ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

3 september 2025 ( *1 )

„Uniemodel – Nietigheidsprocedure – Ingeschreven Uniemodel dat een verpakking weergeeft – Ouder nationaal beeldmerk – Nietigheidsgrond – Gebruik in het latere model van een onderscheidend teken waarvan de houder het gebruik kan verbieden – Artikel 25, lid 1, onder e), van verordening (EG) nr. 6/2002 – Rechten van de verdediging – Omvang van het onderzoek door de kamer van beroep”

In zaak T‑92/24,

Eti Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ, gevestigd te Eskişehir (Turkije), vertegenwoordigd door A. Căvescu, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door C. Bovar en J. Ivanauskas als gemachtigden,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Star Foods E.M. SRL, gevestigd te Boekarest (Roemenië), vertegenwoordigd door V. von Bomhard en J. Fuhrmann, advocaten,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: P. Škvařilová-Pelzl (rapporteur), president, G. Steinfatt en D. Kukovec, rechters,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de stukken,

gezien de maatregel tot organisatie van de procesgang van 23 januari 2025 en de respectievelijk op 6 en 7 februari 2025 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden van interveniënte en het EUIPO,

gelet op het feit dat de partijen niet binnen drie weken te rekenen vanaf de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling om een terechtzitting hebben verzocht en na de beslissing krachtens artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen,

het navolgende

Arrest

1

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Eti Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ, vernietiging van de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 15 december 2023 (zaak R 912/2023‑3) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding

2

Op 13 juli 2007 heeft verzoekster bij het EUIPO een aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel ingediend krachtens verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).

3

Het aangevraagde gemeenschapsmodel dat in casu wordt betwist, wordt weergegeven in de volgende afbeelding:

Image

4

De waren waarop het litigieuze model bestemd is om te worden toegepast, behoren tot klasse 09.03 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd, en vallen onder de volgende aanduiding: „Verpakkingen”.

5

Op 21 februari 2020 heeft interveniënte, Star Foods E.M. SRL, bij het EUIPO een vordering tot nietigverklaring van het litigieuze model ingediend voor de in punt 4 hierboven genoemde waren.

6

De vordering tot nietigverklaring werd aangevoerd op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de versie van vóór de inwerkingtreding van verordening (EU) 2024/2822 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 (PB L, 2024/2822), gelezen in samenhang met artikel 36, lid 2, onder b) en c), van lege nr. 84 privind mărcile și indicațiile geografice (wet nr. 84 inzake merken en geografische aanduidingen) van 15 april 1998 (Monitorul Oficial al României, nr. 337 van 8 mei 2014; hierna: „Roemeense merkenwet”). Interveniënte baseerde deze vordering op meerdere oudere rechten, waaronder het Roemeense beeldmerk KRAX, dat onder nummer 071100 was ingeschreven voor waren van klasse 30, met name „snacks, in het bijzonder snacks vervaardigd via expansie en extrusie van granen, met verschillende smaken”. Interveniënte betoogde dat er wegens de gelijkenissen tussen het oudere teken en de waren waarop het betrekking had, sprake was van verwarringsgevaar in de zin van laatstgenoemde bepaling, zodat zij het gebruik van haar onderscheidend teken in het litigieuze model kon laten verbieden. Aangezien het oudere nationale merk bekend is in Roemenië, zou het op soortgelijke wijze reproduceren ervan in het litigieuze model bovendien de houder van dit model in staat stellen te profiteren van deze bekendheid en de commerciële inspanning, waardoor het gebruik van dat model afbreuk zou doen aan het onderscheidend vermogen van dat merk in de zin van de betrokken bepaling.

7

Op verzoek van verzoekster heeft de nietigheidsafdeling bij besluit van 31 mei 2021 de procedure geschorst in afwachting van een definitieve beslissing van de Tribunal Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië), waarbij ook het oudere, onder nummer 071100 ingeschreven Roemeense beeldmerk (hierna: „ouder merk”) werd betwist.

8

Bij beslissing van 7 november 2022 heeft de nietigheidsafdeling de procedure hervat na de definitieve verwerping van het beroep voor de nationale rechter. Vervolgens heeft zij op 1 maart 2023 de vordering tot nietigverklaring toegewezen, waarbij haar onderzoek is begonnen op basis van het oudere merk, dat op 3 augustus 2003 is aangevraagd, op 2 mei 2006 op naam van interveniënte is geregistreerd en wordt weergegeven in de volgende afbeelding:

Image

9

Meer in het bijzonder stelde de nietigheidsafdeling om te beginnen vast dat het oudere merk een gemiddeld intrinsiek onderscheidend vermogen heeft en dat de geldigheid ervan was bevestigd door de Roemeense rechters. Vervolgens heeft zij in essentie geoordeeld dat de door dit merk aangeduide waren en die waarop het litigieuze model bestemd is om te worden toegepast, identiek zijn, dat dit merk en dit model visueel en fonetisch in gemiddelde mate overeenstemmen, en dat de gelijkenissen tussen de twee tekens derhalve volstaan om te concluderen dat er sprake is van verwarringsgevaar. Tegen deze achtergrond heeft de nietigheidsafdeling – aangezien interveniënte het recht had om, krachtens artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet, het gebruik van het in dat model gebruikte teken te verbieden – dit model nietig verklaard op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie daarvan. Aangezien de vordering was toegewezen op basis van het intrinsieke onderscheidend vermogen van het betrokken merk, kwam de nietigheidsafdeling tot de slotsom dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan over het gesteld grotere onderscheidend vermogen waarop interveniënte zich beriep, noch over haar stelling dat het gebruik van het teken in het betrokken model moest worden verboden wegens de vermeende bekendheid van een dergelijk merk.

10

Op 28 april 2023 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

11

Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beroep verworpen. Zij heeft in wezen geconcludeerd dat de nietigheidsafdeling het litigieuze model terecht nietig had verklaard op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie daarvan, gelezen in samenhang met artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet, aangezien er sprake was van verwarringsgevaar. In dit verband heeft zij geoordeeld dat de waren waarop dat merk betrekking heeft en die waarop het litigieuze model bestemd is om te worden toegepast, overeenstemmen, dat deze tekens in gemiddelde mate visueel en fonetisch overeenstemmen, dat de belangrijkste woordelementen van deze tekens geen betekenis hebben voor het Roemeense publiek en dat de begripsmatige verschillen op basis van de andere elementen waaruit het litigieuze model bestaat niet relevant zijn voor de beoordeling van het verwarringsgevaar wegens hun beschrijvend of zwak onderscheidend vermogen en de ondergeschikte grootte en plaatsing ervan, hetgeen een begripsmatige vergelijking onmogelijk maakt. Daarnaast concludeerde zij dat de door verzoekster aangevoerde rechtsverwerking wegens gedogen naar Roemeens recht, niet opging, aangezien er geen bewijs was van het gestelde gedogen gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar.

Conclusies van partijen

12

Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:

de bestreden beslissing te vernietigen;

het EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten.

13

Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.

14

Interveniënte verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

15

Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster in essentie drie middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan, het tweede aan schending van de artikelen 94 en 95 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) en artikel 40, lid 1, van de Roemeense merkenwet zoals gewijzigd (Monitorul Oficial al României, nr. 856 van 18 september 2020; hierna: „nieuwe Roemeense merkenwet”), en het derde aan schending van haar rechten van verdediging.

16

Het Gerecht is van oordeel dat eerst het derde middel moet worden onderzocht, vervolgens het tweede middel en ten slotte het eerste middel.

Derde middel: schending van de rechten van de verdediging

17

Verzoekster verwijt de kamer van beroep in essentie dat zij haar rechten van verdediging en meer in het bijzonder haar recht om te worden gehoord heeft geschonden, door herhaaldelijk voorbij te gaan aan haar opmerkingen over het feit dat interveniënte niet de houder van het oudere merk is. Volgens haar heeft interveniënte geen bewijs geleverd van het bestaan van dit merk, van de naam van de merkhouder of van de vernieuwing van dat merk. Zij leidt hieruit af dat de kamer van beroep het beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling niet‑ontvankelijk had moeten verklaren op grond dat de daadwerkelijke houder van het oudere recht niet naar behoren was geïdentificeerd.

18

Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

19

Vooraf dient te worden opgemerkt dat verzoekster enkel wijst op typografische verschillen in de naam van de juridische entiteit van de houder van het oudere merk en in de adressen die worden vermeld in de verschillende bewijsstukken die gedurende de administratieve fase van de procedure zijn overgelegd. Volgens haar vormt het feit dat haar betoog inzake het vermeende ontbreken van bewijs dat interveniënte daadwerkelijk houder van voornoemd merk is, niet in aanmerking is genomen, in wezen een schending van haar rechten van verdediging.

20

Volgens artikel 62 van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, kunnen de beslissingen van het EUIPO slechts worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren. Deze bepaling bevestigt in het kader van het modellenrecht van de Europese Unie het algemene beginsel van bescherming van de rechten van de verdediging. Dit algemene beginsel van Unierecht vereist dat de adressaten van overheidsbeslissingen die daardoor aanmerkelijk in hun belangen worden getroffen, in staat worden gesteld om hun standpunt naar behoren kenbaar te maken. Het recht om te worden gehoord strekt zich aldus uit tot alle feitelijke en juridische gegevens waarop de beslissing is gebaseerd, maar niet tot de eindbeslissing die het bestuursorgaan voornemens is te nemen [arrest van 9 februari 2017, Mast-Jägermeister/EUIPO (Bekers),T‑16/16, EU:T:2017:68, punt 57], noch tot elk algemeen bekend feit waarop het zich heeft gebaseerd om tot deze beslissing te komen [zie arrest van 29 april 2020, Bergslagernas Järnvaru/EUIPO – Scheppach Fabrikation von Holzbearbeitungsmaschinen (Werktuig voor het splijten van hout), T‑73/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:157, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

21

Voorts is het vaste rechtspraak dat een procedurele onregelmatigheid alleen een inbreuk op de rechten van de verdediging oplevert wanneer die onregelmatigheid concrete gevolgen heeft gehad voor de mogelijkheid van de betrokkene om verweer te voeren. Niet-inachtneming van de geldende regels ter bescherming van de rechten van de verdediging kan een administratieve procedure dus slechts ongeldig maken indien wordt aangetoond dat die procedure een andere uitkomst zou hebben gehad wanneer de regels waren geëerbiedigd [zie arrest van 9 september 2015, Dairek Attoumi/BHIM – Diesel (DIESEL), T‑278/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:606, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

22

In casu moet ten eerste worden opgemerkt dat verzoekster in de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep van 3 juli 2023 de nietigheidsafdeling reeds had verweten dat zij in essentie het bewijs inzake het houderschap van het oudere merk, waarvan de vertalingen volgens verzoekster overigens gedeeltelijk onjuist waren, onjuist had beoordeeld.

23

Ten tweede blijkt uit de uittreksels van het door de Oficiu de Stat pentru Inventii si Mărci (nationaal bureau voor octrooien en merken, Roemenië) afgegeven inschrijvingsbewijs en de vertalingen daarvan, die samen met de vordering tot nietigverklaring zijn overgelegd, dat het oudere merk aanvankelijk was ingeschreven door „SC STAR FOODS EM SRL”, sise Str. Taberei nr. 2, Jud. Ilfov, Popeşti Leordeni 077160, Roemenië. Dit inschrijvingsbewijs vermeldt, zowel in de Roemeense taalversie als in de vertaling daarvan, als huidige houder „SC STAR FOODS E.M. SRL”, sise Calea Vacareşti nr. 391, et. 4, Secţiunea 2, sector 4, Bucureşti, Roemenië. De verschillende adressen en de aanvullende interpunctie in de titel van de juridische entiteit die houder is van het oudere merk, zijn echter niet voldoende om ernstige twijfel te doen rijzen of interveniënte daadwerkelijk de houder van het oudere merk is. Bovendien heeft de Tribunal Bucureşti bij beslissing van 9 juli 2020 in zaak nr. 19812/3/2018, betreffende een bij de nationale rechter ingestelde vordering tot nietigverklaring, bevestigd dat interveniënte houder was van het oudere merk, dat geldig ingeschreven zou blijven tot 3 augustus 2025.

24

Voorts blijkt rechtens genoegzaam uit interveniëntes antwoorden op de door het Gerecht vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang dat, ten eerste, de verschillen in interpunctie het gevolg zijn van het gebruik van handelsbenamingen in de verschillende talen, met name in het Roemeens of het Engels. Dienaangaande blijkt uit het antwoord van interveniënte dat het betwiste element „EM” of „E.M.” overeenkomt met de initialen van Emmanuel Mitzalis, de vorige eigenaar van de onderneming, en dat dit element in alle officiële documenten in het Roemeens dezelfde interpunctie heeft. Ten tweede blijkt uit interveniëntes antwoorden ook dat de verschillende adressen die op de documenten van het nationaal bureau voor octrooien en merken of in de verscheidene stukken van het dossier worden vermeld, overeenkomen met dezelfde juridische entiteit, die meerdere bedrijfsruimten heeft en waarvan de hoofdzetel is verplaatst van Str. Taberei nr. 2, Jud. Ilfov, Popeşti Leordeni 077160 naar Calea Vacareşti nr. 391, et. 4, Secţiunea 2, sector 4, Bucureşti, welk eerste adres thans als kantoor en nevenvestiging van de onderneming fungeert. Ten derde staat vast, zoals eveneens blijkt uit het antwoord van interveniënte, dat de onderneming die houder is van het oudere merk nog steeds is ingeschreven en een unieke inschrijvingscode toegewezen heeft gekregen. Dit wordt bovendien bevestigd door de vermelding van die code in de beslissing van de Tribunal Bucureşti van 9 juli 2020 in zaak nr. 19812/3/2018, waarbij de geldigheid van het oudere merk is bevestigd.

25

Ten derde volgt uit de punten 17, 22 en 23 van de bestreden beslissing dat de nietigheidsafdeling de argumenten van verzoekster betreffende het bewijs van het houderschap van het oudere merk heeft afgewezen en dat de kamer van beroep op grond van haar beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 aanvullende bewijsstukken heeft toegelaten, om te bevestigen dat de merkaanvraag was ingediend en geregistreerd op naam van „SC STAR FOODS E.M. SRL” en onder hetzelfde adres als het adres dat in de vordering tot nietigverklaring was vermeld. Dit adres staat ook vermeld onder het oorspronkelijke adres van de merkhouder in het actuele uittreksel uit het register, zoals door interveniënte overgelegd in het kader van de administratieve procedure.

26

Hieruit volgt dat de kamer van beroep de rechten van verdediging van verzoekster niet heeft geschonden. Bovendien blijkt uit geen van de elementen van het dossier dat er ernstige twijfel bestaat over het houderschap van het oudere merk, zodat de bestreden beslissing geen procedurele onrechtmatigheid vertoont die van invloed kan zijn op de uitkomst van het onderhavige beroep.

27

Derhalve moet het derde middel ongegrond worden verklaard.

Tweede middel: schending van de artikelen 94 en 95 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 40, lid 1, van de nieuwe Roemeense merkenwet

28

Verzoekster verwijt de kamer van beroep dat zij de artikelen 94 en 95 van verordening 2017/1001 en artikel 40, lid 1, van de nieuwe Roemeense merkenwet heeft geschonden. Ten eerste heeft de kamer van beroep volgens haar blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door interveniënte niet te gelasten bewijs te leveren van het gebruik van het oudere merk dat niet binnen de respijttermijn van vijf jaar viel. Ten tweede betoogt zij in wezen dat de kamer van beroep het beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling had moeten onderzoeken in het licht van de nieuwe Roemeense merkenwet en dus op grond van artikel 40, lid 1, van deze wet had moeten verzoeken om bewijs van het normale gebruik van het oudere merk in het kader van een nietigheidsprocedure op grond van artikel 39 daarvan, dat dezelfde bewoordingen heeft als artikel 36 van de Roemeense merkenwet die van kracht was ten tijde van de instelling van de vordering tot nietigverklaring.

29

Het EUIPO, daarin ondersteund door interveniënte, betwist verzoeksters argumenten.

30

In casu moet worden opgemerkt dat verzoekster voor de nietigheidsafdeling en de kamer van beroep geen verzoek heeft ingediend om bewijs van het normale gebruik van het oudere merk.

31

In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat op grond van artikel 61 van verordening nr. 6/2002 de rechtmatigheid van een beslissing van de kamer van beroep door het Gerecht moet worden getoetst aan de hand van de rechtsvragen die voor de kamer van beroep zijn gebracht. Het Gerecht heeft dus niet tot taak om nieuwe voor hem opgeworpen middelen te onderzoeken. Een onderzoek van deze nieuwe middelen zou namelijk in strijd zijn met artikel 188 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat bepaalt dat de memories die partijen in het kader van de procedure bij het Gerecht hebben neergelegd, geen wijziging kunnen brengen in het voorwerp van het geschil voor de kamer van beroep [zie in die zin arrest van 3 juli 2024, Canalones Castilla/EUIPO – Canalones Novokanal (Waterverzamelingsgoten; dakgoten), T‑329/22, niet gepubliceerd, EU:T:2024:438, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

32

Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

Eerste middel: schending van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan

33

Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, heeft geschonden, door ten onrechte te concluderen dat er sprake was van verwarringsgevaar.

34

Verzoekster verwijt de kamer van beroep in essentie, ten eerste, een beoordelingsfout te hebben gemaakt met betrekking tot het bepalen van de betrokken waren, ten tweede, het beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling te hebben onderzocht op basis van de perceptie van de gemiddelde consument in plaats van die van een geïnformeerde gebruiker, ten derde, ten onrechte tot de slotsom te zijn gekomen dat de betrokken tekens visueel en fonetisch overeenstemmen en, ten vierde, ten onrechte te hebben geconcludeerd dat het oudere merk een gemiddeld intrinsiek onderscheidend vermogen heeft, met name gelet op het feit dat het woordelement „krax” in dat merk een betekenis heeft voor het relevante publiek en dit merk meer dan tien jaar naast het Uniemerk CRAXX heeft bestaan.

35

Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

36

Volgens artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, kan een model nietig worden verklaard indien in een later ingeschreven model gebruik wordt gemaakt van een onderscheidend teken en het Unierecht of het recht van de lidstaat dat op dat teken van toepassing is, de houder van het recht op het teken toestaat dat gebruik te verbieden.

37

Volgens de rechtspraak kan een vordering tot nietigverklaring van een gemeenschapsmodel op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, enkel slagen indien wordt vastgesteld dat het onderscheidende teken dat ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring wordt aangevoerd, in de ogen van het relevante publiek wordt gebruikt in het gemeenschapsmodel waartegen die vordering is ingesteld. Het onderzoek van deze nietigheidsgrond moet worden gebaseerd op de wijze waarop het relevante publiek het ter ondersteuning van deze nietigheidsgrond aangevoerde onderscheidende teken opvat, alsmede op de totaalindruk die dit teken bij dat publiek oproept [zie arrest van 24 september 2019, Piaggio & C./EUIPO – Zhejiang Zhongneng Industry Group (Bromfietsen), T‑219/18, EU:T:2019:681, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

38

De nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder e), van deze verordening, in de eerdere versie ervan, vereist niet noodzakelijkerwijs dat een ouder onderscheidend teken op volledige en gedetailleerde wijze is gereproduceerd in een later gemeenschapsmodel. Zelfs wanneer bepaalde elementen van het betrokken teken ontbreken in het litigieuze gemeenschapsmodel of daar andere elementen aan zijn toegevoegd, kan het immers gaan om „gebruik” van dit teken, in het bijzonder wanneer de weggelaten of toegevoegde elementen van ondergeschikt belang zijn [zie arrest van 7 februari 2018, Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret/EUIPO – Zaharieva (Verpakking voor roomijshoorntjes), T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

39

Dit geldt des te meer omdat, zoals blijkt uit vaste rechtspraak, het publiek slechts een onvolkomen beeld van in de lidstaten ingeschreven merken of Uniemerken bijblijft. Deze overweging geldt voor elk type onderscheidend teken. Bij weglating van bepaalde bijkomstige elementen van een onderscheidend teken dat wordt gebruikt in een later gemeenschapsmodel, of bij toevoeging van dergelijke elementen aan dit teken, zal het relevante publiek dus niet noodzakelijkerwijs beseffen dat het betrokken teken aldus is gewijzigd. Integendeel, dit publiek kan denken dat in het latere gemeenschapsmodel gebruik is gemaakt van het teken zoals dat hem is bijgebleven (zie arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40

Hieruit volgt dat artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, niet alleen van toepassing is wanneer gebruik is gemaakt van hetzelfde teken als dat waarop de vordering tot nietigverklaring is gebaseerd, maar ook wanneer gebruik is gemaakt van een overeenstemmend teken (zie arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Overeenkomstig artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet, kan een merkhouder in wezen de bevoegde rechterlijke instelling verzoeken om derden te verbieden om zonder zijn toestemming in het economisch verkeer gebruik te maken van een teken ten aanzien waarvan, omdat het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk dan wel wordt toegepast op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat, ook wanneer die verwarring het gevolg is van associatie met het oudere merk.

42

Zoals de kamer van beroep terecht heeft opgemerkt in punt 28 van de bestreden beslissing, vormt artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet de omzetting in Roemeens recht van artikel 10, lid 2, onder b), van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1), waarvan de bewoordingen identiek zijn aan die van artikel 5, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25). Dientengevolge moet het begrip „verwarringsgevaar” in de zin van artikel 36, lid 2, onder b), van die wet worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak over artikel 5, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 10, lid 2, onder b), van richtlijn 2015/2436 (zie in die zin arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punten 25 en 26).

43

Volgens de rechtspraak van het Hof is er sprake van „verwarringsgevaar” in de zin van artikel 10, lid 2, onder b), van richtlijn 2015/2436, wanneer bij het publiek de indruk kan worden gewekt dat de betrokken waren of diensten afkomstig zijn van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen. Of bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat, moet globaal worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval (zie in die zin arresten van 11 november 1997, SABEL,C‑251/95, EU:C:1997:528, punten 22 en 23, en 6 oktober 2005, Medion, C‑120/04, EU:C:2005:594, punten 2329).

44

In het licht van deze overwegingen dient te worden onderzocht of de kamer van beroep de beslissing van de nietigheidsafdeling waarbij de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze model is toegewezen op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan, terecht heeft bevestigd, na krachtens artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet te hebben vastgesteld dat er gevaar voor verwarring bestond bij het relevante publiek.

45

Vooraf zij opgemerkt dat, overeenkomstig de in de punten 42 en 43 hierboven aangehaalde rechtspraak, de onderhavige procedure betrekking heeft op de omvang van de bescherming van een merk en meer in het bijzonder op de vraag of de houder van het betrokken oudere merk het gebruik van zijn onderscheidend teken in het litigieuze model kan laten verbieden. Anders dan verzoekster betoogt, dient het onderhavige middel dus niet te worden onderzocht in het licht van de indruk die wordt gewekt bij een geïnformeerde gebruiker noch in het licht van het eigen en nieuwe karakter van het litigieuze model in de zin van de artikelen 4 tot en met 6 van verordening nr. 6/2002.

Bepaling van de betrokken waren en vergelijking daarvan

46

Verzoekster betwist in essentie de beoordeling van de kamer van beroep dat de betrokken waren met elkaar overeenstemmen. Meer in het bijzonder is zij van mening dat niets erop wees dat het litigieuze model zou worden gebruikt voor snackstaafjes.

47

Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

48

Bij het bepalen van de waren waarin het betwiste model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast, moet rekening worden gehouden met de desbetreffende opgave in de aanvraag voor inschrijving van dit model, maar in voorkomend geval ook met het model zelf, voor zover daaruit de aard van de waren, hun bestemming of hun functie blijkt [arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM – PepsiCo (Weergave van een cirkelvormige reclamedrager), T‑9/07, EU:T:2010:96, punt 56].

49

Voorts moet bij de beoordeling van de overeenstemming tussen de betrokken waren rekening worden gehouden met alle relevante factoren die de verhouding tussen deze waren kenmerken. Tot deze factoren behoren met name de aard, de bestemming en het gebruik van die waren, alsmede hun concurrerende dan wel complementaire karakter (arrest van 29 september 1998, Canon, C‑39/97, EU:C:1998:442, punt 23).

50

Wat meer in het bijzonder de complementariteit van de waren en diensten betreft, welk criterium op zichzelf voldoende kan zijn om vast te stellen dat waren en diensten met elkaar overeenstemmen, dient in herinnering te worden gebracht dat waren of diensten complementair zijn wanneer zij dermate onderling verbonden zijn dat de ene onontbeerlijk of belangrijk is voor het gebruik van de andere, zodat de consument kan denken dat de verantwoordelijkheid voor de vervaardiging van deze waren of het verrichten van deze diensten bij een en dezelfde onderneming ligt. Bij de beoordeling van het complementaire karakter van waren en diensten moet dus uiteindelijk rekening worden gehouden met de wijze waarop het relevante publiek het belang van een waar of dienst voor het gebruik van een andere waar of dienst waarneemt (zie arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51

In dit verband moet de complementariteit van waren en diensten in de context van verwarringsgevaar niet worden beoordeeld op basis van de vraag of het relevante publiek de betrokken waren en diensten met elkaar in verband brengt wat hun aard, gebruik en distributiekanalen betreft. Aan de hand van een criterium op basis van het verband tussen het gebruik van die waren en diensten kan namelijk niet volledig worden beoordeeld of zij onontbeerlijk of belangrijk voor elkaar zijn, hetgeen een analyse van de complementariteit tussen deze waren en diensten vereist. Het feit dat het gebruik van een waar of dienst geen verband houdt met het gebruik van een andere waar of dienst, brengt immers niet in alle gevallen met zich mee dat het gebruik van de ene niet belangrijk of onontbeerlijk is voor het gebruik van de andere (zie arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52

In casu heeft de kamer van beroep in punt 36 van de bestreden beslissing geoordeeld dat de afbeelding van het litigieuze model duidelijk de voorkant van de verpakking van levensmiddelen vertoont, die bestemd is voor snacks of aanverwante producten. Aangezien het gebruik van de met het litigieuze model overeenkomende verpakking cruciaal is voor het gebruik van de waren waarop het oudere merk betrekking heeft, te weten graanproducten van klasse 30, volstaat dit om te concluderen dat er sprake is van een nauw verband, een sterke correlatie en complementariteit tussen de met het litigieuze model geassocieerde waren en de door het oudere merk aangeduide waren.

53

Hieruit volgt dat het gebruik van de in het litigieuze model weergegeven verpakking op zijn minst belangrijk is voor het gebruik van de door het oudere merk aangeduide waren, zodat er, in de zin van de in punt 50 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, sprake is van een nauw verband daartussen, die hun complementariteit en dus hun overeenstemming kenmerkt.

Relevant grondgebied, relevant publiek en aandachtsniveau van dit publiek

54

In het kader van de globale beoordeling van het verwarringsgevaar moet worden uitgegaan van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument van de betrokken warencategorie. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat het aandachtsniveau van de gemiddelde consument kan variëren naargelang de soort waren of diensten waarom het gaat [zie arrest van 13 februari 2007, Mundipharma/BHIM – Altana Pharma (RESPICUR), T‑256/04, EU:T:2007:46, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

55

In de eerste plaats heeft de kamer van beroep – overeenkomstig de rechtspraak op grond waarvan, wanneer het oudere merk een nationaal merk is, het relevante grondgebied het grondgebied is waarop dit merk wordt beschermd [zie in die zin arresten van 3 september 2010, Companhia Muller de Bebidas/BHIM – Missiato Industria e Comercio (61 A NOSSA ALEGRIA), T‑472/08, EU:T:2010:347, punt 34, en 2 maart 2022, Laboratorios Ern/EUIPO – Beta Sports (META), T‑192/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:105, punt 28] – in punt 37 van de bestreden beslissing geoordeeld dat het relevante grondgebied Roemenië was, aangezien dat de lidstaat is waarin het merk is ingeschreven en wordt beschermd.

56

In de tweede plaats heeft de kamer van beroep geoordeeld dat, aangezien de door het oudere merk aangeduide waren en de waren waarop het litigieuze model betrekking heeft met name voor het grote publiek bestemde snacks betreffen (zie punt 52 hierboven), het relevante publiek bestond uit consumenten met een gemiddeld aandachtsniveau bij de aankoop van dit type waren.

57

Deze conclusies geven geen blijk van enige fout en moeten worden bevestigd.

Vergelijking van de tekens

58

Volgens de rechtspraak stemmen twee tekens overeen wanneer zij in de ogen van het relevante publiek voor ten minste een deel gelijk zijn wat een of meer relevante aspecten betreft, te weten het visuele, fonetische en begripsmatige aspect [zie in die zin arresten van 23 oktober 2002, Matratzen Concord/BHIM – Hukla Germany (MATRATZEN), T‑6/01, EU:T:2002:261, punt 30, en 10 december 2008, MIP Metro/BHIM – Metronia (METRONIA), T‑290/07, niet gepubliceerd, EU:T:2008:562, punt 41].

59

De globale beoordeling van het verwarringsgevaar dient, wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming tussen de betrokken tekens betreft, te berusten op de totaalindruk die deze tekens oproepen, waarbij met name hun onderscheidende en dominerende bestanddelen in aanmerking moeten worden genomen. De indruk die de tekens bij de gemiddelde consument van de betrokken waren opwekken, speelt een beslissende rol in de globale beoordeling van dit gevaar. De gemiddelde consument neemt een merk of ander onderscheidend teken gewoonlijk als een geheel waar en let niet op de verschillende details ervan (arresten van 11 november 1997, SABEL, C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 23, en 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, EU:C:1999:323, punt 25).

60

Bij de beoordeling of twee tekens overeenstemmen mag niet slechts één element van een samengesteld teken in beschouwing worden genomen en met een ander teken worden vergeleken. Bij een dergelijke vergelijking moeten de betrokken tekens juist elk in hun geheel worden onderzocht, hetgeen niet uitsluit dat de totaalindruk die een samengesteld teken bij het relevante publiek nalaat, in bepaalde omstandigheden door een of meerdere elementen ervan kan worden gedomineerd (zie in die zin arresten van 6 oktober 2005, Medion, C‑120/04, EU:C:2005:594, punt 29, en 22 oktober 2015, BGW, C‑20/14, EU:C:2015:714, punt 36). Alleen wanneer alle andere elementen van het merk te verwaarlozen zijn, kan de overeenstemming worden beoordeeld op basis van enkel het dominerende element (arrest van 12 juni 2007, BHIM/Shaker,C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 42). Dat kan met name het geval zijn wanneer dat element op zichzelf het beeld van dit merk dat bij het relevante publiek in herinnering blijft, kan domineren, zodat alle andere elementen van het merk verwaarloosbaar zijn voor de door het merk opgeroepen totaalindruk (arrest van 20 september 2007, Nestlé/BHIM, C‑193/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:539, punt 43).

61

In casu dienen, alvorens de overeenstemming van de betrokken tekens te beoordelen, de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan te worden onderzocht.

– Onderscheidende en dominerende bestanddelen van de betrokken tekens

62

Zoals de kamer van beroep in herinnering heeft gebracht in punt 40 van de bestreden beslissing, bestaat het oudere merk uit de term „krax”, geschreven in gestileerde hoofdletters, in dalende volgorde van de hoofdletter „K” tot de hoofdletter „X”, op een onregelmatige donkere achtergrond.

63

Wat het litigieuze model betreft, beschrijft de kamer van beroep dit model in punt 41 van de bestreden beslissing als een rechthoekige donkerblauwe verpakking met daarop verbeeld snackstaafjes en een stuk kaas binnen een ovaal kader. Rondom en tussen deze beeldelementen in bevinden zich verschillende woordelementen, namelijk bovenaan „eti” en „crax”, onderaan „peynirli” en „çubuk kraker”, en rechts in het midden „orijinal kitir lezzet”. Het woordelement „crax” wordt weergegeven in witte hoofdletters, geschreven van klein naar groot en met een blauwe en gele omlijning, terwijl het woordelement „eti” in het rood is geschreven met een witte en zwarte omlijning en in de linkerbovenhoek een niet gespecificeerd wit beeldelement omvat. De woordelementen „orijinal kitir lezzet” en „peynirli” zijn geheel of gedeeltelijk weergegeven in hoofdletters en in titelschrift, in het wit met een zwarte omlijning, terwijl het woordelement „çubuk kraker” is weergegeven in dunne gele hoofdletters.

64

Verzoekster komt in wezen op tegen het oordeel van de kamer van beroep dat het woordelement „crax” van het litigieuze model op zich het beeld van dit model kan domineren. Volgens haar zijn alle andere bestanddelen van dit model niet onbelangrijk voor de door het model opgeroepen totaalindruk, aangezien de overeenstemming van de tekens afhangt van het onderscheidend vermogen van de bestanddelen ervan en van andere eventuele relevante factoren. Voorts voert zij aan dat het woordelement „eti” het meest domineert in de totaalindruk die door het betrokken model wordt opgewekt, zodat dit woordelement het meest de aandacht van het relevante publiek zal trekken. Zij betoogt daarom dat het woordelement „crax” secundair is en geen onderscheidend vermogen heeft met betrekking tot de betrokken waren.

65

Voorts betwist verzoekster de bevindingen van de kamer van beroep dat het woordelement „crax” geen betekenis heeft voor het relevante publiek en dus onderscheidend vermogen heeft. Volgens haar zal dit publiek dat woordelement opvatten als, ten eerste, een verwijzing naar waren van klasse 30 die in Roemenië in de handel worden gebracht onder de naam „craxuri” en, ten tweede, als beschrijvend, aangezien het verwijst naar het geluid dat wordt geproduceerd bij het eten van knapperige voedingsmiddelen, zoals snackstaafjes.

66

Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

67

Volgens de rechtspraak moet bij de beoordeling of een of meer bestanddelen van een samengesteld teken dominant zijn, met name rekening worden gehouden met de intrinsieke eigenschappen van die bestanddelen, door deze te vergelijken met die van de andere bestanddelen. Bovendien kan eventueel worden bezien hoe de verschillende bestanddelen zich tot elkaar verhouden in de configuratie van het samengestelde teken (zie in die zin arrest van 23 oktober 2002, MATRATZEN, T‑6/01, EU:T:2002:261, punt 35).

68

Voorts moet, om het onderscheidend vermogen van een element van een teken te beoordelen, worden nagegaan in hoeverre dit element geschikt is om de waren of diensten waarvoor het teken is ingeschreven, te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming en dus om deze diensten te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Bij deze beoordeling dient met name rekening te worden gehouden met de intrinsieke eigenschappen van het betrokken element, voor het beantwoorden van de vraag of het al dan niet beschrijvend is voor de waren en diensten waarvoor het teken is ingeschreven [zie arrest van 8 juli 2015, Deutsche Rockwool Mineralwoll/BHIM – Ceramicas del Foix (Rock & Rock), T‑436/12, EU:T:2015:477, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

69

Wanneer bepaalde elementen van een merk de door het merk aangeduide waren en diensten of de in de inschrijvingsaanvraag opgegeven waren en diensten beschrijven, hebben deze elementen slechts een zwak of zelfs zeer zwak onderscheidend vermogen. Zij zullen meestal slechts kunnen worden geacht beschrijvend te zijn wegens de combinatie die zij vormen met de overige elementen van het merk. Door hun zwak of zelfs zeer zwak onderscheidend vermogen worden de beschrijvende elementen van een merk over het algemeen niet door het publiek opgevat als dominerende elementen in de totaalindruk die dat merk oproept, behoudens wanneer zij met name vanwege de positie of de afmetingen ervan bij het relevante publiek in het oog kunnen springen en in het geheugen van dit publiek kunnen blijven hangen. Dat betekent echter niet dat de beschrijvende elementen van een merk noodzakelijkerwijs onbelangrijk zijn voor de totaalindruk die het merk oproept. In dit verband dient in het bijzonder te worden onderzocht of andere elementen van het merk op zichzelf de door dit merk opgeroepen indruk die in het geheugen van het relevante publiek blijft hangen, kunnen domineren [zie arrest van 18 januari 2023, YAplus DBA Yoga Alliance/EUIPO – Vidyanand (YOGA ALLIANCE INDIA INTERNATIONAL), T‑443/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:7, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

70

In casu dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat, ten eerste, de kamer van beroep in punt 40 van de bestreden beslissing terecht tot de slotsom is gekomen dat verzoekster geen bewijs had geleverd van een eventuele betekenis van het woordelement „crax” van het litigieuze model of het woordelement „krax” van het oudere merk, noch van enige associatie tussen een eventuele betekenis van deze termen en de betrokken waren. Bovendien heeft de kamer van beroep eveneens terecht geoordeeld, in essentie, dat verzoekster zich niet kon beroepen op het naast elkaar bestaan van andere overeenstemmende nationale merken, bij gebreke van bewijs van het gebruik van dergelijke merken op het relevante grondgebied.

71

Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat, volgens artikel 63 van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan, in het kader van een procedure inzake een vordering tot nietigverklaring als bedoeld in artikel 25, lid 1, onder e), van die verordening in de eerdere versie ervan, het onderzoek van het EUIPO beperkt blijft tot de door de partijen aangevoerde middelen en ingediende vorderingen en dat het EUIPO geen rekening hoeft te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd. Bovendien moet met betrekking tot verzoeksters betoog dat het woord „craxuri” weinig onderscheidend vermogen heeft omdat het vaak wordt gebruik voor de betrokken waren, worden benadrukt dat niet is aangetoond dat dit het geval is. Het enige bewijsstuk dat verzoekster ter ondersteuning van dit argument heeft overgelegd, bestaat uit een lijst van merken, voor waren van klassen 29 en 30, die het woord „craxx” bevatten. Uit de loutere opsomming van een relatief beperkt aantal merken zonder enige aanwijzing over de bekendheid van deze merken bij het referentiepubliek, kan niet worden geconcludeerd dat er bij dit publiek een associatie bestaat tussen het woord „craxuri” en de betrokken waren [zie in die zin arrest van 13 april 2011, Sociedad Agricola Requingua/BHIM – Consejo Regulador de la Denominación de Origen Toro (TORO DE PIEDRA), T‑358/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:174, punt 35]. Bijgevolg is er geen reden om het uit punt 42 van de bestreden beslissing voortvloeiende oordeel van de kamer van beroep dat het woordelement „crax” geen betekenis heeft voor het relevante publiek en dus onderscheidend vermogen heeft, in twijfel te trekken.

72

Ten tweede heeft de kamer van beroep in punt 42 van de bestreden beslissing terecht geoordeeld dat, gelet op het feit dat het woordelement „crax” onderscheidend vermogen heeft en op de grote omvang, centrale positie en bijzondere stilering ervan, dit element duidelijk te onderscheiden was in de totaalindruk, net als het woordelement „peynirli”, dat eveneens geen betekenis heeft en dus onderscheidend was op het onderste deel van de verpakking. De elementen „eti” en „kitir lezzet” zijn evenmin zonder betekenis en dus onderscheidend, maar spelen een ondergeschikte rol binnen de totaalindruk vanwege hun beperkte grootte en ondergeschikte positie.

73

Ten derde is de kamer van beroep in punt 42 van de bestreden beslissing eveneens terecht tot de slotsom gekomen dat het woordelement „orijinal” vergelijkbaar is met het Roemeense equivalent „original” en dus geen onderscheidend vermogen heeft voor de betrokken waren, terwijl het woordelement „çubuk kraker” door een deel van het Roemeense publiek kan worden opgevat als verwijzing naar het woord „cub” (wat „kubus” betekent) en naar het woord „kraker”, dat kan worden beschouwd als een verwijzing naar snacks die gewoonlijk „crackers” worden genoemd, en dat al deze elementen dus zwak zijn. Niettemin spelen deze elementen een secundaire rol in de totaalindruk, gezien hun geringe omvang of ondergeschikte positie. De andere elementen van het litigieuze model, namelijk de decoratieve beeldelementen van snackstaafjes en een stuk kaas, zijn beschrijvend voor de betrokken waren en hebben dus geen onderscheidend vermogen. De blauwe verpakking en het ovale kader zijn decoratief van aard en spelen dus slechts een ondergeschikte rol in de totaalindruk die het litigieuze model opwekt. Hetzelfde geldt voor het kleine niet gespecificeerde witte beeldelement, dat wegens de kleine omvang ervan slechts een beperkte of zelfs geen invloed zal hebben op de door dit model gewekte totaalindruk.

74

In de tweede plaats zijn volgens de rechtspraak, wanneer een teken uit woord‑ én beeldelementen bestaat, de woordelementen in beginsel onderscheidender dan de beeldelementen, aangezien de gemiddelde consument gemakkelijker naar de betrokken waren zal verwijzen door de naam van het teken te noemen dan door het beeldelement ervan te beschrijven (arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 49).

75

Dienaangaande moet, in navolging van de kamer van beroep in de punten 22 en 40 van de bestreden beslissing, worden opgemerkt dat het woordelement „krax” het enige woordelement van het oudere merk is en binnen het litigieuze model het woordelement „crax” co‑dominant is met het woordelement „peynirli”. De woordelementen „krax” in het oudere merk en „crax” in het litigieuze model, die op soortgelijke wijze zijn gestileerd, met name met hun witte hoofdletters, worden namelijk weergegeven in oplopende of aflopende grootte. Tegen deze achtergrond en aangezien alle andere elementen van dat model een secundaire rol spelen in de totaalindruk of beschrijvend zijn, is de kamer van beroep terecht tot de slotsom gekomen dat het woordelement „krax” het meest onderscheidende element van het oudere merk is en dat het woordelement „crax” co‑dominant is en binnen het litigieuze model wordt vergezeld van beeldelementen die geen onderscheidend vermogen hebben of die beschrijvend zijn.

– Vergelijking op visueel vlak

76

Verzoekster betoogt dat de betrokken tekens visueel niet overeenstemmen. Volgens haar moet het in het litigieuze model opgenomen woordelement „eti” worden geacht de volledige aandacht van het relevante publiek te trekken. Voorts is zij van mening dat alle andere woord‑ en beeldelementen van dit model direct leesbaar zijn en niet als louter decoratieve elementen zullen worden opgevat.

77

Zoals opgemerkt in punt 75 hierboven, zal het woordelement „crax” van het litigieuze model het meest de aandacht van het relevante publiek trekken en dus de meeste invloed hebben op de door dit model gewekte totaalindruk.

78

In casu moet worden opgemerkt dat, op visueel vlak, drie van de vier letters van de onderscheidende en co‑dominerende woordelementen van de betrokken tekens overeenstemmen, te weten de opeenvolging van de letters „r”, „a” en „x”, elk weergegeven in hoofdletters met een vergelijkbaar driedimensionaal effect, licht hellend van links naar rechts, met in het oudere merk een afnemende lettergrootte en in het litigieuze model een toenemende lettergrootte. Verder verschillen deze tekens wat hun beginhoofdletter betreft, namelijk respectievelijk „K” en „C”, en met betrekking tot de toenemende respectievelijk afnemende lettergrootte.

79

Dienaangaande heeft de kamer van beroep in punt 45 van de bestreden beslissing terecht geoordeeld dat de in punt 78 hierboven genoemde verschillen tussen de betrokken tekens niet zwaarder kunnen wegen dan de overeenstemming als gevolg van de drie identieke en op soortgelijke wijze gestileerde letters. Hetzelfde geldt voor het woordelement „peynirli”, dat duidelijk van het woordelement „crax” is gescheiden doordat het onderaan de verpakking staat. Zelfs al verschillen deze tekens ook door de aanwezigheid, in het litigieuze model, van de secundaire woordelementen „eti”, „orijinal kitir lezzet” en „çubuk kraker”, en qua achtergrond, kleur en het kleine witte beeldelement, die alle decoratief van aard zijn, alsook door de weergave van het niet‑onderscheidende geheel van snackstaafjes en een stuk kaas, dan nog hebben deze elementen geen equivalent in het oudere merk en kunnen zij niet opwegen tegen de overeenstemming van de dominerende of co‑dominerende elementen „krax” en „crax”, wegens hun gebrek aan onderscheidend vermogen en hun secundaire grootte en plaats.

80

Hieruit volgt dat de kamer van beroep geen blijk heeft gegeven van een beoordelingsfout door te oordelen dat de betrokken tekens in gemiddelde mate visueel overeenstemmen.

– Vergelijking op fonetisch vlak

81

Verzoekster betoogt dat er geen sprake is van enige fonetische overeenstemming tussen de betrokken tekens. Al zou de consument onder het mom van efficiëntie slechts een van de woordelementen van het litigieuze model uitspreken, zou dit volgens verzoekster het woordelement „eti” zijn, dat geen enkele overeenstemming vertoont met het woordelement „krax” van het oudere merk.

82

Zoals blijkt uit punt 73 hierboven hebben in casu de woordelementen „orijinal” en „çubuk kraker” en alle beeldelementen waaruit het litigieuze model bestaat geen onderscheidend vermogen en zijn zij van ondergeschikt belang. Bovendien zijn de woordelementen „eti” en „kitir lezzet” weliswaar onderscheidend omdat zij geen betekenis hebben met betrekking tot de betrokken waren, maar van ondergeschikt belang wegens hun grootte en positie. Voorts blijkt uit punt 79 hierboven dat de woordelementen „krax” van het oudere merk en „crax” in het litigieuze model dezelfde opvolging van de letters „r”, „a” en „x” bevatten, die, net als de letters „k” en „c”, op dezelfde wijze zullen worden uitgesproken. De betrokken tekens verschillen dus enkel in de uitspraak van het woordelement „peynirli”, dat in het litigieuze model co‑dominant is met het woordelement „crax”.

83

Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat de consument, wanneer hij wordt geconfronteerd met een merk bestaande uit verschillende woordelementen waarvan sommige van ondergeschikt belang zijn, geneigd is om een merk dat uit meerdere woorden bestaat, mondeling af te korten om het gemakkelijker te kunnen uitspreken [zie in die zin arrest van 30 november 2006, Camper/BHIM – JC (BROTHERS by CAMPER), T‑43/05, niet gepubliceerd, EU:T:2006:370, punt 75]. Hieruit volgt dat de woordelementen „eti”, „kitir lezzet”, „orijinal” en „çubuk kraker” van het litigieuze model, die alle van ondergeschikt belang zijn, minder waarschijnlijk de aandacht van de consument zullen trekken en dus minder snel zullen worden uitgesproken. Bovendien worden de beeldelementen niet uitgesproken, zodat de consument de waren waarop het model betrekking heeft eerder zal aanduiden door de co‑dominante elementen ervan uit te spreken, te weten de woordelementen „crax” en „peynirli”.

84

Bijgevolg heeft de kamer van beroep geen blijk gegeven van een beoordelingsfout door in punt 46 van de bestreden beslissing te concluderen dat de betrokken tekens in gemiddelde mate fonetisch overeenstemmen.

– Vergelijking op begripsmatig vlak

85

Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep had moeten concluderen dat de betrokken tekens begripsmatig niet overeenstemmen. Meer in het bijzonder voert zij aan dat het woordelement „eti”, dat het meest dominante en onderscheidende element van het litigieuze model is, en het woordelement „krax” van het oudere merk beide zullen worden opgevat als verzonnen en verschillende woorden en dat van deze tekens het ene een woordteken en het andere een beeldteken is, zodat er begripsmatig geen enkele overeenstemming is tussen deze tekens.

86

Er zij aan herinnerd dat de begripsmatige vergelijking tot doel heeft om de in de betrokken tekens vervatte „begrippen” te vergelijken. De term „begrip” betekent, volgens de definitie die bijvoorbeeld het woordenboek Larousse daaraan geeft, een „algemene en abstracte opvatting die door de menselijke geest wordt ontwikkeld ten aanzien van een concreet of abstract denkbeeld en die hem in staat stelt de verschillende percepties die hij van dat denkbeeld heeft, daarmee in verband te brengen en de kennis ervan te structureren” [zie arrest van 16 juni 2021, Smiley Miley/EUIPO – Cyrus Trademarks (MILEY CYRUS), T‑368/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:372, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

87

Volgens de rechtspraak impliceert begripsmatige overeenstemming ook dat de betrokken tekens een overeenstemmende begripsinhoud hebben (zie in die zin arrest van 11 november 1997, SABEL, C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 24). Hieruit volgt dat wanneer het relevante publiek de betekenis van de woorden niet begrijpt of aan geen van de tekens een specifieke betekenis kan toekennen, er geen begripsmatige vergelijking mogelijk is [zie in die zin arresten van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 76, en 6 april 2022, Agora Invest/EUIPO – Transportes Maquinaria y Obras (TRAMOSA), T‑219/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:219, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

88

In casu hebben de co‑dominante elementen van het litigieuze model en het dominante element van het oudere merk geen betekenis voor het relevante publiek (zie punten 71, 72 en 75 hierboven). Zij kunnen dus geen begrip overbrengen op het relevante publiek.

89

Wat de andere elementen van het litigieuze model betreft, volgt uit de punten 73 en 75 hierboven dat zij op een ondergeschikte positie staan, waardoor zij van beperkt belang zijn in het kader van de begripsmatige vergelijking van de betrokken tekens. Dit betekent echter niet dat deze elementen volledig verwaarloosbaar zijn. Zo moeten bij deze vergelijking de woordelementen „orijinal” en „çubuk kraker” alsmede de decoratieve beeldelementen met de snackstaafjes en het stuk kaas van dit model in aanmerking worden genomen, aangezien zij een begrip van gewone levensmiddelen overbrengen en verwijzen naar snackstaafjes met kaassmaak.

90

Anders dan in punt 47 van de bestreden beslissing is geconcludeerd, moet gelet op het voorgaande worden vastgesteld dat de betrokken tekens begripsmatig van elkaar verschillen.

Onderscheidend vermogen van het oudere merk

91

Verzoekster betoogt dat het oudere merk in essentie een zwak onderscheidend vermogen heeft omdat het woordelement „krax” het geluid beschrijft dat wordt geproduceerd bij de consumptie van snacks op basis van granen, en wegens het naast elkaar bestaan van dit merk en de internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie van het merk CRAXX, dat op 7 december 2004 onder nummer 0854152A is ingeschreven voor dezelfde waren van klassen 29 en 30.

92

Ten eerste volgt uit de punten 71, 75 en 88 hierboven dat het woordelement „krax” van het oudere merk, net als het element „crax” in het litigieuze model, geen betekenis heeft voor het relevante publiek en verzoekster niet heeft bewezen dat het woordelement „krax” een betekenis heeft voor dit publiek. Wat verzoeksters stelling betreft dat dit laatste woordelement een onomatopee is, is er in casu niet duidelijk sprake van een onomatopee van het geluid dat wordt geproduceerd bij de consumptie van knapperige producten.

93

Ten tweede kan met verzoeksters argument betreffende het naast elkaar bestaan van het oudere merk en het merk CRAXX niet worden aangetoond dat in casu het oudere merk in wezen een zwak onderscheidend vermogen heeft. Het onderscheidend vermogen van het oudere merk, dat het ontleent aan de intrinsieke eigenschappen of de bekendheid ervan, betreft namelijk het vermogen van dit merk om aan te duiden dat de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven afkomstig zijn van een bepaalde onderneming en dus om deze waren of diensten te onderscheiden van die van andere ondernemingen [zie in die zin arresten van 13 september 2018, Birkenstock Sales/EUIPO,C‑26/17 P, EU:C:2018:714, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2021, Dr. Spiller/EUIPO – Rausch (Alpenrausch Dr. Spiller), T‑6/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:920, punt 145 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Dit laatste impliceert niet dat verschillende tekens met elkaar worden vergeleken, maar betreft slechts één teken, namelijk het oudere merk (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, China Construction Bank/EUIPO,C‑115/19 P, EU:C:2020:469, punt 58).

94

Bijgevolg heeft de kamer van beroep geen beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat het oudere merk in wezen een gemiddeld onderscheidend vermogen heeft.

Globale beoordeling van het verwarringsgevaar

95

De globale beoordeling van het verwarringsgevaar veronderstelt een zekere onderlinge samenhang tussen de in aanmerking te nemen factoren, met name tussen de overeenstemming van de tekens en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben. Zo kan een geringe mate van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming tussen de tekens, en omgekeerd (arresten van 29 september 1998, Canon,C‑39/97, EU:C:1998:442, punt 17, en 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer,C‑342/97, EU:C:1999:323, punt 19).

96

Bovendien moet voor de globale beoordeling van het verwarringsgevaar rekening worden gehouden met het feit dat de gemiddelde consument, binnen het relevante publiek, slechts zelden de mogelijkheid heeft om verschillende merken rechtstreeks met elkaar te vergelijken, en bijgevolg moet aanhaken bij het onvolmaakte beeld dat bij hem is achtergebleven (arrest van 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer,C‑342/97, EU:C:1999:323, punt 26). Voorts kan alleen worden vastgesteld dat er sprake is van verwarringsgevaar indien het relevante publiek kan worden misleid over de commerciële herkomst van de betrokken waren [zie in die zin arrest van 24 november 2021, Jeronimo Martins Polska/EUIPO – Rivella International (Riviva), T‑551/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:816, punt 86].

97

In casu heeft de kamer van beroep in punt 52 van de bestreden beslissing geconcludeerd dat er sprake is van verwarringsgevaar met betrekking tot de commerciële herkomst van de betrokken waren, gelet op het onvolmaakte beeld dat de consument zal bijblijven van de betrokken tekens.

98

Ten eerste heeft de kamer van beroep in dit verband terecht geoordeeld dat de betrokken waren soortgelijk zijn wegens hun complementariteit (zie punt 52 hierboven). Ten tweede bevatten de betrokken tekens de gemeenschappelijke en respectievelijk dominante en co‑dominante woordelementen „krax” in het oudere merk en „crax” in het litigieuze model, die geen betekenis en derhalve wel onderscheidend vermogen hebben (zie punten 67‑75 hierboven). Ten derde verschillen die tekens op begripsmatig vlak (zie punten 86‑90 hierboven). Ten vierde heeft de kamer van beroep eveneens terecht geoordeeld dat deze tekens in gemiddelde mate visueel overeenstemmen (zie punten 77‑80 hierboven). Bovendien stemmen de tekens in gemiddelde mate fonetisch overeen (zie punt 84 hierboven). Ten vijfde heeft de kamer van beroep eveneens terecht geoordeeld dat het oudere merk een gemiddeld onderscheidend vermogen heeft (zie punt 94 hierboven).

99

Hieruit volgt dat het relevante publiek, dat een gemiddeld aandachtsniveau heeft, wanneer het met het litigieuze model wordt geconfronteerd, redelijkerwijs kan aannemen dat de betrokken waren en de vergelijkbare waren waarop het oudere merk betrekking heeft, dezelfde commerciële herkomst hebben.

100

Tegen deze achtergrond heeft de kamer van beroep geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 52 van de bestreden beslissing tot de slotsom te komen dat er sprake is van verwarringgevaar over de commerciële herkomst van de waren in de zin van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan, gelezen in samenhang met artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet.

101

Hieruit volgt dat het eerste middel ongegrond is en moet worden afgewezen, zodat ook het beroep in zijn geheel moet worden afgewezen.

Kosten

102

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

103

Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van interveniënte worden verwezen in haar eigen kosten en in die van interveniënte. Daar het EUIPO daarentegen alleen heeft gevorderd dat verzoekster in de kosten wordt verwezen indien er een terechtzitting wordt gehouden, dient het EUIPO bij gebreke van een terechtzitting te worden verwezen in zijn eigen kosten.

 

HET GERECHT (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

Eti Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Star Foods E.M. SRL.

 

3)

Het bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) draagt zijn eigen kosten.

 

Škvařilová-Pelzl

Steinfatt

Kukovec

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 september 2025.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.