had gemaakt over de antwoorden die verzoekster in het kader van de eerste maatregelen tot organisatie van de procesgang had gegeven. |
|
16 |
Derhalve moet het verzoek om nietigverklaring van het bestreden besluit worden onderzocht in het licht van de door de Commissie verstrekte toelichtingen en feitelijke gegevens, waarvan de inhoud hieronder zal worden uiteengezet in het kader van de beoordeling van de vraag of deze elementen voldoende ernstige aanwijzingen opleveren om een besluit te rechtvaardigen waarbij verzoekster wordt gelast zich aan een inspectie te onderwerpen. |
|
17 |
Tot staving van haar verzoek om nietigverklaring voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste middel heeft betrekking op schending van artikel 296 VWEU en artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 omdat het bestreden besluit ontoereikend zou zijn gemotiveerd. Het tweede middel betreft schending van het grondrecht op eerbiediging van haar woning en haar communicatie, ook wel „recht op onschendbaarheid van de woning” of „recht op privéleven” genoemd, omdat het bestreden besluit willekeurig en onevenredig zou zijn. |
|
18 |
Dienaangaande zij opgemerkt dat hoewel de handeling waartegen met het onderhavige beroep wordt opgekomen, inderdaad het besluit is waarbij de betrokken inspectie wordt gelast en alle door verzoekster aangevoerde middelen uitsluitend betrekking hebben op de nietigverklaring van dat besluit, sommige opmerkingen en argumenten van verzoekster in de schriftelijke procedure betrekking hebben op het verloop van de inspectie die de Commissie op basis van dat besluit heeft verricht. |
|
19 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het gebruik dat wordt gemaakt van een besluit waarbij een inspectie wordt gelast geen weerslag heeft op de rechtmatigheid van dat besluit en dat een onderneming zich derhalve niet op het onrechtmatige verloop van een verificatie kan beroepen in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de handeling op grond waarvan de Commissie die verificatie heeft verricht (zie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak Les Mousquetaires en ITM Entreprises/Commissie, C‑682/20 P, EU:C:2022:578, punten 67 en 68). |
|
20 |
Aangezien verzoekster echter niet beweert dat het verloop van de inspectie als zodanig de reden is waarom zij het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd acht of waarom zij meent dat er op ongeoorloofde wijze inbreuk is gemaakt op haar privésfeer, moet worden geoordeeld dat zij uitsluitend de aandacht op het verloop van de inspectie heeft gevestigd ter illustratie van het door haar gestelde gebrek aan duidelijkheid of nauwkeurigheid van de motivering of van de omvang van de inmenging die wordt toegestaan bij een besluit waarbij zij wordt gelast zich aan een inspectie te onderwerpen (zie naar analogie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punten 23 en 24). |
|
21 |
Bij het onderzoek van de middelen tot nietigverklaring van het bestreden besluit moeten die opmerkingen en argumenten derhalve vanuit dit oogpunt worden beoordeeld. |
A. Eerste middel: ontoereikende motivering
|
22 |
Verzoekster stelt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de motiveringsplicht omdat de inhoud ervan te beknopt, te algemeen, te vaag en niet eenduidig is. De motivering van het bestreden besluit is onnauwkeurig en extensief door het gebruik van de termen „en/of”, „met name”, „daaronder begrepen” en „op zijn minst”. Om die reden acht verzoekster de materiële en de temporele omvang van de vermoedelijke inbreuk onduidelijk, ongerechtvaardigd of onredelijk, waardoor zij niet goed heeft kunnen begrijpen wat haar precies werd verweten en haar bijgevolg de mogelijkheid is ontnomen om haar rechten ten volle te beschermen. |
|
23 |
De Commissie betwist het betoog van verzoekster. |
1. Opmerkingen vooraf
|
24 |
Om te beginnen moet in herinnering worden geroepen dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering van handelingen van de instellingen van de Unie moet zijn aangepast aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
25 |
De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaat bij een verklaring kan hebben. Het is niet vereist dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
26 |
Tevens moet rekening worden gehouden met het juridisch kader waarin de inspecties van de Commissie plaatsvinden. Artikel 4 en artikel 20, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kennen de Commissie namelijk inspectiebevoegdheden toe teneinde haar in staat te stellen haar taak te vervullen, die erin bestaat de gemeenschappelijke markt te beschermen tegen concurrentievervalsing en eventuele inbreuken op de mededingingsregels op deze markt te bestraffen (zie arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
27 |
Wat meer in het bijzonder de inspectiebesluiten van de Commissie betreft, blijkt uit artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 dat zij met name het voorwerp en het doel van de inspectie moeten vermelden. Deze motiveringsplicht vormt, zoals het Hof heeft gepreciseerd, een fundamenteel vereiste, niet alleen om het voor de betrokken ondernemingen duidelijk te maken dat de voorgenomen ingreep gerechtvaardigd is, maar ook om hun inzicht te geven in de omvang van hun verplichting tot medewerking en tegelijk hun recht van verweer veilig te stellen (zie arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
28 |
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de Commissie niet verplicht is om de adressaat van een inspectiebesluit in kennis te stellen van alle inlichtingen waarop zij het vermoeden van het bestaan van inbreuken baseert, noch om een nauwgezette juridische kwalificatie van die inbreuken te geven, maar wel om de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren, duidelijk te omschrijven (zie in die zin arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
29 |
De Commissie dient weliswaar zo nauwkeurig mogelijk aan te geven wat onderzocht wordt en op welke gegevens de inspectie betrekking moet hebben, maar een inspectiebesluit hoeft noch noodzakelijkerwijs een nauwkeurige afbakening van de betrokken markt te verstrekken, noch de juridische kwalificatie van de vermoedelijke inbreuken precies aan te duiden of het tijdvak te vermelden waarin die inbreuken zich zouden hebben voorgedaan, mits dit besluit de hierboven in de punten 24 tot en met 28 genoemde essentiële bestanddelen bevat (zie arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
30 |
Gelet op het feit dat de inspecties plaatsvinden aan het begin van het onderzoek, beschikt de Commissie immers doorgaans nog niet over precieze gegevens om een specifiek juridisch standpunt te kunnen innemen en moet zij eerst de gegrondheid van haar vermoedens en de draagwijdte van de feitelijke omstandigheden verifiëren, aangezien het doel van de inspectie er juist in bestaat om bewijsmateriaal met betrekking tot een vermoedelijke inbreuk te verzamelen (zie in die zin arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
2. Grief betreffende een beknopte of algemene motivering
|
31 |
In casu moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit een specifieke motivering ten aanzien van het voorwerp en het doel van de inspectie bevat, die overeenkomstig de in de punten 24 tot en met 30 van dit arrest aangehaalde rechtspraak tot doel heeft om het gerechtvaardigde karakter van de voorgenomen inspectie in de lokalen van verzoekster tot uiting te brengen en verzoekster inzicht te geven in de omvang van haar verplichting tot medewerking, met waarborging van haar recht van verweer. Deze motivering beoogt dus te voldoen aan de verplichting van de Commissie om de vermoedens die zij wil onderzoeken, duidelijk te omschrijven en zo nauwkeurig mogelijk aan te geven wat er wordt onderzocht en op welke gegevens de inspectie betrekking moet hebben, zonder dat deze instelling verplicht is verzoekster alle inlichtingen te verstrekken waarover zij ten tijde van de kennisgeving van het inspectiebesluit beschikte en zonder dat zij in dit besluit een strikte juridische kwalificatie hoeft te geven van een inbreuk die nog slechts wordt vermoed en nog niet is bewezen. |
|
32 |
In dit verband komt uit artikel 1 van het bestreden besluit, waarin het voorwerp en het doel van de inspectie worden uiteengezet, naar voren dat de vermoedens van de Commissie betrekking hebben op de mogelijke deelname van verzoekster aan met artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst strijdige overeenkomsten of gedragingen die neerkomen op „de coördinatie tussen de belangrijkste bandenfabrikanten van de prijzen (met name de groothandelsprijzen) van nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens binnen de EER” (hierna: „vermoedelijke coördinatie”). |
|
33 |
De in het bestreden besluit vervatte motivering bevat ook diverse preciseringen waardoor de door de Commissie vermoede coördinatie beter in kaart kan worden gebracht. Deze coördinatie zou „met name [betrekking hebben op] de groothandelsprijzen” (artikel 1 en overweging 2 van het bestreden besluit), zij zou bestaan uit „de opzettelijke gebruikmaking van de openbare mededelingen van de ondernemingen om elkaar onderling te informeren over hun respectieve toekomstige voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling teneinde op die manier hun respectieve prijsbeleid te beïnvloeden” (artikel 1 van het bestreden besluit) en zij zou in het bijzonder aanleiding hebben gegeven tot „de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie [tussen bandenfabrikanten] (daaronder begrepen via voor iedereen toegankelijke openbare kanalen) over hun respectieve voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling teneinde op die manier hun respectieve prijsbeleid te beïnvloeden” (overweging 3 van het bestreden besluit). |
|
34 |
Anders dan verzoekster stelt, kan deze motivering niet als beknopt of algemeen worden aangemerkt, aangezien zij een uiteenzetting bevat van de vermoedens met betrekking tot de vermoedelijke coördinatie die de Commissie voornemens was tijdens de inspectie te verifiëren, en aanduidt wat er onderzocht werd en op welke gegevens de verificatie betrekking moest hebben. |
3. Grief betreffende een vage, niet-eenduidige, onnauwkeurige of extensieve motivering en de gevolgen daarvan voor een goed begrip van hetgeen wordt verweten
|
35 |
Wat betreft de vraag of de motivering van het bestreden besluit duidelijk en zo nauwkeurig mogelijk is, moet in het stadium van het onderzoek van de motivering worden nagegaan of de daarin door de Commissie gegeven beschrijving van de vermoedelijke coördinatie onnauwkeurigheden of dubbelzinnigheden bevat waardoor verzoekster geen inzicht krijgt in de omvang van haar verplichting tot medewerking en haar recht van verweer niet kan veiligstellen in de zin van de in de punten 24 tot en met 30 van dit arrest aangehaalde rechtspraak. |
|
36 |
Het gebruik van het alternatieve voegwoord „en/of” in de omschrijving van de vorm van de vermoedelijke coördinatie – die volgens de Commissie zowel door middel van overeenkomsten tussen ondernemingen als door middel van onderling afgestemde feitelijke gedragingen kan hebben plaatsgevonden – heeft niet echt gevolgen voor verzoekster. De exacte juridische kwalificatie van de vermoedelijke coördinatie als overeenkomst tussen ondernemingen of als onderling afgestemde feitelijke gedraging hangt in casu af van een beoordeling die nog niet kan worden gevergd op het moment dat het inspectiebesluit wordt genomen (zie in die zin arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punten 36 en 37). Bovendien lijkt de uitkomst van deze kwalificatie in casu hoe dan ook niet tot een wijziging van de omvang van de verplichting tot medewerking van verzoekster te leiden of de draagwijdte van haar recht van verweer tijdens de inspectie aan te tasten. Ter terechtzitting bleek verzoekster desgevraagd niet in staat om aan te geven dat zij in casu daadwerkelijk met een dergelijk gevolg werd geconfronteerd. |
|
37 |
Wat betreft de termen „met name” of „daaronder begrepen” die de Commissie ter omschrijving van de vermoedens heeft gebezigd, zij opgemerkt dat het gebruik daarvan het begrip vergemakkelijkt van de aanduidingen waarvan zij deel uitmaken, te weten „met name de groothandelsprijzen” en „daaronder begrepen via voor iedereen toegankelijke openbare kanalen”. Verzoekster kon hierdoor namelijk beter begrijpen wat haar werd verweten toen zij werd gelast zich aan een inspectie te onderwerpen. |
|
38 |
Ten eerste dienen deze aanduidingen ter illustratie van de inhoud van de vermoedelijke coördinatie. Zo blijkt hieruit dat de vermoedens van de Commissie betrekking hebben op een inbreuk op de mededingingsregels die zou bestaan uit de coördinatie van de prijzen van nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens die binnen de EER worden verkocht. Door erop te wijzen dat de vermoedelijke coördinatie „met name” – dat wil zeggen op zodanige wijze dat het opmerking verdient – betrekking heeft op de groothandelsprijzen, verduidelijkt de Commissie hetgeen verzoekster wordt verweten. Insgelijks licht de Commissie de vermoedelijke coördinatie toe door te onderstrepen dat de coördinatie van de prijzen van de belangrijkste bandenfabrikanten, waaronder verzoekster, heeft plaatsgevonden door middel van een uitwisseling van commercieel gevoelige informatie over hun respectieve voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling, die uitwisselingen zou omvatten – wat de betekenis van „daaronder begrepen” is – via voor iedereen toegankelijke openbare kanalen of die de opzettelijke gebruikmaking van de openbare mededelingen van de ondernemingen zou omvatten. |
|
39 |
Ten tweede maakt het gebruik van de termen „met name” of „daaronder begrepen” duidelijk dat de gegevens waarover de Commissie beschikt, niet uitsluitend bestaan uit de gegevens die op deze termen volgen. De vermoedens van de Commissie hebben dus in ruimere zin betrekking op de coördinatie door fabrikanten van de prijzen, en niet alleen van de groothandelsprijzen, van nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens binnen de EER en impliceren dat er wellicht ook andere middelen dan voor iedereen toegankelijke openbare kanalen zijn gebruikt om commercieel gevoelige informatie over de respectieve voornemens en strategieën van deze fabrikanten op het gebied van de prijsstelling uit te wisselen. |
|
40 |
Het gebruik van de termen „met name” of „daaronder begrepen” suggereert dat de aangehaalde voorbeelden geen uitputtende beschrijving van de materiële omvang van de vermoedelijke inbreuk geven. |
|
41 |
Wat betreft de term „op zijn minst”, die is gebezigd om de temporele omvang van de vermoedelijke coördinatie te omschrijven, blijkt uit de eerste volzin van overweging 4 van het bestreden besluit dat deze coördinatie „op zijn minst” is begonnen in de hoofdperiode, dat niet kan worden uitgesloten dat zij eerder een aanvang heeft genomen en dat zij ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit nog steeds voortduurde. Ook uit de tweede volzin van deze overweging volgt dat er gegevens zijn die erop duiden dat er „op zijn minst” in een eerdere periode al sprake was van een voorafgaande coördinatie met betrekking tot nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens die binnen de EER worden verkocht. |
|
42 |
In casu moet worden opgemerkt dat de Commissie uit eigen beweging heeft besloten een aantal gegevens over de temporele omvang van de vermoedelijke coördinatie te verstrekken, waaruit blijkt dat zij het noodzakelijk achtte deze gegevens in het bestreden besluit op te nemen teneinde verzoekster in staat te stellen inzicht te hebben in de omvang van haar verplichting tot medewerking en haar recht van verweer tijdens de inspectie veilig te stellen. Deze gegevens maken dus deel uit van de motivering en maken het als zodanig mogelijk om te bepalen op welke gegevens de verificatie betrekking moest hebben. |
|
43 |
Derhalve moet worden vastgesteld dat de in punt 41 van dit arrest uiteengezette motivering verzoekster in staat stelt de strekking van het bestreden besluit te begrijpen en het Gerecht in staat stelt om zijn toezicht uit te oefenen. Deze motivering vermeldt namelijk ten eerste dat de vermoedelijke coördinatie „op zijn minst” een aanvang heeft genomen in de hoofdperiode, hoewel niet kan worden uitgesloten dat zij „eerder een aanvang heeft genomen” en dat zij „nog steeds voortduurt”, en ten tweede dat er gegevens zijn die erop duiden dat er „op zijn minst” in de eerdere periode al sprake was van een voorafgaande coördinatie. Uit deze motivering kan tevens worden opgemaakt – zoals de Commissie ten overstaan van het Gerecht bevestigt – dat de vermoedelijke inbreuk al geruime tijd kan hebben plaatsgevonden, dat wil zeggen vanaf het begin van de eerdere periode tot het einde van de hoofdperiode, zoals vermeld in het bestreden besluit, ofwel dat de vermoedelijke inbreuk op zijn minst in de eerdere periode een aanvang heeft genomen en op zijn minst in de hoofdperiode is hervat, zodat moet worden nagegaan of de inbreuk is voortgezet dan wel herhaald, met inbegrip van het tijdvak tussen de eerdere periode en de hoofdperiode, zoals vermeld in het bestreden besluit. |
|
44 |
Op grond van deze betekenissen, die voor verzoekster te begrijpen waren, kan worden geoordeeld dat zij niet in een situatie verkeerde waarin zij werd belet om een helder begrip van de vermoedens van de Commissie te krijgen waardoor zij niet in staat zou zijn geweest om na de kennisgeving van het bestreden besluit haar recht van verweer ten volle te beschermen. |
|
45 |
In dit verband moet met de Commissie worden opgemerkt, dat deze motivering verzoekster in staat heeft gesteld om naar voren te brengen dat er geen enkele aanwijzing was vermeld die betrekking had op de periode tussen de twee in het bestreden besluit genoemde tijdvakken. |
|
46 |
Ook het betoog van verzoekster dat de motivering met betrekking tot de materiële en temporele omvang van de vermoedelijke inbreuk dubbelzinnig, ongerechtvaardigd of onredelijk is, geeft niet echt blijk van een begripsprobleem, maar berust veeleer op de gedachte dat de informatie over de strekking van haar vermoedens die de Commissie in het bestreden besluit heeft gegeven, niet wordt onderbouwd door voldoende ernstige aanwijzingen. |
|
47 |
Deze vraagstukken, die geen betrekking hebben op het bestaan van een motivering als zodanig maar op het bestaan van aanwijzingen die de geuite vermoedens kunnen rechtvaardigen, zullen hierna worden onderzocht in het kader van het tweede middel, waarbij rekening zal worden gehouden met de toelichtingen en de feitelijke gegevens die de Commissie heeft verstrekt teneinde de rechterlijke toetsing mogelijk te maken van een bestuursbesluit waarbij de adressaat wordt gelast zich om de in dat besluit uiteengezette redenen te onderwerpen aan een inspectie. |
|
48 |
Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel ongegrond moet worden verklaard, aangezien de motivering van het bestreden besluit verzoekster in staat stelt kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en het Gerecht in staat stelt om zijn toezicht uit te oefenen overeenkomstig artikel 296 VWEU. Tevens vermeldt deze motivering overeenkomstig artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 het voorwerp en het doel van de inspectie en wel op zodanige wijze dat daaruit blijkt dat de voorgenomen interventie in de lokalen van verzoekster gerechtvaardigd is en dat verzoekster de omvang van haar verplichting tot medewerking kan begrijpen en tegelijk haar recht van verweer veilig kan stellen. |
B. Tweede middel: schending van het recht op eerbiediging van de woning en de communicatie van verzoekster
|
49 |
Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit het recht op eerbiediging van de woning en de communicatie, ook wel „grondrecht op onschendbaarheid van de woning” genoemd, niet eerbiedigt. Dit middel bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste wordt gesteld dat het bestreden besluit willekeurig is, omdat de Commissie niet over voldoende ernstige aanwijzingen beschikt om het vermoeden te wettigen dat verzoekster bij een inbreuk op het mededingingsrecht betrokken is geweest. Ten tweede zou het bestreden besluit haar werking en haar prestaties op onevenredige wijze belemmeren. Voorafgaand daaraan stelt verzoekster in wezen dat de onderhavige zaak, gelet op de gelijkenis die de vermoedelijke coördinatie vertoont met een voorbeeld dat wordt aangehaald in de richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van artikel 101 [VWEU] op horizontale samenwerkingsovereenkomsten (PB 2023, C 259, blz. 1; hierna: „richtsnoeren 2023”), uitsluitend tot doel heeft om het in dat voorbeeld genoemde theoretische geval te concretiseren, zonder dat rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van de onderzochte situatie. |
1. Inleidende opmerkingen
|
50 |
Vaststaat dat een rechtspersoon zich net als een natuurlijke persoon kan beroepen op het grondrecht op onschendbaarheid van de woning, dat deel uitmaakt van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. |
|
51 |
Er moet namelijk in herinnering worden gebracht dat het een algemeen beginsel van het Unierecht is dat bescherming moet worden geboden tegen willekeurige of buitensporige ingrepen van het openbaar gezag in de privésfeer van een persoon, ongeacht of het gaat om een natuurlijke persoon dan wel om een rechtspersoon (zie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, dat in hogere voorziening is bevestigd bij het arrest van 30 januari 2020, České dráhy/Commissie, C‑538/18 P en C‑539/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:53). |
|
52 |
Verder zij opgemerkt dat het grondrecht op onschendbaarheid van de woning een algemeen beginsel van het recht van de Unie vormt, dat is verankerd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), welk artikel overeenkomt met artikel 8 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (zie arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie, C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
53 |
Volgens artikel 7 van het Handvest heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn woning en zijn communicatie. Artikel 52, lid 1, van het Handvest preciseert in dit verband dat beperkingen op de uitoefening van dit recht bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud ervan moeten eerbiedigen; daarbij moet ook het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen, dat inhoudt dat slechts beperkingen kunnen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. |
|
54 |
Insgelijks heeft eenieder volgens artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden recht op respect voor zijn woning en zijn correspondentie, en is een inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van dit recht slechts toegestaan voor zover dit bij de wet is voorzien en er sprake is van een maatregel die noodzakelijk is in een democratische samenleving. |
|
55 |
Om de privésfeer van een rechtspersoon in de praktijk te beschermen tegen willekeurig of onevenredig ingrijpen door het openbaar gezag en het grondrecht op onschendbaarheid van de woning, dat wil zeggen het recht van een rechtspersoon op eerbiediging van haar woning en communicatie, te eerbiedigen, moet een besluit waarbij een inspectie wordt gelast, ten eerste beogen de noodzakelijke bewijsstukken te verzamelen om de juistheid en de strekking na te gaan van een bepaalde situatie feitelijk en rechtens waarover de Commissie reeds gegevens in haar bezit heeft die voldoende ernstige aanwijzingen vormen voor de verdenking van een inbreuk op de mededingingsregels (zie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
56 |
Met andere woorden, het bezit van voldoende ernstige aanwijzingen voor de verdenking van een inbreuk op de mededingingsregels is een conditio sine qua non voor de Commissie om een inspectie te gelasten op grond van artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 (arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 36). |
|
57 |
Ten tweede mogen, steeds met inachtneming van de in de punten 51 tot en met 56 van dit arrest vermelde beginselen, de voorwaarden van een besluit waarbij een inspectie wordt gelast, niet verder gaan dan de omvang van de inbreuk die op grond van die aanwijzingen kan worden vermoed (arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 37). |
|
58 |
Aangezien in de motivering van een besluit waarbij een inspectie wordt gelast, de bevoegdheden worden afgebakend waarover de functionarissen van de Commissie beschikken, kunnen enkel stukken worden opgespoord die verband houden met het voorwerp van de inspectie (arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie, C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punt 60). Het in punt 51 van dit arrest genoemde algemene beginsel staat er dus aan in de weg dat in een inspectiebesluit formuleringen worden opgenomen die deze omvang ruimer zouden maken dan hetgeen voortvloeit uit de voldoende ernstige aanwijzingen waarover de Commissie beschikt op de datum van vaststelling van een dergelijk besluit (zie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
59 |
Het betoog van verzoekster dat het bestreden besluit willekeurig of onevenredig is in het licht van haar recht op eerbiediging van de woning en de communicatie moet in deze context worden beoordeeld. |
2. Gelijkenis van de vermoedelijke coördinatie met een in de richtsnoeren van 2023 aangehaald voorbeeld
|
60 |
Verzoekster plaatst kanttekeningen bij de motivering, de noodzaak of de evenredigheid van het bestreden besluit, aangezien dit besluit tot doel lijkt te hebben om een voorbeeld toe te passen dat geen grondslag vindt in de rechtspraak en waarover geen openbare raadpleging is gehouden. Zo zou de Commissie kort voor de inspectie het voorbeeld van een nieuw geval van inbreuk op de mededingingsregels hebben genoemd in de richtsnoeren van 2023. Dit voorbeeld zou niet voorkomen in de ontwerp-richtsnoeren waarover een openbare raadpleging is gehouden, en zou elke verwijzing naar de rechtspraak of de beschikkingspraktijk ontberen. De gelijkenis tussen dit voorbeeld en het bestreden besluit, dat in wezen verwijst naar informatie met betrekking tot transcripties van earnings calls (telefonische vergaderingen over de winstcijfers), eenzijdige openbare aankondigingen van prijsverhogingen en een vermeende discipline binnen de sector om de marges te handhaven, zou dan ook nogal verrassend zijn. |
|
61 |
De Commissie betoogt dat ook al zou de genoemde gelijkenis zich inderdaad voordoen, verzoekster verzuimt uit te leggen waarom dit tot gevolg zou hebben dat het bestreden besluit willekeurig en onevenredig is. |
|
62 |
In casu moet allereerst worden opgemerkt dat de Commissie haar presentatie van de toelichtingen en de feitelijke gegevens waarmee het bestreden besluit kan worden onderbouwd, is begonnen met de stelling dat de openbare ondernemersverklaringen, volgens haar beoordeling, een coördinatie konden vergemakkelijken en ter aanvulling of zelfs vervanging van geheime mededelingen konden dienen om aldus een mededingingsverstorende collusie te bewerkstelligen. Ter overweging van deze hypothese heeft de Commissie in herinnering gebracht dat zij een voorbeeld van „eenzijdige openbare aankondigingen” had gegeven in het onderdeel van haar richtsnoeren van 2023 dat aan de verenigbaarheid van informatie-uitwisselingen was gewijd. Dit voorbeeld, dat overeenkomt met voorbeeld 4 van punt 432 van de richtsnoeren van 2023, is het volgende: „Situatie: De CEO [Chief Executive Officer] van een grote producent van een homogeen product verwijst in een periodieke resultatenpresentatie publiekelijk naar de noodzaak om te reageren op recente prijsstijgingen van grondstoffen en de huidige buitensporig lage winstmarges aan te pakken door middel van een prijsverhoging voor de gehele bedrijfstak. Zij vermeldt dat zij akkoord zou gaan met elke prijsverhoging die concurrenten op de markt zouden aankondigen. Zij is er ook van overtuigd dat de sector ‘voldoende gedisciplineerd’ is om te weten wat er nu nodig is om ‘de marges weer te herstellen’. Zij zegt immers dat de bedrijfstak tien jaar geleden met succes prijsverhogingen heeft doorgevoerd, toen die zich in een vergelijkbare situatie bevond. Analyse: De verklaringen van de CEO in de resultatenpresentatie kunnen worden gelezen als een eenzijdige uitnodiging tot collusie. Het feit dat de aankondiging in het openbaar plaatsvindt, sluit als zodanig niet uit dat er sprake kan zijn van een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 101, lid 1, [VWEU]. De opmerkingen kunnen een potentieel aanknopingspunt vormen voor coördinatie tussen concurrenten. Indien andere concurrenten bijvoorbeeld actuele uitspraken doen of marktgedrag vertonen waaruit blijkt dat zij met de uitnodiging tot heimelijke verstandhouding rekening hebben gehouden bij het bepalen van hun eigen toekomstige gedrag op de markt, kan dit gedrag, afhankelijk van de juridische en economische context, neerkomen op een beperking van de mededinging naar strekking in de zin van artikel 101, lid 1, [VWEU]. Andere concurrenten kunnen dit risico beperken door publiekelijk afstand te nemen van de aankondigingen of door de aankondigingen aan de overheidsinstanties te melden.” |
|
63 |
Insgelijks moet worden vastgesteld dat de Commissie in het bestreden besluit vermoedens omtrent een met artikel 101 VWEU strijdige praktijk heeft geuit die betrekking zou hebben op „de coördinatie tussen de belangrijkste bandenfabrikanten van de prijzen [...] van nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens binnen de EER”, waaronder „de opzettelijke gebruikmaking van de openbare mededelingen van de ondernemingen om elkaar te informeren over hun respectieve toekomstige voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling teneinde op die manier hun respectieve prijsbeleid te beïnvloeden”, hetgeen met name zou hebben geleid tot „de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie [tussen bandenfabrikanten] (daaronder begrepen via voor iedereen toegankelijke openbare kanalen) over [die] voornemens en strategieën”. |
|
64 |
Voor zover er al een zekere gelijkenis bestaat tussen de in voorbeeld 4 van punt 432 van de richtsnoeren van 2023 genoemde situatie en de vermoedelijke coördinatie, kan deze gelijkenis als zodanig niet de conclusie wettigen dat het bestreden besluit – dat voldoet aan de motiveringsplicht zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel – om deze reden willekeurig of onevenredig was. |
|
65 |
Om te beginnen moet in algemene zin worden opgemerkt dat de Commissie, als instelling die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het mededingingsbeleid, de mogelijkheid heeft om in richtsnoeren bepaalde leidraden te geven voor haar uitlegging van de verenigbaarheid met het mededingingsrecht van gedragingen die nog niet eerder zijn bestraft. |
|
66 |
Wat voorts de onderhavige zaak in het bijzonder betreft, blijkt uit de door de Commissie in het verweerschrift verstrekte toelichtingen en feitelijke gegevens dat het bestreden besluit is vastgesteld na afloop van een procedure waarin is onderzocht of er sprake was van een concrete situatie die voldeed aan de criteria die de Commissie heeft geformuleerd op basis van haar taak om uitvoering te geven aan het mededingingsbeleid. |
|
67 |
Derhalve bevat het dossier geen enkel element dat de conclusie wettigt dat het bestreden besluit uitsluitend is vastgesteld met als doel om een voorbeeld uit de richtsnoeren van 2023 te concretiseren. Integendeel, uit de toelichtingen en de feitelijke gegevens die de Commissie in haar verweerschrift en naar aanleiding van de eerste maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft verstrekt, kan juist worden afgeleid dat het bestreden besluit voortvloeit uit de toepassing van beginselen die objectief zijn geformuleerd en die niet op een bepaalde sector of bepaalde ondernemingen in het bijzonder doelen (zie punten 91 tot en met 104 hieronder). |
|
68 |
Hieruit volgt dat de gelijkenis tussen een voorbeeld uit de richtsnoeren 2023 en de coördinatie die in casu wordt vermoed, als zodanig niet de noodzaak of de evenredigheid van het bestreden besluit kan aantasten. Het door verzoekster op dit punt gevoerde betoog is dan ook ongegrond, zodat het moet worden afgewezen. |
3. Eerste onderdeel, betreffende het willekeurige karakter van het bestreden besluit
|
69 |
Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit willekeurig is omdat het de Commissie machtigt om een „fishing expedition” in haar lokalen en haar communicatie te houden. Ten eerste zou in het bestreden besluit staan vermeld dat „de Commissie over informatie” en „bewijsmateriaal” met betrekking tot de vermoedelijke coördinatie beschikte zonder dat de aard, de vorm, de datum of de auteur ervan nader wordt omschreven. Ten tweede wijzen dit gebrek aan details en de onnauwkeurige en onvolledige omschrijving van de vermoedelijke coördinatie er volgens haar op dat de Commissie niet over voldoende ernstige aanwijzingen ter onderbouwing van haar verdenkingen beschikte. Het staat derhalve aan de Unierechter om vast te stellen of de Commissie over dergelijke aanwijzingen beschikte. Ten derde verraadt de nadruk die is gelegd op de communicatie via voor iedereen toegankelijke openbare kanalen of op een algemene, niet-onderbouwde beoordeling van het prijsbegrip naar haar mening een duidelijk gebrek aan inzicht in de prijsvorming bij de fabrikant, die uiterst complex is en niet valt te herleiden tot enkele luttele verklaringen. Wegens dit gebrekkige inzicht zou de rechtvaardiging van de inspectie in het bestreden besluit niet steekhoudend zijn. |
|
70 |
De Commissie betwist het betoog van verzoekster. Volgens haar beschikt zij over voldoende ernstige aanwijzingen om het bestaan van de in het bestreden besluit genoemde mededingingsverstorende gedragingen te kunnen vermoeden en om aldus de inspectie te rechtvaardigen, zoals ook blijkt uit het aan het Gerecht voorgelegde bewijsmateriaal. |
|
71 |
In casu moet in de eerste plaats worden nagegaan of de Commissie over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte om te kunnen vermoeden dat verzoekster een inbreuk op de mededingingsregels heeft gepleegd en in de tweede plaats of de omvang van de in het bestreden besluit omschreven inspectie beperkt was tot de inbreuk die de Commissie op basis van die aanwijzingen kon vermoeden. |
a) Geen noodzaak tot vermelding in het bestreden besluit van alle gegevens waarover de Commissie beschikte
|
72 |
Partijen zijn het erover eens dat de Commissie weliswaar verplicht is om bepaalde informatie te verstrekken in een besluit waarbij een inspectie wordt gelast – te weten een uiteenzetting van de vermoedens waarop zij zich baseert en de vermelding dat zij over aanwijzingen beschikt op grond waarvan deze vermoedens serieus kunnen worden onderbouwd – maar dat dit besluit niet alle informatie hoeft te bevatten waarover de Commissie in dit stadium van het onderzoek beschikt. Een evenwicht dient te worden gevonden tussen wat er in het bestreden besluit moet worden opgenomen en wat niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden vermeld. |
|
73 |
In de rechtspraak wordt herhaaldelijk naar dit evenwicht verwezen. |
|
74 |
Zo hoeft de Commissie de adressaat van een inspectiebesluit niet alle inlichtingen mee te delen waarover zij ter zake van de vermeende inbreuk beschikt, maar moet zij in het inspectiebesluit wel zo nauwkeurig mogelijk wijzen op de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren, te weten wat wordt gezocht en de gegevens waarop de inspectie betrekking heeft (zie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punten 38 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
75 |
Daarnaast moet de Commissie, om aan te tonen dat de inspectie gerechtvaardigd is, in het inspectiebesluit weliswaar uitvoerig uiteenzetten dat zij over serieuze materiële elementen en aanwijzingen beschikt op grond waarvan zij de bij de inspectie betrokken onderneming van de inbreuk verdenkt, maar kan zij niet worden verplicht om, in de fase van het vooronderzoek, naast de vermoedens omtrent het bestaan van een inbreuk die zij wenst te verifiëren, ook de aanwijzingen mee te delen, dat wil zeggen de feiten die haar ertoe hebben gebracht om aan te nemen dat artikel 101 VWEU mogelijkerwijs is geschonden. Een dergelijke verplichting zou immers afbreuk doen aan het door de rechtspraak gevestigde evenwicht tussen het behoud van de doeltreffendheid van het onderzoek en de bescherming van de rechten van verdediging van de betrokken onderneming (zie naar analogie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
76 |
Uit het voorgaande volgt dat de Commissie in het bestreden besluit de strekking van haar vermoedens diende uiteen te zetten op een wijze die zij geschikt achtte, dat zij moest preciseren dat zij over aanwijzingen beschikte die deze vermoedens zo nodig konden onderbouwen en dat zij in voorkomend geval moest nagaan of dit besluit het recht op eerbiediging van de woning en de communicatie niet onnodig aantastte. |
|
77 |
Anders dan verzoekster betoogt, kan de Commissie in deze context niet worden verweten dat zij in het bestreden besluit heeft vermeld dat zij „over informatie” en „bewijsmateriaal” met betrekking tot de vermoedelijke coördinatie of bepaalde aspecten daarvan „beschikte”, zonder méér gegevens over de aard of de vorm of zelfs een precisering van de datum en de auteur ervan te verstrekken dan de gegevens die in dat besluit stonden vermeld. Dergelijke gegevens of preciseringen zijn niet vereist op het moment dat de Commissie kennisgeeft van het besluit waarbij een inspectie wordt gelast. |
b) Voldoende ernstige aard van de aanwijzingen die de Commissie ter rechtvaardiging van het bestreden besluit heeft vermeld
1) Inleidende opmerkingen
|
78 |
Partijen zijn het erover eens dat wanneer, zoals in de onderhavige zaak, de Unierechter een inspectiebesluit moet toetsen om na te gaan of dit besluit niet willekeurig is, hij zich ervan dient te vergewissen dat er voldoende ernstige aanwijzingen zijn voor de verdenking van een inbreuk op de mededingingsregels door de betrokken onderneming (zie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
79 |
In dit verband blijkt uit de rechtspraak dat wanneer de onderneming tot wie een krachtens artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 vastgesteld besluit is gericht, bepaalde elementen overlegt waardoor in twijfel wordt getrokken dat de aanwijzingen waarover de Commissie beschikte om een dergelijk besluit vast te stellen, voldoende ernstig waren, de Unierechter die aanwijzingen dient te onderzoeken en dient na te gaan of zij voldoende ernstig zijn (zie arrest van20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijke verificatie, waarbij het Gerecht zich ervan moet vergewissen dat de Commissie de voldoende ernstige aanwijzingen heeft meegedeeld die zij hiertoe van belang acht, is verricht in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie (T‑135/09, EU:T:2012:596), en 20 juni 2018, České dráhy/Commissie (T‑325/16, EU:T:2018:368), of de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 5 oktober 2020, Casino, Guichard-Perrachon en AMC/Commissie (T‑249/17, EU:T:2020:458), 5 oktober 2020, Intermarché Casino Achats (T‑254/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:459), en 5 oktober 2020, Les Mousquetaires en ITM Entreprises (T‑255/17, EU:T:2020:460). |
|
80 |
Zoals namelijk blijkt uit het arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie (C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punten 30 tot en met 36), kan het bestaan van een volledige rechterlijke wettigheidstoetsing die achteraf wordt verricht op basis van de gegevens die de verzoekende partij tot staving van haar middelen heeft aangevoerd en waarbij alle factoren, zowel in rechte als in feite, worden beoordeeld, het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging compenseren en waarborgen dat de inspectiemaatregel verenigbaar is met het grondrecht van de onschendbaarheid van de woning. |
|
81 |
In casu wordt deze rechterlijke toetsing verricht met inaanmerkingneming van de essentiële kenmerken van de vermoedelijke coördinatie zoals de Commissie deze in het bestreden besluit heeft uiteengezet. |
|
82 |
Zo heeft de vermoedelijke coördinatie in materiële zin betrekking op „met name de groothandelsprijzen”, omvat zij „de opzettelijke gebruikmaking van de openbare mededelingen van de ondernemingen om elkaar onderling te informeren over hun respectieve toekomstige voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling teneinde op die manier hun respectieve prijsbeleid te beïnvloeden” en heeft zij in het bijzonder aanleiding gegeven tot „de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie [tussen bandenfabrikanten] (daaronder begrepen via voor iedereen toegankelijke openbare kanalen) over [deze] voornemens en strategieën”. |
|
83 |
Verder heeft de vermoedelijke coördinatie in temporele zin „op zijn minst” plaatsgevonden tijdens de hoofdperiode en de eerdere periode, waarbij de Commissie heeft vermeld om welke jaren het precies gaat. |
|
84 |
Tevens zij eraan herinnerd dat de Commissie haar verweerschrift in casu vergezeld heeft doen gaan van toelichtingen en feitelijke gegevens, teneinde het Gerecht in staat te stellen om te bepalen of zij over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte om haar vermoedens te staven en de inspectie te rechtvaardigen, hetgeen het onderzoek van het Gerecht heeft vergemakkelijkt. |
|
85 |
Wat de vraag betreft of deze toelichtingen en feitelijke gegevens als voldoende ernstig kunnen worden beschouwd om de inspectie te rechtvaardigen, moet het volgende in herinnering worden gebracht. |
|
86 |
In de eerste plaats gaat het er niet om of op grond van de desbetreffende aanwijzingen vaststaat – en niet alleen maar kan worden vermoed – dat er in het licht van de criteria van artikel 101, lid 1, VWEU sprake is van de vermoede mededingingsverstorende gedraging. Deze vraag is hier nog niet aan de orde, aangezien het er in dit stadium van het onderzoek met name om gaat of een inspectie, die tot doel heeft om de vermoedens te staven die uit deze aanwijzingen kunnen worden geput, de Commissie in staat kon stellen de eventueel nog ontbrekende bewijselementen te vergaren waarmee de vermoedelijke inbreuk kon worden aangetoond, hetgeen dus de inmenging door de Commissie in verzoeksters recht op eerbiediging van haar woning en haar communicatie zou rechtvaardigen. |
|
87 |
Uit het onderscheid tussen het bewijs van een inbreuk enerzijds en de aanwijzingen waarop een inspectiebesluit berust anderzijds, volgt namelijk dat deze aanwijzingen het bestaan en de strekking van een inbreuk niet hoeven aan te tonen, omdat anders elk nuttig effect zou worden ontnomen aan de bevoegdheden die de Commissie krachtens artikel 20 van verordening nr. 1/2003 geniet (zie in die zin, naar analogie, arrest van 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 59). |
|
88 |
De omstandigheid dat de aangevoerde gegevens op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd, belet dus niet dat sprake is van voldoende ernstige aanwijzingen wanneer de door de Commissie voorgestane uitlegging aannemelijk lijkt (zie naar analogie, met betrekking tot een verzoek om informatie, arrest van 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 59). Bij de beoordeling van dit aannemelijke karakter dient men voor ogen te houden dat de inspectiebevoegdheid van de Commissie de mogelijkheid impliceert om juist allerhande informatie op te sporen die nog niet bekend of geheel geïdentificeerd is (zie arrest van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie, T‑135/09, EU:T:2012:596, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak), voor zover deze informatie na onderzoek kan worden gerelateerd aan het voorwerp van de inspectie en de voldoende ernstige aanwijzingen waarop de vermoedens van een inbreuk berusten die het inspectiebesluit rechtvaardigen. |
|
89 |
Daarnaast zij eraan herinnerd dat de verschillende aanwijzingen op grond waarvan een inbreuk kan worden vermoed, in hun geheel en niet afzonderlijk moeten worden beoordeeld en dat zij elkaar onderling kunnen versterken (zie in die zin arresten van 27 november 2014, Alstom Grid/Commissie, T‑521/09, EU:T:2014:1000, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 februari 2016, EGL e.a./Commissie, T‑251/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:114, punt 150 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
90 |
In de tweede plaats moet worden onderstreept dat de onderhavige zaak zich afspeelt in de fase van het vooronderzoek, dat wil zeggen op een tijdstip waarop de Commissie nog geen standpunt heeft ingenomen over het daadwerkelijke bestaan van de vermoedelijke inbreuk. In dit stadium betekent de omstandigheid dat de Commissie een inspectie heeft verricht niet dat de betrokken onderneming zich schuldig heeft gemaakt aan een mededingingsverstorende gedraging en zegt dit nog niets over de uitkomst van het lopende onderzoek. Het is daarom belangrijk om eraan herinneren dat ten aanzien van verzoekster het vermoeden van onschuld geldt en dat het aan de Commissie staat om in voorkomend geval in het eindbesluit aan te tonen dat er sprake is van de in het bestreden besluit vermoede inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU. |
2) Methode die gevolgd is om de verdachte verklaringen te identificeren
|
91 |
Alvorens de door de Commissie verstrekte toelichtingen en feitelijke gegevens te onderzoeken, moet worden ingegaan op het betoog van partijen met betrekking tot de methode die is gehanteerd om de bandensector te identificeren. |
|
92 |
Er zij aan herinnerd dat de Commissie in haar presentatie van de ter onderbouwing van het bestreden besluit verstrekte toelichtingen en feitelijke gegevens heeft gepreciseerd dat de aandacht die was gevestigd op mededingingsverstorende coördinaties via openbare kanalen (zie punt 62 hierboven) haar ertoe had gebracht om markttoezicht in te stellen, teneinde honderdduizenden earnings calls in diverse sectoren en verschillende geografische gebieden te analyseren met het oog op de opsporing van verdachte openbare verklaringen. De Commissie heeft dienaangaande verklaard dat er periodiek earnings calls werden georganiseerd tussen de managers van een onderneming en analisten, beleggers en de media teneinde de financiële resultaten van die onderneming te bespreken, en dat de transcripties daarvan toegankelijk waren voor het publiek, waarbij sommige ondernemingen de resultaten op hun website publiceerden of beschikbaar stelden via pay‑per‑view databases. |
|
93 |
Volgens de Commissie had de door haar verrichte analyse tot doel om situaties te identificeren waarin de managers van concurrerende ondernemingen zeer frequent en gedurende een ruimere periode uitlatingen deden die op het bestaan van een collusie konden wijzen. Volgens de uitkomst van deze analyse onderscheidde de bandensector zich op dit punt van andere sectoren door het hoge aantal verdachte openbare mededelingen die door de Commissie werden geconstateerd. |
|
94 |
In het kader van de eerste maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht de Commissie verzocht om toe te lichten welke stappen zij had ondernomen om de bandensector te identificeren. Daarmee heeft het Gerecht gevolg gegeven aan de opmerkingen die tegelijkertijd door verzoekster waren ingediend naar aanleiding van de door de Commissie in haar verweerschrift verstrekte gegevens, namelijk dat de informatie over de identificatie van de bandensector zeer vaag was en niet volstond om de „problematische” aard ervan te verklaren. |
|
95 |
Als reactie op dit verzoek heeft de Commissie om te beginnen verklaard dat zij een databank had samengesteld met honderdduizenden earnings calls die zij had vergaard bij een leverancier van financiële data. Daarnaast verklaarde zij de gegevens in deze databank te hebben onderworpen aan een kwantitatieve analyse met behulp van trefwoorden over een langere periode, die niet alleen de hoofdperiode maar ook de eerdere periode besloeg (hierna: „zoekperiode”), teneinde het bestaan van mogelijke mededingingsverstorende praktijken vast te stellen en aldus de sectoren af te bakenen waarvan de earnings calls meer uitvoerig, aan de hand van een kwalitatieve analyse, zouden worden onderzocht. Naar de Commissie stelt, had zij daarbij gebruik gemaakt van twee categorieën trefwoorden: een eerste categorie, die bestond uit bijna 100 bigrammen (dat wil zeggen twee opeenvolgende woorden) die verband hielden met relevante strategische commerciële besluiten, en een tweede categorie, die bestond uit meer dan 400 bigrammen en waarmee werd gezocht naar uitspraken over de wijze waarop concurrenten zich gedroegen of in de toekomst zouden gaan gedragen. In haar reactie heeft de Commissie een aantal voorbeelden gegeven van de bigrammen die in elk van deze categorieën zijn gebruikt. |
|
96 |
Voorts heeft de Commissie met betrekking tot de uitkomst daarvan opgemerkt dat de helft van de geanalyseerde earnings calls geen enkel bigram van de hierboven genoemde categorieën bevatte, maar dat de earnings calls van de belangrijkste bandenfabrikanten daarentegen werden gekenmerkt door een significant aantal mededelingen die ten minste één bigram in relatie tot strategische commerciële besluiten bevatten en een aanzienlijk aantal mededelingen die ten minste één bigram in relatie tot het gedrag van concurrenten bevatten. Bovendien stond een niet te veronachtzamen deel van deze earnings calls in de „top 5” of „top 10” van de earnings calls van alle in de zoekperiode onderzochte ondernemingen die deze bigrammen het vaakst noemden. De earnings calls van de belangrijkste bandenfabrikanten werden tevens gekenmerkt door de frequentie waarmee de bigrammen van elk van deze beide categorieën werden gebruikt. |
|
97 |
Ter illustratie van deze uitkomst heeft de Commissie een aantal earnings calls van de belangrijkste bandenfabrikanten vermeld, die alle tijdens de hoofdperiode of kort daarvoor hebben plaatsgevonden. Zij heeft daarbij het aantal geciteerde bigrammen aangegeven, de desbetreffende categorie van de bigrammen (commerciële strategie of gedrag van de concurrenten) vermeld alsook de rangorde van deze earnings calls in de top van de earnings calls waarin bigrammen van deze categorie het vaakst werden genoemd. |
|
98 |
Op basis van deze gegevens heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de belangrijkste bandenfabrikanten zich onderscheidden van ondernemingen in andere sectoren door het hogere aantal mededelingen die bigrammen bevatten die mogelijk op potentiële mededingingsverstorende gedragingen wezen. Deze mededelingen zijn vervolgens aan een kwalitatief onderzoek onderworpen teneinde een beter inzicht te krijgen in de context waarin de geïdentificeerde bigrammen werden genoemd. De Commissie heeft in dit verband gepreciseerd dat de kwalitatieve analyse van de earnings calls van deze belangrijkste bandenfabrikanten zowel betrekking had op de earnings calls die na de kwantitatieve analyse waren geïdentificeerd als op de earnings calls die in deze analyse niet waren geïdentificeerd. Deze informatie heeft de Commissie derhalve in staat gesteld om het verband aan te tonen dat er volgens haar bestond tussen een theoretische gedraging bestaande uit eenzijdige openbare aankondigingen enerzijds en de onderhavige zaak anderzijds. |
|
99 |
De opmerkingen van verzoekster over de beschrijving van de stappen die de Commissie in het kader van haar aanvankelijke kwantitatieve analyse heeft ondernomen, zijn niet van dien aard dat zij de methode en de uitkomst van de hierboven uiteengezette analyse kunnen ontkrachten. |
|
100 |
In haar opmerkingen over de door de Commissie verstrekte toelichtingen betoogt verzoekster dat de kwantitatieve analyse niet de geringste aanwijzing voor een mededingingsverstorende gedraging oplevert. Zij stelt dat de door de Commissie aangehaalde voorbeelden van bigrammen in het geheel niet problematisch zijn, aangezien dergelijke bigrammen vaak worden gebruikt door industriëlen in de bandensector of in andere sectoren, en de daarmee corresponderende verklaringen gemakkelijk te herleiden vallen tot gegevens met betrekking tot de producten, de markt of de betrokken periode. Verzoekster toont daartoe enkele uittreksels van earnings calls van ondernemingen uit andere industriële sectoren of van andere bandenfabrikanten die soortgelijke verklaringen zouden bevatten als de litigieuze verklaringen. Zij betoogt eveneens dat er tal van rechtvaardigingsgronden voor dergelijke verklaringen bestaan, zoals het hanteren van een op innovatie gebaseerde industriële strategie, het bestaan van exogene inflatoire druk of de noodzaak om vragen van analisten te beantwoorden. |
|
101 |
Geconstateerd moet echter worden dat deze opmerkingen niet zozeer betrekking hebben op de aanvankelijke kwantitatieve analyse als wel op de uitkomst van de daaropvolgende kwalitatieve analyse. |
|
102 |
Zoals de Commissie namelijk toelicht, heeft de kwantitatieve analyse het enkel mogelijk gemaakt om de bandensector te identificeren, in die zin dat uit het onderzoek van de earnings calls in haar databank naar voren is gekomen dat de earnings calls van de belangrijkste bandenfabrikanten werden gekenmerkt door de, op zijn zachtst gezegd opmerkelijk te noemen, aanwezigheid van een of meer van de bigrammen die als trefwoorden waren gebruikt. Zoals de Commissie echter eveneens uiteenzet, was de aanwezigheid van een bigram in een earnings call als zodanig niet voldoende. Pas na een zogenaamde kwalitatieve analyse, door de Commissie ook wel omschreven als een handmatig onderzoek, heeft zij de desbetreffende verklaring opgevat als een aanwijzing die mogelijk op een mededingingsverstorende gedraging kon duiden. De Commissie preciseert bovendien dat de kwalitatieve analyse doorslaggevend is geweest bij het identificeren van de in casu in geding zijnde verklaringen, omdat deze analyse haar onder meer een beter begrip van de context van de bigrammen heeft opgeleverd, haar in staat heeft gesteld irrelevante documenten buiten beschouwing te laten en potentieel problematische openbare verklaringen van de belangrijkste bandenfabrikanten te identificeren die de kwantitatieve analyse niet aan het licht had kunnen brengen. |
|
103 |
De opmerkingen van verzoekster blijken dus voornamelijk betrekking te hebben op de context van een verklaring die aanvankelijk is geïdentificeerd aan de hand van, in de meeste gevallen, een bigram en vervolgens aan een kwalitatieve analyse is onderworpen om de Commissie in staat te stellen te concluderen dat er naar haar inzicht sprake is van een verklaring die wellicht duidt op een potentiële mededingingsverstorende gedraging. Derhalve zal dit betoog hierna worden onderzocht in het kader van de beoordeling van de argumenten betreffende de willekeurige aard van het bestreden besluit, dat niet op voldoende ernstige aanwijzingen zou berusten om de in geding zijnde vermoedens te rechtvaardigen. |
|
104 |
Gesteld bovendien al dat, zoals verzoekster betoogt, fabrikanten uit andere sectoren of andere bandenfabrikanten wellicht eveneens uitspraken hebben gedaan die bigrammen bevatten die onder een van de door de Commissie gedefinieerde categorieën vallen, dan is dit onvoldoende grond om de Commissie de mogelijkheid te ontzeggen om de bandensector of de sectoren van de bandenfabrikanten waarvan de verklaringen na afloop van haar kwantitatieve analyse zijn geïdentificeerd, aan een grondiger onderzoek te onderwerpen, zoals zij in kwalitatief opzicht stelt te hebben gedaan. |
3) Voldoende ernstige aard van de meegedeelde aanwijzingen
|
105 |
Uit het onderzoek van de door de Commissie meegedeelde aanwijzingen en de daarover gemaakte opmerkingen kunnen twee conclusies omtrent de voldoende ernstige aard van deze aanwijzingen worden getrokken. |
i) Voldoende ernstige aanwijzingen ter onderbouwing van de vermoedens dat tijdens de hoofdperiode een coördinatie van de prijzen heeft plaatsgevonden
|
106 |
Gelet op het toepasselijke recht, moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat de door de Commissie vermoede mededingingsbeperkende gedraging bestaat uit een coördinatie van de prijzen en meer in het bijzonder een „coördinatie tussen de belangrijkste bandenfabrikanten van de prijzen (met name de groothandelsprijzen) van nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens binnen de EER”. |
|
107 |
Een dergelijke gedraging, voor zover aangetoond, is verboden krachtens artikel 101, lid 1, onder a), VWEU, of het nu in de vorm van een overeenkomst tussen ondernemingen dan wel een onderling afgestemde feitelijke gedraging is, indien zij ertoe strekt of tot gevolg heeft dat „aan‑ of verkoopprijzen [...] of andere contractuele voorwaarden”„rechtstreeks of zijdelings [worden bepaald]”. Bovendien wordt in het Unierecht de gezamenlijke wil die door verschillende ondernemingen tot uiting wordt gebracht om de prijzen op de markt op een bepaalde wijze vast te stellen, door de Commissie beschouwd als een van de meest ernstige inbreuken op de mededinging. |
|
108 |
Op feitelijk vlak moet verder worden opgemerkt dat, zoals de Commissie terecht heeft uiteengezet, sommige verklaringen die de belangrijkste door haar geïnspecteerde bandenfabrikanten in het kader van hun earnings calls en in het kader van aankondigingen over de banden‑ of de grondstofprijzen – alle tijdens de hoofdperiode – hebben gedaan, voldoende ernstige aanwijzingen vormden om de vermoedens omtrent het bestaan van een coördinatie gedurende die periode te onderbouwen. |
– Door de Commissie overgelegde verklaringen
|
109 |
Op grond van het onderzoek van de door de Commissie aan het licht gebrachte verklaringen in tal van earnings calls die tijdens een deel van een jaar van de hoofdperiode hebben plaatsgevonden, kan worden geconstateerd dat verschillende bandenfabrikanten hun respectieve voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling publiekelijk hadden bekendgemaakt. |
|
110 |
Zo heeft de Commissie in haar presentatie van de ter onderbouwing van het bestreden besluit verstrekte toelichtingen en feitelijke gegevens aangegeven dat zij op basis van het onderzoek van een significant aantal transcripties van earnings calls en van presentaties van de belangrijkste bandenfabrikanten in de EER, waaronder ook verzoekster, tot de conclusie was gekomen dat een deel van de verklaringen van die fabrikanten verdacht was, aangezien zij zich regelmatig publiekelijk hadden uitgelaten over de wijze waarop hun concurrenten hun prijzen moesten bepalen, over hun wens om zich op de markt als prijsleider dan wel prijsvolger te gedragen en over de wijze waarop zij op prijswijzigingen van hun concurrenten zouden reageren. |
|
111 |
Ter illustratie van deze stellingen heeft de Commissie twee reeksen earnings calls overgelegd, die tijdens een deel van een jaar van de hoofdperiode hebben plaatsgevonden. Voor elke van deze earnings calls heeft de Commissie de exacte inhoud weergegeven van de verklaringen die zij relevant achtte ter onderbouwing van haar verdenkingen. De Commissie heeft verder nog gepreciseerd dat dit soort verklaringen naar haar mening niet werd afgelegd om aan een wettelijk vereiste te voldoen; ter vergelijking heeft zij verwezen naar het onderzoek van de earnings calls van ondernemingen in andere sectoren, dat bevestigde dat de regelmaat waarmee de bandenfabrikanten dergelijke uitspraken deden, geen standaardgedrag was. |
|
112 |
Vervolgens heeft de Commissie, naar aanleiding van een vraag van het Gerecht over de temporele omvang van de vermoedelijke coördinatie, andere earnings calls en een presentatie overgelegd. Deze documenten dienden ter aanvulling op de earnings calls die zij eerder in haar verweerschrift had vermeld, en bestreken het andere deel van het jaar van de hoofdperiode (zie punt 111 hierboven). Voor elk van deze earnings calls heeft de Commissie de exacte inhoud weergegeven van de verklaringen die zij relevant achtte ter onderbouwing van haar verdenkingen met betrekking tot dat jaar. |
|
113 |
De Commissie verwijst in dit verband naar verklaringen die beginnen met de woorden „wij willen een signaal geven” („we want to send a signal”), „we zijn van plan om” („we plan to”), „de strategie is om ons te richten op” („the strategy is to focus on”), „we streven ernaar om ons te houden aan” („we strive to stick to”), „we zullen ons best doen om” („we will do our best to”), „we zijn in staat om” („we are able to”), en „het is niet onze intentie om te gaan voor” („it is not our intention to go for”). Deze verklaringen zouden door de geïnspecteerde bandenfabrikanten zijn afgelegd met als doel om publiekelijk aan te kondigen dat zojuist tot een bepaalde handelwijze was besloten of dat een dergelijke handelwijze zou worden gehanteerd of in sommige gevallen zelfs om concurrenten voor te stellen een dergelijke handelwijze over te nemen. |
|
114 |
Gelet op deze verklaringen met betrekking tot de hoofdperiode, heeft de Commissie terecht vermoed dat het op zijn minst aannemelijk, in de zin van redelijkerwijs mogelijk, was dat deze eenzijdige publiekelijke uitspraken wellicht bedoeld waren om een signaal te geven aan de belangrijkste concurrenten, zodat de daarin verstrekte aanwijzingen met betrekking tot de voornemens en strategieën van de betrokken fabrikanten op het gebied van de prijsstelling zouden worden overgenomen of in aanmerking genomen. |
– Andere door de Commissie meegedeelde gegevens
|
115 |
Zoals de Commissie terecht stelt, kon eveneens redelijkerwijs worden aangenomen dat de vermoedens die waren gerezen naar aanleiding van de verklaringen die na een kwalitatieve analyse waren geïdentificeerd, werden gestaafd door hetgeen zij na het onderzoek van bepaalde aankondigingen over de bandenprijzen of de neerwaartse of opwaartse trend van de grondstof‑ en energieprijzen had waargenomen. |
|
116 |
Ten eerste heeft de Commissie namelijk toegelicht dat zij de prijsaankondigingen van de belangrijkste bandenfabrikanten tijdens de betrokken periode had onderzocht en had geconstateerd dat deze veelal kort na elkaar werden gedaan. Ter illustratie hiervan heeft de Commissie verschillende mededelingen op een gespecialiseerde website getoond waarin melding werd gemaakt van deze aankondigingen, die op hetzelfde moment tijdens de hoofdperiode waren gedaan. |
|
117 |
Ten tweede heeft de Commissie op basis van een analyse van de evolutie van de grondstof‑ en energieprijzen vastgesteld dat bij elke fluctuatie van deze prijzen de verklaringen van de fabrikanten op elkaar waren afgestemd. Zo zou zij hebben geconstateerd dat de earnings calls van diverse fabrikanten gelijksoortige verklaringen bevatten waarin erop gewezen werd dat de bandenprijzen moesten worden verhoogd wanneer de grondstoffen‑ en energieprijzen waren gestegen. Insgelijks zou zij hebben vastgesteld dat de fabrikanten bij een daling van de grondstof‑ en energieprijzen uitlatingen deden waarin erop werd gewezen dat een prijsverlaging moest worden vermeden. Ter illustratie van deze stellingen heeft de Commissie twee earnings calls overgelegd die aan het begin van een jaar in de hoofdperiode hadden plaatsvonden, en heeft zij voor elk van beide de exacte inhoud weergegeven van de verklaringen die zij relevant achtte ter onderbouwing van deze constateringen. Daarnaast heeft de Commissie verwezen naar een presentatie die in het kader van een earnings call was gehouden om de prijsontwikkeling te bespreken die bepaalde materialen, met name in bepaalde jaren van de hoofdperiode, hadden ondergaan. Verder heeft de Commissie nog opgemerkt dat de grondstofprijzen aanzienlijk waren gestegen als gevolg van de COVID‑19-pandemie. De communicatie van de ondernemingen zou in dit verband betrekking hebben gehad op de snelle stijging van de prijzen, zoals zou blijken uit twee earnings calls die tijdens een jaar in de hoofdperiode hebben plaatsgevonden, waarvoor de Commissie de exacte inhoud heeft weergegeven van de verklaringen die zij relevant achtte ter onderbouwing van deze constatering. |
– Door verzoekster ingediende opmerkingen
|
118 |
De opmerkingen van verzoekster over de door de Commissie aangehaalde verklaringen en de andere gegevens waarop deze instelling zich baseert, doen niet af aan de beoordelingen van de Commissie, aangezien deze opmerkingen te algemeen blijven of op de gedachte stoelen dat de Commissie in dit stadium over bewijs van de vermoedelijke inbreuk moet beschikken (zie in die zin arrest van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85 tot en met C‑129/85, EU:C:1993:120, punten 70 en 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak) in plaats van alleen over voldoende ernstige aanwijzingen. |
|
119 |
Ten bewijze van haar stelling dat de door de Commissie aangehaalde verklaringen onvoldoende ernstige aanwijzingen voor het bestaan van de vermoedelijke coördinatie opleveren, betoogt verzoekster namelijk ten eerste dat de betrokken verklaringen zowel in de bandensector als in andere industriële sectoren gebruikelijk zijn en regelmatig voorkomen. |
|
120 |
Geconstateerd moet evenwel worden dat, gesteld al dat verklaringen van die aard met dezelfde regelmaat kunnen worden waargenomen in earnings calls van andere bandenfabrikanten of fabrikanten uit andere sectoren als het geval is in de betrokken earnings calls, deze omstandigheid de Commissie niet kan beletten om de vermoedens te verifiëren die zijn gerezen uit de voldoende ernstige aanwijzingen waarover zij met betrekking tot de door haar geïdentificeerde bandenfabrikanten beschikt. |
|
121 |
Ten tweede merkt verzoekster op dat de door de Commissie aangehaalde citaten uit de earnings calls alle afkomstig zijn uit verklaringen die zijn afgelegd tijdens het onderdeel van die earnings calls dat was gewijd aan de vraag-en-antwoordsessie. Die verklaringen zouden dus niet spontaan zijn afgelegd, maar ter beantwoording dienen van vragen van financiële analisten, die investeringsbanken vertegenwoordigen en geen concurrenten. Van een onderneming die deelneemt aan een earnings call en de bijbehorende vraag-en-antwoordsessie wordt volgens haar verwacht dat zij haar vooruitzichten presenteert en toelicht in het licht van de macro-economische context. Dergelijke verklaringen beantwoorden tevens, althans wat betreft de in Frankrijk gevestigde ondernemingen, aan een wettelijk transparantievereiste, dat vergt dat informatie die niet openbaar is gemaakt en die, als ze wél openbaar was gemaakt, de aandelenkoers van de betrokken onderneming zou kunnen beïnvloeden, doorlopend aan de markten wordt bekendgemaakt. |
|
122 |
In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat de door de Commissie voorgestane uitlegging van de betrokken verklaringen het recht van ondernemingen om earnings calls te organiseren als zodanig onverlet laat. Deze uitlegging doet in casu evenmin afbreuk aan een wettelijk vereiste inzake financiële transparantie. Zij berust namelijk veeleer op de gedachte dat ondernemingen weliswaar earnings calls mogen organiseren en aan de wettelijke vereisten inzake financiële communicatie moeten voldoen, maar deze earnings calls niet mogen aanwenden om te komen tot wat, naar de Commissie vermoedt, mogelijk een mededingingsverstorende praktijk is. De Commissie heeft in dit verband terecht gesteld dat geen enkele noodzaak om vragen van analisten te beantwoorden en geen enkele wettelijke verplichting inzake financiële transparantie de betrokken ondernemingen toestaat om hun gedrag onderling af te stemmen teneinde „rechtstreeks of zijdelings [...] de aan‑ of verkoopprijzen of [...] andere contractuele voorwaarden [te bepalen]” in de zin van artikel 101, lid 1, onder a), VWEU. |
|
123 |
Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de betrokken verklaringen niet kunnen worden verklaard door de door verzoekster voorgestane uitlegging – te weten de incidentele noodzaak om een vraag van een analist te beantwoorden of het algemene vereiste van transparantie zoals dat op het gebied van financiële communicatie geldt – in plaats van door de uitlegging van de Commissie, moet worden geconstateerd dat deze vraag in dit stadium van het onderzoek prematuur is. In casu volstaat de opmerking dat de bewering van verzoekster dat de betrokken verklaringen, in het bijzonder die volgens de Commissie betrekking hebben op de wijze waarop concurrenten hun prijzen moesten bepalen, de wijze waarop zij zich als prijsleider of -volger dienden te gedragen of de wijze waarop de betrokken fabrikant op prijswijzigingen van concurrenten reageerde, voortvloeiden uit de noodzaak om vragen van analisten te beantwoorden of om aan wettelijke vereisten te voldoen, niet volstaat om de aannemelijkheid te ontkrachten van de uitlegging die de Commissie ter rechtvaardiging van het bestreden besluit heeft gehanteerd (zie punt 87 van dit arrest). |
|
124 |
In de derde plaats stelt verzoekster dat de door de Commissie aangehaalde verklaringen slechts algemene opmerkingen over het concurrentieklimaat in de bandensector behelzen, met verwijzingen naar de prijsdruk en de inflatie, en over het aan haar „premium positionering” gekoppelde prijsbeleid. De eerste opmerkingen waren volgens haar van algemene aard en golden als algemeen bekend. Ze zouden betrekking hebben op externe factoren die bekend zijn bij de analisten, die de impact daarvan op de financiële prestaties van ondernemingen trachten te bepalen. De tweede opmerkingen zouden slechts een herhaalde weergave van haar duidelijke positionering sedert tal van jaren vormen. Verder zouden de verklaringen over de prijsevolutie bij concurrenten slechts de economische rationaliteit van elke onderneming en de normale mededinging weerspiegelen. Ook de waarnemingen die de Commissie op basis van de aankondigingen over de bandenprijzen en de inputkosten heeft gedaan, zouden hierdoor kunnen worden verklaard. |
|
125 |
Verzoekster erkent derhalve zelf dat wat zij aanvoert om de aannemelijkheid van de door de Commissie voorgestane uitlegging te betwisten, erop neerkomt dat er „andere geloofwaardige rechtvaardigingsgronden” zijn dan die waarvan de Commissie in dit stadium uitgaat om de inhoud van de door haar aangehaalde verklaringen te verklaren. |
|
126 |
Gelet op de inhoud van de in aanmerking genomen openbare verklaringen (zie punt 113 van dit arrest), die volgens de door de Commissie voorgestane uitlegging kunnen wijzen op een coördinatie van de bandenprijzen, en in het licht van de verschillende gegevens die zijn aangevoerd ter onderbouwing van de naar aanleiding van die verklaringen gerezen vermoedens, was het aannemelijk te oordelen dat er mogelijk sprake was van de vermoedelijke coördinatie en dat er dus een verificatie moest worden verricht. |
|
127 |
In deze context zullen de andere geloofwaardige rechtvaardigingsgronden die verzoekster naar voren heeft gebracht in een later stadium worden onderzocht, indien mocht blijken dat de vermoedens van de Commissie door de uitkomsten van haar verificaties worden bevestigd. Deze andere verklaringen volstaan als zodanig niet om de aannemelijkheid van de door de Commissie voorgestane uitlegging te ontkrachten. |
|
128 |
In de vierde plaats moet naar aanleiding van de door verzoekster geuite bedenkingen in het licht van met name de motivering van het bestreden besluit (zie punt 47 hierboven) in herinnering worden gebracht, dat de Commissie als reactie op de eerste maatregelen tot organisatie van de procesgang een nadere toelichting heeft verstrekt op haar uitlegging van de in haar bezit zijnde aanwijzingen met betrekking tot de prijsrange van de vermoedelijke coördinatie. |
|
129 |
De Commissie heeft dienaangaande verklaard dat haar onderzoek zich toespitste op informatie over toekomstige voornemens en strategieën op het gebied van prijsstelling die de belangrijkste bandenfabrikanten door middel van met name hun earnings calls bekend maakten. |
|
130 |
Zij zegt in dit verband te hebben geconstateerd dat de belangrijkste bandenfabrikanten in het kader van de earnings calls vaak verwezen naar de „groothandelsprijzen” (sell‑in prices of wholesale prices), hetgeen de prijzen zijn die aan het begin van de waardeketen worden toegepast. Doorgaans zijn dat de prijzen die bandenfabrikanten aanrekenen wanneer de banden hun fabrieken verlaten. De Commissie heeft tevens toegelicht dat zij in diezelfde context regelmatig verwijzingen naar de sell-out prices, dat wil zeggen de prijzen die verderop in de waardeketen worden toegepast, heeft waargenomen. |
|
131 |
Ter illustratie hiervan heeft de Commissie twee earnings calls van concurrenten van verzoekster overgelegd, waarvan de eerste dateert uit de hoofdperiode en de tweede uit de periode daarvóór, zonder dat er noodzakelijkerwijs een verband met de eerdere periode bestaat. Uit de door de Commissie aangehaalde verklaringen uit deze earnings calls komt naar voren dat de situatie op het gebied van de prijzen, voorraden of marktaandelen daarin is besproken vanuit de invalshoek van zowel de verkoop vanaf de fabriek als de verkoop bij de distributeur. |
|
132 |
De Commissie heeft op dit punt gepreciseerd dat zij alle prijzen die in de loop van de gehele waardeketen worden aangerekend, van belang achtte in het kader van de inspectie die zij had gelast om haar verdenkingen omtrent de vermoedelijke coördinatie te verifiëren. Zij wijst erop dat de verklaringen die in het kader van de earnings calls zijn afgelegd, overeenkomen met de leidraden die op het hoogste managementniveau van de betrokken fabrikanten zijn verstrekt over hun toekomstige voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling. Deze leidraden zouden als zodanig in de loop van de gehele waardeketen kunnen worden overgenomen. Volgens de Commissie hebben deze verklaringen namelijk zowel betrekking op de leidraden voor prijsverhogingen of de handhaving van de prijzen op een bepaald niveau als op een strategie die is toegespitst op de concurrentie op prijs in plaats van op de concurrentie op volume. Om deze redenen is de Commissie van mening dat de betrokken verklaringen mogelijk relevant zijn voor zowel de vaststelling van de groothandelsprijzen als de vaststelling van de detailhandelsprijzen. |
|
133 |
Verder heeft de Commissie aangegeven dat de belangrijkste bandenfabrikanten in Europa doorgaans verticaal geïntegreerd zijn en dus zowel actief zijn op het gebied van de bandenproductie als op de detailhandelsmarkt. Zij hebben er derhalve belang bij dat prijsstijgingen op groothandelsniveau worden doorberekend in de detailhandelsprijzen die verderop in de keten worden aangerekend, om zodoende de margedoelstellingen gedurende de gehele waardeketen te waarborgen. Volgens de Commissie kon daarom niet worden uitgesloten dat de prijsstrategieën die in de desbetreffende earnings calls bekend werden gemaakt, verderop in de keten moesten worden toegepast om het gewenste resultaat te bereiken. |
|
134 |
In haar opmerkingen hierover stelt verzoekster dat de toelichtingen van de Commissie in het bestreden besluit hadden moeten worden opgenomen. Meer algemeen merkt verzoekster nog op dat de door de Commissie aangehaalde verklaringen met betrekking tot zowel de sell-in prices als de sell-out prices per definitie geen voldoende ernstige aanwijzingen kunnen opleveren en wel om verschillende redenen, bijvoorbeeld omdat de betrokken verklaringen verwijzen naar heldere besluiten om de prijzen te wijzigen, omdat die verklaringen algemeen en vaag zijn of omdat, wat de sell-out prices betreft, alle detailhandelsprijzen van de banden gemakkelijk toegankelijke openbare gegevens zijn. |
|
135 |
Opgemerkt zij echter dat de Commissie met haar stelling dat de vermoedelijke coördinatie betrekking heeft op „de coördinatie tussen de belangrijkste bandenfabrikanten van de prijzen (met name de groothandelsprijzen)” een formulering heeft gebezigd die strookt met de inhoud van de aanwijzingen waarover zij beschikt. Deze aanwijzingen zijn voldoende ernstig om het vermoeden te onderbouwen dat mogelijk sprake is van een mededingingsverstorende praktijk die voortvloeit uit bepaalde openbare verklaringen die de in het bestreden besluit genoemde bandenfabrikanten in het kader van hun earnings calls hebben afgelegd. |
|
136 |
Volgens de toelichtingen die de Commissie heeft verstrekt in het stadium van het onderzoek door de Unierechter van de inhoud van deze aanwijzingen – die worden bevestigd door de uitspraak van verzoekster ter terechtzitting dat een deel van haar nieuwe vervangingsbanden binnen de EER wordt verkocht op detailhandelsniveau – achtte zij het aannemelijk dat haar vermoedens en de voldoende ernstige aanwijzingen waarover zij beschikte, zich uitstrekten tot de gehele in de earnings calls genoemde waardeketen en zich niet beperkten tot uitsluitend de verkopen op groothandelsniveau. |
|
137 |
De andere verklaringen die verzoekster heeft aangevoerd, zullen in een later stadium worden onderzocht, indien mocht blijken dat de vermoedens van de Commissie door de uitkomsten van haar verificaties worden bevestigd. In casu volstaan deze andere verklaringen als zodanig niet om in het stadium van de rechterlijke toetsing van het bestreden besluit de aannemelijkheid uit te sluiten van de door de Commissie voorgestane uitlegging van de strekking van het prijsbegrip zoals deze in dat besluit ter rechtvaardiging van de verificatie is uiteengezet. |
|
138 |
Kortom, uit het voorgaande volgt dat de door de Commissie voorgestane uitlegging dat al deze aanwijzingen in hun geheel genomen de conclusie wettigden dat het aannemelijk was dat de belangrijkste bandenfabrikanten waarop het bestreden besluit doelde, hun prijzen voor nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens binnen de EER gedurende de hoofdperiode coördineerden, zonder dat kan worden uitgesloten dat deze eventuele coördinatie reeds eerder is begonnen en ten tijde van de inspectie nog steeds plaatsvond, gelet op de inhoud van de verschillende openbare verklaringen en de verschillende gegevens die zij ter onderbouwing van de naar aanleiding van deze verklaringen gerezen vermoedens heeft overgelegd, gegrond is. |
|
139 |
Dit betekent dat de grief dat het bestreden besluit willekeurig is omdat de vermoedens met betrekking tot de in de eerste volzin van overweging 4 van dit besluit omschreven hoofdperiode niet op voldoende ernstige aanwijzingen zouden berusten, ongegrond is en moet worden afgewezen. |
ii) Ontbreken van voldoende ernstige aanwijzingen ter onderbouwing van de vermoedens dat tijdens de eerdere periode een coördinatie van de prijzen heeft plaatsgevonden
|
140 |
Wat de eerdere periode aangaat, moet worden opgemerkt dat de Commissie naar aanleiding van een vraag van het Gerecht over de temporele omvang van de vermoedelijke coördinatie heeft erkend, zoals zij ook ter terechtzitting heeft bevestigd, dat zij het Gerecht geen met die periode overeenkomende aanwijzingen heeft overgelegd. |
|
141 |
Dit is van belang voor de beoordeling aangezien, zoals verzoekster naar voren brengt, uit de toelichtingen van de Commissie blijkt dat de onderzoeksperiode die is gehanteerd voor de kwantitatieve analyse van honderdduizenden earnings calls, lang genoeg is om zowel de hoofdperiode als de eerdere periode te omvatten (zie punten 95 tot en met 98 van dit arrest). |
|
142 |
Opgemerkt zij dan ook dat de Commissie wat de hoofdperiode betreft weliswaar bepaalde earnings calls heeft kunnen identificeren aan de hand van de twee door haar gedefinieerde categorieën bigrammen en de daaropvolgende kwalitatieve analyse, maar dat zij wat de eerdere periode betreft niet heeft gesteld dergelijke earnings calls te hebben kunnen identificeren. Gelet op het aantal en de diversiteit van de bigrammen die voor de kwantitatieve analyse zijn gebruikt, is het aannemelijk dat als er relevante earnings calls tijdens de eerdere periode hadden plaatsgevonden, deze op dezelfde manier zouden zijn geïdentificeerd als de earnings calls tijdens de hoofdperiode. De Commissie heeft het Gerecht hierover geen enkele toelichting verstrekt en geen enkel hiermee corresponderend document overgelegd, ofschoon zij was verzocht om de verschillende gegevens over te leggen – in de vorm die zij geschikt achtte om aan te tonen dat zij over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte – waarnaar zij had verwezen in de tweede volzin van overweging 4 van het bestreden besluit, die aan de eerdere periode is gewijd. |
|
143 |
Derhalve dient het Gerecht de omstandigheid in aanmerking te nemen dat de Commissie niet in staat is gebleken om openbare verklaringen over te leggen die de belangrijkste bandenfabrikanten zouden hebben afgelegd in het kader van earnings calls die tijdens de eerdere periode hebben plaatsgevonden, zoals zij dit wél met betrekking tot de hoofdperiode heeft kunnen doen. |
|
144 |
Wat betreft de aanwijzingen voor de vermoedens die zij met betrekking tot de eerdere periode in het bestreden besluit heeft geuit, betoogt de Commissie bovendien dat haar aandacht op deze periode was gevestigd door meerdere earnings calls die na deze periode hebben plaatsgevonden. |
|
145 |
Naar de Commissie heeft gesteld, werd in deze earnings calls die dateren van na de eerdere periode gewag gemaakt van die periode in het kader van opmerkingen van de in het bestreden besluit vermelde belangrijkste bandenfabrikanten over de gevolgen van de gestegen grondstofprijzen. |
|
146 |
Zo heeft de Commissie een openbare verklaring van een concurrent aangehaald die is afgelegd in het kader van een earnings call die tijdens de hoofdperiode heeft plaatsgevonden en waarin sprake was van een „cyclus [die overeenkomt met de eerdere periode]”. Volgens deze verklaring zouden de gederfde winsten als gevolg van de stijging van de grondstofprijzen in het jaar volgend op die cyclus volledig zijn gerecupereerd. |
|
147 |
Ook andere door de Commissie genoemde earnings calls bevatten verwijzingen naar de eerdere periode. Drie van die earnings calls hadden plaatsgevonden in jaren kort vóór de hoofdperiode en vier ervan dateerden, samen met een presentatie, uit de hoofdperiode. Uit de inhoud van deze door de Commissie aangehaalde verklaringen komt naar voren dat de belangrijkste bandenfabrikanten de toenmalige situatie vergeleken met een periode die zij, naargelang van hun eigen situatie, hadden meegemaakt op een tijdstip waarop de markt onderhevig was geweest aan aanzienlijke stijgingen van de grondstofprijzen. |
|
148 |
Volgens de Commissie zouden deze verwijzingen een aanwijzing kunnen vormen dat ook tijdens de eerdere periode een coördinatie heeft plaatsgevonden, hetgeen verzoekster in haar opmerkingen betwist. |
|
149 |
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de verklaringen die de Commissie heeft aangehaald om aan te tonen dat zij over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte voor de in het bestreden besluit geuite vermoedens omtrent een coördinatie die in de eerdere periode zou hebben plaatsgevonden, niet van dezelfde aard zijn als de verklaringen die met betrekking tot de hoofdperiode zijn onderzocht. Dit is door de Commissie ter terechtzitting bevestigd. |
|
150 |
Hoewel de door de Commissie vermoede coördinatie berust op de gedachte dat de belangrijkste bandenfabrikanten elkaar wederzijds informeerden over hun respectieve toekomstige voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling, en in de aanwijzingen met betrekking tot de hoofdperiode melding werd gemaakt van openbare verklaringen die in aanmerking konden worden genomen voor de vaststelling van een dergelijke coördinatie, werd in de verschillende verklaringen die met betrekking tot de eerdere periode zijn overgelegd immers niet gerept over de respectieve toekomstige voornemens en strategieën op het gebied van de prijsstelling die in die periode wellicht zouden worden uitgevoerd. |
|
151 |
Blijkens die verklaringen, zoals bijvoorbeeld de oudste verklaring die de Commissie aanhaalt, herinnert de betrokken fabrikant zijn gesprekspartners er namelijk aan dat het niet de eerste keer is dat de grondstofprijzen stijgen en dat hij deze stijging in het verleden heeft kunnen doorberekenen. De coördinatie die volgens de door de Commissie voorgestane uitlegging besloten zou kunnen liggen in een openbare verklaring over de doorberekening van een prijsstijging, geldt echter uitsluitend voor de toekomst. In casu verstrekt de Commissie geen aanwijzingen die de conclusie wettigen dat de belangrijkste bandenfabrikanten hun gedragingen tijdens de eerdere periode, toen de grondstofprijzen eveneens aanmerkelijk zijn gestegen, op soortgelijke wijze hebben gecoördineerd als later voor de hoofdperiode is gedocumenteerd, of op een andere wijze dan zij in die hoofdperiode zouden hebben gehanteerd. |
|
152 |
Voor het overige heeft de Commissie het Gerecht geen enkel element verstrekt dat de aanname wettigt dat een ander type coördinatie heeft plaatsgevonden dan de coördinatie die in casu wordt vermoed. |
|
153 |
Gelet op, ten eerste, het ontbreken van relevante gegevens uit de eerdere periode, terwijl deze periode wél deel uitmaakte van de door de Commissie in het kader van haar kwantitatieve analyse gehanteerde zoekperiode (zie punt 95 van dit arrest) en, ten tweede, het ontbreken van andere relevante gegevens die het bestaan van een mogelijke coördinatie gedurende de eerdere periode kunnen aantonen, is bijgevolg de juistheid van de door de Commissie voorgestane uitlegging – te weten dat het aannemelijk was dat de belangrijkste bandenfabrikanten waarop het bestreden besluit betrekking heeft, hun prijzen voor nieuwe vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens binnen de EER gedurende de eerdere periode hebben gecoördineerd – niet genoegzaam aangetoond. |
|
154 |
In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de grief dat het bestreden besluit willekeurig is omdat de vermoedens met betrekking tot de eerdere periode zoals omschreven in de tweede volzin van overweging 4 van dit besluit niet door voldoende ernstige aanwijzingen worden onderbouwd, gegrond is. Derhalve moet het bestreden besluit op dit punt gedeeltelijk nietig worden verklaard. |
4. Tweede onderdeel, betreffende het onevenredige karakter van het bestreden besluit
|
155 |
Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit het evenredigheidsbeginsel niet in acht neemt en wel om de volgende redenen: het ontbreken van een risico voor de bewijzen, de buitensporige belemmering van de goede werking van de onderneming, de buitensporige publiciteit die wordt gegeven aan besluiten waarbij een inspectie wordt gelast en de mogelijkheid om te kiezen voor een minder beperkende maatregel, namelijk een verzoek om inlichtingen. |
|
156 |
Vooraf zij eraan herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, vergt dat handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doeleinden (zie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
157 |
In geval van een besluit waarbij een inspectie wordt gelast, veronderstelt de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel dat de beoogde maatregel geen nadelen met zich brengt die onevenredig en onduldbaar zijn in verhouding tot het nagestreefde doel. In het bijzonder hangt de keuze die de Commissie moet maken tussen een verzoek om inlichtingen en een inspectie die bij besluit wordt gelast, niet af van omstandigheden als de bijzondere ernst van de situatie, de extreme spoedeisendheid of de noodzaak van absolute geheimhouding, maar van de vereisten van een doeltreffend onderzoek, zulks in het licht van de bijzondere omstandigheden van elk geval. Wanneer een inspectiebesluit er enkel op is gericht de Commissie in staat te stellen de nodige gegevens te verzamelen om een mogelijke schending van het Verdrag op te sporen, maakt een dergelijk besluit bijgevolg geen inbreuk op het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
158 |
In beginsel staat het aan de Commissie om te beoordelen of een inlichting noodzakelijk is om een inbreuk op de mededingingsregels te kunnen opsporen. Ook wanneer zij reeds over aanwijzingen of zelfs bewijzen voor het bestaan van een inbreuk beschikt, kan de Commissie het zeer wel noodzakelijk achten om aanvullende verificaties te gelasten teneinde zich een nauwkeuriger beeld te vormen van de inbreuk of van de duur daarvan (zie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
159 |
In casu kan het betoog dat verzoekster ter onderbouwing van de schending van het evenredigheidsbeginsel aanvoert, worden opgesplitst in twee categorieën, te weten argumenten ter betwisting van de noodzaak van het bestreden besluit, die impliceert dat er geen andere, minder ingrijpende opties voorhanden waren, en argumenten waarmee kritiek wordt geuit op de buitensporige gevolgen van een inspectiebesluit voor haar werking en haar prestaties, waaruit zou blijken dat een minder ingrijpende maatregel de voorkeur had verdiend. |
a) Grieven betreffende het ontbreken van de noodzaak van het bestreden besluit
|
160 |
Verzoekster betoogt ten eerste dat het in het bestreden besluit genoemde risico op het verheimelijken of vernietigen van bewijzen zich niet voordeed, aangezien de gevraagde informatie reeds bij de Commissie bekend was of gemakkelijk bekend had kunnen zijn. Ten tweede stelt zij dat in casu een alternatief beschikbaar was dat minder ingrijpend was dan de vaststelling van een dergelijk besluit, namelijk een verzoek om inlichtingen krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003, waarbij een geldboete van ten hoogste 1 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet kan worden opgelegd wanneer geen of onvolledige antwoorden worden verstrekt, waardoor deze bepaling, die in vergelijkbare zaken van dezelfde aard wordt gebruikt, zeer doeltreffend is. |
|
161 |
De Commissie betwist de argumenten van verzoekster. |
|
162 |
Wat in de eerste plaats het ontbreken van een risico voor de bewijzen betreft, moet eraan worden herinnerd, zoals de Commissie onderstreept, dat het bestreden besluit bedoeld was om haar in staat te stellen de nodige informatie te vergaren teneinde te verifiëren of daadwerkelijk sprake was van de vermoedelijke coördinatie. |
|
163 |
De omstandigheid dat de Commissie voldoende ernstige aanwijzingen heeft verzameld om een inspectie te rechtvaardigen, kan in dit verband niet tot gevolg hebben dat zij wordt belemmerd om aanvullende informatie in te winnen of om de informatie waarover zij bij een inspectie beschikt, te verifiëren. |
|
164 |
Insgelijks kan de omstandigheid dat die aanwijzingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de inhoud van bepaalde openbare verklaringen die de in het bestreden besluit vermelde bandenfabrikanten in het kader van hun earnings calls hebben afgelegd, de Commissie niet de mogelijkheid ontnemen om relevante documenten te onderzoeken of de betrokken personen te ondervragen teneinde de informatie te verzamelen die zij nodig heeft om haar vermoedens nader te concretiseren of te verifiëren. |
|
165 |
De Commissie kan in dit verband niet worden verweten dat zij heeft geprobeerd die informatie in te winnen bij een beperkte groep personen die binnen de betrokken onderneming wellicht over bewijsmateriaal beschikten aan de hand waarvan het voorwerp, de motieven en de werking van de vermoedelijke coördinatie beter konden worden omschreven. De Commissie wijst er terecht op dat het voor haar van belang was om informatie in te winnen over de interne besprekingen betreffende de voorbereiding en de follow-up van de earnings calls en de voorbereiding van besluiten over de prijsstelling met betrekking tot de in dat besluit beschreven prijscoördinatie tussen bandenfabrikanten. |
|
166 |
In een dergelijke situatie kon de Commissie niet uitsluiten dat er mogelijk een risico bestond dat bepaalde relevante informatie zou worden gemanipuleerd of vernietigd indien er geen onaangekondigde inspectie plaatsvond. Overigens wordt in overweging 8 van het bestreden besluit gewag gemaakt van een dergelijk risico voor het bewijsmateriaal met betrekking tot „informatie in relatie tot vermoedens omtrent een coördinatie van toekomstig marktgedrag op het gebied van de prijzen (met name de groothandelsprijzen) van de betrokken producten, en vermoedens omtrent de keuze van de fabrikanten om concurrenten via openbare middelen te informeren over toekomstig prijsbeleid”. |
|
167 |
Derhalve kon de Commissie, gelet zowel op de motivering van het bestreden besluit ten aanzien van de inhoud van de vermoedelijke coördinatie als op de voldoende ernstige aanwijzingen die deze vermoedens onderbouwden, niet uitsluiten dat er een risico bestond dat het gezochte bewijsmateriaal zou worden verheimelijkt of vernietigd en was het dus noodzakelijk om een inspectiebesluit vast te stellen teneinde dit risico uit te sluiten. |
|
168 |
Wat in de tweede plaats de mogelijke keuze voor een verzoek om inlichtingen in plaats van een inspectiebesluit betreft, moet worden vastgesteld dat een dergelijk verzoek het niet mogelijk zou hebben gemaakt om alle voor het onderzoek noodzakelijke informatie en bewijzen te vergaren. |
|
169 |
In casu was de Commissie immers, zoals blijkt uit het bestreden besluit, van mening dat een inspectiebesluit noodzakelijk was om alle feiten in verband met de vermoedelijke coördinatie, de context ervan en de identiteit van de betrokken ondernemingen te verifiëren, teneinde te voorkomen dat relevante informatie zou worden gemanipuleerd of vernietigd – hetgeen had kunnen gebeuren als de informatie door middel van een verzoek om inlichtingen of een aangekondigde inspectie was verzameld – en teneinde de doeltreffendheid van de inspectie te garanderen door ervoor te zorgen dat deze gelijktijdig bij alle verdachte ondernemingen werd verricht, zonder dat zij tevoren werden ingelicht. |
|
170 |
Bovendien bestaat er, zoals de Commissie opmerkt, een aanzienlijk verschil tussen het bedrag van een geldboete die wordt opgelegd wegens het plegen van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU en het bedrag van een geldboete die wordt opgelegd wegens het niet beantwoorden van een verzoek om inlichtingen. Gelet op dit verschil kan niet worden uitgesloten dat een onderneming waaraan een verzoek om inlichtingen is gedaan, in de verleiding kan komen om daaraan geen gevolg te geven, zelfs al haar daarvoor een sanctie wordt opgelegd, indien zij aldus kan voorkomen dat haar een sanctie wordt opgelegd wegens het plegen van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU. |
|
171 |
De keuze van het instrument dat wordt gehanteerd om de voor het onderzoek relevante informatie te verzamelen, of het nu gaat om een bij besluit gelaste inspectie krachtens artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 dan wel om een verzoek om inlichtingen krachtens artikel 18 van deze verordening, hangt dus af van een analyse die de Commissie in het licht van de specifieke situatie van het lopende onderzoek heeft gemaakt. De loutere omstandigheid dat de Commissie in andere, door verzoekster genoemde gevallen kan hebben gekozen voor een verzoek om inlichtingen, volstaat in dit verband niet om de rechtmatigheid aan te tasten van de keuze die in casu om de in het bestreden besluit uiteengezette redenen is gemaakt. |
|
172 |
Uit het voorgaande volgt dat het betoog van verzoekster dat de noodzaak voor het bestreden besluit ontbrak, omdat de bewijsvergaring geen risico liep of een minder ingrijpende maatregel mogelijk was, ongegrond is en moet worden afgewezen. |
b) Grieven met betrekking tot de nadelige gevolgen van het bestreden besluit
|
173 |
Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit nadelige gevolgen heeft gehad voor ten eerste haar goede werking tijdens het verloop van de inspectie en ten tweede haar economische prestaties als gevolg van de aan de inspectie gegeven publiciteit. Gelet op de buitensporige gevolgen ervan, kan het bestreden besluit naar haar mening niet worden geacht in overeenstemming te zijn met het evenredigheidsbeginsel. |
|
174 |
De Commissie betwist het betoog van verzoekster. |
|
175 |
Wat betreft de buitensporige verstoring van de goede werking van een onderneming die wordt gelast zich aan een inspectie te onderwerpen, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat het betoog van verzoekster dienaangaande elke feitelijke grondslag ontbeert. |
|
176 |
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat inspecties in beginsel noodzakelijk zijn wanneer de Commissie het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels van het VWEU vermoedt. Een dergelijke inmenging van de overheid in het recht van een onderneming op eerbiediging van haar woning en haar communicatie is dus evenredig zolang deze inmenging binnen de gerechtvaardigde grenzen van het in het inspectiebesluit omschreven voorwerp valt, hetgeen impliceert dat de uitvoering van een dergelijk besluit nadelige gevolgen teweegbrengt die noodzakelijk zijn en die van invloed zijn op de goede werking van een onderneming, en waarvan verzoekster niet onkundig kan zijn. |
|
177 |
Gelet op de voldoende ernstige aanwijzingen waarover de Commissie beschikt, kan in casu niet worden geoordeeld dat het bestreden besluit als zodanig kan leiden tot een onevenredige belemmering van de goede werking van verzoekster. |
|
178 |
Voorts zij opgemerkt dat de door de Commissie verstrekte toelichtingen hoe dan ook aantonen dat de met het inspectiebesluit gepaard gaande nadelige gevolgen niet buitensporig en onduldbaar zijn in verhouding tot de doelstellingen die met deze inspectie worden nagestreefd. |
|
179 |
Zo heeft de Commissie betoogd, zonder door verzoekster te zijn weersproken, dat de inspectie op een zo min mogelijk ingrijpende manier was verricht. Meer concreet stelt de Commissie dat zij van slechts vier personen de werkinstrumenten in beslag heeft genomen en kort daarna weer heeft teruggegeven. De mobiele telefoons van deze personen zouden namelijk binnen circa 24 uur (en vaak nog eerder) zijn geretourneerd. Om hen in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten met behulp van hun gebruikelijke telefoonnummers, heeft de Commissie sommige SIM‑kaarten teruggegeven nog voordat de mobiele telefoons werden teruggegeven. Wat betreft de in beslag genomen laptops, heeft een van de vier personen zijn eigen laptop diezelfde dag nog teruggekregen, terwijl de overige laptops binnen 48 uur zijn geretourneerd. Aangezien alle gegevens stonden opgeslagen op de servers van verzoekster, hebben deze personen gedurende de korte tijd dat zij niet over hun laptops beschikten, gewoon door kunnen werken met behulp van andere middelen. Voor zover het opvragen van de op de elektronische middelen opgeslagen gegevens meer tijd in beslag heeft genomen dan gebruikelijk is, was dit te wijten aan het beveiligingssysteem van verzoekster, dat het opvragen heeft bemoeilijkt. Hoe dan ook kan verzoekster niet beweren dat haar werking is verstoord omdat twee medewerkers van haar IT‑afdeling de Commissie bij deze taak hebben moeten assisteren. |
|
180 |
Derhalve treft het argument van verzoekster betreffende de gestelde nadelige gevolgen voor haar goede werking geen doel en moet het worden afgewezen. |
|
181 |
In de tweede plaats moet met betrekking tot de nadelige gevolgen voor de prestaties van een onderneming als gevolg van de buitensporige publiciteit die aan de inspecties van de Commissie wordt gegeven, meteen worden opgemerkt dat een dergelijk betoog eerder betrekking heeft op het vraagstuk van de vergoeding van geleden schade dan op het geschil over de rechtmatigheid van een handeling. |
|
182 |
Dienaangaande moet worden geconstateerd dat, zoals verzoekster zelf stelt, de publiciteit die de Commissie aan de inspectie heeft gegeven, voortvloeit uit een handeling die losstaat van het bestreden besluit. In casu gaat het om persbericht IP/24/561, getiteld „De Commissie verrichte onaangekondigde inspecties in verband met mededingingsbeperkende praktijken in de bandensector”, dat op 30 januari 2024 op de website van de Commissie is gepubliceerd, dat wil zeggen een tijdstip dat overeenkwam met de start van de inspectie bij verzoekster (hierna: „persbericht”). |
|
183 |
Enerzijds wordt het persbericht als zodanig in casu niet betwist. |
|
184 |
Anderzijds en zoals de Commissie hoe dan ook betoogt, verdient opmerking dat de publicatie van een persbericht strookt met de gebruikelijke praktijk van deze instelling. Verder zij nog opgemerkt dat verzoekster in het persbericht niet werd genoemd, omdat daarin slechts naar de bandensector in de Unie werd verwezen. |
|
185 |
In casu werd in dit persbericht gepreciseerd dat „de Commissie vreesde dat de ondernemingen waarop de inspecties betrekking hadden, hun prijzen hadden gecoördineerd, daaronder begrepen via openbare mededelingen [...]”. |
|
186 |
In het persbericht stond eveneens vermeld dat geen conclusies konden worden getrokken over de schuld van de betrokken ondernemingen, aangezien „onaangekondigde inspecties een voorbereidende fase vormen in onderzoeken waarbij mededingingsbeperkende praktijken worden vermoed”, en dat de omstandigheid dat dergelijke inspecties plaatsvinden „niet betekent dat de betrokken ondernemingen zich schuldig maken aan concurrentiebeperkende gedragingen en niets zegt over de uitkomst van het onderzoek zelf”. |
|
187 |
In die omstandigheden kan verzoekster zich niet met succes op de door haar omschreven gevolgen beroepen om aan te tonen dat het bestreden besluit in casu onevenredig is. |
|
188 |
Dit betekent dat het argument van verzoekster betreffende de gestelde nadelige gevolgen voor haar prestaties ten gevolge van de publicatie door de Commissie van het persbericht geen doel treft en moet worden afgewezen. |
|
189 |
Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat het inspectiebesluit onevenredig was. Het tweede onderdeel van het tweede middel moet derhalve worden afgewezen. |
5. Conclusie
|
190 |
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit bij gebreke van voldoende ernstige aanwijzingen ter onderbouwing van de in de tweede volzin van overweging 4 van dit besluit geuite vermoedens gedeeltelijk nietig moet worden verklaard wegens het willekeurige karakter ervan en wegens schending van het recht van verzoekster op eerbiediging van haar woning en haar communicatie. |
|
191 |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
IV. Kosten
|
192 |
Volgens artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dragen de partijen hun eigen kosten, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Indien dit, gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, kan het Gerecht evenwel beslissen dat een partij behalve in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen. |
|
193 |
Aangezien het bestreden besluit in casu gedeeltelijk nietig moet worden verklaard, acht het Gerecht het passend te beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen. |
|
HET GERECHT (Tweede kamer), rechtdoende, verklaart: |
|
|
|
|
Marcoulli Tomljenović Spangsberg Grønfeldt Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juli 2025. ondertekeningen |
Inhoud
|
I. Voorgeschiedenis van het geding |
|
|
II. Conclusies van partijen |
|
|
III. In rechte |
|
|
A. Eerste middel: ontoereikende motivering |
|
|
1. Opmerkingen vooraf |
|
|
2. Grief betreffende een beknopte of algemene motivering |
|
|
3. Grief betreffende een vage, niet-eenduidige, onnauwkeurige of extensieve motivering en de gevolgen daarvan voor een goed begrip van hetgeen wordt verweten |
|
|
B. Tweede middel: schending van het recht op eerbiediging van de woning en de communicatie van verzoekster |
|
|
1. Inleidende opmerkingen |
|
|
2. Gelijkenis van de vermoedelijke coördinatie met een in de richtsnoeren van 2023 aangehaald voorbeeld |
|
|
3. Eerste onderdeel, betreffende het willekeurige karakter van het bestreden besluit |
|
|
a) Geen noodzaak tot vermelding in het bestreden besluit van alle gegevens waarover de Commissie beschikte |
|
|
b) Voldoende ernstige aard van de aanwijzingen die de Commissie ter rechtvaardiging van het bestreden besluit heeft vermeld |
|
|
1) Inleidende opmerkingen |
|
|
2) Methode die gevolgd is om de verdachte verklaringen te identificeren |
|
|
3) Voldoende ernstige aard van de meegedeelde aanwijzingen |
|
|
i) Voldoende ernstige aanwijzingen ter onderbouwing van de vermoedens dat tijdens de hoofdperiode een coördinatie van de prijzen heeft plaatsgevonden |
|
|
– Door de Commissie overgelegde verklaringen |
|
|
– Andere door de Commissie meegedeelde gegevens |
|
|
– Door verzoekster ingediende opmerkingen |
|
|
ii) Ontbreken van voldoende ernstige aanwijzingen ter onderbouwing van de vermoedens dat tijdens de eerdere periode een coördinatie van de prijzen heeft plaatsgevonden |
|
|
4. Tweede onderdeel, betreffende het onevenredige karakter van het bestreden besluit |
|
|
a) Grieven betreffende het ontbreken van de noodzaak van het bestreden besluit |
|
|
b) Grieven met betrekking tot de nadelige gevolgen van het bestreden besluit |
|
|
5. Conclusie |
|
|
IV. Kosten |
( *1 ) Procestaal: Frans.