Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
19 maart 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Verordening (EU) nr. 651/2014 – Categorieën steun die als verenigbaar met de interne markt en als vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting kunnen worden beschouwd – Vrijstelling voor steun aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) – Artikel 1 van bijlage I – Begrip ,onderneming’ – Artikel 3, lid 3, van bijlage I – Begrip ,verbonden ondernemingen’ – Natuurlijke persoon die de meerderheid bezit van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen van een onderneming – Uitoefening van een economische activiteit – Daadwerkelijke uitoefening van zeggenschap door directe of indirecte inmenging in het bestuur van de onderneming ”
In zaak C‑870/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland) bij beslissing van 14 december 2024, ingekomen bij het Hof op 17 december 2024, in de procedure
Valsts ieņēmumu dienests
tegen
SIA „OUTLETICO”,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Biondi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča en K. Pommere als gemachtigden,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin en M. Van Regemorter als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.‑L. Delbac, V. Hitrovs en A. Steiblytė als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1 en artikel 3, lid 3, van bijlage I bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 [VWEU] met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB 2014, L 187, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2020/972 van de Commissie van 2 juli 2020 (PB 2020, L 215, blz. 3) (hierna: „verordening nr. 651/2014”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Valsts ieņēmumu dienests (nationale belastingdienst, Letland; hierna: „belastingdienst”) en SIA „OUTLETICO” (hierna: „Outletico”), een vennootschap naar Lets recht, over een besluit waarbij deze dienst Outletico heeft gelast de steun terug te betalen die zij in het kader van de gezondheidscrisis in verband met de COVID‑19-pandemie onrechtmatig heeft ontvangen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 651/2014
3 De overwegingen 30 en 40 van verordening nr. 651/2014 luiden als volgt:
„(30) Om verschillen die tot mededingingsvervalsingen zouden kunnen leiden, weg te nemen en om de coördinatie van de verschillende Unie-initiatieven en nationale initiatieven met betrekking tot [kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s)] te vergemakkelijken en om de administratieve duidelijkheid en de rechtszekerheid te bevorderen, dient de voor deze verordening gehanteerde definitie van kmo’s te zijn gebaseerd op de definitie in aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen [(PB 2003, L 124, blz. 36)].
[...]
(40) Kmo’s spelen een bepalende rol bij het scheppen van arbeidsplaatsen en dragen, meer algemeen, bij tot sociale stabiliteit en tot economische ontwikkeling. Toch kan hun ontwikkeling worden geremd door marktfalen, waardoor deze kmo’s met de volgende typische handicaps te kampen hebben. Kmo’s hebben het, gezien de risicoaversie van bepaalde financiële markten en de beperkte zekerheden die deze ondernemingen kunnen bieden, vaak moeilijk om kapitaal of leningen te krijgen. Door hun beperkte middelen hebben zij mogelijk ook beperktere toegang tot informatie, met name wat betreft nieuwe technologie en potentiële markten. Om de ontwikkeling van de economische activiteiten van kmo’s te bevorderen, dienen bij deze verordening dus bepaalde categorieën steun te worden vrijgesteld wanneer deze ten behoeve van kmo’s worden verleend. Bij die categorieën dient het met name te gaan om kmo-steun voor investeringen en kmo-steun ten behoeve van deelneming aan beurzen.”
4 Artikel 1 van deze verordening luidt:
„1. „Deze verordening is van toepassing op de volgende categorieën steun:
[...]
b) steun aan kmo’s in de vorm van investeringssteun, exploitatiesteun en toegang van kmo’s tot financiering;
[...]
4. Deze verordening is niet van toepassing op:
[...]
c) steun aan ondernemingen in moeilijkheden, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen, regelingen inzake starterssteun en regelingen inzake regionale exploitatiesteun, mits met die regelingen ondernemingen in moeilijkheden geen gunstigere behandeling krijgen dan andere ondernemingen. Deze verordening is evenwel in afwijking daarvan van toepassing op ondernemingen die op 31 december 2019 niet in moeilijkheden verkeerden maar ondernemingen in moeilijkheden werden in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2021.
[...]”
5 Artikel 2 van die verordening bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
2. ,[kmo’s]’: ondernemingen die aan de in bijlage I vastgestelde criteria voldoen;
[...]
18. ,onderneming in moeilijkheden’: een onderneming ten aanzien waarvan zich ten minste één van de volgende omstandigheden voordoet:
a) in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een kmo binnen zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop die in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair): wanneer meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. [...]
[...]
e) in het geval van een onderneming die geen kmo is: wanneer de afgelopen twee jaar:
1. de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en
2. de [...] rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0;
[...]
24. ,grote ondernemingen’: ondernemingen die niet aan de in bijlage I vastgestelde criteria voldoen;
[...]”
6 Artikel 3 van dezelfde verordening luidt als volgt:
„Steunregelingen, individuele steun toegekend in het kader van steunregelingen en ad-hocsteun zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2 of 3, [VWEU] en zijn vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, [VWEU] mits die steun voldoet aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en aan de specifieke voorwaarden die voor de desbetreffende steuncategorie in hoofdstuk III van deze verordening zijn vastgesteld.”
7 Artikel 1 van bijlage I bij verordening nr. 651/2014, met als opschrift „Kmo-definitie”, bepaalt:
„Als onderneming wordt beschouwd iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. Met name worden als zodanig beschouwd entiteiten die individueel of in familieverband ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen, personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.”
8 Artikel 2 van bijlage I luidt als volgt:
„1. Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (‚kmo’s’) behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.
2. Binnen de categorie kmo’s is een ,kleine onderneming’ een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt.
3. Binnen de categorie kmo’s is een ,micro-onderneming’ een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt.”
9 Artikel 3 van bijlage I luidt:
„1. Een ,zelfstandige onderneming’ is elke onderneming die niet als partneronderneming in de zin van lid 2 of als verbonden onderneming in de zin van lid 3 wordt aangemerkt.
[...]
3. ‚Verbonden ondernemingen’ zijn ondernemingen die met elkaar een van de volgende banden onderhouden:
a) een onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;
b) een onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;
c) een onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;
d) een onderneming heeft als aandeelhouder of vennoot van een andere onderneming, op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming.
[...]
Ondernemingen worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij via één of meerdere andere ondernemingen of via een investeerder als bedoeld in lid 2, één van de in de eerste alinea bedoelde banden onderhouden.
Ondernemingen die via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep van natuurlijke personen een van deze banden onderhouden, worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij hun activiteiten of een deel van hun activiteiten op dezelfde markt of op verwante markten uitoefenen.
[...]”
10 Artikel 6 van bijlage I luidt als volgt:
„1. In het geval van een zelfstandige onderneming worden de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op grond van de rekeningen van die onderneming vastgesteld.
2. De gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, van een onderneming die partnerondernemingen of verbonden ondernemingen heeft, worden vastgesteld op grond van de rekeningen en andere gegevens van de onderneming of, zo van toepassing, van de geconsolideerde rekeningen van de onderneming of van de geconsolideerde rekeningen waarin de onderneming door consolidatie is opgenomen.
De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van de betrokken onderneming, die zich onmiddellijk boven of onder het niveau van die onderneming bevinden. De samentelling geschiedt in evenredigheid met het aandeel in het kapitaal of de stemrechten (het hoogste van de beide percentages). Bij kruisparticipatie geldt het hoogste van deze percentages.
De in de eerste en tweede alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met alle, nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.
[...]”
Tijdelijke kaderregeling
11 De punten 4, 18 en 22 van de mededeling van de Commissie „Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID‑19-uitbraak” (PB 2020, C 91 I, blz. 1), zoals gewijzigd bij de mededeling van de Commissie van 28 januari 2021 (PB 2021, C 34, blz. 6), luiden als volgt:
„4. In de uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van de COVID‑19-uitbraak, kunnen alle soorten ondernemingen met een ernstig gebrek aan liquiditeit te kampen krijgen. Solvente en minder solvente ondernemingen kunnen met een plotseling tekort aan of zelfs ontbreken van liquiditeit te maken krijgen. Met name kmo’s lopen gevaar. Dit kan derhalve de economische situatie van veel gezonde ondernemingen en hun werknemers op korte en middellange termijn ernstig aantasten, maar ook op langere termijn indien hun voortbestaan in gevaar komt.
[...]
18. Aangezien de uitbraak van COVID‑19 alle lidstaten treft en de inperkingsmaatregelen die de lidstaten hebben genomen, gevolgen hebben voor ondernemingen, is de [Europese] Commissie van oordeel dat staatssteun gerechtvaardigd is en op grond van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU voor een beperkte periode verenigbaar met de interne markt kan worden verklaard om de liquiditeitstekorten waarmee ondernemingen te maken krijgen, te verhelpen en ervoor te zorgen dat de verstoringen ten gevolge van de COVID‑19-uitbraak de levensvatbaarheid van deze ondernemingen, met name in het geval van kmo’s, niet ondermijnen.
[...]
22. De Commissie zal [tijdelijke beperkte staatsteunbedragen voor ondernemingen die plotseling met een tekort aan of zelfs de niet-beschikbaarheid van liquiditeit kampen] als verenigbaar met de interne markt beschouwen op basis van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan [...]:
[...]
c. de steun mag niet worden toegekend aan ondernemingen die op 31 december 2019 al in moeilijkheden verkeerden (in de zin van [verordening nr. 651/2014] [...]).
In afwijking van het bovenstaande kan steun worden verleend aan micro‑ of kleine ondernemingen (in de zin van bijlage I bij [verordening nr. 651/2014]) die op 31 december 2019 reeds in moeilijkheden verkeerden op voorwaarde dat zij volgens het nationale recht niet aan een collectieve insolventieprocedure zijn onderworpen en dat zij geen reddingssteun [...] of herstructureringssteun [...] hebben ontvangen;
[...]”
Lets recht
12 Punt 4.1 van Ministru kabineta 2020. gada 10. novembra noteikumu Nr. 676 „Noteikumi par atbalstu Covid‑19 krīzes skartajiem uzņēmumiem apgrozāmo līdzekļu plūsmas nodrošināšanai” (besluit nr. 676 van de ministerraad van 10 november 2020 tot vaststelling van de regels inzake steun voor het werkkapitaal van door de COVID-19-crisis getroffen ondernemingen), in de versie die gold ten tijde van de feiten van het hoofdgeding (hierna: „besluit nr. 676/2020”), bepaalt:
„Overeenkomstig deze regeling mag steun worden verleend aan ondernemingen die voldoen aan de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in artikel 2 van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 van de Commissie of aan de definitie van grote ondernemingen in artikel 2, punt 24, van [die verordening].”
13 Punt 5 van besluit nr. 676/2020 luidt als volgt:
„Voor de toepassing van [dit besluit] zijn verbonden personen marktdeelnemers die voldoen aan de definitie van ,verbonden ondernemingen’ in artikel 3, lid 3, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014.”
14 Punt 16.2 van dat besluit luidt:
„Er wordt geen steun verleend aan middelgrote of grote marktdeelnemers die reeds op 31 december 2019 en op het tijdstip van de steunverlening als marktdeelnemers in moeilijkheden moesten worden beschouwd overeenkomstig de definitie van artikel 2, punt 18, van verordening nr. 651/2014.”
15 Punt 18 van besluit nr. 676/2020 bepaalt:
„Als er een inbreuk op de staatssteunvoorschriften van deze regeling wordt vastgesteld, is de onderneming verplicht om het volledige bedrag van de onrechtmatig ontvangen steun terug te betalen aan de belastingdienst, vermeerderd met rente, overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van de wet inzake het toezicht op steun aan commerciële activiteiten.”
16 Artikel 186, lid 3, van de Komerclikums (wetboek van koophandel) bepaalt:
„Het aandeelhouderschap geeft de aandeelhouder het recht om deel te nemen aan het bestuur van de vennootschap, aan de verdeling van de winst en aan de verdeling van de activa van de vennootschap in het geval van liquidatie ervan, evenals andere bij wet of bij de statuten vastgestelde rechten.”
17 Artikel 209 van dit wetboek luidt als volgt:
„De bestuursorganen van de vennootschap zijn de aandeelhoudersvergadering en de raad van bestuur, alsmede (in voorkomend geval) de raad van toezicht.”
18 Artikel 210 van dat wetboek bepaalt:
„(1) Alleen de aandeelhoudersvergadering heeft de bevoegdheid om:
1) de statuten te wijzigen;
2) het maatschappelijk kapitaal te verhogen of te verlagen;
3) de leden van de raad van toezicht te kiezen en te ontslaan;
4) de leden van de raad van bestuur te kiezen en te ontslaan;
5) de jaarrekening goed te keuren en de winst te verdelen;
6) de auditeur en de vereffenaar te kiezen en te ontslaan;
7) te beslissen een vordering in te stellen tegen de leden van de raad van bestuur, de leden van de raad van toezicht, de oprichters of de aandeelhouders, en een vertegenwoordiger van de vennootschap aan te wijzen om geschillen voor een rechterlijke instantie te brengen;
[...]
9) te beslissen over de beëindiging, voortzetting, opschorting, vernieuwing of reorganisatie van de activiteiten van de vennootschap, evenals over het sluiten, wijzigen of beëindigen van een groepsovereenkomst;
10) andere zaken te behandelen die bij wet of bij de statuten zijn overgedragen aan de bevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering.
(2) De aandeelhoudersvergadering heeft ook het recht om besluiten te nemen die onder de bevoegdheid van de raad van bestuur of de raad van toezicht vallen. In een dergelijk geval zijn de aandeelhouders die voor dergelijke besluiten hebben gestemd, hoofdelijk aansprakelijk voor de eventueel daardoor veroorzaakte schade.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19 A, een natuurlijke persoon, bezit 100 % van het kapitaal van SIA „Esterkin Family Investments”, een vennootschap naar Lets recht, 75 % van het kapitaal van SIA „IC Industries Holdings”, eveneens een vennootschap naar Lets recht, en 100 % van het kapitaal van RRE Tradecenters holding Ltd., een vennootschap naar Cypriotisch recht. RRE Tradecenters holding heeft een deelneming ten belope van 60 % in het kapitaal van Outletico, die op haar beurt 100 % bezit van het kapitaal van SIA „Business Park”, een andere vennootschap naar Lets recht.
20 Op 21 maart en 16 april 2021 heeft Outletico respectievelijk voor de maanden januari en maart 2021 bij de belastingdienst steun aangevraagd voor ondernemingen die door de COVID‑19-crisis waren getroffen.
21 Bij besluiten van 30 april 2021 en 17 mei 2021 heeft die dienst deze steunaanvragen ingewilligd en Outletico in dit verband een bedrag van 45 597,69 EUR voor januari 2021 en van 45 597,68 EUR voor maart 2021 toegekend. Hij was van mening dat deze vennootschap een kmo in de zin van verordening nr. 651/2014 was en voldeed aan de in besluit nr. 676/2020 vastgestelde criteria om voor steun in aanmerking te komen.
22 Bij twee besluiten van 27 december 2021 heeft de Valsts ieņēmumu dienesta Nodokļu nomaksas veicināšanas pārvalde (afdeling stimulering van de naleving van de belastingwetgeving bij de belastingdienst, Letland) zich op het standpunt gesteld dat Outletico tot de categorie van „grote ondernemingen” behoorde en dat zij op 31 december 2019 en op de datum van toekenning van de steun een onderneming in moeilijkheden was, de in het vorige punt genoemde besluiten nietig verklaard en haar gelast de onrechtmatig ontvangen steun terug te betalen.
23 Outletico heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van deze afdeling.
24 Bij besluit van 25 maart 2022 heeft de belastingdienst deze besluiten bevestigd. Zij heeft in de eerste plaats vastgesteld dat RRE Tradecenters holding, Esterkin Family Investments, IC Industries Holdings en Business Park moesten worden beschouwd als met Outletico „verbonden ondernemingen” in de zin van artikel 3, lid 3, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014, en dat Outletico, als lid van een groep van verbonden ondernemingen, op basis van de gegevens betreffende alle vennootschappen van deze groep moest worden beschouwd als deel uitmakend van een „grote onderneming” in de zin van artikel 2, punt 24, van verordening nr. 651/2014.
25 De belastingdienst heeft er namelijk om te beginnen op gewezen dat uit het vennootschapsregister bleek dat RRE Tradecenters holding op het tijdstip dat de steun werd verleend een zeggenschapsdeelneming had in Outletico, die op haar beurt een dergelijke deelneming in Business Park bezat. Vervolgens overwoog deze dienst dat de natuurlijke persoon A, aangezien hij rechtstreeks leiding gaf aan en zeggenschap had over RRE Tradecenters Holding, Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings, moet worden beschouwd als marktdeelnemer en dus als „onderneming” in de zin van artikel 1 en artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I. Ten slotte heeft hij daaruit afgeleid dat Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings enerzijds en Outletico anderzijds via een onderneming en niet via een „natuurlijke persoon” in de zin van artikel 3, lid 3, vierde alinea, van die bijlage banden onderhielden.
26 In de tweede plaats heeft de belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat Outletico zowel op 31 december 2019 als op de datum van toekenning van de betrokken steun, gelet op haar eigen gegevens en die van de met deze vennootschap verbonden ondernemingen, moest worden beschouwd als een „onderneming in moeilijkheden” in de zin van artikel 2, punt 18, van die verordening, en dat deze vennootschap bijgevolg niet in aanmerking kwam voor die steun.
27 Outletico heeft bij de administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de belastingdienst van 25 maart 2022, waarbij zij met name heeft betwist dat het begrip „verbonden ondernemingen” op haar van toepassing was. In het bijzonder betoogde Outletico dat A als een natuurlijke persoon en niet als een onderneming moest worden beschouwd.
28 Bij vonnis van 22 november 2022 heeft deze rechter dat besluit nietig verklaard op grond dat A een natuurlijke persoon en geen onderneming was, zodat Outletico overeenkomstig artikel 3, lid 3, vierde alinea, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 niet kon worden geacht verbonden te zijn met Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings, aangezien deze drie vennootschappen hun activiteiten niet op dezelfde markt of verwante markten uitoefenden. Die rechter heeft geoordeeld dat Outletico enkel verbonden was met RRE Tradecenters holding en Business Park en dat Outletico op die basis moest worden aangemerkt als een kmo in de zin van verordening nr. 651/2014, zodat zij aanspraak kon maken op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steun.
29 De belastingdienst heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland), de verwijzende rechter, met name op grond dat een natuurlijke persoon die meerdere ondernemingen bestuurt en daarover direct of indirect zeggenschap heeft, moet worden beschouwd als een marktdeelnemer en dus als een „onderneming” in de zin van artikel 1 en artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014.
30 De verwijzende rechter merkt op dat het hoofdgeding betrekking heeft op de vraag welke ondernemingen als verbonden met Outletico moeten worden beschouwd voor de kwalificatie van Outletico als kmo of als „grote onderneming” in de zin van verordening nr. 651/2014. In dit verband vraagt hij zich af wat de reikwijdte is van het begrip „onderneming” in de zin van artikel 1 van bijlage I bij deze verordening en in het bijzonder of een natuurlijke persoon die zeggenschapsdeelnemingen in meerdere vennootschappen bezit, onder dit begrip valt. Bijgevolg vraagt deze rechter zich af of de banden tussen Outletico enerzijds en Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings anderzijds moeten worden geacht te worden onderhouden via een „onderneming” in de zin van artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I dan wel via een „natuurlijke persoon” in de zin van artikel 3, lid 3, vierde alinea, van die bijlage, in welk geval deze drie ondernemingen niet als verbonden kunnen worden beschouwd.
31 Volgens de verwijzende rechter volgt uit het arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a. (C‑222/04, EU:C:2006:8), dat het om vast te stellen of er sprake is van een economische activiteit wanneer een natuurlijke persoon een deelneming bezit in een vennootschap die rechtstreeks een economische activiteit op de markt uitoefent, niet volstaat dat wordt aangetoond dat deze natuurlijke persoon deze deelneming bezit, ook al is er daarbij sprake van zeggenschap, maar moet worden onderzocht of die natuurlijke persoon ook daadwerkelijke invloed uitoefent op het bestuur van die vennootschap.
32 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de belastingdienst zich in zijn besluit van 25 maart 2022 uitsluitend heeft gebaseerd op de omvang van de deelneming van A in het kapitaal van Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings om te oordelen dat A zich rechtstreeks bezighield met het bestuur van en de zeggenschap over deze vennootschappen. Deze rechter preciseert dat de aandeelhoudersvergadering (houders van participaties) krachtens artikel 186, lid 3, en artikel 210, leden 1 en 2, van het wetboek van koophandel bevoegd is om bepaalde besluiten inzake het bestuur van de onderneming vast te stellen.
33 Deze rechter vraagt zich dus af of deze beslissingsbevoegdheid op zich volstaat om een natuurlijke persoon die in een vennootschap een zeggenschapsdeelneming bezit, aan te merken als een persoon die ook daadwerkelijk zeggenschap over die vennootschap uitoefent door direct of indirect het bestuur ervan te beïnvloeden, zodat deze persoon moet worden geacht een economische activiteit uit te oefenen of deel te nemen aan de economische activiteit van die vennootschap, en derhalve als een onderneming moet worden beschouwd.
34 Tegen deze achtergrond heeft de Administratīvā apgabaltiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moeten artikel 1 en artikel 3, lid 3, van bijlage I bij verordening [nr. 651/2014] aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die aandelen in het kapitaal van een onderneming bezit, ook als een onderneming moet worden beschouwd?
Is voor het antwoord op bovenstaande vraag relevant dat de nationale wetgeving bepaalt dat de vaststelling van bepaalde besluiten met betrekking tot het bestuur van de vennootschap een bevoegdheid is van de aandeelhoudersvergadering (houders van participaties)? Vormt het voorgaande op zichzelf een voldoende basis om aan te nemen dat een natuurlijke persoon die aandelen in het kapitaal van een onderneming bezit (de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders), direct of indirect invloed uitoefent op het bestuur van de onderneming en dus een economische activiteit uitoefent of betrokken is bij de economische activiteit van die onderneming, zonder dat hoeft te worden beoordeeld of de natuurlijke persoon daadwerkelijk deelneemt aan het bestuur van de onderneming?
2) Moet artikel 3, lid 3, vierde alinea, van bijlage I bij verordening [nr. 651/2014] aldus worden uitgelegd dat de uitdrukking ,[o]ndernemingen die via een natuurlijke persoon [...] een van deze banden onderhouden’ in de zin van die bepaling, ook een situatie omvat waarin een natuurlijke persoon houder is van aandelen in het kapitaal en beschikt over de meerderheid van de stemrechten in een onderneming die op haar beurt beschikt over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders in een andere onderneming, ten aanzien waarvan zij wordt geacht de hoedanigheid van met andere ondernemingen verbonden onderneming te hebben, en dezelfde natuurlijke persoon houder is van aandelen in laatstgenoemde ondernemingen en beschikt over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
35 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Hiertoe dient het uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie in die zin arresten van 28 november 2000, Roquette Frères, C‑88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 23 oktober 2025, Zlakov, C‑744/23, EU:C:2025:816, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de belastingdienst in zijn besluit van 25 maart 2022 heeft geoordeeld dat RRE Tradecenters holding, Esterkin Family Investments, IC Industries Holdings, Outletico en Business Park moesten worden beschouwd als „verbonden ondernemingen” in de zin van artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014.
37 De verwijzende rechter moet de rechtmatigheid van dat besluit toetsen en twijfelt er niet aan dat Outletico kan worden beschouwd als een onderneming die in de zin van artikel 3, lid 3, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 „verbonden” is met RRE Tradecenters holding, die 60 % van haar kapitaal bezit, en met Business Park, waarvan zij het volledige kapitaal bezit.
38 Deze rechter wenst in essentie te vernemen of Outletico moet worden geacht niet alleen verbonden te zijn met RRE Tradecenters holding en Business Park, maar ook, via RRE Tradecenters holding en A, met Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings, aangezien A respectievelijk 100 %, 100 % en 75 % van hun kapitaal in handen heeft.
39 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat indien alle in het vorige punt genoemde vennootschappen als „verbonden ondernemingen” zouden moeten worden beschouwd, Outletico niet als kmo zou kunnen worden aangemerkt. Zij zou dan moeten worden beschouwd als een onderneming die op 31 december 2019 reeds in moeilijkheden verkeerde en zou verplicht zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steun terug te betalen, aangezien deze in dergelijke omstandigheden als onrechtmatig moet worden beschouwd. Mocht Outletico daarentegen worden geacht uitsluitend verbonden te zijn met RRE Tradecenters holdings en Business Park, dan zou zij als kmo kunnen worden aangemerkt, zou zij niet kunnen worden aangemerkt als onderneming die op 31 december 2019 reeds in moeilijkheden verkeerde en zou zij deze steun kunnen behouden.
40 In deze context vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of een natuurlijke persoon die zeggenschapsdeelnemingen in ondernemingen bezit, zelf kan worden aangemerkt als een „onderneming” via welke deze ondernemingen indirect banden met elkaar onderhouden die ertoe leiden dat al deze entiteiten worden aangemerkt als „verbonden ondernemingen” in de zin van artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014.
41 Gelet op deze factoren moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 1 en artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 aldus moeten worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een zeggenschapsdeelneming bezit waardoor hij de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders van vennootschappen die een economische activiteit uitoefenen, louter om die reden moet worden beschouwd als een entiteit die zelf een economische activiteit uitoefent en dus als een „onderneming” in de zin van artikel 1 van bijlage I, via welke deze vennootschappen indirect banden onderhouden die hen tot „verbonden ondernemingen” in de zin van artikel 3, lid 3, derde alinea, van die bijlage maken. In het bijzonder vraagt hij zich af of het feit dat naar nationaal recht bepaalde besluiten betreffende het bestuur van de vennootschap tot de bevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering behoren, op zich volstaat om aan te nemen dat een dergelijke natuurlijke persoon deelneemt aan de economische activiteit van deze vennootschap, zonder dat hoeft te worden onderzocht of hij daadwerkelijk betrokken is bij het bestuur ervan.
42 Zoals met name blijkt uit overweging 40 van verordening nr. 651/2014, waarbij bepaalde categorieën staatssteun op grond van de artikelen 107 en 108 VWEU met de interne markt verenigbaar worden verklaard, stelt de Commissie bepaalde categorieën staatssteun vrij wanneer deze ten behoeve van kmo’s worden verleend vanwege het marktfalen dat ertoe leidt dat deze ondernemingen te maken krijgen met bepaalde handicaps die hun sociaal en economisch wenselijke ontwikkeling belemmeren (zie in die zin arresten van 29 april 2004, Italië/Commissie, C‑91/01, EU:C:2004:244, punt 46, en 24 september 2020, NMI Technologietransfer, C‑516/19, EU:C:2020:754, punt 31).
43 Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 kan een onderneming als kmo in de zin van deze verordening worden aangemerkt indien zij aan drie criteria voldoet, te weten een criterium betreffende het aantal personeelsleden, een financieel criterium met betrekking tot de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal en een zelfstandigheidscriterium (arrest van 24 september 2020, NMI Technologietransfer, C‑516/19, EU:C:2020:754, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Wat dit laatste criterium betreft, heeft het Hof geoordeeld dat dit beoogt te verzekeren dat de maatregelen voor kmo’s daadwerkelijk ondernemingen bevoordelen wier vorm een handicap vormt, en niet die welke deel uitmaken van een groot concern en derhalve toegang hebben tot middelen en ondersteuning waarover hun concurrenten van soortgelijke omvang niet beschikken (arrest van 24 september 2020, NMI Technologietransfer, C‑516/19, EU:C:2020:754, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Dit criterium strekt er dus toe, zoals met name blijkt uit overweging 9 van aanbeveling 2003/361, waarop het begrip „kmo” blijkens overweging 30 van verordening nr. 651/2014 is gebaseerd, om beter aan te sluiten bij de economische realiteit van kmo’s en om groepen ondernemingen waarvan de economische macht die van een kmo overschrijdt van de kwalificatie als kmo uit te sluiten, teneinde de voordelen die voor kmo’s voortvloeien uit diverse regelingen of maatregelen ten gunste van deze ondernemingen voor te behouden aan ondernemingen die deze echt nodig hebben (arrest van 24 september 2020, NMI Technologietransfer, C‑516/19, EU:C:2020:754, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Het begrip „kmo’s” in de zin van verordening nr. 651/2014 moet echter strikt worden uitgelegd, aangezien het ertoe leidt dat aan ondernemingen die onder dit begrip vallen doorgaans voordelen worden toegekend door middel van regels die uitzonderingen op de algemene regels inhouden (arrest van 24 september 2020, NMI Technologietransfer, C‑516/19, EU:C:2020:754, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Overeenkomstig artikel 2, punt 2, van verordening nr. 651/2014, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van bijlage I bij deze verordening, behoren tot de categorie kmo’s ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.
48 Voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen van de ondernemingen maken de artikelen 3 en 6 van bijlage I met name een onderscheid tussen „zelfstandige ondernemingen” en „verbonden ondernemingen”. Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die bijlage worden in het geval van een zelfstandige onderneming de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op grond van de rekeningen van die onderneming vastgesteld. Daarentegen volgt uit lid 2, eerste en derde alinea, van artikel 6 dat voor een onderneming met verbonden ondernemingen de gegevens van deze onderneming worden samengeteld met alle, nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.
49 Volgens artikel 3, lid 3, eerste alinea, onder a), van bijlage I worden twee ondernemingen als met elkaar „verbonden” beschouwd wanneer de ene de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de andere bezit.
50 Volgens de derde alinea van lid 3 worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd ondernemingen indien zij via „één of meerdere andere ondernemingen” een van de in de eerste alinea van dat lid bedoelde banden onderhouden.
51 In casu volgt uit de verwijzingsbeslissing dat Outletico met Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings op zijn minst een band als bedoeld in artikel 3, lid 3, eerste alinea, onder a), van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 onderhoudt, ten eerste, via RRE Tradecenters holding, die 60 % van het kapitaal van Outletico bezit, en de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders ervan en, ten tweede, via A, die het volledige kapitaal van zowel RRE Tradecenters holding als Esterkin Family Investments bezit en 75 % van het kapitaal van IC Industries Holdings, en dus de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders van deze laatste drie vennootschappen heeft.
52 Met betrekking tot de vraag of het feit dat een natuurlijke persoon zeggenschapsdeelnemingen in een onderneming heeft waaraan naar nationaal recht rechten zijn verbonden, volstaat om te concluderen dat er sprake is van de uitoefening van een „economische activiteit” en dus om deze natuurlijke persoon als „onderneming” in de zin van artikel 1 van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 aan te merken, moet worden opgemerkt dat uit dit artikel volgt dat als een onderneming wordt beschouwd iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. Met name worden als zodanig beschouwd entiteiten die individueel of in familieverband ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen, personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.
53 Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het begrip „onderneming” in de zin van artikel 1 elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent – bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt – ongeacht haar rechtsvorm en ongeacht of zij een winstoogmerk heeft (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Baltijas Starptautiskā Akadēmija en Stockholm School of Economics in Riga, C‑164/21 en C‑318/21, EU:C:2022:785, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 In dit verband moet in de eerste plaats worden benadrukt dat een natuurlijke persoon als een „onderneming” kan worden beschouwd indien hij een economische activiteit uitoefent. Het begrip „onderneming” in de zin van artikel 1 van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 omvat immers „iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm”, die een economische activiteit uitoefent. Deze uitlegging vindt overigens steun in de tweede volzin van artikel 1, volgens welke onder meer als ondernemingen worden beschouwd entiteiten die „individueel of in familieverband” ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen.
55 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat een economische activiteit kan worden uitgeoefend hetzij door een marktdeelnemer die rechtstreeks actief is op de markt, hetzij indirect door een entiteit die over die deelnemer zeggenschap uitoefent in het kader van een door hen tezamen gevormde economische eenheid (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, EU:C:2006:8, punten 108‑110).
56 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat het loutere bezit van participaties, zelfs van zeggenschapsdeelnemingen, niet volstaat om dit aan te merken als een economische activiteit van de entiteit welke die deelnemingen bezit, wanneer dit bezit beperkt is tot de uitoefening van de aan de hoedanigheid van aandeelhouder of vennoot verbonden rechten, alsmede, in voorkomend geval, de inning van dividenden, die loutere vruchten van de eigendom van een goed zijn (arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, EU:C:2006:8, punt 111).
57 Wanneer een entiteit met zeggenschapsdeelnemingen in een vennootschap daarentegen daadwerkelijk de zeggenschap uitoefent die deze deelnemingen haar verlenen door zich direct of indirect met het bestuur ervan bezig te houden, moet zij worden geacht deel te nemen aan de economische activiteit van de onderneming waarover zij zeggenschap uitoefent. Op grond daarvan moet zij zelf als een onderneming worden aangemerkt (arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, EU:C:2006:8, punten 112 en 113).
58 Uit de in de punten 53 en 55 tot en met 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dat een entiteit, met inbegrip van een natuurlijke persoon, die deelnemingen in een vennootschap bezit, slechts als „onderneming” kan worden aangemerkt indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten deze deelnemingen haar in staat stellen zeggenschap uit te oefenen over een vennootschap. Ten tweede moet zij deze zeggenschap daadwerkelijk uitoefenen door zich direct of indirect bezig te houden met het bestuur van deze vennootschap (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, EU:C:2006:8, punt 118).
59 Hieruit volgt dat het enkele bezit van een meerderheidsdeelneming in een dergelijke vennootschap, of zelfs van het volledige kapitaal ervan, op zich niet volstaat om te concluderen dat daadwerkelijk dergelijke zeggenschap wordt uitgeoefend. Deze uitoefening moet van geval tot geval concreet worden vastgesteld aan de hand van aanwijzingen die kunnen aantonen dat de betrokken entiteit zich direct of indirect bezighoudt met het bestuur van die vennootschap.
60 Het bezit, met name door natuurlijke personen, van dergelijke deelnemingen in vennootschappen die een economische activiteit uitoefenen, kan immers dikwijls enkel een uitoefening van eigendomsrechten op een goed vormen, met name wanneer dat bezit het gevolg is van een loutere belegging van middelen door een investeerder (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, EU:C:2006:8, punten 111 en 117).
61 In dit verband impliceert de omstandigheid dat het Letse recht aan elke houder van deelnemingen in het kapitaal van een vennootschap bepaalde rechten verleent die inherent zijn aan de hoedanigheid van aandeelhouder zelf, zoals stemrechten en rechten van deelneming in de aandeelhoudersvergadering, die bevoegd is om bepaalde besluiten betreffende het bestuur van de vennootschap te nemen, op zich niet dat deze houder daadwerkelijk zeggenschap over deze vennootschap uitoefent door zich direct of indirect bezig te houden met het bestuur ervan. Dergelijke rechten vloeien immers ex lege voort uit het enkele bezit van het kapitaal of de enkele hoedanigheid van aandeelhouder en volstaan als zodanig dus niet om een onderscheid te maken tussen de situatie waarin een natuurlijke persoon een economische activiteit uitoefent, die erin bestaat daadwerkelijk zeggenschap over een vennootschap uit te oefenen door zich direct of indirect met het bestuur ervan bezig te houden, en de situatie waarin de deelneming van een dergelijke natuurlijke persoon enkel de uitoefening van eigendomsrechten op een goed vormt, met name wanneer deze deelneming het gevolg is van een loutere belegging van middelen door een investeerder.
62 Zoals de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen in essentie heeft opgemerkt, kunnen andere aanwijzingen, zoals het feit dat de houder van de zeggenschapsdeelnemingen functies uitoefent in de toezichthoudende organen of in de raad van bestuur, dat hij een ondernemer is die dergelijke deelnemingen bezit in verschillende vennootschappen die op gecoördineerde wijze handelen of een gemeenschappelijk doel nastreven of dat hij een commerciële strategie heeft aangekondigd die hij via de onder zeggenschap staande vennootschap wil uitvoeren, daarentegen wel in aanmerking worden genomen om na te gaan of die houder zich direct of indirect bezighoudt met het bestuur van de onderneming en dus daadwerkelijk zeggenschap uitoefent over de activiteiten ervan.
63 In casu blijkt dat de verwijzende rechter de rechtmatigheid dient na te gaan van het besluit van de belastingdienst van 25 maart 2022, dat volgens de verwijzingsbeslissing uitsluitend is gebaseerd op de omstandigheid dat A zeggenschapsdeelnemingen heeft in RRE Tradecenters holding, Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
64 Uit het voorgaande volgt dat het enkele feit dat A in deze vennootschappen zeggenschapsdeelnemingen bezit, waaraan krachtens het Letse recht bepaalde rechten verbonden zijn, op zich niet volstaat om aan te tonen dat deze natuurlijke persoon deze zeggenschap daadwerkelijk uitoefent door zich direct of indirect bezig te houden met het bestuur ervan en daardoor een economische activiteit uitoefent op grond waarvan hij als „onderneming” in de zin van artikel 1 van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 kan worden aangemerkt. Uit dit enkele element kan dus niet worden afgeleid dat Outletico via A met Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings indirecte banden onderhoudt die deze drie vennootschappen kunnen maken tot „verbonden ondernemingen” in de zin van artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I.
65 In deze context staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of in het hoofdgeding aanwijzingen als die welke in punt 62 van het onderhavige arrest zijn vermeld, in aanmerking kunnen worden genomen om te bepalen of A zich direct of indirect bezighoudt met het bestuur van die vennootschappen en dus daadwerkelijk zeggenschap uitoefent over de activiteiten ervan. Indien dat het geval is, kan A zelf als „onderneming” in de zin van artikel 1 van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 worden aangemerkt, via welke Outletico indirect banden onderhoudt met Esterkin Family Investments en IC Industries Holdings die kunnen resulteren in de kwalificatie van deze vennootschappen als „verbonden ondernemingen” in de zin van artikel 3, lid 3, derde alinea.
66 Indien die rechter van oordeel is dat A niet kan worden beschouwd als een „onderneming”, maar voor de toepassing van het begrip „verbonden ondernemingen” als een natuurlijke persoon moet worden beschouwd, staat het aan hem om te onderzoeken of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 3, vierde alinea, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014, in het bijzonder de voorwaarde dat de betrokken ondernemingen hun activiteiten of een deel daarvan op dezelfde markt of op verwante markten uitoefenen.
67 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 1 en artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 aldus moeten worden uitgelegd dat:
– een natuurlijke persoon die een zeggenschapsdeelneming bezit waardoor hij de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders van vennootschappen die een economische activiteit uitoefenen, niet louter om die reden kan worden beschouwd als een entiteit die zelf een economische activiteit uitoefent en dus als een „onderneming” in de zin van artikel 1 van bijlage I, via welke deze vennootschappen indirect banden onderhouden die hen tot „verbonden ondernemingen” in de zin van artikel 3, lid 3, derde alinea, van die bijlage maken;
– een dergelijke natuurlijke persoon daartoe slechts als „onderneming” kan worden aangemerkt indien hij daadwerkelijk de zeggenschap uitoefent die hem door deze deelneming wordt verleend door zich direct of indirect bezig te houden met het bestuur van de betrokken vennootschappen, zodat hij deelneemt aan de economische activiteit die zij uitoefenen;
– het enkele bezit van zeggenschapsdeelnemingen en de statutaire rechten die daaruit naar nationaal recht voor alle aandeelhouders voortvloeien, als zodanig niet volstaat om aan te tonen dat een dergelijke zeggenschap daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
Kosten
68 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 1 en artikel 3, lid 3, derde alinea, van bijlage I bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 [VWEU] met de interne markt verenigbaar worden verklaard, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2020/972 van de Commissie van 2 juli 2020,
moeten aldus worden uitgelegd dat
– een natuurlijke persoon die een zeggenschapsdeelneming bezit waardoor hij de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders van vennootschappen die een economische activiteit uitoefenen, niet louter om die reden kan worden beschouwd als een entiteit die zelf een economische activiteit uitoefent en dus als een „onderneming” in de zin van artikel 1 van bijlage I, via welke deze vennootschappen indirect banden onderhouden die hen tot „verbonden ondernemingen” in de zin van artikel 3, lid 3, derde alinea, van die bijlage maken;
– een dergelijke natuurlijke persoon daartoe slechts als „onderneming” kan worden aangemerkt indien hij daadwerkelijk de zeggenschap uitoefent die hem door deze deelneming wordt verleend door zich direct of indirect bezig te houden met het bestuur van de betrokken vennootschappen, zodat hij deelneemt aan de economische activiteit die zij uitoefenen;
– het enkele bezit van zeggenschapsdeelnemingen en de statutaire rechten die daaruit naar nationaal recht voor alle aandeelhouders voortvloeien, als zodanig niet volstaat om aan te tonen dat een dergelijke zeggenschap daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
ondertekeningen
* Procestaal: Lets.