BESCHIKKING VAN HET HOF (Achtste kamer)
26 februari 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Antwoord dat duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of waarover geen gerede twijfel kan bestaan – Schengenuitvoeringsovereenkomst – Artikel 54 – Artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Beginsel ne bis in idem – Werkingssfeer – Vonnis waarbij de opname van een persoon in een instelling voor geesteszieke delinquenten wordt bevolen – Opschorting mits deze persoon een medische behandeling volgt”
In zaak C‑766/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Protodikeio Peiraios (Trimeles Plimmeleiodikeio Peiraios) [rechtbank van eerste aanleg Piraeus (strafrechtbank bestaande uit drie rechters Piraeus), Griekenland] bij beslissing van 26 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 5 november 2024, in de strafprocedure tegen
AB,
in tegenwoordigheid van:
Eisaggelia Protodikon Peiraia,
CD,
EF,
GH,
IJ,
KL,
geeft
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, en O. Spineanu-Matei, rechter,
advocaat-generaal: A. Biondi,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om te beslissen bij met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de navolgende
Beschikking
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het beginsel ne bis in idem in het Unierecht. |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen AB wegens opzettelijke brandstichting. |
Toepasselijke bepalingen
|
3 |
Artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19), ondertekend te Schengen op 19 juni 1990 en in werking getreden op 26 maart 1995 (hierna: „SUO”), bepaalt: „Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.” |
Hoofdprocedure en prejudiciële vragen
|
4 |
Op 15 december 2018 heeft AB, woonachtig te Wenen (Oostenrijk), een boot in de jachthaven van Glyfada (Griekenland) opzettelijk in brand gestoken. De brand heeft die boot vernield en twee andere beschadigd. |
|
5 |
Met betrekking tot deze feiten is zowel in Griekenland als in Oostenrijk strafrechtelijke vervolging tegen AB ingesteld. |
|
6 |
Na de zaak ten gronde te hebben onderzocht, heeft het Landesgericht Wiener Neustadt (rechter in eerste aanleg Wiener Neustadt, Oostenrijk) op 18 februari 2020 een vonnis gewezen (hierna: „vonnis van 18 februari 2020”) waarin het heeft vastgesteld dat AB de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en dat deze feiten, indien de verdachte niet als ontoerekeningsvatbaar zou zijn aangemerkt, zouden zijn gekwalificeerd als brandstichting in de zin van § 169, lid 1, van het Oostenrijkse strafwetboek, strafbaar met een gevangenisstraf van meer dan een jaar. Deze rechter heeft echter vastgesteld dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar was omdat zij had gehandeld onder invloed van een acute psychose in het kader van schizofrenie. |
|
7 |
Hij heeft tevens vastgesteld dat het risico bestond dat AB, gelet op haar psychische toestand, andere strafbare feiten zou plegen. Hij heeft derhalve de opname van AB in een instelling voor geesteszieke delinquenten gelast. |
|
8 |
Dit neemt niet weg dat dezelfde rechter deze maatregel heeft gekoppeld aan een voorwaardelijke opschorting, met een proeftijd van vijf jaar. Als voorwaarden voor deze opschorting werd AB verplicht om medicatie in te nemen, welke medicatie regelmatig – minstens één keer per maand – moest worden gecontroleerd, en continu psychotherapeutische zorg te ontvangen, en voorts om in een centrum voor forensische psychiatrie om de vier weken een psychiatrische behandeling te ondergaan. AB heeft ten minste tot en met 6 december 2022 aan deze voorwaarden voldaan. |
|
9 |
Nadat het Oostenrijkse openbaar ministerie en AB afstand hadden gedaan van de hun ter beschikking staande rechtsmiddelen, is het vonnis van 18 februari 2020 onherroepelijk geworden. |
|
10 |
AB vordert bij de Protodikeio Peiraios (Trimeles Plimmeleiodikeio Peiraios) [rechtbank van eerste aanleg Piraeus (strafrechtbank bestaande uit drie rechters Piraeus), Griekenland], de verwijzende rechter, via haar advocaat dat de in Griekenland tegen haar ingestelde strafvervolging wordt beëindigd. Primair werpt zij de exceptie van gezag van gewijsde op. Het vonnis van 18 februari 2020, dat betrekking heeft op dezelfde feiten als die welke in de hoofdprocedure aan de orde zijn, vormt immers een veroordelend vonnis waarop artikel 54 SUO en artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) van toepassing zijn. Subsidiair stelt de verdachte dat zij ontoerekeningsvatbaar is voor de haar ten laste gelegde feiten. |
|
11 |
De openbare aanklager, ondersteund door de burgerlijke partijen, te weten de eigenaren van de betrokken boten, betoogt dat dit vonnis geen veroordeling inhoudt, aangezien het Landesgericht Wiener Neustadt heeft geoordeeld dat AB ten tijde van de feiten niet toerekeningsvatbaar was en daarom een therapeutische maatregel heeft gelast. |
|
12 |
De verwijzende rechter merkt op dat dit vonnis bovendien voorziet in een voorwaardelijke opschorting van die maatregel. Gelet op een en ander vraagt de verwijzende rechter zich af hoe het in artikel 50 van het Handvest verankerde beginsel ne bis in idem moet worden uitgelegd. |
|
13 |
In deze omstandigheden heeft de Protodikeio Peiraios (Trimeles Plimmeleiodikeio Peiraios) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
|
14 |
Krachtens artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of wanneer over het antwoord op die vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan. |
|
15 |
In casu dient deze bepaling te worden toegepast. |
|
16 |
Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Tevens kan het Hof rekening houden met bepalingen van het Unierecht waarvan de nationale rechter bij de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt. Het Hof kan de verwijzende rechter immers alle uitleggingsgegevens verschaffen die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of deze in zijn vraag worden genoemd. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verstrekte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven [zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Confédération paysanne (Meloenen en tomaten uit de Westelijke Sahara), C‑399/22, EU:C:2024:839, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
17 |
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat AB bij onherroepelijk vonnis is berecht in Oostenrijk, een lidstaat waarop de SUO van toepassing is. Deze persoon wordt wegens dezelfde feiten vervolgd door een andere lidstaat waarop de SUO van toepassing is. Bijgevolg valt de in de hoofdprocedure aan de orde zijnde situatie onder artikel 54 SUO, dat bepaalt dat „[e]en persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, […] door een andere overeenkomstsluitende partij niet [kan] worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden”. |
|
18 |
Het is eveneens vaste rechtspraak dat artikel 54 moet worden uitgelegd in het licht van artikel 50 van het Handvest (zie in die zin arrest van 12 oktober 2023, INTER CONSULTING,C‑726/21, EU:C:2023:764, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
19 |
In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vragen in essentie wenst te vernemen of artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat strafvervolging instelt tegen een persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, wanneer een rechterlijke instantie van een andere lidstaat bij een onherroepelijk geworden vonnis heeft vastgesteld dat deze persoon dezelfde feiten heeft gepleegd als die welke tot deze vervolging hebben geleid, die persoon wegens psychische stoornissen ontoerekeningsvatbaar heeft verklaard en zijn opname in een instelling voor geesteszieke delinquenten heeft gelast, waaraan een voorwaardelijke opschorting was verbonden, met een proeftijd van vijf jaar, waarvan de voorwaarden, te weten het volgen van een medische behandeling, in acht zijn genomen. |
|
20 |
In de eerste plaats blijkt uit artikel 54 SUO dat dit artikel niet alleen van toepassing is op het geval waarin een persoon is veroordeeld, maar meer in het algemeen op elke situatie waarin een persoon bij onherroepelijk vonnis is berecht. |
|
21 |
Wat dat betreft heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 54 SUO tot doel heeft te waarborgen dat een persoon die is veroordeeld en zijn straf heeft ondergaan of in voorkomend geval onherroepelijk is vrijgesproken in een lidstaat, zich binnen de Schengenruimte kan verplaatsen zonder te hoeven vrezen dat hij wegens dezelfde feiten wordt vervolgd in een andere lidstaat (arrest van 14 september 2023, Volkswagen Group Italia en Volkswagen Aktiengesellschaft, C‑27/22, EU:C:2023:663, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
22 |
Op dezelfde manier kan krachtens artikel 50 van het Handvest niemand opnieuw worden berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet. |
|
23 |
Wat dat betreft zij eraan herinnerd dat voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem moet zijn voldaan aan een tweeledige voorwaarde, namelijk dat er sprake is van een eerdere onherroepelijke beslissing („bis”) en dat de eerdere beslissing en de latere vervolgingsmaatregelen of beslissingen betrekking hebben op dezelfde feiten („idem”) (arrest van 25 januari 2024, Parchetul de pe lângă Curtea de Apel Craiova,C‑58/22, EU:C:2024:70, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
24 |
Ten eerste is in casu voldaan aan de voorwaarde „idem”, aangezien de verwijzende rechter heeft vastgesteld dat de feiten waarop het vonnis van 18 februari 2020 betrekking had en de feiten waarop de vervolging in de hoofdprocedure betrekking heeft, dezelfde zijn. |
|
25 |
Wat ten tweede de voorwaarde „bis” betreft, kan een rechterlijke beslissing slechts worden geacht definitief uitspraak te hebben gedaan over de feiten die aan een tweede procedure zijn onderworpen, wanneer die beslissing definitief is geworden en is gegeven na een beoordeling van de grond van de zaak (zie in die zin arresten van 29 juni 2016, Kossowski,C‑486/14, EU:C:2016:483, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 september 2023, Volkswagen Group Italia en Volkswagen Aktiengesellschaft, C‑27/22, EU:C:2023:663, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
26 |
Dat is in casu het geval. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat AB in Oostenrijk strafrechtelijk is vervolgd, hetgeen heeft geleid tot het vonnis van 18 februari 2020, dat definitief is geworden. De verwijzende rechter wijst erop dat dit vonnis is gewezen na een onderzoek van de zaak ten gronde en ten eerste de vaststelling bevat dat de verdachte feiten heeft gepleegd die, indien zij niet als ontoerekeningsvatbaar zou zijn aangemerkt, zouden worden gekwalificeerd als brandstichting, en ten tweede een beoordeling bevat van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van deze verdachte. |
|
27 |
In de tweede plaats hoeft in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet te worden vastgesteld of een vonnis waarbij de opname van een persoon in een instelling voor geesteszieke delinquenten wordt gelast, met een voorwaardelijke opschorting, een veroordeling vormt waarbij een „straf of maatregel” wordt opgelegd in de zin van artikel 54 SUO. |
|
28 |
Het Hof heeft namelijk reeds geoordeeld dat dit artikel enkel ingeval een „straf of maatregel is opgelegd”, als voorwaarde stelt dat deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd dan wel op grond van de wetten van de overeenkomstsluitende staat in kwestie niet meer ten uitvoer gelegd kan worden („tenuitvoerleggingsvoorwaarde”). De vermelding van een „straf of maatregel” kan dan ook niet aldus worden opgevat dat daardoor een extra voorwaarde geldt voor de toepasselijkheid van dat artikel buiten het geval waarin een straf of maatregel is opgelegd (zie in die zin arrest van 29 juni 2016, Kossowski,C‑486/14, EU:C:2016:483, punten 40 en 41). |
|
29 |
In casu is het duidelijk dat indien het vonnis van 18 februari 2020 ten aanzien van AB een veroordeling bevat waarbij een „straf of maatregel” wordt opgelegd, in de zin van artikel 54 SUO, aan de tenuitvoerleggingsvoorwaarde is voldaan. Het Hof heeft immers geoordeeld dat een voorwaardelijke straf een „straf of maatregel” in de zin van dat artikel 54 vormt. Een dergelijke straf of maatregel moet, zodra de veroordeling uitvoerbaar wordt en tijdens de proefperiode, worden beschouwd als een straf of maatregel die „daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd”. Vervolgens moet de straf of maatregel na afloop van de proefperiode als „ondergaan” in de zin van dat artikel worden beschouwd (zie in die zin arrest van 18 juli 2007, Kretzinger,C‑288/05, EU:C:2007:441, punt 42). |
|
30 |
In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter de voorwaarden voor de in de hoofdprocedure aan de orde zijnde voorwaardelijke opschorting, te weten het volgen van een medische behandeling, ten minste tot en met 6 december 2022 in acht zijn genomen. Bovendien blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet dat AB deze voorwaarden vervolgens heeft geschonden of dat zij als gevolg van een dergelijke schending is opgenomen in een instelling voor geesteszieke delinquenten. |
|
31 |
Gesteld al dat het vonnis van 18 februari 2020 een veroordeling inhoudt waarbij een „straf of maatregel” wordt opgelegd in de zin van artikel 54 SUO, dan nog zou een dergelijke „straf of maatregel” in de zin van dat artikel zijn „ondergaan” indien de proeftijd zou zijn beëindigd en de voorwaarden voor de voorwaardelijke opschorting niet zijn geschonden, dan wel „daadwerkelijk ten uitvoer [worden] gelegd” in de zin van dat artikel, indien AB als gevolg van een dergelijke schending in een instelling voor geesteszieke delinquenten zou zijn opgenomen. |
|
32 |
Om de verwijzende rechter een volledig antwoord te geven, moet daaraan worden toegevoegd dat een beperking van de toepassing van het door artikel 50 van het Handvest gewaarborgde beginsel ne bis in idem kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 52, lid 1, ervan (arrest van 14 september 2023, Volkswagen Group Italia en Volkswagen Aktiengesellschaft, C‑27/22, EU:C:2023:663, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
33 |
Zoals in punt 17 van de onderhavige beschikking is aangegeven, valt de in de hoofdprocedure aan de orde zijnde situatie binnen de werkingssfeer van artikel 54 SUO. Dit artikel voorziet echter niet in andere beperkingen van het beginsel ne bis in idem dan de voor het geval van veroordeling geldende tenuitvoerleggingsvoorwaarde, die door het Hof verenigbaar is verklaard met artikel 50 van het Handvest (zie in die zin arrest van 27 mei 2014, Spasic,C‑129/14 PPU, EU:C:2014:586, punten 55 en 74). Bijgevolg is artikel 52 van het Handvest in casu niet relevant. |
|
34 |
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat strafvervolging instelt tegen een persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, wanneer een rechterlijke instantie van een andere lidstaat bij een onherroepelijk geworden vonnis heeft vastgesteld dat deze persoon dezelfde feiten heeft gepleegd als die welke tot deze vervolging hebben geleid, die persoon wegens psychische stoornissen ontoerekeningsvatbaar heeft verklaard en zijn opname in een instelling voor geesteszieke delinquenten heeft gelast, waaraan een voorwaardelijke opschorting was verbonden, met een proeftijd van vijf jaar, waarvan de voorwaarden, te weten het volgen van een medische behandeling, in acht zijn genomen. |
Kosten
|
35 |
Ten aanzien van de partijen in de hoofdprocedure is de onderhavige procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. |
|
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht: |
|
Artikel 54 van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende en op 26 maart 1995 in werking getreden Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, |
|
moet aldus worden uitgelegd dat |
|
het eraan in de weg staat dat een lidstaat strafvervolging instelt tegen een persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, wanneer een rechterlijke instantie van een andere lidstaat bij een onherroepelijk geworden vonnis heeft vastgesteld dat deze persoon dezelfde feiten heeft gepleegd als die welke tot deze vervolging hebben geleid, die persoon wegens psychische stoornissen ontoerekeningsvatbaar heeft verklaard en zijn opname in een instelling voor geesteszieke delinquenten heeft gelast, waaraan een voorwaardelijke opschorting was verbonden, met een proeftijd van vijf jaar, waarvan de voorwaarden, te weten het volgen van een medische behandeling, in acht zijn genomen. |
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Grieks.