ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
3 april 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Handels‑ en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds – Overlevering van een persoon aan het Verenigd Koninkrijk met het oog op strafvervolging – Risico op schending van een grondrecht – Artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen – Voor de veroordeelde ongunstige wijziging van de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling”
In zaak C‑743/24 [Alchaster II] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland) bij beslissing van 22 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2024, in de procedure tot tenuitvoerlegging van aanhoudingsbevelen tegen
MA,
in tegenwoordigheid van:
minister for Justice and Equality,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vice-president, F. Biltgen, C. Lycourgos (rapporteur), M. L. Arastey Sahún, D. Gratsias en M. Gavalec, kamerpresidenten, A. Arabadjiev, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei, B. Smulders, M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: M. Krausenböck, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 januari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
MA, vertegenwoordigd door M. Lynam, SC, S. Brittain, BL, en C. Mulholland, solicitor, |
|
– |
de minister for Justice and Equality en Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, D. Curley, S. Finnegan en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door J. Fitzgerald, SC, en A. Hanrahan, SC, |
|
– |
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Fuller als gemachtigde, bijgestaan door V. Ailes en J. Pobjoy, barristers, en J. Eadie, KC, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold, F. Ronkes Agerbeek en J. Vondung als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 februari 2025,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging, in Ierland, van vier aanhoudingsbevelen die de rechterlijke autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tegen MA hebben uitgevaardigd met het oog op strafvervolging. |
Toepasselijke bepalingen
EVRM
|
3 |
Artikel 7, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) bepaalt: „Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.” |
Unierecht
|
4 |
De Handels‑ en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PB 2021, L 149, blz. 10; hierna: „HSO”) bevat onder meer een deel drie, met het opschrift „Samenwerking inzake rechtshandhaving en justitie in strafzaken”, waarin de artikelen 522 tot en met 701 HSO zijn opgenomen. |
|
5 |
Artikel 524 HSO bepaalt: „1. De samenwerking waarin dit deel voorziet, is gebaseerd op de jarenlange eerbiediging door de Partijen en de lidstaten van de democratie, de rechtsstaat en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van personen, zoals onder meer vastgelegd in de [door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948 aangenomen] Universele Verklaring van de rechten van de mens en in het [EVRM], en op het belang de in dat Verdrag neergelegde rechten en vrijheden intern te verwezenlijken. 2. Niets in dit deel doet afbreuk aan de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de rechtsbeginselen zoals die met name zijn neergelegd in het [EVRM] en, in het geval van de [Europese] Unie en haar lidstaten, in het [Handvest].” |
|
6 |
Artikel 604 HSO bepaalt: „De tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan afhankelijk worden gesteld van een van de volgende garanties: […]
|
|
7 |
Artikel 613, lid 2, HSO luidt als volgt: „Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat de door de uitvaardigende staat meegedeelde informatie ontoereikend is om een beslissing over overlevering te kunnen nemen, verzoekt zij erom dat de nodige aanvullende informatie, met name met betrekking tot […] artikel 604 […], met spoed wordt verstrekt en kan zij een termijn voor de inontvangstneming daarvan vaststellen […]”. |
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
|
8 |
Op 26 november 2021 heeft de District Judge of the Magistrates’ Courts of Northern Ireland (districtsrechter in eerste aanleg voor burgerlijke en strafzaken Noord-Ierland, Verenigd Koninkrijk) vier aanhoudingsbevelen tegen MA uitgevaardigd in verband met strafbare feiten van terroristische aard die tussen 18 en 20 juli 2020 in Noord-Ierland (Verenigd Koninkrijk) zouden zijn gepleegd. Op het eerste van deze strafbare feiten staat een gevangenisstraf van ten hoogste tien jaar, terwijl de drie andere strafbare feiten een veroordeling kunnen rechtvaardigen tot een gevangenisstraf voor bepaalde tijd, een verlengde vrijheidsstraf, een vrijheidsstraf voor onbepaalde tijd of een levenslange gevangenisstraf. |
|
9 |
Bij vonnis van 24 oktober 2022 en bij beschikkingen van 24 oktober en 7 november 2022 heeft de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) de overlevering van MA aan het Verenigd Koninkrijk bevolen en hem geen toestemming verleend om hoger beroep in te stellen bij de Court of Appeal (rechter in tweede aanleg, Ierland). |
|
10 |
Bij beslissing van 17 januari 2023 heeft de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland), de verwijzende rechter in deze zaak, MA toestemming verleend om hoger beroep in te stellen tegen dat vonnis en die beschikkingen van de High Court. |
|
11 |
MA voert voor de verwijzende rechter aan dat zijn overlevering aan het Verenigd Koninkrijk onverenigbaar is met het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, omdat zijn eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling, indien hij tot een gevangenisstraf zou worden veroordeeld, zou worden beheerst door een regeling van het Verenigd Koninkrijk die is vastgesteld na het vermeende plegen van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en die strenger is dan de regeling die ten tijde van het plegen van die feiten van toepassing was. |
|
12 |
De verwijzende rechter heeft het betoog van MA betreffende een risico op schending van artikel 7 EVRM afgewezen, waarna hij heeft overwogen dat er onzekerheid bestond omtrent de noodzaak om daarnaast nog te onderzoeken of er een risico op schending van artikel 49, lid 1, van het Handvest bestond en, in voorkomend geval, omtrent de wijze waarop dit onderzoek diende te worden verricht. Derhalve heeft hij op 7 maart 2024 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging van de HSO te stellen. |
|
13 |
In het arrest van 29 juli 2024, Alchaster (C‑202/24, EU:C:2024:649), heeft het Hof deze vraag beantwoord en geoordeeld dat artikel 524, lid 2, en artikel 604, onder c), HSO, gelezen in samenhang met artikel 49, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een persoon tegen wie op grond van de HSO een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aanvoert dat er bij zijn overlevering aan het Verenigd Koninkrijk sprake zou zijn van een risico op schending van artikel 49, lid 1, van het Handvest vanwege een – voor hem ongunstige – wijziging van de voorwaarden voor voorwaardelijke invrijheidstelling, die heeft plaatsgevonden na het vermeende plegen van het strafbare feit waarvoor deze persoon wordt vervolgd, de uitvoerende rechterlijke autoriteit het bestaan van dit risico zelfstandig moet beoordelen alvorens zich uit te spreken over de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel, al heeft die rechterlijke autoriteit het risico op schending van artikel 7 van het EVRM reeds uitgesloten op grond van de door het Verenigd Koninkrijk algemeen geboden garanties met betrekking tot de naleving van dat verdrag en de mogelijkheid voor die persoon om beroep in te stellen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Die uitvoerende rechterlijke autoriteit mag de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel vervolgens slechts weigeren wanneer zij, na de uitvaardigende rechterlijke autoriteit te hebben verzocht om aanvullende informatie en garanties, beschikt over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit blijkt dat er een reëel risico bestaat dat de omvang van de straf die gold toen het betreffende strafbare feit werd gepleegd, wordt gewijzigd en er daardoor een zwaardere straf wordt opgelegd dan de straf die aanvankelijk gold. |
|
14 |
Gelet op dit antwoord heeft de verwijzende rechter de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 613, lid 2, HSO verzocht om aanvullende informatie over de regeling van het Verenigd Koninkrijk die op MA van toepassing zou zijn indien hij voor een of meer van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd, zou worden veroordeeld. De District Judge of the Magistrates’ Courts of Northern Ireland heeft op 17 september 2024 op dit verzoek geantwoord. |
|
15 |
Op basis van onder meer dit antwoord zet de verwijzende rechter uiteen dat de rechter die een gevangenisstraf voor bepaalde tijd oplegt, volgens de regeling die in Noord-Ierland van toepassing was op het tijdstip waarop de in het hoofdgeding centraal staande feiten zouden zijn gepleegd, een „detentieperiode” diende te bepalen, die niet langer mocht zijn dan de helft van de duur van de opgelegde straf en na afloop waarvan de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid moest worden gesteld. |
|
16 |
Krachtens de nieuwe regeling die sinds 30 april 2021 in Noord-Ierland geldt en die ook van toepassing is op strafbare feiten die vóór die datum zijn gepleegd, bestaat een gevangenisstraf voor bepaalde tijd voor een „gekwalificeerd terroristisch misdrijf” (specified terrorism offence) uit een door de rechter te bepalen „passende detentieperiode” plus een periode van een jaar, in de loop waarvan de veroordeelde voorwaardelijk wordt vrijgelaten, waarbij de totale duur van deze perioden niet langer mag zijn dan de maximale gevangenisstraf. De betrokkene kan ook voorwaardelijk worden vrijgelaten na twee derde van de „passende detentieduur” te hebben uitgezeten, mits de Parole Commissioners (reclasseringsambtenaren, Verenigd Koninkrijk) ervan overtuigd zijn dat het ter bescherming van de samenleving niet noodzakelijk is om de detentie voort te zetten. |
|
17 |
De verwijzende rechter preciseert dat de grieven van MA uitsluitend betrekking hebben op de wijzigingen van de regeling inzake gevangenisstraffen voor bepaalde tijd, zodat de regels die gelden voor de voorwaardelijke invrijheidstelling van een persoon die is veroordeeld tot een verlengde vrijheidsstraf, een vrijheidsstraf voor onbepaalde tijd of een levenslange gevangenisstraf, niet relevant zijn in het hoofdgeding. |
|
18 |
Naar het oordeel van deze rechter bestaat er een reële mogelijkheid dat MA bij overlevering aan het Verenigd Koninkrijk tot een gevangenisstraf voor bepaalde tijd zou worden veroordeeld. Hoewel de maximumstraf voor het eerste strafbare feit in het hoofdgeding nog steeds tien jaar is, hebben de in het hoofdgeding centraal staande wijzigingen van de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling onder meer tot gevolg dat personen die wegens het plegen van een „gekwalificeerd terroristisch misdrijf” tot een dergelijke straf zijn veroordeeld, langer in detentie zullen blijven. |
|
19 |
MA en de minister for Justice and Equality (Ierland) verschillen van mening over de vraag of deze wijzigingen verenigbaar zijn met het legaliteitsbeginsel inzake straffen, aangezien daarmee wordt getornd aan een regeling die voorzag in automatische voorwaardelijke invrijheidstelling. In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of deze wijzigingen niettemin kunnen worden geacht uitsluitend betrekking te hebben op de tenuitvoerlegging van straffen, dan wel of zij moeten worden beschouwd als een wijziging met terugwerkende kracht van de omvang van de straf die in geval van overlevering aan het Verenigd Koninkrijk voor MA zou gelden. |
|
20 |
Tegen deze achtergrond heeft de Supreme Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Indien op een persoon die schuldig is bevonden aan een of meer strafbare feiten en is veroordeeld tot een tijdelijke vrijheidsstraf, gewijzigde regels worden toegepast die ertoe zouden leiden dat hij ten minste twee derde van die straf moet uitzitten en vervolgens slechts onder bepaalde voorwaarden recht op voorwaardelijke invrijheidstelling heeft, afhankelijk van een beoordeling of hij een gevaar vormt, terwijl hij op grond van de regels die van toepassing waren ten tijde van de vermeende strafbare feiten van rechtswege automatisch recht op voorwaardelijke invrijheidstelling zou hebben gehad na de helft van die straf te hebben uitgezeten, betekent dit dan dat hem een ‚zwaardere straf’ wordt opgelegd dan de straf die gold ten tijde van de vermeende strafbare feiten zodat er derhalve sprake is van schending van artikel 49, lid 1, van het Handvest?” |
Procedure bij het Hof
|
21 |
Bij beschikking van 26 november 2024, MA (C‑743/24, EU:C:2024:983), heeft de president van het Hof besloten het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. |
Beantwoording van de prejudiciële vraag
|
22 |
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van oplegging van een zwaardere straf wanneer op een persoon die tot een gevangenisstraf voor bepaalde tijd zou worden veroordeeld, een regeling wordt toegepast volgens welke die persoon ten minste twee derde van een vastgestelde detentieperiode moet uitzitten voordat hij in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, die invrijheidstelling afhankelijk is van het oordeel van een gespecialiseerde autoriteit dat voortzetting van de detentie van de betrokkene niet langer noodzakelijk is ter bescherming van de samenleving en de betrokkene één jaar voor het einde van de opgelegde straf voorwaardelijk moet worden vrijgelaten, terwijl hij volgens de regels die golden op het moment dat de betrokken strafbare feiten zouden zijn gepleegd, automatisch voorwaardelijk had moeten worden vrijgelaten nadat hij de helft van die straf had uitgezeten. |
|
23 |
Artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest bepaalt dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. |
|
24 |
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 49 van het Handvest op zijn minst dezelfde garanties bevat als die welke zijn opgenomen in artikel 7 EVRM, waarmee krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest rekening moet worden gehouden als minimumbeschermingsniveau (arrest van 29 juli 2024, Alchaster,C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
25 |
Aangezien de gestelde vraag betrekking heeft op de toepassing van wijzigingen van een regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling op een persoon die tot een vrijheidsstraf voor bepaalde tijd zou worden veroordeeld voor een strafbaar feit dat is gepleegd voordat die wijzigingen van kracht zijn geworden, zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat voor de toepassing van artikel 7 EVRM een onderscheid moet worden gemaakt tussen een maatregel die in wezen een „straf” vormt en een maatregel die betrekking heeft op de „tenuitvoerlegging” of „uitvoering” van de straf. Wanneer de aard en het doel van een maatregel betrekking hebben op de kwijtschelding van een straf of een wijziging van de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling, maakt die maatregel dus geen deel uit van de „straf” in de zin van artikel 7 EVRM (EHRM, 21 oktober 2013, Del Río Prada tegen Spanje, CE:ECHR:2013:1021JUD004275009, § 83, en arrest van 29 juli 2024, Alchaster,C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 94). |
|
26 |
Aangezien het onderscheid tussen een „straf” en een maatregel met betrekking tot de „tenuitvoerlegging” van een straf in de praktijk niet altijd duidelijk is, moet om te bepalen of een maatregel alleen betrekking heeft op de wijze van tenuitvoerlegging van de straf of integendeel de omvang ervan beïnvloedt, in elk afzonderlijk geval worden onderzocht wat de opgelegde „straf” volgens het op het betrokken tijdstip geldende nationale recht juist inhield of, met andere woorden, wat de intrinsieke aard ervan was (EHRM, 21 oktober 2013, Del Río Prada tegen Spanje, CE:ECHR:2013:1021JUD004275009, §§ 85 en 90, en arrest van 29 juli 2024, Alchaster,C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 95). |
|
27 |
In dit verband heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bevestigd dat de omstandigheid dat de na een veroordeling ingevoerde verhoging van de minimumdrempel om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling tot verzwaring van de detentie heeft kunnen leiden, betrekking had op de tenuitvoerlegging van de straf en niet op de straf zelf, en dat uit een dergelijke omstandigheid bijgevolg niet kon worden afgeleid dat de opgelegde straf zwaarder zou zijn dan die welke was opgelegd door de bodemrechter (EHRM, 31 augustus 2021, Devriendt tegen België, CE:ECHR:2021:0831DEC003556719, § 29, en arrest van 29 juli 2024, Alchaster,C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 96). |
|
28 |
De retroactieve toepassing van een maatregel waarbij een verkortbare levenslange gevangenisstraf werd geconverteerd naar een niet-verkortbare levenslange gevangenisstraf, is daarentegen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in strijd geacht met artikel 7 EVRM (EHRM, 10 november 2022, Kupinskyy tegen Oekraïne, CE:ECHR:2022:1110JUD000508418, §§ 56 en 64). |
|
29 |
Derhalve is een maatregel die betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een straf slechts onverenigbaar met artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest wanneer die maatregel leidt tot retroactieve wijziging van de omvang van de straf die gold toen het betrokken strafbare feit beweerdelijk werd gepleegd en er daardoor een zwaardere straf wordt opgelegd dan de straf die aanvankelijk gold. Hoewel dit hoe dan ook niet het geval is als die maatregel alleen maar tot gevolg heeft dat de minimumdrempel om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verhoogd, kan dit ook anders zijn, met name wanneer de betrokken maatregel de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling in wezen afschaft of wanneer die maatregel deel uitmaakt van een reeks maatregelen die ertoe leiden dat de aanvankelijk opgelegde straf intrinsiek zwaarder wordt (arrest van 29 juli 2024, Alchaster,C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 97). |
|
30 |
Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat een nationale regeling voor strafbare feiten die vóór de inwerkingtreding ervan zijn gepleegd, voorziet in een verlenging van het deel van een gevangenisstraf dat noodzakelijkerwijs in detentie moet zijn doorgebracht voordat voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden gelast, op zich niet tot schending van artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest kan leiden. |
|
31 |
De gestelde vraag heeft echter betrekking op wijzigingen van een regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling die verder gaan dan louter de verhoging van de drempel voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het specifieke kenmerk van deze wijzigingen is namelijk dat zij afdoen aan een regel die in automatische voorwaardelijke invrijheidstelling voorziet wanneer de helft van de straf is uitgezeten. Voor deze regel komt een stelsel in de plaats dat voorwaardelijke invrijheidstelling in eerste instantie afhankelijk stelt van een beoordeling door een gespecialiseerde autoriteit van het gevaar dat de veroordeelde oplevert nadat een vooraf bepaald deel van de straf is uitgezeten, waarna die persoon in tweede instantie een jaar voor het einde van de straf van rechtswege voorwaardelijk in vrijheid moet worden gesteld. |
|
32 |
Deze wijziging leidt op zich inderdaad tot een verzwaring van de detentie. Zo creëert zij onzekerheid ten aanzien van het tijdstip waarop een veroordeelde persoon voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt en kan zij tot gevolg hebben dat deze invrijheidstelling soms pas in het laatste jaar van de opgelegde straf plaatsvindt, terwijl die persoon op grond van de regeling die ten tijde van de vermeende strafbare feiten gold, de zekerheid had dat hij van rechtswege op een eerdere datum dan in dat laatste jaar in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. |
|
33 |
Uit de in de punten 27 en 29 van dit arrest aangehaalde rechtspraak komt echter naar voren dat de omstandigheid dat wijzigingen van de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling tot een verzwaring van de detentie leiden, niet noodzakelijkerwijs impliceert dat een strengere straf wordt opgelegd in de zin van artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest. |
|
34 |
Deze overweging vloeit voort uit het onderscheid tussen enerzijds het begrip „straf”, in de zin van de veroordeling die is of kan worden uitgesproken, en anderzijds het begrip maatregelen met betrekking tot de „tenuitvoerlegging” of de „uitvoering” van de straf. Zij geldt niet alleen voor een verhoging van de drempel voor voorwaardelijke invrijheidstelling, maar ook voor wijzigingen van andere voorwaarden waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling afhangt of van de procedurevoorschriften die daarop van toepassing zijn. |
|
35 |
Voor zover deze wijzigingen niet tot gevolg hebben dat de mogelijkheid van een dergelijke invrijheidstelling in wezen wordt afgeschaft en zij niet tot een verzwaring leiden van de aard van de straf die gold toen de betrokken strafbare feiten werden gepleegd, is de toepassing ervan op strafbare feiten die vóór het van kracht worden ervan zijn gepleegd, dus niet in strijd met artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest. |
|
36 |
Wat de eerste van deze beide voorwaarden aangaat, zij onderstreept dat een wijziging als bedoeld in punt 31 van dit arrest in rechte noch in de praktijk tot gevolg heeft dat de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling in wezen wordt afgeschaft. |
|
37 |
Ten eerste laat een dergelijke wijziging immers de mogelijkheid onverlet om, afhankelijk van de vraag of de veroordeelde persoon als gevaarlijk wordt beoordeeld, diens voorwaardelijke invrijheidstelling te gelasten zodra de in de relevante nationale regeling vastgestelde drempel om daarvoor in aanmerking te komen is bereikt. |
|
38 |
Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt niet dat de uitoefening van de bevoegdheden van de reclasseringsambtenaren ertoe zou kunnen leiden dat de mogelijkheid om een dergelijke invrijheidstelling te gelasten in de praktijk wordt afgeschaft doordat toereikende procedurele waarborgen, onder meer wat betreft de termijn voor de behandeling van verzoeken om voorwaardelijke invrijheidstelling, zouden ontbreken. |
|
39 |
Ten tweede moet voorwaardelijke invrijheidstelling ten gevolge van een wijziging als bedoeld in punt 31 van dit arrest hoe dan ook een jaar voor het einde van de opgelegde straf van rechtswege worden gelast, zodat niet kan worden gesteld dat deze straf voortaan systematisch in zijn geheel moet worden tenuitvoergelegd op grond van de detentieregeling. |
|
40 |
Wat de in punt 35 van dit arrest genoemde tweede voorwaarde aangaat, is niet gebleken dat een wijziging als bedoeld in punt 31 van dit arrest deel uitmaakt van een reeks maatregelen die ertoe leiden dat de aanvankelijk opgelegde straf intrinsiek zwaarder wordt. |
|
41 |
Dienaangaande zij opgemerkt dat deze wijziging niet leidt tot verlenging van de maximale duur van de voor een strafbaar feit geldende gevangenisstraf voor bepaalde tijd die ten uitvoer zal worden gelegd volgens de uit deze wijziging voortvloeiende regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling. Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de maximale duur van de gevangenisstraf voor het eerste strafbare feit in het hoofdgeding nog steeds tien jaar is. |
|
42 |
Zowel op grond van laatstgenoemde regeling als op grond van de voorschriften betreffende voorwaardelijke invrijheidstelling die van toepassing waren ten tijde van het vermeende plegen van de betrokken strafbare feiten, zou de duur van de door de strafrechter op te leggen gevangenisstraf gelijk zijn aan de maximale periode dat de veroordeelde persoon uiteindelijk in detentie zou kunnen worden geplaatst. |
|
43 |
Beide regelingen inzake voorwaardelijke invrijheidstelling waarop de prejudiciële vraag doelt, bieden namelijk de mogelijkheid om iemand die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, binnen de grenzen van de bij zijn veroordeling vastgestelde duur van de gevangenisstraf opnieuw in detentie te plaatsen wanneer het gedrag van die persoon intrekking van die invrijheidstelling rechtvaardigt. Geen van deze regelingen garandeert dus dat de betrokkene op vrije voeten blijft gedurende een vooraf bepaald deel van de door de strafrechter op te leggen gevangenisstraf. |
|
44 |
Wat betreft de voorwaarden voor voorwaardelijke invrijheidstelling zoals die uit een wijziging als bedoeld in punt 31 van dit arrest voortvloeien, zij er voorts op gewezen dat het criterium van het gevaar dat de veroordeelde persoon oplevert – hetgeen moet worden beoordeeld op het moment van zijn eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling – een gebruikelijk criterium in het gevangenisbeleid is, zoals de advocaat-generaal in punt 96 van zijn conclusie heeft opgemerkt. Een dergelijk criterium vooronderstelt een prospectieve beoordeling van het gedrag dat in het licht van zijn situatie van de veroordeelde kan worden verwacht nadat hij een substantieel deel van zijn straf in detentie heeft uitgezeten. Dit vergt derhalve een andersoortige beoordeling dan de beoordeling die aanvankelijk bij het uitspreken van de veroordeling is verricht, waardoor dit criterium naar zijn aard gekoppeld is aan de tenuitvoerlegging van de straf. |
|
45 |
Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt niet dat de reclasseringsambtenaren over een zuiver discretionaire bevoegdheid beschikken die verder gaat dan de beoordelingsbevoegdheid die hun is verleend om onder meer te evalueren of de veroordeelde na uitzitting van een substantieel deel van zijn straf in detentie nog steeds een gevaar oplevert. Met name blijkt niet uit dit dossier dat deze ambtenaren zich mogen baseren op overwegingen van strafbeleid die losstaan van deze beoordeling. |
|
46 |
Derhalve kan noch de omstandigheid dat wijzigingen van de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling zoals die in het hoofdgeding aan de orde zijn slechts bepaalde categorieën veroordeelde personen betreffen, noch de aan deze wijzigingen ten grondslag liggende motivering ertoe leiden dat zij onverenigbaar zijn met artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest. Deze omstandigheid en deze motivering zijn namelijk niet van invloed op de gevolgen van deze wijzigingen voor de objectieve situatie van deze personen, zodat zij als zodanig niet de conclusie wettigen dat deze wijzigingen ertoe leiden dat op deze personen een zwaardere straf wordt toegepast. |
|
47 |
Gelet op een en ander moet de gestelde vraag in die zin worden beantwoord dat artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat er geen sprake is van oplegging van een zwaardere straf wanneer op een persoon die tot een gevangenisstraf voor bepaalde tijd zou worden veroordeeld, een regeling wordt toegepast volgens welke deze persoon ten minste twee derde van een vastgestelde detentieperiode moet uitzitten alvorens voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking te komen, deze invrijheidstelling afhangt van het oordeel van een gespecialiseerde autoriteit dat voortzetting van de detentie van die persoon niet langer noodzakelijk is ter bescherming van de samenleving, en die persoon een jaar voor het einde van de opgelegde straf noodzakelijkerwijs in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, terwijl hij volgens de regels die ten tijde van het vermeende plegen van de betrokken strafbare feiten golden, automatisch voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking had moeten komen nadat hij de helft van deze straf had uitgezeten. |
Kosten
|
48 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht: |
|
Artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie |
|
moet aldus worden uitgelegd dat |
|
er geen sprake is van oplegging van een zwaardere straf wanneer op een persoon die tot een gevangenisstraf voor bepaalde tijd zou worden veroordeeld, een regeling wordt toegepast volgens welke deze persoon ten minste twee derde van een vastgestelde detentieperiode moet uitzitten alvorens voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking te komen, deze invrijheidstelling afhangt van het oordeel van een gespecialiseerde autoriteit dat voortzetting van de detentie van die persoon niet langer noodzakelijk is ter bescherming van de samenleving, en die persoon een jaar voor het einde van de opgelegde straf noodzakelijkerwijs in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, terwijl hij volgens de regels die ten tijde van het vermeende plegen van de betrokken strafbare feiten golden, automatisch voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking had moeten komen nadat hij de helft van deze straf had uitgezeten. |
|
Ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Engels.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.